Bijlage Verkennend bodemonderzoek zuidelijk deelgebied - AVG
Tekst van het document
@]
anteagroup
Rapport bodemonderzoek ctnummer 413311
Verkennend bodemonderzoek Zilkerduinweg te De Zilk
definitief
en
15 mei 2017
Improving tomorrow.
2
anteagroup
Verkennend bodemonderzoek Zilkerduinweg te De Zilk
projectnummer 1992-413311 definitief revisie 00 15 mei 2017
pdrachtgever
Gemeente Noordwijkerhout - Ruimtelijke Ordening Postbus 1
2210 AA Noordwijkerhout
datum vrijgave _ beschrijving revisie 00
Lr
| definier
anteagroup
Inhoudsopgave 1
Inleiding
2
Vooronderzoek
21 2.2 23 24
Algemeen Terreinbeschrijving Voormalig- en huidig gebruik Toekomstig gebruik
25
Bodemopbouw en geohydrologie
26
Conclusie vooronderzoek en hypothese
3
Verrichte werkzaamheden
3.1 3.2
Veldwerkzaamheden Laboratoriumonderzoek
4
Onderzoeksresultaten
41 42 421
Lokale bodemopbouw en veldwaarnemingen Analyseresultaten Toetsingskader
43 431
Grond Grondwater
ON
5
Conclusies
10
51
Toetsing hypothese
10
5.2
Aanbevelingen
10
Bijlage 1 Toelichting op bodemonderzoek Bijlage 2 Profielbeschrijvingen en veldwaarnemingen
Bijlage 3 Toetsing grondmonsters aan Wet bodembescherming Bijlage 4 Toetsing grondwatermonsters aan Wet bodembescherming Bijlage 5 Normen grond Wet bodembescherming
Bijlage 6 Normen grondwater Wet bodembescherming Bijlage 7 Toetsing grondmonsters aan Besluit bodemkwaliteit
swrN uwa
o
anteagroup
Bijlage 8 Normen Besluit bodemkwaliteit Bijlage 9 Analysecertificaten grond Bijlage 10 Analysecertificaten grondwater Bijlage 11 Verantwoording uitvoering onderzoek BRL 2000 Bijlage 12 Tekening
o
anteagroup
1
Inleiding verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter hoogte de Zilkerduinweg te De Zilk. Aanleiding
De aanleiding van het onderzoek is de voorgenomen aankoop van de locatie door de gemeente Noordwijkerhout. Doel
Het doel van het verkennend onderzoek is het vastleggen van de kwaliteit van de bodem in het Kader van de mogelijke aankoop. Hiermee kunnen toekomstige gebruiksmogelijkheden worden
bepaald. Situatie
De onderzoekslocatie is gelegen aan de Zilkderduinweg te De Zilk (gemeente Noordwijkerhout). De gemeente is voornemens om het de onderzochte percelen te kopen van de provincie ZuidHolland en deze te ontwikkelen tot woonlocaties.
Onderzoeksstrategie en kwaliteit Het bodemonderzoek is gebaseerd op de richtlijnen uit de NEN 5740 (Onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek).
Met betrekking tot de kwaliteitsaspecten, toegepaste methoden en betrouwbaarheid/garanties van het onderzoek wordt verwezen naar bijlage 1. In dit rapport wordt verslag gedaan van de uitgevoerde werkzaamheden en worden de resultaten van het onderzoek beschreven.
Blad 1van 10
o
anteagroup
Vooronderzoek 2.1
Algemeen Bij toepassing van de NEN 5740 moet een hypothese worden opgesteld omtrent de aan-/ afwezigheid, de aard en de ruimtelijke verdeling van eventuele verontreinigingen. Ten behoeve van het opstellen van een hypothese dient een vooronderzoek te worden uitgevoerd overeenkomstig de NEN 5725 (Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek). Aangezien er in 2014 nog bodemonderzoek heeft plaatsgevonden, waarbij ook een
vooronderzoek is uitgevoerd, is bij de gemeente nagegaan in hoeverre er sindsdien bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden.
Er is informatie verzameld over de volgende aspecten van de locatie: -_voormalig gebruik -_huidig gebruik
-_
toekomstig gebruik
-_bodemopbouw en geohydrologie
Voor het vaststellen van het voormalige en huidige gebruik van de locatie is informatie verkregen van de opdrachtgever. De volgende bronnen zijn gehanteerd:
www.topotijdreis.nl; _www.bodemloket.nl
_ *__
Globespotter; Grondwaterkaart van Nederland (DGV-TNO); __Door opdrachtgever aangeleverde informatie.
2.2
Terreinbeschrijving De onderzoekslocatie betreft een groenstrook gelegen op het talud van de N206. Deze is gelegen aan de Zilkerduinweg. Het terrein heeft een oppervlakte van ca. 2.100 m? en is onbebouwd.
2.3
Voormalig- en huidig gebruik Voor het vaststellen van het voormalige gebruik is de rapportage van het onderzoek uit 2014
geraadpleegd. Dit onderzoek was uitgevoerde op het naastgelegen perceel. Daarnaast is, informatie ingewonnen bij de gemeente Noordwijkerhout en is gebruik gemaakt van de informatie van de website www.topotijdreis.nl.
Uit de informatie blijkt dat de onderzoekslocatie voor zover bekend sinds het einde van de jaren BO in gebruik is als groenstrook naast de provinciale weg. Daarvoor maakte de locatie deel uit van het duingebied dat zich uitstrekte vanaf De Zilk tot aan de kust. De locatie is in het verleden
Blad2van 10
o
anteagroup
niet bebouwd geweest. Er hebben geen bodembedreigende activiteiten op de locatie plaats
gevonden. Bodemonderzoeken
In de directe omgeving van de onderzoekslocatie zijn eerder bodemonderzoeken uitgevoerd: Verkennend. bodem- en asfaltonderzoek Zilkerduinweg 105 te De Zilk, IDDS, 10028886, 8 april 2010
Het onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van een voorgenomen eigendomsoverdracht. Deze locatie ligt ten (noord-oosten van de huidige onderzoekslocatie.
Tijdens het onderzoek zijn in enkele boringen zintuiglijk sporen tot maximaal matige bijmengingen aan slakken, baksteen en/of puin aangetroffen. In de bovengrond zijn maximaal licht verhoogde gehalten aan lood en PAK. De ondergrond, waarin bodemvreemde bijmengingen
zijn aangetroffen, bevat licht verhoogde gehalten aan lood, PAK en minerale olie. In de zintuiglijk schone ondergrond is verder geen overschrijding van de achtergrondwaarde gemeten voor de geanalyseerde parameters. Ter plaatse van de zoutopslag is geen cyanide gemeten. In het
grondwater zijn verder geen verhoogde concentraties gemeten. In het onderzoek wordt verder geconcludeerd dat het asfalt ter plaatse niet teerhoudend is. Onder de asfaltverharding is geen puinhoudende funderingslaag aangetroffen. Verkennend- en nader bodemonderzoek, verkennend asbestonderzoek en indicatieve
partijkeuring De Egelantier en sportpark te De Zilk, Antea Group, projectnr. 264392.02, 27 juni 2014
De aanleiding tot het verkennend bodemonderzoek is de voorgenomen verkoop van de
terreinen. Uit het verkennend bodemonderzoek zijn enkele aandachtspunten naar voren gekomen die nader onderzoek behoeven. Tijdens het onderzoek is een ophooglaag aangetroffen met matige tot uiterste bijmengingen met kolengruis en slakken. Hierin zijn sterk verhoogde
gehalten aan PAK en nikkel gemeten. In het grondwater is een sterk verhoogde concentratie aan kwik gemeten. Verder zijn er over het algemeen licht tot matig verhoogde concentraties aangetroffen.
Tankarchief De onderzoekslocatie komt niet voor in het tankarchief. De directe omgeving komt eveneens niet voor in het tankarchief.
Bodemkwaliteitskaart (Bbk)
Uit de bodemkwaliteitskaart van de Omgevingsdienst IJmond blijkt dat de onderzoekslocatie valt binnen de zone AW2000 (achtergrondwaarde). Volgens de bodemfunctiekaart voldoet de bodem ter plaatse aan de functie Wonen.
24
Toekomstig gebruik In de toekomst zal het terrein mogelijk geschikt worden gemaakt voor woningbouw.
Blad 3 van 10
2.5
Bodemopbouw en geohydrologie Voor de plaatselijke bodemopbouw wordt verwezen naar paragraaf 4.1. Ten aanzien van de bodemopbouw en geohydrologie kan het volgende worden vermeld: - freatische grondwaterstand: 2,5 3,0 m -mv. - regionale grondwaterstroming in het eerste watervoerend pakket: zuidoostelijk - voorkomen van oppervlaktewater in de directe omgeving: nee
- voorkomen van brak/zout grondwater: nee - ligging binnen een grondwaterbeschermingsgebied: nee De gegevens over de geohydrologie zijn verkregen uit de Grondwaterkaart van Nederland (DGVTNO) en de actuele kaarten met grondwaterbeschermingsgebieden. 2.6
Conclusie vooronderzoek en hypothese Op basis van de gegevens uit het vooronderzoek luidt de onderzoekshypothese dat de bodem op de onderzoekslocatie mogelijk verontreinigd is met PAK en/of zware metalen. De strategie die is gehanteerd VED-HE-NL (Onderzoeksstrategie voor een verdachte niet-lijnvormige locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming). Op basis van het vooronderzoek wordt geconcludeerd dat de locatie als onverdacht ten aanzien van asbest wordt aangemerkt omdat er geen aanwijzingen zijn voor bodembelastende activiteiten waarbij asbest op of in de bodem terecht is gekomen.
