CConstaterende datNoordwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Quickscan Wet natuurbescherming Langevelderlaan 6 Noordwijk

Gemeenteraadsvergadering 21 juni 2022, gemeente NoordwijkBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan Langevelderlaan 6 en 6a, Noordwijk4.289 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan Wet natuurbescherming Langevelderlaan 6, Noordwijk

Rapport

Quickscan Wet natuurbescherming

Locatie Kenmerk Datum

: : :

Langevelderlaan 6, Noordwijk R&O20062737/RSL/rap4 23 maart 2021

Veldecoloog Vrijgave Email Telefoon

: : : :

R. Sluijs Dhr. D. van der Meer dvdmeer@idds.nl 06- 8276 3301

Opdrachtgever

:

Dhr. Wassenaar Langevelderlaan 6a 2204 BD Noordwijk

© IDDS b.v. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de uitgever.

Samenvatting In opdracht van de heer E. Wassenaar is op 16-07-2020 een ecologische quickscan uitgevoerd voor de sloop van een opstal aan de Langevelderlaan 6 in Noordwijk. Deze samenvatting beschrijft de belangrijkste resultaten en conclusies van het onderzoek. Voor de volledigheid verwijzen wij u ook naar hoofdstuk 6 Conclusie en advies. Soortbescherming Uit bureaustudie en veldbezoek is naar voren gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen worden aangetast van in de Wet natuurbescherming beschermde soorten. Eveneens is het plangebied ongeschikt biotoop voor beschermde soorten. De voorgenomen werkzaamheden hebben daarom geen negatieve effecten op beschermde soorten flora en fauna. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De ingreep leidt niet tot verkleining van de habitats van soorten in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op deze soorten. Deze quickscan doet geen uitspraken over stikstofdepositie. Om zeker te zijn dat het planvoornemen geen stikstofdepositie veroorzaakt op (stikstofgevoelig) Natura 2000-gebied dient apart stikstofonderzoek uitgevoerd te worden.

Inhoudsopgave

1.1 1.2 1.3

Inleiding .................................................................................................................... 5 Aanleiding .................................................................................................................. 5 Doel van het onderzoek.............................................................................................. 5 Leeswijzer .................................................................................................................. 5

2.1 2.2 2.3

Opzet van het onderzoek ......................................................................................... 6 Bureauonderzoek ....................................................................................................... 6 Veldonderzoek ........................................................................................................... 6 Effectenbeoordeling ................................................................................................... 6

3.1 3.2

Beschrijving van het plangebied ............................................................................. 7 Algemene beschrijving van het plangebied ................................................................. 7 Ligging plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden .............................. 8 Bureauonderzoek ..................................................................................................... 9

5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

Veldonderzoek........................................................................................................ 10 Vogels ...................................................................................................................... 10 Vleermuizen ............................................................................................................. 10 Grondgebonden zoogdieren ..................................................................................... 10 Amfibieën en reptielen .............................................................................................. 10 Overige fauna .......................................................................................................... 10 Flora ........................................................................................................................ 10

6.1 6.2

Conclusie en advies ............................................................................................... 11 Gebiedsbescherming ............................................................................................... 11 Soortbescherming .................................................................................................... 11

Bijlage I Wet natuurbescherming......................................................................................... 14 Bijlage II Literatuur en bronvermelding ............................................................................... 18 Bijlage III Aanbevelingen ecologievriendelijk bouwen ........................................................ 19

Inleiding 1.1

Aanleiding

De opdrachtgever is voornemens de bedrijfsbebouwing te slopen. De overige bebouwing blijft behouden en wordt niet veranderd. In deze quickscan worden daarom alleen de sloop van het opstal en de effecten daarvan op flora en fauna behandeld. Voorafgaand aan deze ruimtelijke ingreep dient onderzoek verricht te worden naar de aanwezigheid van beschermde gebieden, flora en fauna, om te voorkomen dat de Wet natuurbescherming wordt overtreden. In dat kader is door IDDS een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. Dit rapport presenteert de bevindingen van dat onderzoek.

