CConstaterende datNoordwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Ontwerpbestemmingsplan Wassenaarseweg tussen 8 en 10 De Zilk - Toelichting en regels - AVG

Gemeenteraadsvergadering 13 juli 2021, gemeente NoordwijkBij agendapunt: Raadsvoorstel Ontwerpbestemmingsplan Wassenaarseweg tussen 8 en 10 De Zilk15.467 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ontwerp Bestemmingsplan Wassenaarseweg tussen 8 en 10, De Zilk

Ontwerp

Bestemmingsplan Wassenaarseweg tussen 8 en 10, De Zilk

Identificatie Kenmerk

: :

NL.IMRO.0575.BPDZWassenaarsew8A-ON01 20042637/JLA/BP-O

Planstatus

:

Voorontwerp Ontwerp Vaststelling

Contactpersoon

:

[30 december 2020] [4 mei 2021] [datum]

© IDDS b.v. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de uitgever.

Inhoudsopgave toelichting

1.1 1.2 1.3 1.4

Inleiding .................................................................................................................... 4 Aanleiding .................................................................................................................. 4 Ligging plangebied ..................................................................................................... 4 Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................ 8 Leeswijzer .................................................................................................................. 9

2.1 2.2

Huidige situatie en planbeschrijving ..................................................................... 10 Bestaande situatie .................................................................................................... 10 Gewenste situatie..................................................................................................... 13

3.1 3.2 3.3 3.4

Beleidskader........................................................................................................... 16 Nationaal beleid ....................................................................................................... 16 Provinciaal beleid ..................................................................................................... 17 Regionaal beleid ...................................................................................................... 19 Gemeentelijk beleid .................................................................................................. 22

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10

Omgevingsonderzoeken ........................................................................................ 25 Archeologie en cultuurhistorie................................................................................... 25 Bedrijven- en milieuzonering .................................................................................... 26 Bodem ..................................................................................................................... 28 Ecologie ................................................................................................................... 29 Stikstofdepositie ....................................................................................................... 31 Externe Veiligheid .................................................................................................... 32 Geluidhinder ............................................................................................................. 34 Luchtkwaliteit ........................................................................................................... 35 Water ....................................................................................................................... 38 M.e.r.-beoordeling .................................................................................................... 41

5.1 5.2 5.3

Juridische aspecten ............................................................................................... 43 Inleiding ................................................................................................................... 43 Opzet van de planregels ........................................................................................... 43 Uitleg van de planregels ........................................................................................... 43

6.1 6.2 6.3

Uitvoerbaarheid ...................................................................................................... 45 Maatschappelijk uitvoerbaarheid............................................................................... 45 Financiële uitvoerbaarheid........................................................................................ 45 Eindconclusie ........................................................................................................... 45 Bijlagen ................................................................................................................... 46

Inleiding 1.1

Aanleiding

Op de locatie Wassenaarseweg tussen 8 en 10 in De Zilk ligt perceel ‘NWK04 Noordwijkerhout A 3162’, een stuk onbebouwd grond met bestemming ‘Wonen’ zonder bouwvlak. De eigenaar heeft de wens hier een woning mogelijk te maken. De gemeente heeft via een akkoord op het principeverzoek aangegeven een positieve grondhouding te hebben ten aanzien van de beoogde ontwikkeling voor nieuwbouw van een woning en de wijziging van de bestemming naar ‘Wonen’ met een bouwvlak. Onderstaand is het plangebied weergegeven in relatie tot de directe omgeving op de bestemmingsplankaart.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied ligt in De Zilk. De Zilk is van oudsher een dorp met veeteelt, bollenteelt en ook verscheidene ambtslieden. De woningen aan de Wassenaarseweg (nummer 8, 10 en 12) zijn meer dan een halve eeuw oud en karakteristieke woningen uit de jaren ’50 (Bron: ouddezilck.nl). Het woonblok wordt omsloten door de Wassenaarseweg, Regenvlietweg, Remmerswaalstraat en Hoogduinweg.

