Bijlage Was wordt-lijst - verkorte versie
Tekst van het document
BIJLAGE ‘was-wordt’ lijst was
wordt
ASV 2020
toelichting
ASV2021
nieuw
Artikel 1 lid 9
nieuw
Algemene reserve: het gedeelte van het eigen vermogen waarover de daartoe bevoegde organen, zonder belemmering door wettelijke of statutaire bepalingen, kan beschikken voor het doel waarvoor de organisatie is opgericht. De reserve wordt gevormd uit exploitatieoverschotten om eventuele toekomstige tekorten op te vangen. Artikel 1 lid 10
nieuw
Bestemmingsreserve: het gedeelte van het eigen vermogen dat door het bestuur is afgezonderd om daaraan een beperktere bestedingsmogelijkheid te geven dan, gezien de doelstelling van de organisatie, zou zijn toegestaan. Artikel 1 lid 11
idem
Egalisatiereserve: een reserve die bedoeld is om de kosten en lasten die ongelijk over boekjaren verdeeld zijn te egaliseren, zoals onderhoudskosten aan gebouwen, waarbij het daadwerkelijke onderhoud bijvoorbeeld eens in de 10 jaar gebeurt. Artikel 1 lid 12 Subsidie: als bedoeld in artikel 4:21 lid 1 Awb;
De begripsbepaling is aangepast aan de praktijk.
Artikel 1 lid 8 Subsidie: als bedoeld in artikel 4:21 Awb”:
incidentele subsidie: subsidie voor bijzondere projecten of activiteiten die niet behoren tot de reguliere bezigheden van de aanvrager en waarvoor het college slechts voor een van tevoren bepaalde tijd van maximaal drie jaar subsidie wil verstrekken.
Incidentele subsidie: een subsidie die voor maximaal drie achtereenvolgende jaren door het college verstrekt wordt voor een activiteit met een eenmalig of experimenteel karakter of voor een kortlopend project.
De vakafdeling heeft gevraagd om een uniforme uitleg (zie aanpassingen artikel 22).
idem
structurele subsidie: subsidie die voor één of meerdere opeenvolgende periodes van elk maximaal 4 kalenderjaren aan een instelling wordt verstrekt.
Structurele subsidie: een subsidie die door het college verstrekt wordt voor langer dan drie achtereenvolgende jaren.
Artikel 3 Subsidiebeleidsregels
Artikel 3 Subsidieregels
Het college kan bij subsidiebeleidsregel vaststellen welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidie. Voor zover van toepassing, wordt hierin tevens bepaald welke doelgroepen voor subsidie in aanmerking komen, hoe de subsidie wordt berekend, hoe de subsidiebedragen worden uitbetaald en of er een drempelbedrag van toepassing is.
Het college kan bij nadere regeling (subsidieregel) vaststellen welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidie. Voor zover van toepassing, wordt hierin tevens bepaald welke doelgroepen voor subsidie in aanmerking komen, hoe de subsidie wordt berekend, hoe de subsidiebedragen worden uitbetaald, of er een drempelbedrag van toepassing is, of en in hoeverre reservevorming is toegestaan en of er sprake is van aanvullende weigeringsgronden.
Artikel 6 aanvraagcriteria
Artikel 6 aanvraagcriteria
Een aanvraag om subsidie wordt schriftelijk of digitaal ingediend bij het college.
Lid 3 Een aanvraag om subsidie wordt digitaal of schriftelijk ingediend bij het college.
Artikel 6 aanvraagcriteria
Artikel 6 aanvraagcriteria
Lid 5 Een rechtspersoon die voor de eerste keer subsidie aanvraagt, legt tevens over: een exemplaar van de oprichtingsakte of de statuten, alsmede van het jaarverslag, de jaarrekening of de balans van het voorgaande jaar.
Lid 5 Een rechtspersoon die voor de eerste keer subsidie aanvraagt, legt tevens over: de oprichtingsakte of de statuten, en de jaarrekening en jaarverslag van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd.
Artikel 9 beslistermijn
Artikel 9 beslistermijnen
1.
2.
Het college beslist op een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 7, eerste lid, uiterlijk binnen 8 weken na vaststelling van de gemeentebegroting van het jaar waarin de aanvraag is ingediend. 2. Het college beslist op een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 7, tweede en
In lid 1 en 2 is de verwijzing gewijzigd naar artikel 7 gewijzigd in artikel 8.
