Bijlage Quickscan Wnb - Gerleeweg 9 Noordwijk rap2
Tekst van het document
2292 Quickscan Wet natuurbescherming – Gerleeweg 9, Noordwijk
RAPPORT Datum Kenmerk Auteur Vrijgave
: : : :
23-3-2020 R&O19112292/REI/rap Dhr. R. Eisenga Dhr. J.T. Groeneveld
Opdrachtgever
:
Dhr. J. Selier Gerleeweg 7 2201 DD Noordwijk
Inhoud 1. 1.1 1.2 1.3
Inleiding ......................................................................................................................... 3 Aanleiding ....................................................................................................................... 3 Doel van het onderzoek ................................................................................................. 3 Leeswijzer ...................................................................................................................... 3
2. 2.1 2.2 2.3
Opzet en uitvoering van het onderzoek ..................................................................... 4 Bureaustudie .................................................................................................................. 4 Veldonderzoek ............................................................................................................... 4 Effectenbeoordeling ....................................................................................................... 4
3. 3.1 3.2 3.3
Beschrijving van het plangebied ................................................................................ 5 Ligging plangebied ten opzichte van beschermde gebieden en omgeving ................... 5 Mogelijke effecten op beschermde gebieden in de omgeving ....................................... 6 Algemene beschrijving van het plangebied ................................................................... 6
4. 4.1 4.2
Wettelijk kader .............................................................................................................. 8 Wet natuurbescherming, onderdeel soorten .................................................................. 8 Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland ...................................... 9
5. 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6
Resultaten en effectenbeoordeling .......................................................................... 10 Vleermuizen ................................................................................................................. 10 Grondgebonden zoogdieren ........................................................................................ 10 Vaatplanten .................................................................................................................. 11 Vogels .......................................................................................................................... 11 Amfibieën en reptielen.................................................................................................. 12 Overige beschermde soorten ....................................................................................... 14
6. 6.1 6.2 6.3 6.4
Effecten, verplichtingen en aanbevelingen ............................................................. 15 De zorgplicht zoals weergegeven in artikel 1.11 .......................................................... 15 De zorgplicht specifiek voor vogels in artikel 3.1 ......................................................... 15 Overzicht van onderzochte soortgroepen en onderzoeksresultaten ........................... 17 Aanbevelingen .............................................................................................................. 18
Literatuur en bronvermelding .................................................................................................. 21
2292
1.
Inleiding
1.1
Aanleiding
In opdracht van dhr. J. Selier is een flora– en faunaonderzoek uitgevoerd op de locatie Gerleeweg 9, te Noordwijk. De voorgenomen plannen betreffen de sloop van kassen en de grond omvormen naar bollenland. Daarnaast wordt er langs de weg een nieuwe woning gebouwd. 1.2
Doel van het onderzoek
Deze quickscan flora en fauna heeft ten doel de voorgenomen plannen te toetsen aan de huidige natuurwetgeving zodat duidelijk wordt welke maatregelen moeten worden getroffen om overtreding van deze wet te voorkomen. Het plangebied is onderzocht en beoordeeld op de aanwezigheid van en betekenis voor door de Wet natuurbescherming beschermde plant- en diersoorten. Indien overtreding niet kan worden vermeden, is in het onderhavige rapport aangegeven voor welke soorten en met welke onderbouwing ontheffing dient te worden aangevraagd. Indien aanvullend onderzoek noodzakelijk blijkt, kan op basis van de quickscan een gedegen planning daarvan worden gemaakt. 1.3
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 is de opzet van het onderzoek besproken en in hoofdstuk 3 wordt nader ingegaan op het plangebied. In hoofdstuk 4 is de reikwijdte en de doelstelling uit de Wet natuurbescherming beschreven. In hoofdstuk 5 worden conclusies getrokken uit de resultaten van het bureauonderzoek en het veldbezoek, waarna in hoofdstuk 6 de conclusies zijn samengevat. Tot slot worden in de bijlagen aanbevelingen gedaan om de ecologische structuur in het gebied te verbeteren en wordt een overzicht van de geraadpleegde literatuur gepresenteerd.
Fig. 1: Aanzicht plangebied
2292
2.