Blad avan 10
Verrichte werkzaamheden 31
Veldwerkzaamheden De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd in maart en april 2017. Het veldwerk is uitgevoerd
conform de BRL 2000 en de onderliggende protocollen 2001 en 2002. In bijlage 11 is aangegeven welke veldmedewerkers de werkzaamheden hebben uitgevoerd. De verrichte werkzaamheden staan weergegeven in onderstaande tabel. Tabel 3.1: Uitgevoerde veldwerkzaamheden
Groenstrook (2.120 m*)
111 0,5 m-mv
11x4,0 mmv
122,0 mmv
H
De boorlocaties zijn weergegeven op situatietekening die als bijlage 12 is bijgevoegd bij deze rapportage. Tijdens het veldwerk boringen te kunnen plaatsen. 3.2
zijn door de gemeente waar nodig struiken gerooid om de
Laboratoriumonderzoek In de onderstaande tabel is een overzicht van de uitgevoerde analyses weergegeven. Tabel
3.2: Laboratoriumond3erzoek
For (0,00-0,50) MMBG_01
0,00 -0,50
103 (0,00-0,50)
log (0,00-0,50)
Standaardpakket incl LUOS
09(0,00-0,50)
110 (0,00 -0,50) MMBG_02
0,00 -0,50
12 (0,00- 0,40)
113 (0,00-0,30)
Standaardpakket incl LUOS
14 (0,00-0,50) 04 (0,00- 0,50)
MMBG_03
0,00 -0,50
L05 (0,00 - 0,50) los (0,00- 0,40)
Standaardpakket incl LUOS
107 (0,00-0,50) +02 (0,50- 1,00) MMOG_01
0,40-1,00 _ 06 (0,40-0,90)
Standaardpakket incl LUOS
}11 (040-050) Foz (1,10- 1,60) MMOG_02
Los (0,90-1,40)
Standaardpakket incl LUOS
Laa (110-160) Foz (1,60-2,00) MMOG_03
Hos (1,60-2,00) {11 (4,70-2,10)
1) Standaardpakketten:
Blad 5 van 10
Standaardpakket incl LUOS
o
anteagroup
grond: _ zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), polychloorbifenylen (PCB som 7), polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK 10 VROM), minerale olie (GC)
Blad 6 van 10
Onderzoeksresultaten 41
Lokale bodemopbouw en veldwaarnemingen De profielbeschrijvingen van de verrichte boringen met de bijbehorende veldwaarnemingen zijn opgenomen in bijlage 1. Uit de profielbeschrijvingen blijkt dat de bodem vanaf maaiveld tot maximale boordiepte van ca.
4,0 m-mv uit matig fijn zand bestaat. In MMM os zijn plastic resten aangetroffen. Daarnaast is plaatselijk roest in de bodem waargenomen. Er zijn echter bij het uitvoeren van het
veldonderzoek zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op bodemverontreiniging.
Tabel tui En 0,00-0,40
06
Zand
resten plastic, Geroerde grond
Tabel 3.3: Metingen en analyse grondwater
u
}3,00-4,00
i2e1
i72
}1600
aar
NEN-grondwater
grondwater: __ zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), vluchtige aromaten (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen, styreen en naftaleen), vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (17 stuks), minerale olie (GC)
4.2
Analyseresultaten
4,21
Toetsingskader De getoetste analyseresultaten van de onderzochte grond- en grondwatermonsters zijn
weergegeven in respectievelijk bijlage 2 en bijlage 3. De analysecertificaten zijn toegevoegd in bijlage 6. De resultaten zijn getoetst aan de actuele achtergrond-, streef- en interventiewaarden uit de Regeling Bodemkwaliteit en de Circulaire bodemsanering. Hiervoor is gebruik gemaakt van BOTOVA-gevalideerde software. De achtergrond-/streef- en interventiewaarden zijn opgenomen in bijlage 4. Een toelichting op het toetsingskader is opgenomen in bijlage 5. In de tekst zal de term verhoogd' worden gebruikt bij gehalten hoger dan de achtergrond- of
streefwaarden en lager dan de interventiewaarden. De term 'sterk verhoogd wordt gebruikt bij gehalten hoger dan of gelijk aan de interventiewaarden. Tevens is bij de getoetste waarden een index opgenomen. Deze index is als volgt berekend: Index = (GSSD - AW) / (l- AW).
Blad 7 van 10
Een negatieve waarde voor de index houdt in dat de gestandaardiseerde meetwaarde (= GSSD) lager is dan de achtergrondwaarde (= AW). Bij een index boven de 1 ligt de gestandaardiseerde meetwaarde boven de interventiewaarde (= I). Een index tussen de 0 en 0,5 betekent dat de gestandaardiseerde meetwaarde (ver) onder de interventiewaarde ligt. Een index tussen de 0,5 en 1 houdt in dat de gestandaardiseerde meetwaarde (dicht) bij de interventiewaarde ligt. Afhankelijk van de specifieke situatie geeft dit mogelijk aanleiding voor het uitsplitsen van een mengmonster en/ of het uitvoeren van een nader onderzoek. 4.3
Grond In de volgende tabel zijn de parameters weergegeven, die de betreffende achtergrond- of
interventiewaarde overschrijden. Daarnaast zijn de gemeten gehalten getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit. Hierbij is een toetsing uitgevoerd van de grond als zijnde ontvangende bodem. Tabel 4.2 Overschrijdingstabel grond (monsterconclusie Wbb Bbk)
MMBG_02 : 10 (0,00-0,50), (0,00-0,50) ; 11 (0,00-0,40), 13 (0,00-0,30), 14 (0,00-0,50)
-
MMBG_O1 701 (0,00-0,50),
Minerale ole
(0,00-0,50) ; 03 (0,00-0,50), 08 (0,00-0,50), }09 (0,00-0,50)
C10-C40
-
-
} Wbb: Voldoet aan chtergrondwaarde, Bbk : Voldoet aan achtergrondwaarde
B
wab: Overschrijding chtergrondwaarde, Bok: } Kwaliteitsklasse.
H
L industrie
MMBG_03 : 04 (0,00-0,50), } resten plastic : (0,00-0,50) 05 (0,00-0,50),
706 (0,00-0,40), }07 (0,00-0,50) MMOG_01 : 02 (0,50-1,00), (0,40-1,00) ; 06 (0,40-0,90), 11 (0,40-0,90) MMOG_02 (0,90-1,60) MMOG_03 (1,50-2,10)
: -
-
-
} achtergrondwaarde Wbb: Voldoet aan chtergrondwaarde, Bbk : Voldoet aan chtergrondwaarde
02 (1,10-1,50),
Webb: Voldoet aan
06 (0,90-1,40), 11 (1,10-1,60)
chtergrondwaarde,
02 (1,50-2,00),
06 (1,50-2,00), 11(1,70-2,10)
Bbk : Voldoet aan
Cadmium, Kuik,
Zink
Lood
chtergrondwaarde Wob: Overschrijding chtergrondwaarde, Bbk: Niet
toepasbaar > industrie
Vanwege de aangetoonde verontreiniging met zink in mengmonster MMOG_03 is dit monster uitgesplitst. De individuele monsters zijn geanalyseerd op de parameter zink. In onderstaande
tabel zijn de resultaten van de uitsplitsing weergegeven.
Bladsvan 10
anteagroup
Tabel 4.3 Resultaten uitsplitsing MMOG_03
025 (1,50-2,00)
02(1,60-2,00) ;chtergrondwaarde, bk : Voldoet aan
t achtergrondwaarde 065 (1,60-2,00)
06 (1,60-2,00)
Wbb: Voldoet aan
chtergrondwaarde, bk : Voldoet aan
chtergrondwaarde
16
F1 1,70-210)
Wbb: Voldoet aan
170-210)
chtergrondwaarde, bk: Voldoet aan
chtergrondwaarde Toelichting AW l,i
+
.
4.3.1
geen veldwaarneming/geen overschrijding AW =achtergrondwaarde, |= interventiewaarde, i= index, zie bijlage Toelichting op bodemonderzoek voor uitleg bij AW len index geen index te bepalen door ontbreken van achtergrond- of interventiewaarde
Grondwater Tabel 4.3: Overschrijdingstabel grondwater
3,0-4,0m-mv
Verklaring tabel: -___: St:
-
<Streefwaarde
H
Geen van de onderzochte parameters overschrijdt de betreffende toetsingswaarde Sr streefwaarde, |: interventiewaarde, index: zie bijlage Toelichting op bodemonderzoek
De zuurgraad (pH) en het elektrische-geleidingsvermogen (EC) zijn niet afwijkend van een natuurlijke situatie.
In het bemonsterde grondwater uit de peilbuis is een verhoogde troebelheid (> 10 NTU) vastgesteld. Een verhoogde troebelheid kan in sommige gevallen leiden tot een overschatting
van de gehalten aan PAK, PCB, OCB, dioxines of andere matig/slecht oplosbare organische
parameters. Bij het voorliggende onderzoek wordt voor geen enkele matig/slecht oplosbare organische parameter de interventiewaarde overschreden. De eventuele overschatting van de
gehalten als gevolg van een verhoogde troebelheid heeft geen gevolgen voor de interpretatie van de onderzoeksgegevens en de conclusies van dit rapport. Aanvullend onderzoek naar de verhoogde troebelheid is daarom niet uitgevoerd.