Stedelijke ontwikkeling omgeving plangebied Het plangebied ligt in de kern van De Zilk. Omstreeks 1850 is nog geen teken van bebouwing in de nabijheid van het plangebied. Aan het begin van de 20e eeuw vinden de eerste bebouwingen plaats in de nabijheid van het plangebied, maar het gebied zelf ligt in een groenstrook. In de periode na de Tweede Wereldoorlog vindt de eerste bebouwing aan de Wassenaarseweg plaats. Op de kaart van 1951 is duidelijk een nieuwe structuur van wegen en bebouwing te herkennen. Echter, op het betreffende perceel van dit plangebied heeft voor zover bekend via openbare luchtfoto’s en plattegronden nooit bebouwing plaatsgevonden.

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Op de locatie is op dit moment het huidige bestemmingsplan ‘De Zilk’ met kenmerk NL.IMRO.0576.BP201500035-0003 van de gemeente Noordwijkerhout van kracht. Dit is vastgesteld in november 2018. De beoogde wijziging past niet binnen de geldende regels uit dat plan. Het perceel heeft de bestemming ‘Wonen’ en ‘Tuin’. Ook geldt er een dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie - 2’. Er is echter geen bouwvlak aanwezig. Mede gelet op de bestemmingsregels is de woning niet toegestaan onder het regime van het huidige bestemmingsplan.

Tevens is op de locatie het ‘Paraplu Bestemmingsplan Parkeren en Wonen’ van toepassing. Op grond van dit bestemmingsplan moet er bij een bestemmingswijziging worden voldaan aan de CROW-parkeernormen. Om de ontwikkeling van de nieuwe gewenste bebouwing en terreininrichting in juridischplanologische zin mogelijk te maken, dient er een nieuw (postzegel)bestemmingsplan voor de locatie opgesteld te worden. Dit document voorziet daarin.

1.4

Leeswijzer

Dit bestemmingsplan biedt een juridisch-planologische regeling, zodat binnen de kaders van dit plan enige flexibiliteit bestaat om de geplande ontwikkeling te realiseren. De toelichting voorziet in een nadere onderbouwing van de juridisch bindende stukken, de planregels en de verbeelding. De regeling geschiedt door middel van bindende planstukken, te weten de planregels en de verbeelding. Zij omvatten enerzijds een vertaling van de beleidsvoorwaarden (hoofdstuk 3) en anderzijds een juridisch kader voor de te realiseren ontwikkeling (hoofdstuk 5). De bindende planstukken worden nader onderbouwd met de toelichting. Hoofstuk 2 gaat in op het te realiseren plan met aandacht voor diverse specifieke onderdelen. Hoofdstuk 3 beschrijft het beleidskader met relevant beleid voor dit planvoornemen. Er wordt onder andere gekeken naar het Rijks-, het provinciaal, het regionaal en het gemeentelijk beleid. Hoofdstuk 4 behandelt de relevante omgevingsaspecten en biedt verantwoording waarom dit plan ruimtelijk gezien passend is op deze locatie. De juridische beschrijving en de uitvoerbaarheid worden behandeld in respectievelijk hoofdstuk 5 en 6. De systematiek van de planopzet sluit aan bij de gangbare landelijke systematiek voor de standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP 2012).

Huidige situatie en planbeschrijving 2.1

Bestaande situatie

In de huidige situatie bestaat het plangebied uit een open terrein met een klein gebouw. Het gebied ligt tussen twee woningen (nummer 8 en 10). Onderstaand is de plansituatie weergegeven, waarbij opvalt dat de woonbestemming achter twee andere woonblokken doorloopt. Het enige aanwezige bouwwerk op het perceel is de bestaande schuur. Deze blijft gehandhaafd.

In onderstaande figuren is met behulp van een luchtfoto en foto’s op locatie een impressie gegeven van het gebied. De eerste afbeelding laat een luchtfoto van het plangebied met de omliggende huizen zien. Binnen het plangebied is een schuur aanwezig. Deze is weergegeven op de tweede afbeelding. Het schuurtje is omgeven met beplanting en ervoor ligt een grasmat. Dit schuurtje zal behouden blijven Op de laatste afbeelding is de in/uitrit te zien gelegen aan de noordkant. Hierop is duidelijk te zien dat de in/uitrit verhard is.

2.2

Gewenste situatie

Het plan bevat de volgende wijziging: •

Het wijzigen van de bouwmogelijkheden met een bouwvlak voor één woning.