Opzet en uitvoering van het onderzoek
Het onderhavige flora- en faunaonderzoek bestaat uit twee onderdelen, te weten: een bronnen- en literatuuronderzoek (bureaustudie) en een biotooptoets (veldbezoek). De biotooptoets is door een ecoloog uitgevoerd op 12 december 2019 in de ochtend, bij zuidenwind kracht 3 bft, half bewolkt weer en circa 4°C. 2.1
Bureaustudie
Het bronnen- en literatuuronderzoek omvat een bureaustudie, waarbij kaarten zijn geraadpleegd (kenmerken van het landschap waarin het plangebied zich bevindt) en de reeds bekende verspreidingsgegevens van voorkomende beschermde soorten in de regio zijn geraadpleegd. In het bronnen- en literatuuronderzoek zijn het plangebied en het omliggende gebied in een straal van ongeveer 1,5 kilometer onderzocht. Er zijn diverse bronnen geraadpleegd om een beeld te krijgen van de verspreiding en mogelijk voorkomen van beschermde soorten in en rond het plangebied. Aan de hand van deze informatie is een inschatting gemaakt of de betreffende soorten in het plangebied voor zouden kunnen komen, gezien de habitatvoorkeur van de betreffende soorten. Een overzicht van de gebruikte literatuur is opgenomen in de literatuurlijst, die is opgenomen in de bijlage van deze briefrapportage. 2.2
Veldonderzoek
Naast een bureaustudie is een biotooptoets uitgevoerd. Dit betreft een veldbezoek met als doel een inschatting te maken van de ecologische kwaliteiten van het plangebied. De bevindingen van het bronnen- en literatuuronderzoek worden in het veld getoetst en indien nodig aangevuld. Op het moment dat een biotooptoets wordt uitgevoerd, zijn niet alle soorten zichtbaar aanwezig. Diersoorten zijn bijvoorbeeld alleen nachtactief of in een bepaalde periode van het jaar afwezig. Daarom zijn de eisen die soorten/soortgroepen aan hun leefomgeving stellen met betrekking tot vaste rust- en verblijfplaatsen, voedselgebieden en migratierouten vergeleken en getoetst met de situatie in het veld. Op deze manier is ook het belang van het plangebied beoordeeld voor flora en fauna die niet zijn waargenomen gedurende de biotooptoets, maar desondanks toch mogelijk kunnen voorkomen ter plaatse van het plangebied. De resultaten van de biotooptoets betreffen uitsluitend waarnemingen binnen het plangebied. 2.3
Effectenbeoordeling
Op basis van de veldkenmerken van het plangebied en de verspreiding van beschermde soorten, is beoordeeld voor welke beschermde soorten het plangebied van betekenis kan zijn. Bij deze toetsing is alleen gekeken naar de beschermde soorten uit de Wet Natuurbescherming. Deze soorten hebben een Nederlandse of Europese bescherming en moeten worden getoetst op voorkomen en effect. Wanneer effecten optreden of verbodsbepalingen worden overtreden, dan zijn er mogelijk maatregelen nodig om de effecten te voorkomen, verzachten of te compenseren om te voldoen aan de Wet Natuurbescherming. Algemene soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing. Deze soorten zijn zodanig algemeen in Nederland dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt door de meeste projecten. Bovendien geldt voor deze soorten een vrijstelling van de verbodsbepalingen zoals weergegeven in artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet Natuurbescherming. Wel geldt de zorgplicht ex artikel 1.11.
2292
3.
Beschrijving van het plangebied
3.1
Ligging plangebied ten opzichte van beschermde gebieden en omgeving
Op de onderstaande kaart is te zien dat het plangebied geen deel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland. Het gebied maakt eveneens geen onderdeel uit van een ander beschermd gebied, zoals Natura 2000, belangrijk weidevogelgebied of strategische reservering natuur. Binnen een straal van 10 kilometer liggen de volgende Natura 2000-gebieden: Coepelduynen 0,5km, Kennemerland-Zuid op 3km en Berkheide/Meijendel 4km. Alle drie de gebieden hebben binnen de stikstofgevoelige habitattypen de status gevoelig.