Blad 9 van 10
Conclusies In het uitgevoerde bodemonderzoek is overeenkomstig de NEN 5740 de milieuhygi nische
bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vastgesteld. Grond
De bodem bestaat tot de maximale boordiepte van 4,0 meter m-mv uit matig fijn zand. Zeer
plaatselijk zijn resten plastic waargenomen (bovengrond NM 6). In de overige boringen zijn zintuiglijk geen bodemvreemde waarnemingen gedaan.
In de bovengrond zijn plaatselijk licht verhoogde concentraties minerale olie aangetoond. Deze zijn niet te relateren aan huidige dan wel voormalige activiteiten op de locatie. Er zijn zintuiglijk
ook geen waarnemingen gedaan die te relateren zijn aan de lichte verontreiniging. In de ondergrond zijn plaatselijk licht verhoogde concentraties zware metalen aangetoond.
Daarnaast was in een mengmonster een matig verhoogde concentratie zink aangetoond. Na uitsplitsing bleek dat in de individuele monsters geen zink meer aanwezig was.
Vanwege de aangetoonde verontreinigingen met minerale olie in de ondergrond gelden er gebruiksbeperkingen op de locatie. Deze zijn afhankelijk van het beoogde gebruik van de locatie. Grondwater
In het grondwater zijn geen verhoogde concentraties gemeten van de geanalyseerde parameters.
Toetsing hypothese De vooraf opgestelde hypothese verdachte locatie wordt formeel gezien aanvaard. Erzijn licht
verhoogde concentraties in de bodem aangetoond. De onderzoeksresultaten geven vanuit de Wet bodembescherming geen aanleiding tot het
uitvoeren van vervolgonderzoek, omdat de gemeten concentraties kleiner zijn dan de betreffende interventiewaarde.
Antea Group Capelle aan den IJssel, mei 2017
Blad 10 van 10
Over Antea Group
Contactgegevens Rivium Westlaan 72
MN caPeLte A/D USseL Postbus 8590 ROTTERDAM T. E.
www.anteagroup.nl
Bijlage 1 Toelichting op bodemonderzoek
anteaaroup
Kwaliteitsaspecten van het onderzoek, de toegepaste methoden en strategie n en
betrouwbaarheid/garanties Betrouwbaarheid/garanties Bodemonderzoek wordt in zijn algemeenheid uitgevoerd door het steekproefsgewijs bemonsteren van al dan
niet verdachte bodemlagen. Hoewel Antea Group conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving handelt, is het juist deze steekproefsgewijze benadering die het onmogelijk maakt garanties ten aanzien van de verontreinigingssituatie af te geven op basis van de resultaten van een bodemonderzoek.
Het vorenstaande betekent dat Antea Group geen aansprakelijkheid accepteert ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Antea Group uitgevoerde bodemonderzoek
neemt. In een voorkomend geval adviseren wij u altijd contact op te nemen met uw aanspreekpunt binnen Antea Group.
In dit kader kan ook worden opgemerkt dat de voor het historisch onderzoek geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Voor het verkrijgen van historische informatie is Antea Group wel afhankelijk van deze bronnen, waardoor Antea Group niet kan instaan voor de juistheid en volledigheid van de verzamelde historische informatie.
Certificatie/accreditatie Antea Group is gecertificeerd volgens NEN-ISO 9001. Ons bureau is lid van de Vereniging Kwaliteitsborging Bodemonderzoek (VKB). Het veldwerk is uitgevoerd conform de BRL SIKB 2000 (Beoordelingsrichtlijn voor het SIKB-proces-certificaat voor veldwerk bij milieuhygi nisch bodemonderzoek). Antea Group is volgens dit SIKB-procescertificaat gecertificeerd en erkend. Eventuele afwijkingen van de beoordelingsrichtlijn zijn in voorliggend rapport vermeld. In de bijlage Verantwoording uitvoering onderzoek BRL 2000' staan de namen en parafen van de veldmedewerkers die de kritische functies binnen het veldwerk hebben uitgevoerd. De naleving van de kwaliteitseisen en procedures wordt periodiek getoetst door interne auditors en externe
auditors, onder toezicht van de Raad voor Accreditatie (RvA). De onderzochte locatie is niet in eigendom van Antea Group of gerelateerde zusterbedrijven.
De in het bodemonderzoek benodigde analyses van grond en grondwater laat Antea Group verrichten door een RVA geaccrediteerd laboratorium. Deze accreditatie garandeert dat bij de analyses consequent de juiste en vastgelegde procedures worden gehanteerd zodat de analyseresultaten een hoge betrouwbaarheid
hebben. Voor de analyses geldt dat deze conform het Accreditatieschema (AS)3000 zijn uitgevoerd. De analyseresultaten zijn gevalideerd getoetst middels BOTOVA.
Toepassing grond Het bodemonderzoek geeft inzicht in de milieuhygi nische kwaliteit van de bodem in het kader van het
gebruik en/of de bestemming van de onderzochte locatie. Indien echter grond van de locatie wordt afgevoerd voor toepassing elders, volstaan de resultaten van het verrichte bodemonderzoek mogelijk niet. Afhankelijk van de omvang van de afte voeren partij(en) grond en de eisen die door de acceptant of het bevoegd gezag ter plaatse van de nieuwe toepassingslocatie worden gesteld (bijvoorbeeld aanwezigheid van een
bodemkwaliteitskaart met bijbehorend bodembeheerplan), dient de grond eventueel nog conform de en van het Besluit bodemkwaliteit te worden onderzocht.
Toelichting op het uitgevoerde onderzoek Verkennend asbestonderzoek
Voorafgaand aan de uitvoering van de veldwerkzaamheden is een visuele inspectie uitgevoerd van het onverharde onderzoeksterrein. Hierbij is de toplaag van het onverharde deel van het terrein afgezocht naar
asbestverdacht materiaal en puinrestanten. In voorkomende gevallen is visuele maaiveldinspectie zeer beperkt mogelijk vanwege de aanwezigheid van verharding en vegetatie (onverharde terreindelen). Het
anteaaroup
uitvoeren van een maaiveldinspectie wordt gebruikt om te beoordelen of er binnen de onderzoekslocatie gedeelten aanwezig zijn die als meer of minder verdacht ten aanzien van de aanwezigheid van asbest kunnen worden aangemerkt.
Verspreid over de onderzoekslocatie zijn gaten gegraven van 0,3 x 0,3 m tot 0,5 m -mv (meter beneden maaiveld). In deze gaten zijn boringen verricht tot circa 1 m -mv. De opgeboorde grond is beoordeeld op het voorkomen van verontreinigingen, beschreven en bemonsterd. Het opgegraven materiaal is uitgespreid, geharkt/gezeefd en visueel ge nspecteerd op het voorkomen van asbestverdachte materialen. Na inspectie en monsterneming zijn de gaten gedicht met het uitgegraven materiaal. De posities van de gaten met boringen zijn ingemeten en weergegeven op de situatietekening. Verkennend bodemonderzoek
Het verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd met als richtlijn de NEN 5740/A1. Op basis van de quickscan is voor het onderzoeksgebied de strategie voor een onverdachte lijnvormige locatie (ONV-L) gekozen. Voor hele kleine graafbewegingen is deze strategie vanwege de beperkte lengte van het trac niet van toepassing. De onderzoeksstrategie is voor deze situaties gebaseerd op de strategie verdachte locatie met een plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern (VEP)'. Omdat het onderzoek is uitgevoerd ter
voorbereiding van dezelfde werkzaamheden als bij lijnvormige locaties, zijn de criteria voor boordiepte en plaatsing van een peilbuis conform de strategie voor lijnvormige locaties aangehouden.
Verspreid over de onderzoekslocatie zijn boringen verricht. De opgeboorde grond is beoordeeld op het voorkomen van verontreinigingen, beschreven en bemonsterd.
Indien het grondwater zich nabij of binnen de ontgravingsdiepte van de werkzaamheden bevindt, is een peilbuis geplaatst ten behoeve van de monstername van het grondwater. De peilbuis is direct na plaatsing grondig afgepompt en minimaal n week later, na nogmaals goed afpompen, bemonsterd voor
laboratoriumonderzoek. Voorafgaand aan de bemonstering is de grondwaterstand opgenomen en zijn de zuurgraad (pH), het elektrisch geleidingsvermogen (EC) en de troebelheid gemeten. Voor het vaststellen van de algemene bodemkwaliteit is de grond onderzocht op het standaard stoffenpakket. Dit betreft analyses op: zware metalen (barium, cadmium, kobalt, molybdeen, koper, kwik, lood, nikkel en zink);
o
polychloorbifenylen (PCB's; som 7); minerale olie (GC; inclusief voorbehandeling); polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK-totaal, 10 stuks volgens VROM); percentages lutum, organische- en droge stof. De selectie van de grond(meng)monsters is gebaseerd op monsterdiepte, bodemtype en veldwaarnemingen. Voor het vaststellen van de algemene bodemkwaliteit is het grondwater onderzocht op het standaard stoffenpakket. Dit betreft analyses o;
zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink); _ vluchtige aromaten (benzeen, tolueen, xylenen, styreen en ethylbenzeen) en naftaleen; o_ vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen (VOCI); o__minerale olie (GC).
