CConstaterende datNoordwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Quickscan Wnb - Wassenaarseweg 8-10 De Zilk - AVG

Gemeenteraadsvergadering 13 juli 2021, gemeente NoordwijkBij agendapunt: Raadsvoorstel Ontwerpbestemmingsplan Wassenaarseweg tussen 8 en 10 De Zilk4.404 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan Wet natuurbescherming Wassenaarseweg tussen 8 en 10, De Zilk

Rapport

Quickscan Wet natuurbescherming

Locatie Kenmerk Datum

: : :

Veldecoloog Vrijgave Email Telefoon

: : : :

Opdrachtgever

:

Wassenaarseweg tussen 8 en 10, De Zilk 20042637/JGR/rap1 30-12 november 2020

© IDDS b.v. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de uitgever.

Samenvatting In opdracht van de is op 23-09-2020 een ecologische quickscan uitgevoerd aan de Wassenaarseweg tussen huisnummer 8 en 10 in De Zilk. Deze samenvatting beschrijft de belangrijkste resultaten en conclusies van het onderzoek. Voor de volledigheid verwijzen wij u ook naar hoofdstuk 6 Conclusie en aanbevelingen. Soortbescherming Uit bureaustudie en biotooptoets komt naar voren dat binnen de invloedsfeer van het plangebied een potentieel geschikte verblijfplaats aanwezig is voor beschermde soorten vogels en vleermuizen. Ook heeft het groen in en om het plangebied een functie voor algemene vogelsoorten als broedlocatie. Nader onderzoek naar de huismus, gierzwaluw en vleermuis is niet noodzakelijk indien: -

tussen de te ontwikkelen woning en de nokpan aan de zijgevel van de naastgelegen woning (nr. 10) 2,5m ruimte behouden blijft; er buiten de kwetsbare periode (maart t/m augustus) van de huismus en gierzwaluw wordt gewerkt; en er in de actieve periode van vleermuizen (april t/m november) geen fel licht wordt geschenen in de richting van de nokpan van de naastgelegen woning (nr. 10).

Indien deze voorwaarden niet kunnen worden nageleefd is nader onderzoek naar onderstaande soorten noodzakelijk. Tabel 1: Overzicht van soorten waarvoor nader onderzoek nodig is of maatregelen voor genomen moet worden Soortgroep

Soort (wetenschappelijke soortnaam)

Nader onderzoek

Vogels waarvan het nest jaarrond beschermd is

Gierzwaluw (Apus apus)

Verblijfplaats

Huismus (Passer domesticus)

Verblijfplaats

Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)

Verblijfplaats

Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)

Verblijfplaats

Kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus)

Verblijfplaats

Laatvlieger (Eptesicus serotinus)

Verblijfplaats

Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus)

Verblijfplaats

Meervleermuis (Myotis dasycneme)

Verblijfplaats

Tweekleurige vleermuis (Vespertilio murinus)

Verblijfplaats

Vleermuizen

Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op soorten. Deze quickscan doet geen uitspraken over stikstofdepositie. Om zeker te zijn dat het planvoornemen geen stikstofdepositie veroorzaakt op (stikstofgevoelig) Natura 2000-gebied dient apart stikstofonderzoek uitgevoerd te worden. Deze is reeds door IDDS uitgevoerd.

Inhoudsopgave

1.1 1.2 1.3

Inleiding .................................................................................................................... 5 Aanleiding .................................................................................................................. 5 Doel van het onderzoek.............................................................................................. 5 Leeswijzer .................................................................................................................. 5

2.1 2.2 2.3

Opzet van het onderzoek ......................................................................................... 6 Bureauonderzoek ....................................................................................................... 6 Veldonderzoek ........................................................................................................... 6 Effectenbeoordeling ................................................................................................... 6

3.1 3.2

Beschrijving van het plangebied ............................................................................. 7 Algemene beschrijving van het plangebied ................................................................. 7 Ligging plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden .............................. 9 Bureauonderzoek ................................................................................................... 11