Fig. 2: Ligging plangebied (rode stip) ten opzichte van Natura-2000 gebieden (gearceerd) en NNN gebieden (donkergroen), belangrijkweidevogelgebied (lichtgroen) en ecologische verbinding (paars) Bron: https://pzh.maps.arcgis.com
2292
3.2
Mogelijke effecten op beschermde gebieden in de omgeving
Van het huidig gebruik van het plangebied als kwekerij met kassen, wordt deze grotendeels omgezet in bollengrond. Dit is een verrijking voor het open landschap en daarmee ook voor de aanwezige natuur. De afstand tot NNN en Natura 2000 gebieden is zo groot dat directe gevolgen niet zijn te verwachten. De nieuwe inrichting van de kwekerij tot open bollengrond kan wellicht zelfs tot een uitbereiding van foerageergebied leiden voor dieren die in Natura 2000 gebied Coepelduynen leven. Specifiek voor stikstofdepositie op beschermde gebieden is een separate onderzoek uitgevoerd. 3.3
Algemene beschrijving van het plangebied
Het plangebied ligt in het buitengebied van Noordwijk Binnen naast de wijk Vinkenveld aan een doodlopende weg. Kassen, schuren en bollenland kenmerken de omgeving, die grenst aan de Coepelduinen. Het plangebied zelf bestaat uit een stuk braakliggend land waar de nieuw te bouwen woning wordt gesitueerd. Erachter is een kassencomplex, welke ten tijde van het veldbezoek op 12 december reeds werden afgebroken. Achter de kassen bevindt zich een open schuurtje. Langs de weg loopt een greppel met ondiep water welke in de zomer droog staat.
Fig. 3: Overzicht van het plangebied
Gele kader: braakliggende deel Rode kader: kassencomplex Blauwe kader: open houten schuurtje Groene lijn: greppel
2292
Fig. 4: Foto-impressie: links het braakliggende deel en rechts de kas (links op de foto)
Fig. 5: Foto-impressie: links het houten schuurtje en rechts de greppel
2292
4.
Wettelijk kader
4.1
Wet natuurbescherming, onderdeel soorten
Voor soortenbescherming geldt voor deze wet dat deze gericht is op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van deze soorten. De wet maakt hiervoor een programmatische aanpak mogelijk. Binnen deze wet wordt de soortbescherming opgedeeld in drie categorieën: 1. De bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogels van soorten die voorkomen in de EU als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten (art. 3.1 – 3.4). 2. De bescherming van in het wild levende dieren en planten van soorten die voorkomen in de EU op grond van de Habitatrichtlijn (bijlagen I, II, IV, V) en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5 3.9). 3. De bescherming van niet onder de bovenstaande twee categorieën vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland, vermeld in de bijlage van de Wet natuurbescherming (art. 3.10 - 3.11). Voor de zoogdier- amfibie- en reptielsoorten opgenomen in deze bijlage geldt geen Europese verplichting tot bescherming. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren een bescherming behoeven. De andere in de bijlage opgenomen soorten worden om ecologische redenen beschermd.
Hiermee geeft Nederland uitvoering aan de algemene verplichting van het Biodiversiteitsverdrag om kwetsbare en bedreigde dier- en plantsoorten te beschermen. Verbodsbepalingen: Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Uitbreiding verbodsbepalingen en mogelijkheid tot ontheffing of vrijstelling: Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a.
in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielend.
2292
2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. t/m h. (niet van toepassing, zie wettekst). 3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. 4.2
Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland
Artikel 8.1 vrijstelling ten behoeve van bestendig beheer of onderhoud en de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. 1. De verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de wet, gelden niet bij de uitvoering van handelingen in het kader van: a. de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; (b,c,d niet van toepassing, zie wettekst) 2. De vrijstellingen, bedoeld in het eerste lid, gelden ten aanzien van de in bijlage 6 genoemde andere beschermde soorten: Aardmuis, Bastaardkikker, Bosmuis, Bruine kikker, Bunzing, Dwergmuis, Dwergspitsmuis, Egel, Gewone bosspitsmuis, Gewone pad, Haas, Hermelijn, Huisspitsmuis, Kleine watersalamander , Konijn, Meerkikker, Ree, Rosse woelmuis, Veldmuis, Vos, Wezel en Woelrat. Bovenstaande soorten zijn derhalve niet beschermd bij de voorgenomen werkzaamheden, wel geldt de zorgplicht.