De nieuwe woning wordt gebouwd met aandacht voor de omgeving. De exacte vormgeving van de woning is onbekend, maar de woning wordt passend gemaakt in het huidige straatbeeld en in lijn met de huidige omgeving. De vraag is nog of het een seniorenwoning (1,5 woonlaag) of een notariswoning wordt (2,5 laags) wordt. De mogelijkheid tot het bouwen van een kelder is ook opgenomen. Hieronder zijn diverse referentiebeelden opgenomen van mogelijke uitstralingen van de woning.

Het plan voorziet in drie parkeerplaatsen op het terrein. De ontwikkeling biedt daarmee voldoende ruimte om te voorzien in de parkeerbehoefte.

Met de uitvoering van dit plan wordt het volgende bereikt: • • •

Een kwaliteitsimpuls door het plaatsen van een woning in lijn met het straatbeeld, waar nu een open terrein ligt; een toevoeging van een woning aan de woningvoorraad van De Zilk, in lijn met doelstellingen van het woonbeleid (zie hoofdstuk 3); Een kwaliteitsimpuls doordat de nieuwbouwwoning zal voldoen aan de eisen van deze tijd met onder andere zonnepanelen en een lucht- water warmtepompinstallatie (LWWP).

Beleidskader In dit hoofdstuk worden de belangrijkste en relevante beleidsstukken beschreven die raakvlakken hebben met het planvoornemen.

3.1

Nationaal beleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 2040 De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 2040 (SVIR) is in 2012 vastgesteld en vervangt onder andere de Nota Ruimte, de Nota Mobiliteit en de Mobiliteitsaanpak. Daarnaast vervangt de visie ook de ruimtelijke doelen en uitspraken in diverse landelijke beleidsdocumenten. Daarmee is de SVIR het totaaldocument voor het ruimtelijke- en mobiliteitsbeleid op Rijksniveau. Van belang in de SVIR, is de grote mate van decentralisatie. Het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten; decentralisatie is het sleutelwoord. Dit geldt ook voor het verstedelijkings- en landschapsbeleid. Enkele onderwerpen worden wel benoemd als nationaal belang. Die zijn geborgd in de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte. Deze AMvB is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Barro Het Barro richt zich op de doorwerking van het nationaal belang in de gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van de belangen. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Ladder voor duurzame verstedelijking De ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ is in de SVIR geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onder Artikel 3.1.6.

Doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de beschikbare ruimte in stedelijke gebieden. De Ladder houdt in dat de behoefte aan stedelijke ontwikkelingen op het gebied van wonen, kantoren, bedrijven en detailhandel moeten worden afgestemd binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van deze ontwikkeling en dat deze waar mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd moet worden. Voor woningbouwontwikkelingen geldt dat deze vanaf 12 woningen Ladderplichtig zijn. Beoordeling rijksbeleid De beoogde ontwikkeling heeft geen nadelige invloed op één van de onderwerpen van nationaal belang. Ook het Barro doet geen specifieke uitspraken ten aanzien van het voorliggende projectgebied. Voor woningbouwontwikkelingen geldt dat deze vanaf 12 woningen Ladderplichtig zijn. Derhalve is onderhavig (particulier) initiatief niet Ladderplichtig.

Conclusie rijksbeleid De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met het nationale beleidskader.

3.2

Provinciaal beleid

De Visie ruimte en mobiliteit en de daarbij behorende Verordening ruimte 2014 zijn op 1 april 2019 vervallen. In het Omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en een Omgevingsverordening. Omgevingsvisie De Omgevingsvisie bestaat in hoofdlijn uit de volgende onderdelen: • •

• •

Een introductie op het omgevingsbeleid, waarin opgenomen de kaartbeelden en de beschrijving van de ruimtelijke structuur; de ontwikkelrichting van het omgevingsbeleid met ambities en sturing. De provincie geeft hierin aan een uitnodigend perspectief te bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen; een beschrijving van de omgevingskwaliteit van Zuid-Holland, waaronder de provinciale inzet voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; de samenhangende beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving.