1.2

Doel van het onderzoek

Het doel van de quickscan is te onderzoeken of: • in het plangebied beschermde plant- en diersoorten kunnen voorkomen; • de ingreep mogelijk een effect heeft op deze beschermde soorten; • de ingreep mogelijk een effect heeft op beschermde natuurgebieden (Natura 2000 en NNN); • het plangebied een belangrijke functie voor beschermde plant- en diersoorten kan vervullen (bijvoorbeeld als essentieel foerageergebied, vliegroute, nest- of verblijfplaats); • op basis van bovenstaande bevindingen nader onderzoek nodig is.

1.3

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt de opzet van het onderzoek toegelicht. Hoofdstuk 3 beschrijft de kenmerken van het plangebied en de ligging ten opzichte van beschermde natuurgebieden. Hoofdstukken 4 en 5 beschrijven de resultaten van het bureau- en veldonderzoek. In hoofdstuk 6 worden hieruit conclusies getrokken en advies gegeven. De belangrijkste (verbods)bepalingen uit de Wet natuurbescherming staan in bijlage I opgesomd. Een overzicht van gebruikte bronnen en literatuur staat in bijlage II.

Opzet van het onderzoek 2.1

Bureauonderzoek

Door middel van bronnen- en literatuuronderzoek wordt onderzocht welke beschermde flora en fauna in de omgeving van het plangebied recent zijn waargenomen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van quickscanhulp dat op projectniveau de gegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna ontsluit. Daarnaast raadplegen we relevante verspreidingsatlassen en actuele websites. Ook brengen we de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden in kaart. Aan de hand van deze informatie maken we een inschatting of de betreffende soorten in het plangebied voor kunnen komen, gezien de habitatvoorkeur van de betreffende soorten. Ook maken we een inschatting of de voorgenomen ruimtelijke ingreep negatieve effecten heeft op de (potentieel) aanwezige beschermde soorten en gebiedsfuncties.

2.2

Veldonderzoek

Naast een bureaustudie wordt een biotooptoets uitgevoerd: een veldbezoek met als doel een inschatting te maken van de ecologische kwaliteiten van het plangebied. De bevindingen van het bronnen- en literatuuronderzoek worden in het veld getoetst en indien nodig aangevuld. Op het moment dat een biotooptoets wordt uitgevoerd, zijn niet alle soorten zichtbaar aanwezig. Diersoorten zijn bijvoorbeeld alleen nachtactief of in een bepaalde periode van het jaar afwezig. Daarom zijn de eisen die soorten/soortgroepen aan hun leefomgeving stellen met betrekking tot vaste rust- en verblijfplaatsen, voedselgebieden en migratierouten vergeleken en getoetst met de situatie in het veld. Op deze manier is ook het belang van het plangebied beoordeeld voor flora en fauna die niet zijn waargenomen gedurende de biotooptoets, maar desondanks toch kunnen voorkomen ter plaatse van het plangebied. De resultaten van de biotooptoets betreffen uitsluitend waarnemingen binnen het plangebied en de invloedsfeer van de werkzaamheden.

2.3

Effectenbeoordeling

Op basis van de veldkenmerken van het plangebied en de verspreiding van beschermde soorten, wordt beoordeeld voor welke beschermde soorten het plangebied van betekenis kan zijn. Bij deze toetsing wordt alleen gekeken naar de beschermde soorten uit de Wet natuurbescherming. Deze soorten hebben een Nederlandse of Europese bescherming en moeten worden getoetst op voorkomen en effect. Wanneer effecten optreden of verbodsbepalingen worden overtreden, dan zijn er mogelijk maatregelen nodig om de effecten te voorkomen, verzachten of te compenseren om te voldoen aan de Wet natuurbescherming. Algemene soorten worden dus niet meegenomen in deze toetsing. Deze soorten zijn zodanig algemeen in Nederland dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt door de meeste projecten. Bovendien geldt voor deze soorten een vrijstelling van de verbodsbepalingen zoals weergegeven in artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming. Wel geldt de zorgplicht op grond van artikel 1.11.