2292
5.
Resultaten en effectenbeoordeling
5.1
Vleermuizen
Resultaten bureauonderzoek Het plangebied heeft meerdere opstallen waarin vleermuizen kunnen verblijven. De meest voorkomende gebouwbewonende vleermuissoort is de gewone dwergvleermuis (pipistrelllus pipistrelllus). Andere soorten die voorkomen in Noordwijk zijn de ruige dwergvleermuis (pipistrelllus nathusii), laatvlieger (eptesicus serotinus), gewone grootoorvleermuis (plecotus auritus), watervleermuis (myotis daubentonii) en meervleermuis (myotis dasycneme). Bomen zijn in het plangebied niet aanwezig, waardoor de aanwezigheid van boombewonende soorten kan worden uitgesloten. Resultaten veldbezoek De opstallen zijn gecontroleerd op plaatsen waar vleermuizen kunnen verblijven. Vleermuizen zoeken overdag een donkere schuilplek die niet blootgesteld staat aan de elementen. Zowel voor het kassencomplex als voor de open schuur geldt dat deze niet aan die eisen kunnen voldoen. De schuur staat los van de grond en heeft een doorzichtig dak. Voor beide opstallen geldt bovendien dat de temperatuur in de zomer snel kan oplopen. Klimatologisch is dit voor vleermuizen ongeschikt om te verblijven. Het braakliggende deel in het plangebied maakt mogelijk deel uit van foerageergebied voor vleermuizen, de functie van het gebied is echter niet essentieel door de beperkte omvang ervan en door voldoende alternatieven in de nabije omgeving.
Het plangebied heeft geen lijnvormige elementen waardoor het geen dienst doet als mogelijke vliegroute voor vleermuizen. Conclusie vleermuizen Geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen zijn in het plangebied niet aanwezig. Het gebied maakt geen deel uit van een lijnelement en wordt daardoor niet gebruikt als vaste vliegroute van vleermuizen. Als foerageergebied heeft het plangebied geen essentiële functie. Op basis van het bovenstaande is het uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten hebben op vaste rust- en/of verblijfplaatsen en vaste vliegroutes van vleermuizen. 5.2
Grondgebonden zoogdieren
Resultaten bureauonderzoek Op basis van verspreidingsgegevens kunnen bunzing (mustela putorius), wezel (mustela nivalis), hermelijn (mustela erminea) en steenmarter (martes foina) voorkomen in het plangebied. Ze zijn niet gebonden aan een bepaald landschapstype maar hebben een voorkeur voor een kleinschalig (cultuur-) landschap. Een vereiste is wel dat er voldoende dekking aanwezig is, bijvoorbeeld in de vorm van bosschages, houtstapels of heggen. De soorten komen ook wel voor in een groene bebouwde omgeving. Als verblijfplaats gebruiken ze onder meer houtstapels, oude holen van muizen, ratten en konijnen. Voor bunzing, hermelijn en wezel hoeft in Zuid-Holland geen ontheffing te worden aangevraagd. De steenmarter (martes foina) is bezig met een opmars naar het westen van Nederland. Tijdens het veldbezoek moet worden vastgesteld of het biotoop in het plangebied geschikt is voor deze soorten. Resultaten veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen zoogdieren of sporen van beschermde zoogdieren waargenomen. Er is geen mogelijke schuilplaats voor een steenmarter waargenomen, Verblijfplaatsen van beschermde grondgebonden zoogdieren zijn niet waargenomen. Foerageergebied en dekking in de vorm van heggen is alleen aan één rand van het braakliggende terrein aanwezig.