5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7

Veldonderzoek........................................................................................................ 12 Vogels ...................................................................................................................... 12 Vleermuizen ............................................................................................................. 12 Grondgebonden zoogdieren ..................................................................................... 14 Amfibieën en reptielen .............................................................................................. 14 Vissen ...................................................................................................................... 14 Overige fauna .......................................................................................................... 14 Flora ........................................................................................................................ 14

6.1 6.2

Conclusie en advies ............................................................................................... 15 Gebiedsbescherming ............................................................................................... 15 Soortbescherming .................................................................................................... 15 Literatuur en bronvermelding ................................................................................ 17

Bijlage I Wet natuurbescherming......................................................................................... 18 Bijlage II Aanbevelingen natuurvriendelijk bouwen............................................................. 20

Inleiding 1.1

Aanleiding

is voornemens een woning te realiseren aan de Wassenaarseweg tussen huisnummer 8 en 10 in De Zilk. Voorafgaand aan deze ruimtelijke ingreep dient onderzoek verricht te worden naar de aanwezigheid van beschermde gebieden, flora en fauna, om na te gaan of bij de ontwikkeling de Wet natuurbescherming wordt overtreden. In dat kader is door IDDS een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. Dit rapport presenteert de bevindingen van dat onderzoek.

1.2

Doel van het onderzoek

Het doel van de quickscan is te onderzoeken of: • in het plangebied beschermde plant- en diersoorten kunnen voorkomen; • de ingreep mogelijk een effect heeft op deze beschermde soorten; • de ingreep mogelijk een effect heeft op beschermde natuurgebieden (Natura 2000 en NNN); • het plangebied een belangrijke functie voor beschermde plant- en diersoorten kan vervullen (bijvoorbeeld als essentieel foerageergebied, vliegroute, nest- of verblijfplaats); • op basis van bovenstaande bevindingen nader onderzoek nodig is.

1.3

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt de opzet van het onderzoek toegelicht. Hoofdstuk 3 beschrijft de kenmerken van het plangebied en de ligging ten opzichte van beschermde natuurgebieden. Hoofdstukken 4 en 5 beschrijven de resultaten van het bureau- en veldonderzoek. In Hoofdstuk 6 worden hieruit conclusies getrokken en advies gegeven, bijvoorbeeld ten aanzien van nader onderzoek. Een overzicht van de gebruikte literatuur staat in hoofdstuk 7. De belangrijkste (verbods)bepalingen uit de Wet natuurbescherming staan in bijlage I en bijlage II geeft een aantal aanbevelingen weer van natuur inclusief bouwen.

Opzet van het onderzoek 2.1

Bureauonderzoek

Door middel van bronnen- en literatuuronderzoek wordt onderzocht welke beschermde flora en fauna in de omgeving van het plangebied recent zijn waargenomen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van quickscanhulp dat op projectniveau de gegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna ontsluit. Daarnaast raadplegen we relevante verspreidingsatlassen en actuele websites. Ook brengen we de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden in kaart. Aan de hand van deze informatie maken we een inschatting of de betreffende soorten in het plangebied voor kunnen komen, gezien de habitatvoorkeur van de betreffende soorten. Ook maken we een inschatting of de voorgenomen ruimtelijke ingreep negatieve effecten heeft op de (potentieel) aanwezige beschermde soorten en gebiedsfuncties.