Beschrijving van het plangebied 3.1

Algemene beschrijving van het plangebied

Het plangebied ligt achter Langevelderlaan 6 in het buitengebied van Noordwijk. Het bestaat volledig uit verharding met daarop één loods, gedeeltelijk van glas.

3.2

Ligging plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden

Op de onderstaande kaart is te zien dat het plangebied geen deel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland. Het gebied maakt eveneens geen onderdeel uit van een ander beschermd gebied, zoals Natura 2000, belangrijk weidevogelgebied of strategische reservering natuur. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Kennemerland-Zuid (tevens NNN), dat ligt op 475m afstand van het plangebied.

Bureauonderzoek Uit recente verspreidingsgegevens blijkt dat in of nabij het plangebied (binnen een straal van 1 kilometer) diverse beschermde soorten zijn waargenomen. Deze beschermde soorten zijn weergegeven in onderstaande tabel. Tabel 1: Verwachte beschermde flora- en faunasoorten in het projectgebied op basis van recente verspreidingsgegevens. Soortgroep

Soort (wetenschappelijke soortnaam) Boomvalk (Falco subbuteo) Buizerd (Buteo buteo) Gierzwaluw (Apus apus) Havik (Accipiter gentilis) Huismus (Passer domesticus)

Jaarrond beschermde vogels

Ooievaar (Ciconia ciconia) Ransuil (Asio otus) Sperwer (Accipiter nisus) Wespendief (Pernis apivorus) Kerkuil (Tyto alba) Slechtvalk (Falco peregrinus)

Vleermuizen

Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)

Grondgebonden zoogdieren

Geen beschermde soorten

Amfibieën en reptielen

Geen beschermde soorten

Overige fauna

Geen beschermde soorten

Flora

Geen beschermde soorten

Veldonderzoek Het veldonderzoek is op 16 juli 2020 uitgevoerd door R. Sluijs. Zie onderstaande tabel voor de weersomstandigheden. Tabel 2: Weersomstandigheden* Datum 16-07-2020

Temperatuur (℃) Min. Max. 14.2

19.2

Overheersende windrichting (bft)

Bewolking

Neerslag (mm)

NW 3

Geheel bewolkt

0mm

De in tabel 1 genoemde soorten kunnen op basis van verspreidingsgegevens voorkomen in het plangebied. Tijdens het veldbezoek is vervolgens nagegaan of het plangebied een functie vervult voor (onder andere) deze soorten. Deze bevindingen worden hieronder per soortgroep uiteengezet. 5.1

Vogels

Tijdens het veldbezoek zijn meerdere algemene vogelsoorten gehoord en gezien. In de loods broeden twee paar boerenzwaluw. In het plangebied en binnen de verstorende invloedsfeer van de werkzaamheden staan geen bomen. De loods is ongeschikte voor huismus en gierzwaluw, omdat deze geen kieren bevat waarin deze soorten kunnen broeden. 5.2

Vleermuizen

Het ongeïsoleerde opstal is ongeschikt voor vleermuizen, omdat deze geen kieren bevat waarin deze soorten kunnen verblijven. Als foerageergebied heeft het plangebied vanwege het ontbreken van groen geen functie. Een lijnelement is niet aanwezig. 5.3

Grondgebonden zoogdieren

Beschutting ontbreekt geheel en bomen zijn niet aanwezig het plangebied. De loods wordt dagelijks gebruikt en is dus aan verstoring onderhevig. Het plangebied is daarom ongeschikt voor beschermde soorten zoogdieren. Tijdens het veldbezoek zijn geen zoogdieren waargenomen. 5.4

Amfibieën en reptielen

In het plangebied is geen watergang aanwezig. Het gebied is geheel verhard. Amfibieën en reptielen zijn niet waargenomen. Geconstateerd is dat het plangebied ongeschikt biotoop voor deze soorten vormt. 5.5

Overige fauna

Het verharde plangebied biedt ongeschikt biotoop voor deze soorten, die hoge eisen stellen aan hun leefgebied. 5.6

Flora

Het verharde plangebied biedt ongeschikt biotoop voor deze soorten, die hoge eisen stellen aan hun leefgebied.