2292
Conclusie grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten zoogdieren aangetroffen. Er is geen geschikte verblijfplaats voor een steenmarter gevonden. Foerageergebied en dekking in de vorm van heggen is in zeer beperkte mate aanwezig in het plangebied, echter dit is niet van essentieel belang. Voor eventueel aanwezige algemene zoogdieren geldt de zorgplicht (zie §6.1). 5.3
Vaatplanten
Resultaten bureauonderzoek Noordwijk is uitstekend onderzocht op planten. Van de beschermde soorten in de Wet Natuurbescherming zijn slechts 4 soorten ooit in de regio van Noordwijk aangetroffen. Stofzaad, voor het jaar 2000 op enkele plaatsen in de Noordduinen. Glad biggenkruid, eenmaal gevonden bij De Zilk en eenmaal in het Langeveld. Ruw parelzaad, rond 1990 bij de Nieuweweg (Hillegom) en Kluwenklokje enkele keren in een wegberm, verwilderd vanuit een tuin. Op basis van de meest recente verspreidingsgegevens kan de aanwezigheid van beschermde soorten vaatplanten worden uitgesloten. Resultaten veldbezoek Beschermde vaatplanten zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. Geconstateerd is dat op het braakliggende stuk grond slechts hier en daar een brandnetel staat. De greppel heeft een hoge oever en valt bovendien droog in de zomer. Dit maakt het voor beschermde soorten planten een ongeschikte biotoop. Conclusie vaatplanten Geconcludeerd kan worden dat de aanwezige vaatplanten geen beschermde status hebben en ontwikkelingen niet in de weg staan. 5.4
Vogels
Resultaten bureauonderzoek In de verspreidingsgegevens worden over de afgelopen drie jaar meerdere vogelsoorten genoemd. Huismus (passer domesticus), gierzwaluw (apus apus) en andere soorten waarvan het nest jaarrond beschermd is, worden gemeld In Noordwijk. Bebouwing is aanwezig waardoor geschikte invliegopeningen aanwezig kunnen zijn voor gierzwaluw of huismus. Resultaten veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen vogels waargenomen. Jaarrond beschermde nesten zijn niet gevonden in het plangebied en binnen de verstorende invloed van de werkzaamheden. Het valt niet uit te sluiten dat algemene vogelsoorten in de kleine heg in het plangebied gaan broeden. Conclusie vogels Het plangebied heeft geen functie voor broedvogels waarvan het nest jaarrond beschermd is. In het gebied zijn geen (overblijfselen van) jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Huismussen zijn in het gebied of binnen de verstorende invloedsfeer daarvan, niet gesignaleerd. Daarom doet het plangebied geen dienst als essentiële foerageerplaats of schuilplaats voor huismussen. Voor gierzwaluw zijn, net als voor huismus, geen invliegopeningen aanwezig. Het plangebied heeft mogelijk wel een functie voor algemene broedvogels. Geadviseerd wordt het groen in het plangebied, voor zover noodzakelijk, te verwijderen voor aanvang broedseizoen (half maart) of na augustus.
Indien de werkzaamheden starten binnen het broedseizoen, mogen deze pas uitgevoerd worden indien vooraf door een deskundig ecoloog is vastgesteld dat geen verstoring van broedvogels zal plaatsvinden.
2292
5.5
Amfibieën en reptielen
Resultaten bureauonderzoek Wat betreft in Zuid-Holland beschermde amfibieën komt in Noordwijk alleen de rugstreeppad (epidalea calamita) voor. Rugstreeppadden zijn warmteminnend en komen daarom vooral voor in gebieden waarvan de bodem vaak sterk opwarmt en waarin ze kunnen graven. De rugstreeppad is vooral een soort van terreinen met een hoge natuurlijke of door mensen ingebrachte dynamiek. Braakliggende bouwterreinen, groeven en zand- en kleiafgravingen, (rivier)duinen en uiterwaarden vormen een ideaal leefgebied voor de rugstreeppad. Vaak is er een goed vergraafbare bodem aanwezig en is bouwmateriaal om onder te schuilen een voorwaarde. Water dat snel opwarmt moet eveneens in de buurt zijn. De aanwezigheid van deze soort kan daarom op basis van biotoop niet op voorhand worden uitgesloten.