2.2

Veldonderzoek

Naast een bureaustudie wordt een biotooptoets uitgevoerd: een veldbezoek met als doel een inschatting te maken van de ecologische kwaliteiten van het plangebied. De bevindingen van het bronnen- en literatuuronderzoek worden in het veld getoetst en indien nodig aangevuld. Op het moment dat een biotooptoets wordt uitgevoerd, zijn niet alle soorten zichtbaar aanwezig. Diersoorten zijn bijvoorbeeld alleen nachtactief of in een bepaalde periode van het jaar afwezig. Daarom zijn de eisen die soorten/soortgroepen aan hun leefomgeving stellen met betrekking tot vaste rust- en verblijfplaatsen, voedselgebieden en migratierouten vergeleken en getoetst met de situatie in het veld. Op deze manier is ook het belang van het plangebied beoordeeld voor flora en fauna die niet zijn waargenomen gedurende de biotooptoets, maar desondanks toch kunnen voorkomen ter plaatse van het plangebied. De resultaten van de biotooptoets betreffen uitsluitend waarnemingen binnen het plangebied en de invloedsfeer van de werkzaamheden.

2.3

Effectenbeoordeling

Op basis van de veldkenmerken van het plangebied en de verspreiding van beschermde soorten, wordt beoordeeld voor welke beschermde soorten het plangebied van betekenis kan zijn. Bij deze toetsing wordt alleen gekeken naar de beschermde soorten uit de Wet natuurbescherming. Deze soorten hebben een Nederlandse of Europese bescherming en moeten worden getoetst op voorkomen en effect. Wanneer effecten optreden of verbodsbepalingen worden overtreden, dan zijn er mogelijk maatregelen nodig om de effecten te voorkomen, verzachten of te compenseren om te voldoen aan de Wet natuurbescherming. Algemene soorten worden dus niet meegenomen in deze toetsing. Deze soorten zijn zodanig algemeen in Nederland dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt door de meeste projecten. Bovendien geldt voor deze soorten een vrijstelling van de verbodsbepalingen zoals weergegeven in artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming. Wel geldt de zorgplicht op grond van artikel 1.11.

Beschrijving van het plangebied Onderstaand (figuur 1) is het onderzoeksgebied weergegeven in relatie tot de directe omgeving. Tabel twee geeft in aanvulling op figuur 1 een overzicht van de locatie en omvang van het plangebied. Het planvoornemen is om op het niet in gebruik zijnde stuk grond een woning te realiseren. De quickscan heeft betrekking op het gehele perceel.

Tabel 2: Gegevens plangebied Plaats

De Zilk

Locatie

Tussen de Wassenaarseweg 8 en 10

Perceel

NWK04-A-3162

Oppervlakte onderzoeksgebied

Ca 400 m2

3.1

Algemene beschrijving van het plangebied

Het plangebied bestaat deels uit een oprit, schuur en tuin waarin o.a. een grote kastanjeboom staat. Een deel van deze tuin, op de plek waar momenteel jaarlijks in de zomer een zwembad wordt geplaatst zal o.a. verdwijnen voor de toekomstige woning. Aan weerszijden van het plangebied staan woningen (nummer 8 en 10).

3.2

Ligging plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden

Op onderstaande kaart (figuur 4) is te zien dat het plangebied geen deel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland. Het gebied maakt eveneens geen onderdeel uit van een ander beschermd gebied, zoals Natura 2000, belangrijk weidevogelgebied of strategische reservering natuur. Het dichtstbijzijnde belangrijke weidevogelgebied ligt op 7km afstand van het plangebied. De dichtstbijzijnde ecologische verbindingszone ligt op 650m afstand van het plangebied. De dichtstbijzijnde strategische reservering natuur ligt op 750m. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op 600m afstand van het plangebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Kennemerland-Zuid, dat ligt op 600m afstand van het plangebied.

In figuur 5 is een overzicht weergegeven van stikstof gevoelige habitattypen ten opzichte van het plangebied. Deze quickscan doet geen uitspraken over stikstofdepositie. Om zeker te zijn dat het planvoornemen geen stikstofdepositie veroorzaakt op (stikstofgevoelig) Natura 2000gebied dient apart stikstofonderzoek uitgevoerd te worden.