Conclusie en advies 6.1

Gebiedsbescherming

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De ingreep leidt niet tot verkleining van de habitats van soorten in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op deze soorten. Deze quickscan doet geen uitspraken over stikstofdepositie. Gelet op het planvoornemen is het realistisch dat er geen significantie toename zal zijn door het planvoornemen. 6.2

Soortbescherming

Vogels Het groen in en rondom het plangebied heeft een functie voor algemene broedvogels. Algemene vogelsoorten die broeden zijn gedurende deze tijd beschermd. Een deskundig ecoloog dient voorafgaand aan de werkzaamheden vast te stellen dat geen verstoring van broedvogels zal plaatsvinden. Jaarrond beschermde nesten van uilen, roofvogels of andere soorten zijn niet aangetroffen in het plangebied en binnen de verstorende invloedsfeer daarvan. De twee nesten van boerenzwaluw vallen in categorie 5 van de jaarrond beschermde nesten. Dit betekent dat de nesten van deze soort jaarrond beschermd zijn indien zwaarwegende ecologische omstandigheden aanwezig zijn. Voorbeeld hiervan is het niet aanwezig zijn van een goed alternatief om een nest te bouwen. In het verleden hebben de boerenzwaluwen in de paardenstal naast de loods gebroed (figuur 4). In het verleden zijn er aanpassingen aan de stal gedaan waardoor de boerenzwaluwen de stal niet meer betreden en als broedlocatie konden gebruiken. Als alternatief zijn de vogels uitgeweken naar de naastgelegen loods. De paardenstal is begin 2021 tijdelijk gedemonteerd en aan de andere kant van de loods weer opgezet, binnen enkele meters van de locatie van de loods (figuur 5).

De opdrachtgever heeft bij het heropbouwen in januari 2021 de paardenstal opnieuw geschikt te maken voor boerenzwaluwen door een opening langs de volledige dakrand te creëren (figuur 6). Dit betekent (zoals ook te zien is op de foto) dat er niet enkel een opening is bij de nok zoals eerder aangegeven en dat er is voldaan aan een grotere/meerdere openingen voor de boerenzwaluwen. De opening die is gecreëerd en te zien is in Figuur 6 laat duidelijk zien dat er ruim voldoende mogelijkheid is voor de boerenzwaluw om de paardenstal binnen te komen. Aan de binnenzijde van de stal zijn tevens extra balken gemonteerd zodat er ruim voldoende mogelijkheid is voor deze twee boerenzwaluwpaartjes om te broeden (figuur 7). Door de oude mogelijkheid om een nest te bouwen opnieuw beschikbaar te stellen, is er een alternatief aanwezig voor de boerenzwaluw om te broeden. In dit alternatief heeft de boerenzwaluw zich in eerste instantie ooit al eens gevestigd waardoor men er vanuit kan gaan er geen problemen ontstaan voor deze soort om de oude broedlocatie in eren te herstellen. Met het aanbieden van dit alternatief, waarvan bekend is dat de soort hier kan broeden, vervallen de zwaar ecologische omstandigheden om de twee nesten in de loods te beschermen als jaarrond beschermd nest.