Bepaling veiligheidsklassen De uit te voeren werkzaamheden in verontreinigde grond dienen te worden uitgevoerd met in acht name van de risicoklassen, vastgesteld aan de hand van de CROW-publicatie 132 en zijn nader ingevuld via branchepublicaties. Vooral hetgeen in branchepublicaties is aangegeven wordt door de Arbeidsinspectie
beschouwd als de stand der techniek en dient derhalve zorgvuldig te worden nagekomen. In de genoemde beleidsregels wordt het handvat gegeven op basis waarvan een verdeling kan worden
gemaakt tussen werken met een hoog en werken met een laag risico. Daarnaast wordt een onderscheid gemaakt tussen toxiciteitsrisico's (T-klassen) en brand- c.q. explosierisico's (F-klassen). Er zijn vier T-klassen en
twee F-klassen gedefinieerd. De risicoklassen zijn enerzijds gebaseerd op de schadelijke vermogens van de verontreinigende componenten (LD5O, carcinogeniteit en grenswaarde) en voor de F-klassen op het vlampunt
anteaaroup
van de componenten. Anderzijds zijn deze risicoklassen gebaseerd op de kans dat stoffen zich in hoge mate in de werkomgeving openbaren.
Conform de CROW-publicatie 132 zijn op basis van de analyseresultaten de veiligheidsklassen vastgesteld. Indien een overschrijding van de interventiewaarde is aangetoond, is de bijbehorende T- en F-klasse bepaald.
Indien geen gemeten gehalten aan onderzochte parameters de betreffende interventiewaarden overschrijden, worden de veiligheidsklassen bepaald aan de hand van de classificatie van de bodem conform het Besluit bodemkwaliteit. Indien de grond voldoet aan de Achtergrondwaarde of de klasse Wonen uit dit besluit, dan is
het treffen van veiligheidsmaatregelen in relatie tot verontreinigde grond niet noodzakelijk. Indien de grond voldoet aan de klasse Industrie dan wel geclassificeerd wordt als Niet toepasbaar (en het gehalte is kleiner dan de interventiewaarde), dan is de basisklasse van toepassing.
De indeling voor toxische en brandbare stoffen kan echter maar beperkt recht doen aan de uiteenlopende niveaus van risico's. De indeling is zo opgesteld dat met redelijke zekerheid kan worden gesteld dat de
beoordeling aan de veilige kant ligt, waardoor de (wettelijke) grenswaarden voor inademing niet overschreden worden en geen voor de gezondheid risicovolle situaties zullen optreden.
De veiligheidsklasse die in dit onderzoek is vastgesteld, betreft de voorlopige veiligheidsklasse. Bij het vaststellen van de voorlopige veiligheidsklasse zijn aannamen gedaan met betrekking tot de omstandigheden tijdens de uitvoer van de werkzaamheden. Deze zijn hieronder toegelicht. Aanname geen open vuur Onder open vuur wordt een situatie verstaan waarbij vuur, een vlam of een vonk aanwezig is of kan ontstaan.
Bij de bepaling van de veiligheidsklasse F is in dit onderzoek uitgegaan van een situatie zonder open vuur. Dit resulteert in een maximale voorlopige veiligheidsklasse van 1F indien de omgevingstemperatuur tijdens het werk hoger is dan het vlampunt van de betreffende stof. Indien de omgevingstemperatuur tijdens het werk
lager is dan het vlampunt van de betreffende stof is er geen brand c.q. explosierisico. Aanname omgevingstemperatuur
De omgevingstemperatuur (temperatuur van de buitenlucht) tijdens de uitvoer van de werkzaamheden is van belang bij het bepalen van de kans op brand c.q. explosie en de daarbij behorende veiligheidsklasse F. Bij de bepaling van de veiligheidsklasse F is in dit onderzoek uitgegaan van een omgevingstemperatuur van 18 C. Dit
komt overeen met de gemiddelde dagtemperatuur in juli (bron: KMNI). Deze aanname leidt ertoe dat gecombineerd met de aanname van geen open vuur, stoffen met een vlampunt van maximaal 18 graden
(bijvoorbeeld 1,2-dichloorethaan, vlampunt 13 C) tot voorlopige veiligheidsklasse 1F kunnen leiden en stoffen met een hoger vlampunt (bijvoorbeeld ethylbenzeen en xylenen, vlampunt 21 C) tot geen veiligheidsklasse leiden.
In het kader van artikel 5 van het Bouwprocesbesluit-Arbeidsomstandighedenwet c.q. het
Arbeidsomstandighedenbesluit (artikel 2.23 t/m 2.39), dient door de opdrachtgever een veiligheids-en gezondheidsplan (V&G-plan) te worden uitgewerkt. Het doel van het V&G-plan is het informeren van alle betrokken personen en instanties over de mogelijke risico's voor veiligheid en gezondheid als gevolg van de uitvoering van het werk. Daarnaast worden betrokken personen en instanties ge nformeerd over de te nemen
maatregelen ten behoeve van de veiligheid en gezondheid. De maatregelen die dienen te worden genomen zijn beschreven in de CROW-publicatie 132 en worden bepaald door de hoogst gevonden T- en F-klasse.
Wanneer het werk een geraamde duur van meer dan 30 mensdagen beslaat en er meer dan 20 werknemers op de locatie tegelijk werkzaam zijn, of indien de geraamde duur van het werk meer dan 500 mandagen beslaat, dan dient eveneens via een kennisgeving aan de Arbeidsinspectie het voornemen tot het tot stand
brengen van het werk te worden gemeld. De aannemer dient voorafgaand aan de uitvoering van de sanering een V&G-plan (uitvoeringsfase) c.q. een
saneringsdraaiboek te overleggen. E n en ander dient in overleg met de Arbeidsinspectie en haar gecertificeerde Arbodienst te geschieden.
anteaaroup
De reeds vastgestelde (voorlopige) veiligheidsklassen (risicoklassen) conform de CROW-publicatie 132 vormen een vast onderdeel van het V&G-plan. Daarnaast dient ook aandacht te worden besteed aan overige risico's en voorschriften. De rapportage ten aanzien van de velligheids- en gezondheidsaspecten worden vastgelegd in het V&G-dossier.
Toelichting op de toetsingskaders Toetsingskader achtergrond-, streef- en interventiewaarden
Hieronder wordt uitgebreider op de begrippen achtergrond-, streef- en interventiewaarden en hun betekenis ingegaan.
Bij de toetsing wordt een uitspraak gedaan op parameterniveau n op monsterniveau. Met betrekking tot het bepalen van de achtergrondwaarden kan in sommige gevallen de overall-conclusie op monsterniveau afwijken ten opzichte van de conclusie op parameterniveau als gevolg van de toetsregel die in artikel 4.2.2 van de
Regeling bodemkwaliteit staat. In dit artikel wordt beschreven wat onder het overschrijden van de achtergrondwaarden wordt verstaan.
De achtergrondwaarden (AW) zijn landelijk geldende waarden voor een multifunctionele bodemkwaliteit en geven de bovengrens aan voor wat in de dagelijkse praktijk schone grond' wordt genoemd. Deze achtergrondwaarden zijn vastgesteld op basis van gehalten zoals deze voorkomen in de bodem van natuur-en
landbouwgronden. Dit omdat in dergelijke gronden geen belasting door lokale verontreinigingsbronnen aanwezig wordt geacht. De streefwaarde (S) geeft het concentratieniveau in grondwater aan waarboven wel en waaronder geen sprake is van een aantoonbare verontreiniging.
De interventiewaarde (I) geeft het concentratieniveau in de grond, waterbodem of grondwater aan waarboven defunctionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant en dier heeft, in ernstige mate kunnen zijn
verminderd. In het overheidsbeleid wordt gesproken van een geval van ernstige bodemverontreiniging, indien de gemiddelde concentratie aan n stof de interventiewaarde overschrijdt in tenminste 25 m grond/slib of
voor het grondwater in tenminste 100 m* bodemvolume. Over de hoeveelheid grond/slib of grondwater waarop een eventuele overschrijding van de interventiewaarde zich voordoet kan in een eerste onderzoek meestal nog geen betrouwbare uitspraak worden gedaan. Daarom kunnen op basis van de resultaten van dit
eerste onderzoek dan ook geen conclusies worden getrokken ten aanzien van het al dan niet ernstig zijn van het verontreinigingsgeval.
Bij de getoetste waarden is tevens een index opgenomen. Deze index is als volgt berekend: Index = (GSSD - AW (of S) } /(l- AW (of S) }. Een negatieve waarde voor de index houdt in dat de gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD) lager is dan de achtergrondwaarde. Bij een index boven de 1 ligt de gestandaardiseerde meetwaarde boven de interventiewaarde. Een index tussen de 0 en 0,5 betekent dat de gestandaardiseerde meetwaarde (ver) onder de interventiewaarde ligt. Een index tussen de 0,5 en 1 houdt in dat de gestandaardiseerde meetwaarde (dicht) bij de interventiewaarde ligt.