Bureauonderzoek Uit recente verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) blijkt dat in of nabij het plangebied (binnen een straal van 5 kilometer) diverse beschermde soorten zijn waargenomen. Afgaand op de te verwachten biotopen in het plangebied, is een selectie gemaakt van soorten die in het plangebied kunnen voorkomen. Deze beschermde soorten zijn weergegeven in onderstaande tabel.

Tabel 3: Verwachte beschermde flora- en faunasoorten in het projectgebied (Bron: NDFF) Afstand tot locatie [km]

Soortgroep

Soort (wetenschappelijke soortnaam)

Vogels waarvan het nest jaarrond beschermd is

Gierzwaluw (Apus apus)

0-1

Huismus (Passer domesticus)

0-1

Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)

1-5

Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)

1-5

Kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus)

1-5

Laatvlieger (Eptesicus serotinus)

1-5

Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus)

1-5

Meervleermuis (Myotis dasycneme)

1-5

Rosse vleermuis (Nyctalus noctula)

1-5

Watervleermuis (Myotis daubentonii)

1-5

Franjestaart (Myotis nattereri)

1-5

Tweekleurige vleermuis (Vespertilio murinus)

1-5

Bosvleermuis (Nyctalus leisleri)

1-5

Vleermuizen

Grondgebonden zoogdieren

Geen beschermde soorten verwacht

-

Rugstreeppad (Epidalea calamita)

1-5

Zandhagedis (Lacerta agilis)

1-5

Overige fauna

Aardbeivlinder, bruine eikenpage, duinparelmoervlinder, grote vos en gevlekte witsnuitlibel

1-5

Flora

Dreps, glad biggenkruid, wilde ridderspoor

1-5

Amfibieën en reptielen

Veldonderzoek Het veldonderzoek is op 23 september 2020 uitgevoerd door In tabel 3 is een overzicht weergegeven van de weersomstandigheden tijdens het veldbezoek. Tabel 4: Weersomstandigheden tijdens veldbezoek van weerstation Voorschoten (bron: KNMI) Datum 23-09-2020

Temperatuur (℃) Min. Max. 11,3

20,6

Overheersende windrichting (bft)

Bewolking

Neerslag (mm)

Z3

Vrijwel geheel bewolkt

0.0 mm

De in tabel 2 genoemde soorten kunnen op basis van verspreidingsgegevens voorkomen in het plangebied. Tijdens het veldbezoek is vervolgens nagegaan of het plangebied een functie vervult voor (onder andere) deze soorten. Deze bevindingen worden hieronder per soortgroep uiteengezet. 5.1

Vogels

Tijdens het veldbezoek zijn meerdere algemene vogelsoorten gehoord en gezien. Het groen (figuur 3) in het plangebied heeft voor algemene vogelsoorten een functie als broedlocatie. Soorten waarvan het nest jaarrond beschermd is, zijn niet in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden waargenomen. Jaarrond beschermde nesten (of overblijfselen daarvan) zijn niet waargenomen. Geschikte invliegopeningen voor de huismus en gierzwaluw zijn binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden aangetroffen. De nokpan aan de rechter zijgevel van nummer 10 is geschikt voor de huismus en gierzwaluw (figuur 6). Deze invliegopening is momenteel versperd door een spinnenweb. Het is echter niet uitgesloten dat deze tijdens het broedseizoen van de gierzwaluw en huismus in gebruik genomen wordt. 5.2

Vleermuizen

Er bevinden zich geen opstallen in het plangebied, welke geschikt zijn voor vleermuizen. Het schuurtje bevat geen kieren welke geschikt zijn voor vleermuizen. Hiermee zijn verblijfplaatsen van gebouw bewonende vleermuizen in het plangebied uitgesloten. Binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden is echter wel een mogelijkheid voor vleermuizen om in te verblijven, dit betreft ook de nokpan aan de zijgevel van de naastgelegen woning. Bomen van voldoende dikte zijn binnen de invloedsfeer van het plangebied aanwezig, deze zijn onderzocht op holtes, ingerotte boomdelen, ingescheurde takken en loshangend schors. Geschikte openingen in deze bomen zijn niet waargenomen. Als foerageergebied heeft het plangebied mogelijk een functie (niet essentieel) in verband met de aanwezigheid van groen. Lijnvormige elementen die als vliegroute voor vleermuizen kunnen dienen zijn binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden niet aanwezig.