Fig. 6: Overzichtskaart verspreidingsgebied van de rugstreeppad met Noordwijk in de rode cirkel
bron: www.telmee.nl
De zandhagedis (lacerta agilis) prefereert halfopen zandige situaties met enige vorm van dekking. Voor het leggen van eieren kiezen de vrouwtjes zonnige, onbegroeide zandige plekken. De eitjes worden op 5 tot 20 cm diepte ingegraven. De warmte van de zon zorgt dan voor verdere ontwikkeling van de eieren. De aanwezigheid van deze soort kan daarom op basis van biotoop op voorhand worden uitgesloten. Resultaten veldbezoek Amfibieën en reptielen zijn niet waargenomen. De greppel in het plangebied heeft een steile oever waardoor amfibieën van hieruit het plangebied niet kunnen bereiken. Poeltjes of plaatsen waar regenwater kan blijven staan wat dienst kan doen als voortplantingswater zijn niet aanwezig in of nabij het plangebied. Los zand voor rugstreeppad om zich in te graven voor de winter is alleen in de kas aanwezig, welke niet is te bereiken (fig. 7). Geconstateerd is dat het plangebied op dit moment geen geschikt biotoop voor rugstreeppad of andere amfibieën en reptielen vormt.
2292
Fig. 7: De kas is gebouwd op een hoge betonnen rand en kan daardoor niet betreden worden door amfibieën.
Conclusie amfibieën en reptielen Beschermde amfibieën en reptielen kunnen op basis van biotoop worden uitgesloten. Algemene soorten kikkers worden gezien het biotoop, alleen water met een steile oever, eveneens niet verwacht aanwezig te zijn. Vanwege de ongeschiktheid van het biotoop voor de beschermde rugstreeppad en andere amfibieën en reptielen zijn nader onderzoek naar het voorkomen van rugstreeppad en andere amfibieën en reptielen niet noodzakelijk. Maatregelen moeten wel genomen worden om te voorkomen dat de rugstreeppad zich vestigt op het terrein zodra met de werkzaamheden voor de bouw van de woning wordt begonnen. Van rugstreeppadden is bekend dat zij hun leefgebied hebben in omgewoelde grond. Hier graven zij holtes. Rugstreeppadden kunnen vers omgewoelde grond van grote afstand ruiken en leggen relatief grote afstanden af om het gebied als leefgebied te gebruiken. Omdat de aanwezigheid nu niet mogelijk is, kan door middel van een paddenscherm voorkomen worden dat de rugstreeppad tijdens de werkzaamheden het gebied betreedt. De rugstreeppad houdt een winterslaap van half oktober tot eind maart. Wanneer de werkzaamheden in deze periode plaatsvinden en er geen omgewoeld, los zand meer aanwezig is per eind maart, kan zonder paddenscherm gewerkt worden.
Is dit niet het geval dan zal het braakliggende deel zodra het verandert in bouwlocatie, vanaf half maart door middel van een paddenscherm (voorbeeld zie fig. 8) afgeschermd moeten worden om te voorkomen dat de rugstreeppad zich in het plangebied vestigt. De rugstreeppad is actief na zonsondergang. Aan het einde van de werkdag moet het scherm het gebied geheel omsluiten. Overdag kan er een opening zijn om het bouwterrein te kunnen bereiken.
2292
Fig. 8: Voorbeeld van een paddenscherm
5.6
Overige beschermde soorten
Resultaten bureauonderzoek De soortgroep vissen is niet onderzocht, omdat de watergang enkele centimeters water bevat en bovendien in de zomer droogvalt. De verschillende soorten libellen, vlinders, insecten en andere ongewervelden die vermeld worden in de Wet natuurbescherming zijn aanwezig in een ander verspreidingsgebied en biotoop dan het plangebied. Meldingen van deze soorten in het plangebied zijn er niet, het verspreidingsgebied ligt buiten het plangebied. Uitzondering hierop vormt de nauwe korfslak, die in deze regio is waargenomen in specifiek biotoop in de Amsterdamse Waterleiding Duinen. Resultaten veldbezoek Tijdens het veldbezoek is vastgesteld dat het biotoop ongeschikt is voor beschermde soorten libellen en vlinders, vanwege het ontbreken van poeltjes of specifieke waardplanten. Voor nauwe korfslak is het gebied ongeschikt, vanwege het ontbreken van het juiste biotoop. Conclusie overige beschermde soorten Met beschermde ongewervelde diersoorten hoeft op grond van biotoop en verspreidingsgegevens geen rekening gehouden te worden.
2292
6.