Afhankelijk van de specifieke situatie geeft dit mogelijk aanleiding tot het uitsplitsen van een mengmonster en/of het uitvoeren van een nader onderzoek. Met een nader bodemonderzoek kunnen de ernst en de spoedeisendheid van het geval worden vastgesteld. Een nader onderzoek kan worden uitgevoerd als er een
duidelijke indicatie bestaat dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Een geval van ernstige bodemverontreiniging kan zich ook voordoen zonder dat de interventiewaarden
worden overschreden. Als een verontreiniging zich zodanig in een ander milieucompartiment (bijv. het grondwater) of objecten (bijv. consumptiegewassen) verspreidt dat daar schadelijke effecten kunnen optreden, is er sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Ook als het bij puntbronnen van
verontreinigingen (bijv. op grond van berekeningen) waarschijnlijk is dat zonder maatregelen op korte termijn (binnen maximaal enkele maanden) een verontreiniging van eerder genoemde 25 of 100 m bodemvolume kan optreden, is er sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. e toetsing worden de gemeten gehalten in grondmonsters aan de hand van geanalyseerde of geschatte
gehalten organisch stof en lutum gevalideerd omgerekend middels BOTOVA naar zogenaamde standaardbodemcondities (bodem met 10% organische stof en 25% lutum). Indien de gehalten of
anteaaroup
concentraties in grond- en grondwatermonsters lager zijn dan de gerapporteerde rapportagegrens worden deze gevalideerd herberekend middels BOTOVA tot een gestandaardiseerde meetwaarde (gerapporteerde rapportagegrens maal 0,7). Deze gestandaardiseerde meetwaarden (GSSD) worden vergeleken met de normwaarden. Barium
In de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 is aangegeven dat de norm voor barium tijdelijk is ingetrokken. Gebleken is namelijk dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de
bodem voorkomt. Indien sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 920 mg/kg ds (voor standaardbodem). Analyses op barium dienen wel nog te worden uitgevoerd, maar de resultaten hoeven dus niet meer getoetst te worden, tenzij een duidelijke antropogene bron aanwezig is. Het gemeten gehalte aan barium is conform de circulaire bodemsanering per 1 juli 2013, niet getoetst aan de voormalige interventiewaarde. Dit in verband met het voor deze parameter
ontbreken van een aanwijsbare antropogene bron. Toetsingskader asbest
De resultaten van het NEN 5707 onderzoek worden conform het huidige overheidsbeleid getoetst aan de interventiewaarde uit de Circulaire bodemsanering. De interventiewaarde voor asbest in bodem, grond en
baggerspecie bedraagt 100 mg/kg d.s., uitgaande van een gewogen gehalte (het gehalte serpentijnasbest, vermeerderd met tien maal het gehalte amfiboolasbest). Indien onderzoek is gedaan naar respirabele vezels, wordt de gemeten concentratie getoetst aan de risicogrenswaarde van 10 mg/kg (gewogen). Indien deze concentratie niet wordt overschreden is er geen sprake van onaanvaardbare risico's. Voor het bepalen van de spoedeisendheid van een sanering van een bodemverontreiniging met asbest die is ontstaan voor juni 1993 dient gebruik te worden gemaakt van het protocol Milieuhygi nisch
Saneringscriterium Bodem - protocol asbest . Dit protocol is opgenomen als bijlage 3 van de Circulaire bodemsanering.
Op basis van het fysische en chemische karakter is er voor asbest geen sprake van verspreidingsrisico's en ecologische risico's, maar wel van humane risico's. In dit kader worden twee categorie n van (humane) risico's. onderscheiden:
Acceptabele risico's
Hierbij dienen de plaats, mate en omvang van de bodemverontreiniging nauwkeurig geregistreerd te worden bij het Kadaster. Ook kan het bevoegd gezag voorschrijven om beheersmaatregelen te treffen om blootstelling aan de verontreiniging te voorkomen. Als de inrichting van de locatie wijzigt, dienen de locatiespecifieke
risico's opnieuw te worden beoordeeld. Onacceptabele risico's
Naast kadastrale registratie dienen spoedig saneringsmaatregelen te worden genomen op het betreffende deel van de locatie. De termijn spoedig dient uitgewerkt te worden door het bevoegd gezag in een beschikking. Puin
De resultaten van het NEN 5897 onderzoek worden conform het huidige overheidsbeleid getoetst aan de
regelingeving zoals opgenomen in het Productenbesluit asbest. In het Productenbesluit asbest is vermeld dat het verboden is om asbest of asbesthoudende producten te vervaardigen, in Nederland in te voeren, voorhanden te hebben, aan een ander ter beschikking te stellen, toe
te passen of te bewerken. Een product wordt niet als asbesthoudend beschouwd als aan het product geen asbest opzettelijk
is toegevoegd en het gehalte serpentijnasbest, vermeerderd met tien maal het gehalte
amfiboolasbest niet hoger is dan 100 mg/kg ds. Deze waarde wordt in voorliggende rapportage aangeduid als restconcentratienorm.
Hergebruik van grond en puin
anteagroup
Indien de grond en het puin worden hergebruikt, is het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. In dit besluit is opgenomen dat voor asbest in grond en puin een gewogen gehalte van 100 mg/kg ds (het gehalte serpentijnasbest, vermeerderd met tien maal het gehalte amfiboolasbest) als maximale samenstellingswaarde
geldt. Toetsingskader Besluit bodemkwaliteit De gemeten gehalten in een partij grond worden getoetst aan de maximale waarden en rekenregels uit het Besluit- en de Regeling bodemkwaliteit, specifiek de regels die gelden voor het volgens het generieke kader
toepassen op landbodem. De mate van overschrijden van de bovengenoemde maximale waarden bepaalt tot welke klasse een toe te passen partij grond of de ontvangende landbodem behoort. Deze classificatie is echter alleen mogelijk indien de monsterneming en het laboratoriumonderzoek zijn uitgevoerd door bij regeling van
Onze Ministers bepaalde methoden alsmede door een persoon of instelling die daarvoor beschikt over een erkenning. De op basis van de bovenstaande maximale waarden in te delen klassen zijn: Achtergrondwaarde
De landbodem dan wel een toe te passen partij grond wordt geclassificeerd als altijd toepasbaar (oftewel schoon), wanneer de gemeten gehalten de achtergrondwaarden niet overschri Regeling is beschreven wat onder het overschrijden van de achtergrondwaarden wordt verstaan. Kwaliteitsklasse wonen
De kwaliteit van een partij grond die op landbodem wordt toegepast, wordt beoordeeld als de kwaliteitsklasse
wonen , wanneer de gemeten gehalten de bovengenoemde achtergrondwaarden overschrijden maar lager zijn dan de maximale waarden voor de bodemkwaliteitsklasse wonen' (zie artikel 4.4.1 van de Regeling). De kwaliteit van de ontvangende landbodem wordt beoordeeld als de kwaliteitsklasse wonen , wanneer de
gemeten gehalten de bovengenoemde achtergrondwaarden overschrijden maar lager zijn dan de maximale waarden voor de bodemkwaliteitsklasse wonen . In artikel 4.10.2 van de Regeling is beschreven wat onder het overschrijden van de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse wonen wordt verstaan. Kwaliteitsklasse industrie
De kwaliteit van de ontvangende landbodem alsmede van een partij grond die op landbodem wordt
toegepast, wordt beoordeeld als de kwaliteitsklasse industrie wanneer de gemeten gehalten de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse wonen overschrijden, maar lager zijn dan de maximale waarden voor de
bodemkwaliteitsklasse 'industrie' (zie artikel 4.4.1 en 4.10.2 van de Regeling). Niet toepasbare grond
Wanneer de gemeten gehalten in een partij grond de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse industrie overschrijden (en wordt geclassificeerd als niet toepasbaar > industrie" of niet toepasbaar> interventiewaarde!), dan komt deze grond niet in aanmerking voor hergebruik volgens het generieke toetsingskader of verwerking in een grootschalige bodemtoepassing. In dat geval dient te worden nagegaan of mogelijk wordt voldaan aan de voorwaarden voor het gebiedsspecifieke toetsingskader (art. 44 t/m 53 van het Besluit).
Bijlage 2 Profielbeschrijvingen en veldwaarnemingen
anteagro p 02 20022017 Boormeester
Boormeester
Zon, mat in, zwak ti brlden
+
Zon, mag ti zwa ti resten
Edeimanboor,Geroerde grond
Zane mat tin zakt sen were eebelgerun,Eieimertoer
zoo mm
= mm
cou
290300
cou
200300
soomeeser
EN
soomeeser
EN
nn
.
ng mai za
,
co
nn
za
and mn
ede Ee mda
,
mm os
mm os
cam:
cam:
20000
en ard mna
,
NE
200200
. ee
en
vete
Ed mn
eeen
ai an
eren ad
1
od
ae
a
ek
en
2 Edelmanboor, Geroerde grond ,
ard maten aktie blt
,
s
eee
zoo:
gerekend vlgns nen saat
anteagro p 08 20022017 Boormeester
Boormeester
mm
mm
Boormeester
Boormeester
mm
mn
en
Kk
ni
N zoo.