5.3

Grondgebonden zoogdieren

Tijdens het veldbezoek zijn geen (beschermde) zoogdieren of sporen daarvan waargenomen. Ook zijn er geen geschikte openingen waargenomen die geschikt zijn als verblijfplaats voor beschermde zoogdieren. In het plangebied en binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden zijn voor kleine algemene zoogdieren wel voldoende schuilplaatsen aanwezig. 5.4

Amfibieën en reptielen

Tijdens het veldbezoek zijn geen (beschermde) amfibieën en reptielen waargenomen. Volgens de verspreidingsgegevens komen de rugstreeppad en de zandhagedis binnen vijf kilometer van het plangebied voor. Deze waarnemingen komen hoogst waarschijnlijk uit de Amsterdamse Waterleidingduinen. Binnen het plangebied is zand aanwezig, echter zit direct hieronder een zeil waar ’s zomers een zwembad op wordt geplaatst. Dit zand biedt dus geen mogelijkheden voor de rugstreeppad om zich in te vergraven als verblijf of overwinterlocatie. Ook biedt het voor de zandhagedis geen voortplantingshabitat. Het plangebied is voor de rest volledig begroeid en verhard. Plaatsen waar voortplantingswater kan ontstaan voor de rugstreeppad zijn ook niet aanwezig binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. 5.5

Vissen

Watergangen ontbreken binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden, hiermee is een negatief effect op (beschermde) vissen uitgesloten. De soortgroep is derhalve ook niet onderzocht. 5.6

Overige fauna

Volgens verspreidingsgegevens komen de aardbeivlinder, bruine eikenpage, duinparelmoervlinder, grote vos en de gevlekte witsnuitlibel voor binnen vijf kilometer van het plangebied. De waardplanten die deze soorten gebruiken voor ei afzetting komen niet voor in het plangebied, ook voldoet het plangebied niet aan de andere habitatseisen van deze soorten. 5.7

Flora

Volgens de verspreidingsgegevens komen dreps, glad biggenkruid en wilde ridderspoor binnen vijf kilometer van het plangebied voor. Het plangebied biedt voor deze soorten, die voornamelijk groeien op akkers en braakliggende grond geen geschikt habitat.

Conclusie en advies 6.1

Gebiedsbescherming

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op soorten. Deze quickscan doet geen uitspraken over stikstofdepositie. Om zeker te zijn dat het planvoornemen geen stikstofdepositie veroorzaakt op (stikstofgevoelig) Natura 2000-gebied dient apart stikstofonderzoek uitgevoerd te worden. Dit onderzoek is reeds door IDDS uitgevoerd.

6.2

Soortbescherming

Vogels Het groen in en om het plangebied heeft een functie voor algemene broedvogels. Algemene vogelsoorten die broeden zijn gedurende deze tijd (15 maart – 15 juli) beschermd. Geschikte openingen die als verblijfplaats voor de huismus of gierzwaluw kunnen dienen zijn in het plangebied aanwezig. Deze mogelijke verblijfplaats blijft enkel behouden als er 2,5 meter ruimte blijft tussen de nokpan en de te ontwikkelen woning. Deze ruimte is gebaseerd op de Kennisdocumenten van BIJ12. Nader onderzoek naar jaarrond beschermde vogels is niet benodigd indien: - de bovengenoemde ruimte blijft bestaan; - buitenpandige werkzaamheden buiten de kwetsbare periode (maart – augustus) van de huismus of gierzwaluw worden uitgevoerd. Vleermuizen De nokpan aan de zijgevel van de naastgelegen woning biedt een geschikte opening voor gebouw bewonende vleermuissoorten als paar, zomer of kraamverblijf. Nader onderzoek naar gebouw bewonende soorten is niet benodigd indien: - de eerder genoemde ruimte (2.5m) tussen de nokpan aan de zijgevel van nummer 10 en de te bebouwen woning niet behouden kan blijven; - er in de actieve periode van de vleermuis (april t/m oktober) geen fel licht wordt geschenen richting de nokpan van de zijgevel van de Wassenaarseweg 10.