Vleermuizen Geschikte openingen in het plangebied zijn niet gevonden. Hierdoor kunnen verblijfplaatsen van vleermuissoorten worden uitgesloten. Niet essentieel foerageergebied is in het plangebied aanwezig. Nadelige effecten op vleermuizen kunnen worden uitgesloten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde zoogdieren waargenomen. Nader onderzoek is niet noodzakelijk, omdat deze soorten volgens verspreidingsgegevens niet in het plangebied en omgeving voorkomen. Deze worden vanwege het biotoop ook niet verwacht in de toekomst. Voor algemene soorten geldt de zorgplicht, zie bijlage 1. Amfibieën en reptielen Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde amfibieën en reptielen waargenomen. Nader onderzoek is niet noodzakelijk, omdat deze soorten volgens verspreidingsgegevens niet in het plangebied en omgeving voorkomen. Deze worden vanwege het biotoop ook niet verwacht in de toekomst. Voor algemene soorten geldt de zorgplicht, zie bijlage 1. Overige fauna Op basis van verspreidingsgegevens komen deze soorten niet voor binnen 1km van het plangebied. Tijdens het veldbezoek is vastgesteld dat het biotoop niet geschikt is voor deze soorten. Effecten op overige flora en fauna zijn uit te sluiten. Flora Met beschermde flora hoeft op grond van verspreidingsgegevens en waarnemingen tijdens het veldbezoek geen rekening gehouden te worden. Tabel 3:

Soortgroep

Soort (wetenschappelijke soortnaam)

Nader onderzoek

Boomvalk (Falco subbuteo)

Nee

Buizerd (Buteo buteo)

Nee

Gierzwaluw (Apus apus)

Nee

Havik (Accipiter gentilis)

Nee

Huismus (Passer domesticus)

Nee

Ooievaar (Ciconia ciconia)

Nee

Ransuil (Asio otus)

Nee

Sperwer (Accipiter nisus)

Nee

Wespendief (Pernis apivorus)

Nee

Kerkuil (Tyto alba)

Nee

Slechtvalk (Falco peregrinus)

Nee

Vleermuizen

Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)

Nee

Grondgebonden zoogdieren

Geen soorten aanwezig

Amfibieën en reptielen

Geen soorten aanwezig

Nee

Overige fauna

Geen soorten aanwezig

Nee

Flora

Geen soorten aanwezig

Nee

Jaarrond beschermde vogels

Bijlage I

Nee

Wet natuurbescherming

Wet natuurbescherming, onderdeel soorten Voor soortenbescherming geldt voor deze wet dat deze gericht is op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van deze soorten. De wet maakt hiervoor een

programmatische aanpak mogelijk. Binnen deze wet wordt de soortbescherming opgedeeld in drie categorieën: 1. De bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogels van soorten die voorkomen in de EU als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten (art. 3.1 – 3.4). 2. De bescherming van in het wild levende dieren en planten van soorten die voorkomen in de EU op grond van de Habitatrichtlijn (bijlagen I, II, IV, V) en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5 - 3.9). 3. De bescherming van niet onder de bovenstaande twee categorieën vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland, vermeld in de bijlage van de Wet natuurbescherming (art. 3.10 - 3.11). Voor de zoogdier- amfibie- en reptielsoorten opgenomen in deze bijlage geldt geen Europese verplichting tot bescherming. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren een bescherming behoeven. De andere in de bijlage opgenomen soorten worden om ecologische redenen beschermd. Hiermee geeft Nederland uitvoering aan de algemene verplichting van het Biodiversiteitsverdrag om kwetsbare en bedreigde dier- en plantsoorten te beschermen. Verbodsbepalingen: Artikel 3.5 1.

Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Uitbreiding verbodsbepalingen en mogelijkheid tot ontheffing of vrijstelling: Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c.

vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden,

daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. t/m h. (niet van toepassing, zie wettekst). 3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Verordening vrijstelling soorten provincie Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland acht het wenselijk vrijstellingen te verlenen van verboden ter bescherming van soorten dieren op grond van de Wet natuurbescherming voor de volgende diersoorten: Aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Bovenstaande soorten zijn derhalve niet beschermd bij de voorgenomen werkzaamheden. Voor bovengenoemde soorten blijft de zorgplicht echter van kracht. Zorgplicht zoals weergegeven in artikel 1.11 Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.