Effecten, verplichtingen en aanbevelingen
Uit bureaustudie en biotooptoets is naar voren gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen worden aangetast van in de Wet natuurbescherming beschermde soorten. Eveneens is het plangebied ongeschikt biotoop voor beschermde soorten. Het is mogelijk dat de beschermde rugstreeppad het plangebied na aanvang werkzaamheden koloniseert (zie §6.1). Het is mogelijk dat vogels in het plangebied gaan broeden (zie §6.2). De zorgplicht van de Wet natuurbescherming is altijd van toepassing. Hieronder wordt geadviseerd hoe aan deze zorgplicht invulling kan worden gegeven. 6.1
De zorgplicht zoals weergegeven in artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.
Algemeen geldt: zodra een in het wild levend dier wordt aangetroffen tijdens de werkzaamheden kan deze worden gevangen en direct worden overgeplaatst naar een geschikte habitat in de nabijheid van het plangebied. Voor het plangebied Gerleeweg 7 geldt dat de beschermde rugstreeppad het plangebied na aanvang van de werkzaamheden kan koloniseren. De rugstreeppad houdt een winterslaap van half oktober tot eind maart. Wanneer de werkzaamheden in deze periode plaatsvinden en er geen omgewoeld, los zand meer aanwezig is per eind maart, kan zonder paddenscherm gewerkt worden. Is dit niet het geval dan zal het braakliggende deel zodra het verandert in bouwlocatie, vanaf half maart door middel van een paddenscherm afgeschermd (voorbeeld zie figuur 8) moeten worden om te voorkomen dat de rugstreeppad zich in het plangebied vestigt. De rugstreeppad is actief na zonsondergang. Aan het einde van de werkdag moet het scherm het gebied geheel omsluiten. Overdag kan er een opening zijn om het bouwterrein te kunnen bereiken.
6.2
De zorgplicht specifiek voor vogels in artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 2292
4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Indien de werkzaamheden starten binnen het broedseizoen, deze pas uitgevoerd worden indien vooraf door een deskundig ecoloog is vastgesteld dat geen verstoring van broedvogels zal plaatsvinden. Tot de mogelijkheden behoort aanvangen voor het broedseizoen en doorwerken met continue verstoring tijdens het broedseizoen, zodat vogels niet tot broeden komen.
2292
6.3
Overzicht van onderzochte soortgroepen en onderzoeksresultaten
Soort(groep)
Ingreep verstorend Nee
Nader onderzoek Nee
Ontheffing
Grondgebonden zoogdieren Vogels
Nee
Nee
Nee
Nee*
Nee
Nee
Amfibieën en reptielen
Nee*
Nee
Nee
Vaatplanten Overige soorten
Nee Nee
Nee Nee
Nee Nee
Vleermuizen
Nee
Bijzonderheden/ opmerkingen Geen verblijfplaatsen aanwezig, het plangebied heeft geen essentiële functie voor vleermuizen. Foerageergebied aanwezig. Geen beschermde soorten aanwezig. Wanneer in het broedseizoen wordt begonnen met de werkzaamheden dient door een deskundig ecoloog een broedvogelcheck te worden uitgevoerd. Wanneer er in de periode tussen eind maart en half oktober gewerkt wordt moet een paddenscherm voorkomen dat de rugstreeppad het plangebied betrekt. Geen beschermde soorten aanwezig. Geen beschermde soorten aanwezig.
Geadviseerd wordt om de onderzoeksresultaten voor te leggen aan het bevoegd gezag om na te gaan of zij kunnen instemmen met de onderzoeksresultaten en bovengenoemde conclusies.
2292
6.4
Aanbevelingen
Naast de consequenties die voortkomen uit de Wet natuurbescherming geven wij in relatie tot de voorgenomen nieuwbouw de volgende aanbevelingen met als doel de ecologische structuren in de omgeving te versterken. Voor vleermuizen zouden open stootvoegen aangebracht kunnen worden in muren, of vleermuiskasten kunnen worden geplaatst in de spouw of tegen de muur op >2,5 meter hoogte in nieuw te bouwen woningen. Eveneens kunnen vleermuisstenen worden ingemetseld (foto links boven). Zie literatuurlijst voor vermelding naar brochure vleermuisvriendelijk bouwen.