De Omgevingsvisie bevat de volgende wettelijk verplichte plannen: • • • • •

De provinciale ruimtelijke structuurvisie, artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro); het milieubeleidsplan, artikel 4.9 van de Wet milieubeheer (Wm); het regionale waterplan, artikel 4.4 van de Waterwet (Ww); het verkeers- en vervoersplan, artikel 5 van de Planwet verkeer en vervoer; de natuurvisie, artikel 1.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb).

Specifieke beleid wonen De provincie voorziet op regionaal niveau, samen met gemeenten, marktpartijen en woningbouwcorporaties, in voldoende en passende woningen voor de verschillende doelgroepen, waaronder de doelgroepen van het huurbeleid. Hierbij gaat de voorkeur uit naar nieuwe woningbouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied (verdichting) en georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer (nabij mobiliteitsvoorzieningen). De provincie is terughoudend over het toevoegen van nieuwe woningbouwlocaties buiten bestaand stads- en dorpsgebied en vraagt expliciet om de bodemdalingsgevoeligheid van een gebied mee te wegen. De provincie heeft de ambitie dat alle woningen in Zuid-Holland in 2035 CO2-neutraal en vóór 2050 klimaat robuust ingericht en ingepast zijn. Nieuwe woningen dragen bij aan een aantrekkelijke woon- en leefomgeving in Zuid-Holland. Nieuwe woningen zijn energieneutraal of leveren energie en zijn toegerust op de gevolgen van klimaatverandering (hevigere regenbuien, perioden van droogte en hittestress) en bodemdaling. Gemeenten maken in samenspraak met de provincie regionale woonvisies en regionale woningbouwprogramma's waarin bovengenoemde doelstellingen zijn uitgewerkt. Omgevingsverordening De beleidskeuzes uit de Visie werken door naar uitvoeringsprogramma’s en naar regels in de verordening.

Het geheel aan bestaande beleidskeuzes, inclusief de doorwerking naar programma’s en de verordening, vormt het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving.

Artikel 6.10: Stedelijke ontwikkeling In de Omgevingsverordening is er geen specifieke kaart of expliciet beleid voor wonen. Wel wordt er in artikel 6.10 ‘Stedelijke ontwikkeling’ aangehaald dat het uitgangspunt van de strategie voor de bebouwde ruimte bestaat uit de betere benutting van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkeling vindt daarom primair plaats binnen het BSD. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen het BSD. De ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bevat het handelingskader. Artikel 6.14: 20 Ke-contour Schiphol In de Omgevingsverordening is onder artikel 6.14 aandacht voor het afwegingsbeleid vanuit het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol (LIB). Het plangebied is gelegen buiten de 20 Ke-contour van het LIB (zie onderstaande figuur). De 20 Ke-contour houdt in dat binnen die contour circa 20% van de mensen die blootgesteld wordt aan vliegverkeergeluid geluidgehinderd is en 10% ernstig geluidgehinderd. Ten opzichte van de heersende geluidbelasting vanwege wegverkeer levert vliegverkeerlawaai geen relevante bijdrage op de gecumuleerde geluidbelasting in het plangebied.

Beoordeling planvoornemen provinciaal beleid Deze ontwikkeling, waarbij er één woning aan de woningvoorraad wordt toegevoegd, vindt plaats binnen het bestaand stads- en dorpsgebied. In de paragraaf Rijksbeleid is de Ladder voor duurzame verstedelijking al toegelicht. Daar is aangetoond dat er geen strijdigheid is. Ook is er geen strijdigheid met het LIB aangezien het plan niet binnen de grenzen van de geluidscontouren of beperkingengebieden in het LIB valt.

Conclusie provinciaal beleid De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met het provinciale beleidskader.