6
If j IN
A *__ Edelmanboor
en
7
humeus, matig wortelhoudend,
aso
gerekend vlgns nen saat
anteagro p 14 20022017 Boormeester
Boormeester
Zon, mat ijn zak tg zat
Br Gimandoor 2
Zon, mat ijn zak mat humeus mag wordend.
order gist
Edelmanboor
nd mag finzwakste sooren
gerekend vlgns nen saat
esog urean
geen geur
zwakke geur
matige geur
Grind, matig zandig
Grind, sterk zandig aring, uiterst zandig
ON Khel, sterk sitig WS enn
VAN Kiel, zwak zandig WA rene WI
Koei, sterk zandig
Zand, klei Zand, zwak stig
in
Zand, matig stig Zand, sterk sini
Zand, uiterst stig
Veen, mineraalarm
Veen, zwak klelig Voen, sterk melig
Veen, zwak zandig Voen, stack zandig
EN SNE
Leem, sterk zandig.
sterke geur uiterstegeur
ie geen olie-water reactie zwakke olie-water reactie
matige olie-water reactie sterke olie-water reactie uiterste olie-water reactie
ens.
ve} ER
| |
Bijlage 3 Toetsing grondmonsters aan Wet bodembescherming
anteagroup
Boringnummer
Monstertraject (m -mv)
Analysedatum
10,11, 13,14
01, 03,08, 09
04, 05,06, 07
0,00-0,50
0,00-0,50
0,00-0,50
29-03-2017
Monsterconclusie Wbb
29-03-2017
29-03-2017
BODEMKUNDIG
Droge stof
Lutum
Organische stof
METALEN
%
82,20
89,40
91,50
%ds
7,9
2,0
15
%ds
27
Barium
ma/kgds
Eenheid
Meetw
Cadmium
ma/tgds
<02
Kuik Molybdeen Nikkel
mg/tgds <005 mg/tgds <15 ma/kgds 10
Kobalt Koper Lood
Zink
mg/kg ds ma/ke ds
21
GSSD 75
34 63
30
Index
Meetw
-003 |
22
Index
Meetw
<02
0,03
<02
0,03
000 | <oos 000 | <15 0,11 7,3
000 | <oos 0,00 <15 -0,24 4,9
<20
GSSD
ag)
-0,02 3,4 020 | <5
-0,02 022
27
GSSD
102/ )
<3 <5
Index 0,05 022
000 000 -0,32
mekeds
23
004
uz
-006
| <10
008
mgkeds
54
005
35
ou | <20
018
Pak Anthraceen Benzo(alanthraceen Benzo(a)pyreen
Eenheid Meetw GSD index _Meetw GSD Index Meetw _GSSD Index mg/kg ds <0,05 0,040 <0,05 0,040 <0,05 0,040 ma/keds ou 0,110 0061 0061 <o0s 000 me/kgds 0,098 0,098 0,065 0,065 <0,05 0,040
Benzolkfluorantheen Chryseen
ma/keds me/kgds
Benzo(g,h ijperyleen Fenanthreen
ma/kgds
0,092
0,092
mg/kg ds
0,081
0,081
<0,05
0,040
<0,05
0,040
<0,05
0,040
oos9 _ 0069 013 0,130 0,084
0,084
<05 0,082
0,040 0,082
<oos 0040 <0,05 0,040
Fluorantheen
ma/keds
o21
0,210
oss
oosa
<oos
0040
Naftaleen
mg/kg ds
<0,05 o
0,040
eo
<0,05
0,040
<0,05
0,040
PAK 10 VROM (0,7 factor)
me/kgds
0,95
0
OVERIGE (ORG.)VERBINDINGEN
Eenheid Meetw
GSSD
Indeno-(1,2,3-c,d)pyreen PAK 10 VROM
me/kgds me/keds
0,077
0,077
Minerale olie C10 -C12
mg/kg ds
<3
Minerale olieC12-C16
me/kgds
<5
62 32
7,300f ) a
Minerale olie C30 - C35
ma/kgds
30
Minerale olieC35 - C40
ma/kgds
77
Minerale olie C10 - C40
Minerale olieC16 C21 Minerale olie C21 - C30
mekeds | 81
ma/kgds me/kgds
36
4
0,087
oo
Index
o
ma
0,6
0
Meetw
GSSD
<3
oor | sa
<5
zele
0
o POE
035
Index
0,040 00
o
Meetw __GSSD <3
ue
<5
EL
oo2 | es ABS
zele) ost)
<5 <a
38)
18
gol)
7,2
36)
9,700)
89 44500
<6
ziel
Wet bodembescherming (Wbb) Gehalte kleiner dan of gelijk aan de achtergrondwaarde Gehalte groter dan de achtergrondwaarde, maar index maximaal gelijk aan 0,5 Gehalte groter dan de achtergrondwaarde en index groter dan 0,5, maar maximaal gelijk aan 1 Gehalte groter dan de interventiewaarde 6: Heeft geen normwaarde
ui
<0,05
<519
TOELICHTING
GSSD: Gestandaardiseerde meetwaarde
0,087
zele) zoe)
Index oo
anteagroup
PCB'S PCB (som 77
Eenheid Meetw GSSD Index mgkeds 1 0 TT 00 oor me/kgds
00049
0
|
ooms
0
| ooos9
0
PCB 101
ma/tgds
<00o1
0001
| <ooor
ooo
| <ooo1
000
PCB 118
ma/kgds
<0001
0,001
| <o01 _ 000
| <o0o1
0004
PCB 153
ma/tgds
<00o1
0001
| <ooor
| <ooo1
000
PCB (som 7, 0,7 factor)
PCB 138
mg/kg ds
<0,001
0,001
Meetw GSSD Index Meetw GSSD Index o TT 0 on | 0 0 oo
|__<0,001
0,004
ooo
| <0,001
0,004
PCB 180
ma/kgds
<0001
0,001
| <o01 _ 000
| <o0o1
0004
PCB 52
ma/kgds
<0001
0,001
| <ooor
| <ooorn
ooo
PCB 28
ma/kgds
<0,001
0,001
|_ <0,001
TOELICHTING
Wet bodembescherming (Wbb) Gehalte kleiner dan of gelijk aan de achtergrondwaarde Gehalte groter dan de achtergrondwaarde, maar index maximaal gelijk aan 0,5 Gehalte groter dan de achtergrondwaarde en index groter dan 0,5, maar maximaal gelijk aan 1 Gehalte groter dan de interventiewaarde GSSD: Gestandaardiseerde meetwaarde
0,004
ooo
| <0,001
0,004
anteagroup
Boringnummer
02, 06, 11
Monstertraject(m-mv) Analysedatum
02,06, 11
0,40-1,00 29-03-2017
Monsterconclusie Wbb
02, 06, 11
0,90-1,60 29-03-2017
160-210 29-03-2017
BODEMKUNDIG
Droge stof
Lutum
Organische stof
METALEN
%
91,60
93,70
90,00
%ds
16
0,7
1,6
%ds
20
ma/keds | <20
Eenheid
Meetw
Cadmium
ma/tgds
Koper Kwik Lood Molybdeen Nikkel Zink PAK Anthraceen Benzo(alanthraceen Benzola)pyreen Benzo(g,h ijperyleen Benzolkfluorantheen Chryseen Fenanthreen Fluorantheen Indeno-(1,2,3-c,d)pyreen
mg/kg ds
<02
maltgds | <5oosa ma/keds mgeds u mgkeds <15 ma/kgds 4,6 mgkeds 30 Eenheid Meetw GSD mg/kg ds <0,05 0,040 ma/keds ox 000 me/kgds 0,076 0,076 ma/kgds 0,073 0,073 ma/keds 0056 0056 ma/keds ou 0130 mg/kg ds <0,05 0,040 ma/keds ou 0270 me/kgds 0,084 0,084
022 || <5<o0s 000 006 | <10 000 | <15 -0,33 47 012 | <20 Index Meetw GSD <0,05 0,040 <oos 0,040 <0,05 0,040 <0,05 0,040 <oos 0,040 <oos 0,040 <0,05 0,040 <oos 0,040 <0,05 0,040
022 18032 0,00 0,08 63 000 <15 -0,33 9 018 240 Index Meetw _ GSSD <0,05 0,040 015 0150 012 0,120 0,085 0,085 0078 _ 0078 o1s os 0,23 0,230 03901 0390 0,100
0,01
PAK 10 VROM
me/keds
oo
oa
oo
Naftaleen
54
<3
mg/kg ds
<0,05 o
om
PAK 10 VROM (0,7 factor)
me/kgds
08
0
OVERIGE (ORG.)VERBINDINGEN
Eenheid Meetw
GSSD
Minerale olie C10 -C12
mg/kg ds
<3
Minerale olie C12-C16
me/kgds
<5
Minerale olie C10 - C40
Minerale olieC16 C21 Minerale olie C21 -C30 Minerale olieC30-C35 Minerale olie C35 - C40
mgkeds | <35
mg/kgds me/kgds me/kgds mg/kgds
<5 <11 5,6 <6
0,040
PEG
18
186 306) 286) ze
Index
Meetw
003 |
<02
20
Barium
Kobalt
GSSD
20
-0,05
Index
<20
<0,05
0,040
o
men
0,35
0
Meetw
GSSD
<3
oo | <35
<5
<5 <a <5<6
Wet bodembescherming (Wbb) Gehalte kleiner dan of gelijk aan de achtergrondwaarde Gehalte groter dan de achtergrondwaarde, maar index maximaal gelijk aan 0,5 Gehalte groter dan de achtergrondwaarde en index groter dan 0,5, maar maximaal gelijk aan 1 Gehalte groter dan de interventiewaarde 6: Heeft geen normwaarde
sal
<3
TOELICHTING
GSSD: Gestandaardiseerde meetwaarde
GSSD
ui
ze
zele) ole) EE ziel
Index
Meetw
0,03
27
-0,05
Index
53
GSSD
205
Index 032
4
<0,05
0,040
14
o
o A
Meetw __GSSD <3
ui
<5
EL
oor | es MBS
<5 wee <t zoe) 56 330 <6 zie
002 oo1 010 000 0,14 074 Index
Index oo
anteagroup
PCB'S PCB (som 77
Eenheid mgkeds