De aanpassing vloeit voort uit de Wet elektronische publicaties (WEP). De door de ASV2020 gehanteerde subsidiebeleidsregel is per 1 juli 2021 niet meer toegestaan. Het is of een subsidieregel (gebaseerd op de ASV) of een beleidsregel (gebaseerd op de Awb). Omdat de nadere regelgeving gekoppeld is aan de ASV moet er gebruik gemaakt worden van een subsidieregel. De beleidsregel geldt dan alleen nog maar als interne norm. Zie toelichting op artikel 6: Uitgangspunt is dat de aanvraag digitaal moet worden ingediend indien het college daarvoor een digitaal aanvraagformulier beschikbaar heeft gesteld. Aanvrager dient de aanvraag in door in te loggen op de website (met eHerkenning). Leesbaarheid
Onjuiste verwijzing in ASV2020
derde lid, binnen 8 weken nadat de volledige aanvraag is ingediend. Artikel 10 weigeringsgronden Lid 2 Het college kan een aanvraag voor subsidie naast de in artikel 4:35 Awb genoemde gevallen geheel of gedeeltelijk weigeren als redenen bestaan om aan te nemen dat:
a. aan de aanvrager voor dezelfde activiteiten al door een of meer bestuursorganen of anderen voldoende subsidie is verstrekt; b. de aanvrager niet alle benodigde vergunningen en ontheffingen voor de gesubsidieerde activiteiten heeft gekregen of kan krijgen; c. de activiteiten voor een eenmalige subsidie behoren tot de reguliere activiteiten van de aanvrager; d. de aanvraag niet voldoet aan overige regels die zijn gesteld om voor subsidie in aanmerking te komen;
e. het van aanvrager, of een aan hem verbonden organisatie, in redelijkheid verwacht mag worden dat deze ook zonder subsidieverlening over voldoende mogelijkheden beschikt of kan beschikken om, hetzij uit eigen middelen, hetzij uit middelen van derden, de kosten van de te subsidiëren activiteiten (gedeeltelijk) te dekken; f. de aanvrager met de uitvoering van de activiteiten beoogt winst te maken;
Artikel 10 weigeringsgronden Lid 2 Het college kan een aanvraag voor subsidie naast de in artikel 4:35 Awb genoemde gevallen geheel of gedeeltelijk weigeren als redenen bestaan om aan te nemen dat: a. niet of onvoldoende is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het verrichten van de activiteiten waarvoor deze wordt gevraagd; b. de subsidieverstrekking niet is toegestaan totdat de Europese Commissie met toepassing van artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie verenigbaar is met de interne markt; c. voor dezelfde activiteiten al door andere bestuursorganen voldoende subsidie is verstrekt; d. de activiteiten voor een eenmalige subsidie reeds behoren tot de reguliere activiteiten van die aanvrager; e. de aanvraag niet voldoet aan de overige voorwaarden die zijn gesteld om voor subsidie in aanmerking te komen; f. dergelijke of daarmee vergelijkbare activiteiten, reeds door of namens de gemeente worden georganiseerd dan wel gesubsidieerd; g. het van aanvrager, of een aan hem verbonden organisatie, in redelijkheid verwacht mag worden dat deze ook zonder subsidieverlening over voldoende mogelijkheden beschikt of kan beschikken om, hetzij uit eigen middelen, hetzij uit middelen van derden, de kosten van de te subsidiëren activiteiten (gedeeltelijk) te dekken; h. de aanvrager met de uitvoering van de activiteiten beoogt winst te maken; i.
sprake is van de voorwaarden bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. j. De subsidieverlening in strijd is met de in de betrokken subsidieregeling bepaalde gevallen.
a, b en c, h en l zijn aangevuld vanuit de praktijkervaringen (bezwaar- en beroep)
g. sprake is van de voorwaarden bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. nieuw Artikel 19 Subsidievaststelling subsidies tot en met € 5.000 1.