3.3

Regionaal beleid

Regionale Structuurvisie 2020 (2009) Het regionale samenwerkingsorgaan Holland Rijnland, heeft op 24 juni 2009 de Regionale Structuurvisie 2020 (RSV) vastgesteld. Deze verankert de intergemeentelijke afspraken in een ruimtelijke vertaling naar 2020. Na 2020 houdt de RSV rekening met een doorkijk naar 2030. Op diverse onderwerpen werken de deelnemende gemeenten samen. Dit zijn onder andere ontwikkelingen op het gebied van wonen, werken, natuur en landschap, verkeer en vervoer, samenleving en welzijn. De RSV ziet een goede balans tussen gebiedsontwikkeling en behoud van het oorspronkelijke karakter van de regio als belangrijk streven. Concentratie van stedelijke ontwikkeling en verbetering van de regionale bereikbaarheid zijn hierbij speerpunten. Specifiek voor de woningmarkt is het voorzien in een gedifferentieerd woonmilieu een streven. Het doel is om een topwoonregio in de Randstad te worden. Voldoende aandacht voor de kwaliteit van de leefomgeving is daarbij een kernpunt. Dit leidt tot de volgende kernbeslissingen: • •

Tot 2020 moeten er 40.000 woningen in de regio gebouwd worden; per gemeente moet 30% van de woningbouw in de sociale huursector worden gerealiseerd.

Beoordeling planvoornemen RSV De gemeente Noordwijk wordt gekenmerkt door een aantrekkelijk woonklimaat. Hoewel bovenstaande locatie in De Zilk ligt, is ook in dit gebied de vraag naar woningen hoog. Dit geldt zowel voor de bestaande inwoners als toekomstige bewoners van buitenaf. Deze ontwikkeling draagt bij aan de wens om nieuwe woningen aan de regio toe te voegen. Hierdoor wordt een bijdrage geleverd aan de kwantitatieve taakstelling en wordt de doorstroming op de woningmarkt bevorderd. Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport Duin- en Bollenstreek (2010) ‘Meer flexibiliteit en ontwikkelingsmogelijkheden voor het totale bollen- en sierteeltcomplex in de Duin- en Bollenstreek, met zijn productie, handel, distributie, onderzoek en promotie om te komen tot een Vitale Greenport, zonder daarbij het landschap verder te ‘verrommelen’.

Dat is tezamen met het herstel van het karakteristieke (bollen)landschap in één zin de ambitie van de ISG 2016, waarmee op hoofdlijnen voortgeborduurd wordt op de ISG uit 2009. Deze Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport is een uitgave van de vijf samenwerkende gemeenten in de Greenport Duin- en Bollenstreek, naast Noordwijk zijn dat Katwijk, Lisse, Hillegom en Teylingen. De ISG 2016 is een deeluitwerking van de Regionale Structuurvisie, maar dan wel met een zelfbindend karakter voor de betreffende gemeenten. De greenportgemeenten hebben gezamenlijk de Greenport Ontwikkelingsmaatschappij (GOM) opgericht die zich vanuit deze intergemeentelijke structuurvisie richt op herstructurering en revitalisering van de Greenport Duin- en Bollenstreek. De Greenport Duin- en Bollenstreek is nog altijd goed voor 60% van de wereldhandel en -export in bloembollen (met welhaast een monopolie op de hyacint), met een handelsomzet van 550 miljoen euro en een exportwaarde van 415 miljoen euro. Daarmee neemt deze regio circa 10% van het nationale productieareaal en de daarmee samenhangende productiewaarde voor haar rekening. Om dit aandeel te waarborgen en bollenteeltbedrijven zich economisch te laten handhaven, wordt in de ISG ingezet op herstructurering en schaalvergroting.

Het regionaal beleid is er vooral op gericht ruimte te bieden aan greenport-gerelateerde bedrijven, oftewel het mogelijk maken van investeringen die onmiskenbaar bijdragen aan de kwaliteit van de Greenport.

Beoordeling planvoornemen ISG De locatie ligt in een gebied, aangewezen als ‘stedelijk gebied’. Voor deze gebieden zijn geen specifieke beleidsvoornemens van toepassing vanuit de ISG 2016. De extra woning sluit wel aan bij de woningbouwopgave van de regio. Dit plan voorziet deels in deze woningbehoefte en is daarmee passend binnen dit beleid. Regionale woonagenda Holland Rijnland 2017 Het Algemene Bestuur van Holland Rijnland heeft op 14 maart 2018 de Regionale Woonagenda vastgesteld. De Woonagenda heeft betrekking op de regionale woningbehoefte (kwantitatief en kwalitatief) en de bijbehorende planlijst wordt hierop afgestemd. Woningbouwontwikkelingen moeten passen binnen de kaders die de provinciale