De bomen binnen de invloedsfeer van het plangebied beschikken niet over geschikte openingen waarin vleermuizen kunnen verblijven, hiermee zijn verblijfplaatsen van boom bewonende vleermuissoorten uitgesloten. Niet essentieel foerageergebied is in het plangebied mogelijk aanwezig. Vanwege het ontbreken van een lijnelement zijn vliegroutes van vleermuizen uitgesloten. Nader onderzoek naar boom bewonende vleermuissoorten, foerageergebied of vliegroutes is niet noodzakelijk. Grondgebonden zoogdieren Volgens de verspreidingsgegevens komen beschermde zoogdieren in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden niet voor. Tijdens het veldbezoek zijn ook geen (beschermde) zoogdieren, sporen daarvan of mogelijke verblijfplaatsen waargenomen. Hiermee is een negatief effect op beschermde grondgebonden zoogdieren uitgesloten. De zorgplicht

voor grondgebonden zoogdieren is uiteraard wel van toepassing, er zijn namelijk voldoende schuilplaatsen aanwezig voor kleine algemene zoogdieren. Amfibieën en reptielen Binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden zijn geen geschikte plekken die kunnen dienen als leefgebied voor de rugstreeppad en zandhagedis. Het is wel mogelijk dat algemene amfibieën het plangebied gebruiken, hiervoor geldt de zorgplicht. Vissen Met (beschermde soorten) vissen hoeft op grond van biotoop en verspreidingsgegevens geen rekening gehouden te worden. Overige fauna Met beschermde ongewervelde diersoorten hoeft op grond van biotoop geen rekening gehouden te worden. Voor algemene overige diersoorten geldt de zorgplicht. Flora Met beschermde flora hoeft op grond van biotoop geen rekening gehouden te worden. Nader onderzoek Naar aanleiding van de uitgevoerde quickscan kunnen een aantal soorten die volgens verspreidingsgegevens voor kunnen komen in het plangebied uitgesloten worden. Voor een aantal soorten geldt dat er maatregelen genomen moet worden om een negatief effect te voorkomen. Een overzicht hiervan is weergegeven in tabel 5. Tabel 5: Overzicht van de onderzochte soortgroepen en onderzoeksresultaten Soortgroep

Soort (wetenschappelijke soortnaam)

Nader onderzoek

Vogels waarvan het nest jaarrond beschermd is

Gierzwaluw (Apus apus)

Mogelijk

Huismus (Passer domesticus)

Mogelijk

Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)

Mogelijk

Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)

Mogelijk

Kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus)

Mogelijk

Laatvlieger (Eptesicus serotinus)

Mogelijk

Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus)

Mogelijk

Meervleermuis (Myotis dasycneme)

Mogelijk

Tweekleurige vleermuis (Vespertilio murinus)

Mogelijk

Rosse vleermuis (Nyctalus noctula)

Nee

Watervleermuis (Myotis daubentonii)

Nee

Franjestaart (Myotis nattereri)

Nee

Bosvleermuis (Nyctalus leisleri)

Nee

Rugstreeppad (Epidalea calamita)

Nee

Zandhagedis (Lacerta agilis)

Nee

Overige fauna

Aardbeivlinder, bruine eikenpage, duinparelmoervlinder, grote vos en gevlekte witsnuitlibel

Nee

Flora

Dreps, Glad biggenkruid, Wilde ridderspoor

Nee

Vleermuizen

Amfibieën en reptielen

Literatuur en bronvermelding Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocumenten Soorten - Natuurbescherming, versie 1.0, 1 juli 2017, BIJ12, Utrecht Bijlsma, R.G., 2015. Handleiding veldonderzoek roofvogels. KNNV Uitgeverij, Zeist. Broekhuizen, S. e.a., 2016. Atlas van de Nederlandse Zoogdieren. Diets, C., Kiefer, A, 2017. Veldgids Vleermuizen van Europa. KNNV Uitgeverij, Zeist.