Vrijwel onzichtbare inbouw van vleermuisstenen en technische informatie over de plaatsing daarvan.
2292
- er kunnen neststenen worden aangebracht ten behoeve van huismussen en gierzwaluwen (foto's rechtsboven en links midden). Deze beschermde soorten verliezen steeds meer nestmogelijkheden. - voor huismussen blijken uit onderzoek zogenaamde mussenvides (onderste foto's) uitstekend te functioneren als nestplaats. Deze zijn gemakkelijk en relatief goedkoop in te bouwen in nieuwe woningen. Huismussen hebben schuilplaatsen in de directe omgeving van het nest nodig. Hiervoor kunnen bomen en/of struiken worden aangeplant. Een kleine plaats waar een zandbad genomen kan worden door de huismus moet ook aanwezig zijn. - het planten van bomen en struwelen voor vogels en vleermuizen verdient aanbeveling. Het beste zijn, ecologisch gezien, inheemse bes- en bloemdragende struiken en planten. Een haag van meidoorn, lijsterbes en liguster langs de rand van het plangebied zorgt voor schuil- en foerageermogelijkheden voor vele soorten dieren. - de aanwezige waterpartijen kunnen ecologisch versterkt worden door te werken met natuurlijke oevers. Dit geeft planten en dieren met een specifieke eis aan hun biotoop de kans zich hier te vestigen en voort te planten.
Schematische weergave van een natuurlijke oever.
Bron: Poelmanreesink.nl
2292
- Creëer insectenhotels. Deze kunnen worden geplaatst aan de randen van het plangebied.
Voorbeelden van insectenhotels.
Checklist groen bouwen Verstedelijking draagt bij aan het verlies van biodiversiteit, maar de bouw biedt ook kansen. Voor sommige dieren zijn onze steden en dorpen zelfs het belangrijkste leefgebied. Daar kan iedereen een steentje aan bijdragen. Met de Checklist Groen Bouwen kan iedere bouwonderneming, architect of projectontwikkelaar zijn projecten en ontwerpen natuurvriendelijker maken. Het beantwoorden van enkele simpele ja/nee vragen leidt tot eenvoudige soortbeschermingsmaatregelen. https://www.checklistgroenbouwen.nl/
2292
Literatuur en bronvermelding
Atlas van de Nederlandse vleermuizen, Limpens e.a. KNNV 1997 Bats of Britain and Europe, C. Dietz en A. Kiefer, Bloomsbury 2016 www.vleermuis.net, voor up-to-date kennis van vleermuizen Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0, juli 2017, BIJ12 Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON)(Redactie) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland Kennisdocument Rugstreeppad, Bufo calamita, Versie 1.0, juli 2017, BIJ12 Kennisdocument Zandhagedis, Lacera agilis, juli 2017, BIJ12 Stichting RAVON: www.ravon.nl Nederlandse Oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Weeda e.a. 1985-1994 Verspreidingsatlas planten. 13 mei 2014, http://www.verspreidingsatlas.nl/planten Natuurgids voor de Duin- en Bollenstreek, Vereniging voor Natuur- en Vogelbescherming Noordwijk, 2000 Tussen tulpen en de zee, Vereniging voor Natuur- en Vogelbescherming Noordwijk, 2011 Een nieuwe wet voor de natuur: Wet Natuurbescherming, artikel uit De Strandloper 48e jaargang nummer 3, juni 2016, J. van Dijk Van Aardakker tot Zwanenbloem, Flora van de Duin- en Bollenstreek, J. Van Dijk et al, 2018 Vereniging voor Natuur- en Vogelbescherming Noordwijk Twintig jaar Gierzwaluwen inventariseren in Noordwijk, H. Verkade, LIMOSA 88 (2015): 164-172 Sovon Vogelonderzoek Nederland: www.sovon.nl Vereniging Vogelbescherming: www.
vogelbescherming.nl Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep, Ministerie van LNV, 2009 Atlas van de Nederlandse Zoogdieren, Zoogdiervereniging 2016, S. Broekhuizen et al. Stichting Anemoon: http://www.anemoon.org/projecten/natura2000/soortprofielen/nauwe-korfslak
2292