De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: - dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, - indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of - voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Zoogdieren Zodra een in het wild levend dier wordt aangetroffen tijdens de werkzaamheden kan deze worden gevangen en direct worden overgeplaatst naar een geschikte habitat in de nabijheid van het plangebied. Vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken, steenhopen en dergelijke) moet gefaseerd worden verwijderd, waardoor aan amfibieën en grondgebonden zoogdieren gelegenheid wordt gegeven te vluchten. Bij kap van de vegetatie in de winter dient men rekening te houden met zoogdieren in winterslaap, zoals de egel.

Inachtneming van de zorgplicht betekent dat men het struikgewas handmatig en gefaseerd kapt, in plaats van met bulldozer of graafmachine. De egel is met name 's nachts actief. Door de werkzaamheden overdag te plannen wordt verstoring zoveel mogelijk voorkomen. Zorgplicht specifiek voor vogels in artikel 3.1

1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Vogels Voor het broedseizoen staat geen vaste periode. Veel vogelsoorten broeden in de periode maart tot en met juli. Indien watervogels in het onderzoeksgebied aanwezig zijn, kunnen deze broeden tot eind augustus. Nesten en eieren zijn gedurende de hele broedperiode van de betreffende soort beschermd, vanaf het eerste takje tot het uitvliegen van het laatste jong. Indien wordt gestart in het broedseizoen, dan moet door een deskundig ecoloog voorafgaand aan de werkzaamheden worden nagegaan of verstoring van broedvogels plaatsvindt.

Bijlage II Literatuur en bronvermelding Literatuur Bats of Britain and Europe, C. Dietz en A. Kiefer, Bloomsbury 2016 Atlas van de Nederlandse Zoogdieren, Zoogdiervereniging 2016, S. Broekhuizen et al. Nederlandse Oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Weeda e.a. 1985-1994 BIJ12, 2017. Kennisdocumenten Soorten - Natuurbescherming, versie 1.0, 1 juli 2017, BIJ12, Utrecht Natuurgids voor de Duin- en Bollenstreek, Vereniging voor Natuur- en Vogelbescherming Noordwijk, 2000 Tussen tulpen en de zee, Vereniging voor Natuur- en Vogelbescherming Noordwijk, 2011 Een nieuwe wet voor de natuur: Wet Natuurbescherming, artikel uit De Strandloper 48e jaargang nummer 3, juni 2016, J. van Dijk Van Aardaker tot Zwanenbloem, Flora van de Duin- en Bollenstreek, J. Van Dijk et al, 2018 Vereniging voor Natuur- en Vogelbescherming Noordwijk Bronvermelding www.quickscanhulp.nl www.ravon.nl www.sovon.nl www.floron.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vlinderstichting.nl www.zoogdiervereniging.nl www.bij12.nl www.calculator.aerius.nl

Bijlage III Aanbevelingen ecologievriendelijk bouwen Naast de consequenties die voortkomen uit de Wet natuurbescherming geven wij in relatie tot de voorgenomen ontwikkelingen de volgende aanbevelingen met als doel de ecologische structuren in de omgeving te versterken. Vleermuizen Nieuwbouw Spouwmuren zijn uitermate geschikt voor vleermuizen. Geschikte permanente verblijfplaatsen kunnen worden gecreëerd door bij de nieuwbouw een spouwmuur te realiseren van ten minste 2 centimeter diep. Invliegopeningen in de vorm van open stootvoegen van 1,5 tot 2 cm breed geven dwergvleermuizen toegang tot de spouwmuur. Laatvliegers hebben wat meer ruimte nodig om in te vliegen, namelijk tussen de 1,8 en 2 centimeter. Bij het gebruik van isolatie aan de binnengevel is het noodzakelijk ervoor te zorgen dat er kunststof gaas wordt aangebracht met een maaswijdte van 3 tot 10 millimeter om vleermuizen de mogelijkheid te bieden te zich vast te klampen. De stootvoegen moeten zich op ten minste 3 meter hoogte bevinden en niet boven ramen of deuren geplaatst. Als het niet gewenst is dat vleermuizen zich vrij door de spouwmuur bewegen, is het inmetselen van vleermuisstenen een goed alternatief. De ruimte in een inmetselsteen is beperkt. Het is dan ook raadzaam inmetselstenen te koppelen zodat een grotere verblijfplaats ontstaat.