Subsidies tot en met € 5.000 kunnen door het college direct worden vastgesteld en binnen 8 weken nadat de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht, ambtshalve vastgesteld. 2. Als bij verlengingsbeschikking de subsidieaanvrager wordt verplicht om op de daarbij aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen, vindt de vaststelling plaats binnen 8 weken nadat de gevraagde inlichtingen zijn verstrekt. 3. In geval van verlening van een subsidie van ten hoogste € 5.000 wordt een voorschot verstrekt ter hoogte van de verleende subsidie. Artikel 22 reserves 1. Bij verleningsbeschikking kan worden bepaald dat de subsidieontvanger van een per kalenderof boekjaar verstrekte subsidie > € 50.000 een egalisatie- of andere reserve als bedoeld in artikel 4:72, eerste lid, van de wet vormt. 2. De egalisatiereserve bedraagt maximaal: a. 15% van de totale exploitatie (lasten) voor instellingen die personeel in dienst hebben. b. 10% van de totale exploitatie (lasten) voor instellingen zonder personeel in dienst. c. € 2.500 voor instellingen zonder personeel in dienst met een exploitatie lager dan € 25.000 3.
De aanleg van en dotatie aan (bestemmings- of overige)reserve(s) dan wel voorzieningen geschiedt alleen na toestemming van het college.
Artikel 10 lid 5 Het college kan in een subsidieregel afwijken van lid 2. Artikel 19 vaststelling subsidies tot en met € 5.000
Dit geeft het college de mogelijkheid om per apart beleidsgebied nadere criteria op te nemen.
1. Subsidies tot en met € 5.000 kunnen door het college bij verlening direct worden vastgesteld. 2. Als de aanvrager wordt verplicht om achteraf een verantwoording in te dienen, conform het genoemde in artikel 17, dan vindt de vaststelling plaats binnen 8 weken nadat de gevraagde inlichtingen zijn verstrekt. 3. De in lid 2 genoemde termijn kan eenmaal voor ten hoogste 6 weken worden verdaagd. 4. Het college kan bij subsidieregel afwijken van het in lid 1 en 2 bepaalde.
Lid 1 ASV2020 zinsgedeelte na ‘vastgesteld’ geschrapt, hoort bij lid 2.
Artikel 22 reserves
Dit artikel is aangepast omdat er vanuit het beleidsveld vraag is naar een uniforme omschrijving en hantering van de verschillende soorten reserve.
1.
2.
Indien sprake is van een per kalenderjaar verstrekte subsidie > € 50.000, kan het college de subsidieontvanger verplichten om een egalisatiereserve als bedoeld in artikel 4:72, eerste lid, van de Awb te vormen. De egalisatiereserve bedraagt maximaal: a. 15% van de totale exploitatie (lasten) voor organisaties die personeel in dienst hebben. b. 10% van de totale exploitatie (lasten) voor organisaties zonder personeel in dienst. De ontvanger van een andere per kalenderjaar verstrekte subsidie dan bedoeld in het eerste lid kan het college verzoeken een egalisatiereserve te mogen vormen. In dat geval is artikel 4:72 van de Awb van overeenkomstige toepassing. De egalisatiereserve bedraagt maximaal:
Lid 4 is toegevoegd om ten aanzien van specifieke beleidsonderdelen af te kunnen wijken.
a.
15% van de totale exploitatie (lasten) voor organisaties die personeel in dienst hebben. b. 10% van de totale exploitatie (lasten) voor organisaties zonder personeel in dienst, waarbij de egalisatiereserve wordt genormeerd op € 2.500 indien de exploitatie lager is dan € 25.000. 3. Bij de aanleg van een bestemmingsreserve vraagt de subsidieontvanger toestemming aan het college. In dat geval is artikel 4:71 van de Awb van overeenkomstige toepassing. Hierbij wordt door de aanvrager aangegeven wat het doel van de bestemmingsreserve en de maximale hoogte van de bestemmingsreserve is. 4. De algemene reserve van de subsidieontvanger, bedraagt maximaal: a. 15% van de totale exploitatie (lasten) voor instellingen die personeel in dienst hebben. b. 10% van de totale exploitatie (lasten) voor instellingen zonder personeel in dienst. c. € 2.500 voor instellingen zonder personeel in dienst met een exploitatie lager dan € 25.000. 5. Het college kan, bij subsidieregel of beschikking, afwijken van het in dit artikel bepaalde.
Lid 5 is toegevoegd om ten aanzien van specifieke beleidsonderdelen af te kunnen wijken