Woningbehoefteraming (WBR) en Bevolkingsprognose (BP) bieden. Beide prognoses kennen verschillende uitgangspunten, waardoor een bandbreedte voor de woningbehoefte ontstaat. In de regio Holland Rijnland is vraag naar meer woningen die kwalitatief aansluiten bij de veranderende bevolkingssamenstelling. Om aan deze vraag te kunnen voldoen en de regio aantrekkelijk te houden voor huidige en toekomstige bewoners, heeft de regio de volgende keuzes gemaakt: 1. Tempoversnelling noodzakelijk, zeker voor de korte termijn; 2. groei vraagt goede ruimtelijke ordening, balans tussen inbreiding en uitbreiding met prioriteit voor inbreiding; 3. een kwalitatief programma dat borgt dat verdringing beperkt is; 4. bevorderen doorstroming voor een betere werking van de woningmarkt; 5. een programma dat recht doet aan de behoefte aan verschillende woonmilieus, centrumstedelijk, suburbaan en dorps/landelijk; 6. groeien met aandacht voor duurzaamheid en bodemdaling; 7. langer zelfstandig wonen met zorg faciliteren; 8. bereikbaar bouwen; 9. solidariteit; Beoordeling planvoornemen regionale woonagenda Met het toevoegen van deze woning aan de woningvoorraad, wordt er op een inbreidingslocatie op korte termijn een woning toegevoegd. Dit plan veroorzaakt geen verdringing op de woningmarkt en bevordert het aantrekkelijke woonmilieu van de gemeente Noordwijk, specifiek in De Zilk.

Uit de regionale woonagenda blijkt dat er in Noordwijkerhout (De Zilk behoorde tot 1 januari 2020 bij de gemeente Noordwijkerhout) in de periode 2017-2022 een vraag is naar 260 extra woningen. In de periode 2022-2030 bedraagt deze behoefte 160 extra woningen. Van deze totale behoefte van 420 woningen, zijn alle woningen voorzien in een dorpsgebied.

Tabel 1: Uitsnede met woningbouwbehoefte tot 2030 – Woonagenda Holland Rijnland

Tabel 2: Uitsnede met indicatieve behoefte woonmilieus tot 2030 – Woonagenda Holland Rijnland

Conclusie regionaal beleid Het voorgenomen plan past binnen de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte naar woningen in de gemeente Noordwijk.

3.4

Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Noordwijkerhout De structuurvisie Noordwijkerhout is op 25 februari 2010 vastgesteld. Binnen de Structuurvisie is een specifieke toekomstvisie vastgelegd voor De Zilk. Hierin zijn drie hoofdlijnen benoemd voor ruimtelijke ontwikkeling: •

•

•

Behoud en versterken van de kwaliteiten van het landschap en de cultuurhistorie die met name opgehangen is aan het relict van de strandwal van de Zilkerduinweg, de hiermee gepaard gaande hoogteverschillen en de vele doorzichten op het open bollenlandschap; kwaliteitsverbetering van de leefomgeving; hoofdzakelijk te bewerkstelligen door uitbreiding van de woningbouw op herontwikkelingslocaties, passend bij de schaal en aard van de omgeving en gebaseerd op locatie specifieke eigenschappen; behoud van het cultuurhistorisch karakter van de oude bebouwingslinten waarin het oorspronkelijke patroon van de oude dorpskern nog zichtbaar is.

In aanvulling hierop is uitbreiding van De Zilk gewenst om leefbaarheid en vitaliteit te behouden, maar deze kunnen enkel in de bestaande dorpskern worden geïnitieerd. Beoordeling planvoornemen structuurvisie Zoals blijkt uit de onderstaande uitsnede uit de Structuurvisie, valt het plangebied binnen de bestaande woonbebouwing.