Renovatie Als een bestaande spouwmuur wordt geïsoleerd blijft er vaak te weinig ruimte over om nog te kunnen functioneren als potentiele verblijfplaats voor vleermuizen. Het is dan nog wel mogelijk inmetselstenen aan te brengen tussen het binnen- en buitenblad van de spouwmuur.

Boeiboorden of gevelbetimmering kan ook een verblijfplaats bieden aan vleermuizen. Door een opening van 2,5 centimeter vrij te houden tussen de gevel en de betimmering wordt een potentiele verblijfplaats gerealiseerd. Het is belangrijk dat de vleermuizen grip hebben, dus de wand moet ruw zijn.

Gierzwaluw Voor gierzwaluwen kan onder andere gebruik gemaakt worden van inmetselkasten in de gevel en nestpannen op het dak. De neststenen kunnen zowel zichtbaar als onzichtbaar in de gevel worden verwerkt.

Bij het aanbrengen van neststenen in de gevel is het van belang rekening te houden met de mate van opwarming van de neststenen. De neststenen moeten bij voorkeur in noordelijk of oostelijk gerichte gevels worden aangebracht of onder de schaduw van een overstek. Ook in nestpannen op het dak kan de temperatuur snel oplopen. Deze moeten onder geen beding op zuidelijk of westelijk gerichte daken worden gelegd. De kans is groot dat de jongen dit niet overleven. Zeker als de daken zijn geïsoleerd, kan warmte niet meer ontsnappen en is oververhitting een reëel gevaar. Gaten in overstekken en dakgootomlijstingen bieden goede mogelijkheden voor gierzwaluwen om te nestelen. De temperatuur is dit soort betimmeringen is beter gereguleerd en het is goed aan te vliegen door de soort.

Huismus Voor huismussen kan heel gemakkelijk nestruimte worden gerealiseerd door het (ver)plaatsen van vogelschroot tot onder de derde rij dakpannen. Op deze manier wordt voldaan aan het Bouwbesluit, maar blijft het dak beschikbaar voor de huismus. Bij huismussen moet rekening worden gehouden met de eisen die de soort stelt aan zijn omgeving. Om te kunnen functioneren als broedlocatie moet op zeer korte afstand voldoende dekking en voedsel aanwezig in de vorm van inheemse bomen en planten. Soorten als liguster, lijsterbes, sleedoorn, meidoorn en vlier zijn hier heel geschikt voor. Insectenhotels Door insectenhotels te plaatsen in een voedselrijke omgeving met veel inheemse bloemen kunnen insecten worden gelokt. Het is van belang om goed te letten op de grootte en diepte van het insectenhotel en deze te plaatsen op een zonnige plek om deze succesvol te laten zijn. Een insectenhotel kan de diversiteit lokaal vergroten en de insecten vormen een goede voedselbron voor vogels en vleermuizen. Checklist groen bouwen Verstedelijking draagt bij aan het verlies van biodiversiteit, maar de bouw biedt ook kansen. Voor sommige dieren zijn onze steden en dorpen zelfs het belangrijkste leefgebied. Daar kan iedereen een steentje aan bijdragen. Met de Checklist Groen Bouwen kan iedere bouwonderneming, architect of projectontwikkelaar zijn projecten en ontwerpen natuurvriendelijker maken.

Het beantwoorden van enkele simpele ja/nee vragen leidt tot eenvoudige soortbeschermingsmaatregelen. Kijk voor meer informatie op: www.checklistgroenbouwen.nl www.bouwnatuurinclusief.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Noordwijk&id=325ae78e-f48b-4351-91c4-f0411c4781c0