Internetbronnen www.quickscanhulp.nl www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/soortinventarisatieprotocollen www.ravon.nl www.sovon.nl www.floron.nl www.telmee.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vlinderstichting.nl www.zoogdiervereniging.nl www.bij12.nl www.calculator.aerius.nl www.waarneming.nl

Bijlage I

Wet natuurbescherming

Wet natuurbescherming, onderdeel soorten Voor soortenbescherming geldt voor deze wet dat deze gericht is op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van deze soorten. De wet maakt hiervoor een programmatische aanpak mogelijk. Binnen deze wet wordt de soortbescherming opgedeeld in drie categorieën: 1. De bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogels van soorten die voorkomen in de EU als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten (art. 3.1 – 3.4). 2. De bescherming van in het wild levende dieren en planten van soorten die voorkomen in de EU op grond van de Habitatrichtlijn (bijlagen I, II, IV, V) en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5 - 3.9). 3. De bescherming van niet onder de bovenstaande twee categorieën vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland, vermeld in de bijlage van de Wet natuurbescherming (art. 3.10 - 3.11). Voor de zoogdier- amfibie- en reptielsoorten opgenomen in deze bijlage geldt geen Europese verplichting tot bescherming. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren een bescherming behoeven. De andere in de bijlage opgenomen soorten worden om ecologische redenen beschermd.

Hiermee geeft Nederland uitvoering aan de algemene verplichting van het Biodiversiteitsverdrag om kwetsbare en bedreigde dier- en plantsoorten te beschermen. Verbodsbepalingen: Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Uitbreiding verbodsbepalingen en mogelijkheid tot ontheffing of vrijstelling: Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a.

in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen,

af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. t/m h. (niet van toepassing, zie wettekst). 3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Verordening vrijstelling soorten provincie Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland acht het wenselijk vrijstellingen te verlenen van verboden ter bescherming van soorten dieren op grond van de Wet natuurbescherming voor de volgende diersoorten: Aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Bovenstaande soorten zijn derhalve niet beschermd bij de voorgenomen werkzaamheden.

Voor bovengenoemde soorten blijft de zorgplicht echter van kracht.

Bijlage II

Aanbevelingen natuurvriendelijk bouwen

Naast de consequenties die voortkomen uit de Wet natuurbescherming geven wij in relatie tot de voorgenomen ontwikkelingen de volgende aanbevelingen met als doel de ecologische structuren in de omgeving te versterken. Vleermuizen Nieuwbouw Spouwmuren zijn uitermate geschikt voor vleermuizen. Geschikte permanente verblijfplaatsen kunnen worden gecreëerd door bij de nieuwbouw een spouwmuur te realiseren van ten minste 2 centimeter diep. Invliegopeningen in de vorm van open stootvoegen van 1,5 tot 2 cm breed geven dwergvleermuizen toegang tot de spouwmuur. Laatvliegers hebben wat meer ruimte nodig om in te vliegen, namelijk tussen de 1,8 en 2 centimeter. Bij het gebruik van isolatie aan de binnengevel is het noodzakelijk ervoor te zorgen dat er kunststof gaas wordt aangebracht met een maaswijdte van 3 tot 10 millimeter om vleermuizen de mogelijkheid te bieden te zich vast te klampen. De stootvoegen moeten zich op ten minste 3 meter hoogte bevinden en niet boven ramen of deuren geplaatst. Als het niet gewenst is dat vleermuizen zich vrij door de spouwmuur bewegen, is het inmetselen van vleermuisstenen een goed alternatief. De ruimte in een inmetselsteen is beperkt. Het is dan ook raadzaam inmetselstenen te koppelen zodat een grotere verblijfplaats ontstaat.