Meetw GSSD Index To TT 008 oor 00049
0
|
ooms
0
| ooos9
0
PCB 101
ma/tgds
<00o1
0,004
| <ooor
ooo
| <ooo1
000
PCB 118
ma/kgds
<0001
0,004
| <o01 _ 000
| <o0o1
0004
PCB 153
ma/tgds
<00o1
0,004
| <ooor
| <ooo1
000
PCB (som 7, 0,7 factor)
PCB 138
me/kgds
mg/kg ds
<0,001
0,004
Meetw GSSD Index Meetw GSSD Index o TT 0 on | o 0 oo
|__<0,001
0,004
ooo
| <0,001
0,004
PCB 180
ma/kgds
<0001
0,004
| <o01 _ 000
| <o0o1
0004
PCB 52
ma/keds
<0001
0,004
| <ooor
| <ooorn
ooo
PCB 28
ma/kgds
<0,001
0,004
|_ <0,001
TOELICHTING
Wet bodembescherming (Wbb) Gehalte kleiner dan of gelijk aan de achtergrondwaarde Gehalte groter dan de achtergrondwaarde, maar index maximaal gelijk aan 0,5 Gehalte groter dan de achtergrondwaarde en index groter dan 0,5, maar maximaal gelijk aan 1 Gehalte groter dan de interventiewaarde GSSD: Gestandaardiseerde meetwaarde
0,004
ooo
| <0,001
0,004
f;
anteagroup
Boringnummer Monstertraject (m -mv)
02
Analysedatum Monsterconclusie Wbb
06
EEN
1,60-2,00 29-03-2017
|
1,60-2,00 29-03-2017
IE
1,70-2,10 29-03-2017
93,30
T
93,40
T
83,10
gopemKUNDIG
Droge stof
Latum Organische stof
ds %ds
METALEN
Eenheid
Zink
%
zo14
Meetw
malkgds T <20
GSSD
OR
roeucHTinG
Wet bodembescherming (Wbb) Gehalte kleiner dan of gelijk aan de achtergrondwaarde Gehalte groter dan de achtergrondwaarde, maar index maximaal gelijk aan 0,5 Gehalte groter dan de achtergrondwaarde en index groter dan 0,5, maar ma? Gehalte groter dan de interventiewaarde @SSD: Gestandaardiseerde meetwaarde
|IE Index
ore
zo0,7
Meetw <0
GSSD
MR
|IE Index os
zo7,2
Meetw
GSSD
Te WAT
Index on
Bijlage 4 Toetsing grondwatermonsters aan Wet bodembescherming
anteagroup
Filter (mmv) Analysedatum
3,00-4,00 05-04-2017
Monsterconclusie Wob BODEMKUNDIG
Grondwaterstand EC METALEN Kobalt Koper Kwik Lood Molybdeen pH
Troebelheid
Barium Cadmium
Nikkel
Zink AROMATISCHE VERBINDINGEN
mmv 261 uS/em 1600 Eenheid _Meetw __ GSD men | <2 nen 22 ue | <005 en | <2 nej <2 72
NTU
za
PINE wan | <02
wen |
10
men |
27
Eenheid
Mew
GSSD
nen | <o2 TO
BTex (som)
we | <09
meta-/para-Xyleen ortho-kyleen Som 16Aromatische oplosmiddelen Styreen Tolueen Xylenen(som) Xylenen (som, 0,7factor) PAK Naftaleen PAK 10 VROM
ug/l
0,03 -005
008
005
Benzeen
Ethylbenzeen
Index 024 -021 004 -023 001 Index
ooo
o
<o2 |010 -003
nen | <o2 0100 net | <01 0100 ue/l 0 0,770(21% wen | <02 002 wet | <02 001 ne/l o 000 ua/ o21 o Eenheid Mew GSSD Index en | <oo2 TT 000 ooo -
o
of
TOELICHTING
Wet bodembescherming (Wbb) Concentratie kleiner dan of gelijk aan de streefwaarde Concentratie groter dan de streefwaarde, maar index maximaal gelijk aan 0,5, Concentratie groter dan de streefwaarde en index groter dan 0,5, maar maximaal gelijk aan 1 Concentratie groter dan de interventiewaarde 'GSSD: Gestandaardiseerde meetwaarde
2: Enkele parameters ontbreken in de som
11: Enkele parameters ontbreken in de berekening van de somfractie 14: Streefwaarde ontbreekt zorgplicht van toepassing
anteagroup
GECHLOREERDE KOOLWATERSTOFFEN
1,1,1-Trichloorethaan 1,1,2-Trichloorethaan
Eenheid
Meetw
wel 7 <01 we |
__GSSD
<01
Index
000 000
1,4-Dichloorethaan,
wet | <02
001
1,1-Dichlooretheen
ue/l
0,01
1,2-Dichlooretheen(somc i s +t r a n s ) 1,2-Dichloorpropaan
wellwel | <02o | 0,01 0,100 wet | <02
0100
1.2-Dichloorethenen
cis1,2-Dichlooretheen ckw Dichloormethaan Dichloorpropanen Dichtoorpropanen (som)
ue/l
0
Monochlooretheen (Vinylchloride) Tetrachlooretheen (Per)
Tetrachloormethaan (Tetra)
ue/l <01 well | <01
ue/l
<01
ue/l
<02
1,1-Dichloorpropaan
1,2-Dichloorethaan,
1,3-Dichloorpropaan
trans-1,2-Dichlooretheen Tribroommethaan
Trichlooretheen (Tri)
OVERIGE (ORG.) VERBINDINGEN
wel |
<01 <02
0,100
wet | <02
0,14
002
wer | <01 0100 wet | <16 o ug/l <o2 |0100 000 ue 042 o we o 0,00 ue/l ue/l Eenheid
0,02 000
<01 <02
0,100 0,100"
Meew
GSD
Minerale olie C10 - C12
well | <10
7e
Minerale olie C10-C40
wan | eso
PETS
Minerale olie C12 - C16 Minerale olie C16 - C21
ug/l | <10 well | <10
7e 7e
Minerale olie C21-C30
wer | <5
u
Minerale olie C30-C35 Minerale olie C35 - C40
ug/l | <10 ug/l | <10
76 7
0,01 0,05 Index
00
TOELICHTING
Wet bodembescherming {Wbb) Concentratie kleiner dan of gelijk aan de streefwaarde Concentratie groter dan de streefwaarde, maar index maximaal gelijk aan 0,5, Concentratie groter dan de streefwaarde en index groter dan 0,5, maar maximaal gelijk aan 1 Concentratie groter dan de interventiewaarde 'GSSD: Gestandaardiseerde meetwaarde
6: Heeft geen normwaarde 14: Streefwaarde ontbreekt zorgplicht van toepassing
Bijlage 5 Normen grond Wet bodembescherming
Chroom Chroom VL kobalt
\Chtoornaftateen
ak
[Pentachlooraniiner
CE
ic
|Bichtoeraninen ichlaoraniinen ewachlooranilinen
Lood
kk
Pax
(com 10}
5. Gechloreerde koolwaterstoffen a
[Monschiooretheen bichioormethaan 1dienisorethaan dchloorethaan
[1 1-dienloorerheen gchioeretheen
rrchloormethaan Lat:
[1.2,2arichloorethaan Trchiooretheen retrachtoarmethaan rerachiooretheen
(eta)
B. Cnioorbenzenen Monochioorbenzeen choorbenzeren Trchloorbenzenen
retrachioorbenzenen Pentachioorbenzenen hexschioorbenzeen c. Chioortenoten
[monechioorfenolen omi Dichioorfenalen rachioerfenolen
Tetrachioorfenolen Pentschoortenol
zom
Toelichting: * Achtergl
nde data beschikbaar zijn om een
betro
* voor del * voor del
ging (INEV). te
Voor de berekening van de som TEQ voor dioxine wordt verwezen naar bijlage 8 van de Regeling Bodemkwaliteit. Voor het optellen van meetwaarden beneden de bepalingsgrens wordt verwezen naar bijlage G onderdeel IV van de Regeling bodemkwaliteit.
?_De interventiewaarde voor grond voor deze stofis gelijk of Kleiner dan de bepalingsgrens (intralaboratorium reproduceerbaarhed). Indien de stof wordt aangetoond moeten de risico s nader worden onderzocht. Bij het aantreffen van vinyichloride of 1,1-dichlooretheen in grond moet tevens het grondwater worden onderzocht.
* Gewogen norm (concentratie serpentijn asbest + 10 x concentratie amfiboot asbest). Deze eis bedraagt O mg/kg ds indien niet is voldaan aan artikel 2, onder b, van het Productenbesluit Asbest
*_De definitie van minerale olie wordt beschreven bij de analysenarm. Indien er sprake is van een verontreiniging met mengsels (bijvoorbeeld benzine of huisbrandolie) dan dient naast het alkaangehalte ook het gehalte aan aromatische en/of polycyclische aromatische koolwaterstoffen bepaald te worden. Met deze somparameter is om praktische redenen volstaan. Nadere toxicologische en chemische differentiatie worden bestudeerd.