Er zijn toetsingscriteria opgesteld voor nieuwe ontwikkelingen in de Zilk voor de aangewezen ontwikkelingsgebieden. Hoewel de locatie in dit bestemmingsplan geen in- of uitbreidingslocatie betreft, zal het plan minstens voldoen aan de volgende criteria uit de structuurvisie: •

•

• • •

Er dient zoveel mogelijk dorps gebouwd te worden: maximaal 2 bouwlagen met een kap. Een volledige derde bouwlaag (zonder kap) is mogelijk, waarbij in het ontwerp rekening wordt gehouden dat het geheel niet te massief oogt; de verhouding bebouwd/onbebouwd en de massa van nieuwe gebouwen dienen te passen bij de directe omgeving/flankerende bebouwing. Er dient voldoende ruimte voor 'licht, lucht en groen' aanwezig te zijn; over de bouwplannen dient overleg gevoerd te worden met het Hoogheemraadschap van Rijnland (watertoets); materiaalgebruik moet zoveel mogelijk aansluiten bij reeds bestaande gebouwen in de directe omgeving; straatprofielen dienen overeen te komen met bestaande straatprofielen ter plaatse of met bestaande straatprofielen in de directe omgeving.

Omgevingsvisie Noordwijk Wegens de fusie van de gemeente Noordwijk en Noordwijkerhout in 2019, nu Ggmeente Noordwijk, is in september 2020 een ontwerp-omgevingsvisie gepubliceerd. Deze omgevingsvisie komt voort uit de nieuwe Omgevingswet en zal tot de inwerkingtreding hiervan als structuurvisie dienen. De Gemeente Noordwijk zet in op vijf thema’s voor de toekomst: 1. 2. 3. 4. 5.

Ondernemende gemeente; prettig wonen; welzijn en gezondheid; bereikbaarheid; duurzaam, klimaatneutraal en klimaatbestendig.

Beoordeling planvoornemen omgevingsvisie Gelet op de ligging van het plan (binnen de dorpskern De Zilk) en de kenmerken van het plan (het toevoegen van één woning aan de woningvoorraad), bestaat er geen strijdigheid met het gemeentelijke beleid vanuit de Structuurvisie en de Omgevingsvisie.

Paraplu bestemmingsplan parkeren en wonen De gemeente Noordwijkerhout heeft in september 2018 een paraplubestemmingsplan parkeren en wonen vastgesteld. Met dit plan wordt het naleven van de gemeentelijke parkeernormen verplicht gesteld. Deze norm is gebaseerd op kencijfers van het CROW. De CROW beschrijft per woningtype en functie een norm voor het aantal te realiseren parkeerplaatsen. In het gemeentelijk parkeerbeleid is er ruimte gemaakt voor afwijking van deze normen, mocht de norm te streng zijn, of indien er voldoende parkeerplaatsen zijn in de omgeving die aangewend kunnen worden. Andersom kan dit ook het geval zijn, mocht de norm niet streng genoeg zijn. Bij een afwijking dient echter altijd een goede motivering bijgevoegd te worden. Beoordeling planvoornemen parkeren Op grond van het paraplubestemmingsplan parkeren en wonen is gekeken naar de verwachte parkeerbehoefte voor dit plan. Het plan maakt gebruik van de normen van de CROW-publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren – Van parkeercijfers naar parkeernormen’. Hierbij is op basis van de omgevingsadressendichtheid van 308 uitgegaan van een niet-stedelijk gebied in Schil

centrum. De woning betreft een vrijstaande koopwoning. Gelet op de CROW-norm, dient er minimaal 1.7 en maximaal 2.5 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Het plan voorziet in 3 parkeerplaatsen bij de woning. Hiermee wordt er voldaan aan de parkeerbehoefte.

Conclusie gemeentelijk beleid Het voorgenomen plan past binnen de het beleid van de gemeente Noordwijk

Omgevingsonderzoeken 4.1

Archeologie en cultuurhistorie

Wetgeving archeologie Nederland heeft zich in 1992 in Europees verband gecommitteerd aan het Verdrag van Valetta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In aansluiting op dit verdrag is in Nederland op 1 september 2007 de nieuwe Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) van kracht geworden. Deze is per 1 juli 2016 met grote delen van de Monumentenwet opgegaan in de Erfgoedweg. Dit is sindsdien de wet voor behoud en beheer van cultureel erfgoed. De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Malta zijn in de Nederlandse wetgeving overgenomen, te weten: -

Het archeologisch erfgoed dient zo veel mogelijk ter plaatse te worden behouden; het archeologisch erfgoed dient in de ruimtelijke belangenafweging te worden betrokken; de verstoorder (lees: de initiatiefnemer) is verantwoordelijk voor het vroegtijdig uitvoeren van archeologisch onderzoek alsmede de financiering van dit onderzoek.