Renovatie Als een bestaande spouwmuur wordt geïsoleerd blijft er vaak te weinig ruimte over om nog te kunnen functioneren als potentiele verblijfplaats voor vleermuizen. Het is dan nog wel mogelijk inmetselstenen aan te brengen tussen het binnen- en buitenblad van de spouwmuur.

Boeiboorden of gevelbetimmering kan ook een verblijfplaats bieden aan vleermuizen. Door een opening van 2,5 centimeter vrij te houden tussen de gevel en de betimmering wordt een potentiele verblijfplaats gerealiseerd. Het is belangrijk dat de vleermuizen grip hebben, dus de wand moet ruw zijn.

Gierzwaluw Voor gierzwaluwen kan onder andere gebruik gemaakt worden van inmetselkasten in de gevel en nestpannen op het dak. De neststenen kunnen zowel zichtbaar als onzichtbaar in de gevel worden verwerkt.

Bij het aanbrengen van neststenen in de gevel is het van belang rekening te houden met de mate van opwarming van de neststenen. De neststenen moeten bij voorkeur in noordelijk of oostelijk gerichte gevels worden aangebracht of onder de schaduw van een overstek. Ook in nestpannen op het dak kan de temperatuur snel oplopen. Deze moeten onder geen beding op zuidelijk of westelijk gerichte daken worden gelegd. De kans is groot dat de jongen dit niet overleven. Zeker als de daken zijn geïsoleerd, kan warmte niet meer ontsnappen en is oververhitting een reëel gevaar. Gaten in overstekken en dakgootomlijstingen bieden goede mogelijkheden voor gierzwaluwen om te nestelen. De temperatuur is dit soort betimmeringen is beter gereguleerd en het is goed aan te vliegen door de soort.

Huismus Voor huismussen kan heel gemakkelijk nestruimte worden gerealiseerd door het (ver)plaatsen van vogelschroot tot onder de derde rij dakpannen. Op deze manier wordt voldaan aan het Bouwbesluit, maar blijft het dak beschikbaar voor de huismus. Bij huismussen moet rekening worden gehouden met de eisen die de soort stelt aan zijn omgeving. Om te kunnen functioneren als broedlocatie moet op zeer korte afstand voldoende dekking en voedsel aanwezig in de vorm van inheemse bomen en planten. Soorten als liguster, lijsterbes, sleedoorn, meidoorn en vlier zijn hier heel geschikt voor. Insectenhotels Door insectenhotels te plaatsen in een voedselrijke omgeving met veel inheemse bloemen kunnen insecten worden gelokt. Het is van belang om goed te letten op de grootte en diepte van het insectenhotel en deze te plaatsen op een zonnige plek om deze succesvol te laten zijn. Een insectenhotel kan de diversiteit lokaal vergroten en de insecten vormen een goede voedselbron voor vogels en vleermuizen. Checklist groen bouwen Verstedelijking draagt bij aan het verlies van biodiversiteit, maar de bouw biedt ook kansen. Voor sommige dieren zijn onze steden en dorpen zelfs het belangrijkste leefgebied. Daar kan iedereen een steentje aan bijdragen. Met de Checklist Groen Bouwen kan iedere bouwonderneming, architect of projectontwikkelaar zijn projecten en ontwerpen natuurvriendelijker maken.

Het beantwoorden van enkele simpele ja/nee vragen leidt tot eenvoudige soortbeschermingsmaatregelen. Kijk voor meer informatie op: www.checklistgroenbouwen.nl www.bouwnatuurinclusief.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Noordwijk&id=7180d427-d1e6-4b58-83c2-2a8f40f15c75