*_gij gehalten die de achtergrondwaarden overschrijden moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid van uitdamping. Wanneer uitdamping naar binnenlucht zou kunnen optreden, maet bij overschrijding van de achtergrondwaarde worden gemeten in de bodemlucht en moet worden getoetst aan de TCL (Toxicolegisch Toelaatbare Concentratie in Lucht). *_ Het gehalte cyanide-complex is gelijk aan het gehalte cyanide-totaal minus het gehalte cyanide-vrij, bepaald conform NEN-EN-150 14403-1:2012, NEN-EN-ISO 14403-2:2012 en NEN-ISO 17380:2013. Indien geen cyanide-vrij wordt verwacht, mag het gehalte cyanide-complex gelijk worden gesteld aan het gehalte eyanide-totaal (en hoeft dus alleen het gehate cyanide-totaal te worden gemeten). ?_De achtergrondwaarde van deze somparameter gaat uit van de aanwezigheid van meerdere van de 16 componenten, die tot deze somparameter worden gerekend (zie bijlage N van de Regeling. it). De hoogte van de achtergrondwaarde is gebaseerd op de som van de bepalingsgrenzen vermenigvuldigd met 0,7. Sommige componenten zijn tevens indwidueel genormeerd. Binnen de sompsrameter mag de achtergrondwaarde van de Individueel genormeerde componenten niet worden overschreden. Voor de componenten, die niet individueel zijn genormeerd, geldt per component een maximum gehalte van 0,5 mg/kg ds voor de achtergrondwaarde, *_De norm voor barium is tijdelijk ingetrokken.
Gebleken Is dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien er sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor bartum van 920 mg/kg. Deze voormalige interventiewaarde is op dezelfde manier onderbouwd als de interventiewaarde voor de meeste andere metalen en &s voor barlum inclusief een natuurlijk achtergrondgehalte van 190 mg/kg. ds.
* Voor het omgaan met meetwaarden beneden de bepalingsgrens van het laboratorium wordt verwezen naar bijlageG onderdeel IV van de Regeling bodemkwaliteit.
1b_De eenheid voor organotinverbindingen is mg Sn/kg ds. 1 Hetis onzeker of de achtergrondwaarden voor ftalaten meetbaar ijn. Toekomstige ervaringen moeten uitwijzen of sprake is van een knelpunt. _Onder dihydroxybenzenen (som) wordt verstaan: de som van catechol, resorcinol en hydrochinon Voor het toepassen van zeezand geldt de norm van 200 mg/kg ds. Bij het toepassen van zeezand op plaatsen waar een direct contact is of mogelijk s met brak water of zeewater met van nature een chioride-concentratie van meer dan 5.000 mg/1, geldt voor chloride geen maximale waarde.
Bijlage 6 Normen grondwater Wet bodembescherming
Dichtoerfenoien [rrichtoorfenalen retrachioerfenslen. pentachloorfenol jo
PCa's (sam
7)
je, Monochlooranilnen.
wooleaterstoften.
bichiooraniknen rrichtooraniinen retrschloorandinen
Pentachloorantmen Dione
daan oor oo som) oo (som) oor,
aussi Dieldrin, erdein
orins
[aendosutan HCH HCH
rdan
jo.
MCPA je Arazine ca
rollen. faiaat helst
5. Gechioreerde koonwaterstoffen
falaat Falaat
[Monachiooretheen |oichloormetraan
Mainot
Ftalaten (com) tineraie oe
wichioorethaan.
rchlooretheen rerrachioormethaan (Terr) rerrachlooretheen
Chloorbenzenen [Monochloorbenzeen
oichloorbenzenen ichloerbenzenen
etrachoorbensenen. rentachloorbenzenen [hexachloerbenzeen
RaderEj|tl.
teit. Voor het optellen van meetwaarden beneden ts van een verontreiniging met mengsels (bijvoorbeeld benzine af huisbrandolie) dan dient naast de alkaanconcentratie ook de concentratie aan aromatische en/of polycyclische aromatische koolwaterstoffen bepaald te worden. Met deze somparameter is om praktische redenen volstaan. Nadere toxicologische en chemische differentiatie worden bestudeerd. Voor grondwater zijn de effecten van PAK's, chloorbenzenen en chloorfenolen indirect, als fractie van de individuele interventiewaarde, optelbaar (dat wil zeggen 0,5 xinterventiewaarde stof A heeft evenveel effect als 0,5 x interventiewaarde stof B). Dit betekent dat een somformule moet worden gebruikt om te
beoordelen of van overschrijding van de interventiewaarde sprake is. Er is sprake van overschrijding van de interventiewaarde voor de som van een groep stoffen indien 7(CI/N} >1, waarbij Ci= gemeten concentratie van een stof uit de betreffende groep en I= interventiewaarde voor de betreffende stof uit de betreffende groep. De streefwaarde grondwater voor een aantal stoffen (gemarkeerd met *)is lager dan of gelijk aan de vereiste rapportagegrens in bijlage G onderdeel IV van de Regeling bodemkwaliteit. Voor het beoordelen van meetwaarden beneden de rapportagegrens, wordt verwezen naar bijlage G.
Voor het omgaan met meetwaarden beneden de bepalingsgrens van het aboratorium wordt verwezen naar bijlage G onderdeel IV van de Regeling bodemkwaliteit
Bijlage 7 Toetsing grondmonsters aan Besluit bodemkwaliteit
anteagroup
Boringnummer
10,11, 13,14
01, 03,08, 09
04,05, 06,07
0,00-0,50
29-03-2017
0,00-0,50
29-03-2017
0,00-0,50
29-03-2017
%
82,20
89,40
91,50
%ds
7,9
Monstertraject (m -mv)
Analysedatum
Monsterconclusie Bbk BODEMKUNDIG
Droge stof
Lutum METALEN Barium Cadmium Kobalt Koper
%ds 27 Eenheid Meetw _ GSSD makes | 21 750 ma/kgds <02 ma/keds 34 ma/keds 63
30 Meew GSD <20<02 Pra 34 <s
22 Meetw _GSSD 2<0,2 1029 <3<5
K Lood
mg/kg ds mgkeds
<0,05 23
<0,05 u
<0,05 <10
Zink
mgkeds |
54
35
<20
PAK
Anthraceen Benzo(a}anthraceen Benzo(a)pyreen Benzolg,hilperyleen Benzo(kfluorantheen Chryseen Fenanthreen Fluorantheen
Eenheid
Meetw
mg/tgds | <005 me/kgds on mg/kg ds 0,098 ma/keds 0092 me/kgds 0,069 mg/kgds 0,13 ma/keds oos4 ma/keds o21
GSSD
0030 0,110 0,098 0092 0,069 0,130 0084 0,210
Meetw
<005 0,061 0,065 0081 <0,05 0,082 <oos 0084
GSSD
0,040 0,061 0,065 0081 0,040 0,082 0,040 0084
Meetw
<005 <0,05 <0,05 <oos <0,05 <0,05 <o0s <oos
GSSD
Indeno-(1,2,3-c,d)pyreen Naftaleen
mg/kgds mg/kg ds
0,077 <0,05
0,077 0,040
0,087 <0,05 o
0,087 0,040
eo
<0,05 <0,05
0,040 0,040
PAK 10 VROM (0,7 factor)
ma/keds
oss
o
os
o
035
0
OVERIGE (ORG.) VERBINDINGEN
Eenheid
Meetw
_GSSD
Meet
__GSSD
Meeuw
GSSD
Minerale olie CIO - C12
mg/kgds
<3
30
<3
ul
<3
u
Minerale olie C10-C40
mgtgde | a
Wi
a
mo
as
Minerale olieC16 - C21 Minerale olie C21 - C30
me/kgds me/kgds
Organische stof
Molybdeen Nikkel
mekeds <15 mg/kg ds 10
PAK10 VROM
Minerale olieC12-C16
marges | o
me/kgds
<5
Minerale olie C30 - C35
ma/kgds
32 30
Minerale olieC35 - C40
mg/kgds
77
62
<151,3
Po
4
o os
38)
18
<t 7,2
36)
9,700)
89 44500
<6
Kwaliteitsklasse wonen
Kwaliteitsklasse industrie
Overschrijding kwaliteitsklasse industrie (niet toepasbaar> industrie) Overschrijding kwaliteitsklasse industrie (niet toepasbaar> interventiewaarde)
<519
zel
0040 0,040 0,040 0040 0,040 0,040 0040 0040
ost) gol)
Voldoet aan achtergrondwaarde (altijd toepasbaar)
6: Heeft geen normwaarde
<154,9
18
7,300f ) a
<5
15
<5
(Bb
GSD: Gestandaardiseerde meetwaarde
2,0
zele)
<5
wee zoe) zie
anteagroup
pers PCB (som 7}
Eenheid Meetw _ GSSD ma/tgds |__o 100
Meetw GSD To Tos
Meetw__GSSD To Tos
PCB 101
mg/kg ds
<0,001
|__<0,001
| <0,001
PCB 138
ma/kgds
<0001
0,001
| <o01 _ 000
| <o0o1
0004
PCB 180
ma/kgds _ <0001
0,001
| <ooor
| <ooo1
ooo
PCB (som 7, 0,7 factor) PCB 118
PCB 153
PCB 28 PCB 52
me/keds ma/tgds
mg/kg ds
ma/keds ma/kgds
00049
0
<00o1
0001
<0,001
<0001
<0,001
0,001 0,001
0,001 0,001