Beoordeling planvoornemen archeologie Overeenkomstig het bestemmingsplan ligt een deel van het plangebied in een zone met dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie -2’. In principe is hier een archeologisch onderzoek nodig. Echter, onder bepaling 4 is gesteld dat een dergelijk onderzoek niet nodig is indien er wordt voldaan aan de volgende uitgangspunten: • •

van 500 m² of meer en; dieper dan 1,0 meter onder peil.

Hoewel het plangebied op een strandwal ligt is archeologisch onderzoek niet nodig, omdat de ingreep onder de vrijstellingsgrenzen blijft. Het toekomstige bouwwerk zal geen oppervlakte bereiken van meer dan 500 m2, gecombineerd met graafwerkzaamheden van 1,0 meter onder peil. Hiermee blijft het planvoornemen binnen de vrijstellingsgrenzen. Indien bij werkzaamheden van kleinere omvang archeologische resten worden aangetroffen dan adviseert IDDS Archeologie deze resten te laten vallen onder de regeling van toevalsvondsten. Wetgeving cultuurhistorie Op grond van artikel 3.1.6, lid 5 onder a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om in het proces tijdig rekening te houden met aanwezige cultuurhistorische waarden. Op de planlocatie is geen dubbelbestemming aangaande een cultuurhistorische vrijwaringszone (bijvoorbeeld van een molenbiotoop) van toepassing. Beoordeling planvoornemen cultuurhistorie Het plangebied vormt geen onderdeel van het beschermd stadsgezicht van De Zilk, noch bevinden zich beeldbepalende panden of monumenten in het plangebied.

Conclusie Archeologie en cultuurhistorie Naar verwachting worden geen archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen bodem verstorende werkzaamheden. Archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmeringen voor het planvoornemen.

4.2

Bedrijven- en milieuzonering

Wetgeving De Wet milieubeheer (Wmb) beoogt milieuhinder ten gevolge van bedrijfsmatige activiteiten in de woonomgeving of ten opzichte van gevoelige functies zoals woningen zoveel mogelijk te voorkomen. Alle bedrijfsmatige activiteiten die in potentie hinder kunnen veroorzaken worden door middel van vergunningen of meldingen op basis van de Wmb gereguleerd. In aanvulling op deze vergunningen of meldingen voorziet een 'goede ruimtelijke ordening' eveneens in het voorkomen van onvoorzienbare hinder bij gevoelige functies zoals wonen. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (bedrijven) en gevoelige functies (wonen) wordt hinder voorkomen. Met milieuzonering worden te allen tijde twee doelen gediend: niet alleen het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen, maar tevens het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven zodat zij hun activiteiten duurzaam kunnen (blijven) uitoefenen. VNG-publicatie “Bedrijven en Milieuzonering 2009” Bedrijfsmatige activiteiten zijn in de VNG-publicatie "Bedrijven en Milieuzonering 2009” ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende minimaal gewenste afstanden tot milieugevoelige functies. De indeling van de activiteiten is gebaseerd op de standaard bedrijfsindeling (SBI) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, een richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. In de VNG-publicatie zijn de richtafstanden uit bijlage 1 ‘Richtafstandenlijst voor milieubelastende activiteiten’ afgestemd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, stiltegebied of natuurgebied) wordt gekenmerkt door functiescheiding: afgezien van wijk gebonden voorzieningen komen er nauwelijks andere functies zoals bedrijven of kantoren voor. Een locatie kan echter ook behoren tot het tweede omgevingstype ‘gemengd gebied’, dat gekarakteriseerd wordt door een matige tot sterke functiemenging. Hier komen direct naast woningen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als dit type worden beschouwd. De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-publicatie kunnen in dat geval met één afstandsstap verlaagd worden zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat van een milieugevoelig object.

Dit geldt in het bijzonder voor geluid, het milieuaspect dat voor de te hanteren richtafstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend is.

Tabel 3: Richtafstanden bedrijven in relatie tot omgevingstype gemengd gebied

Milieucategorie

Richtafstand gemengd gebied [m]

1

0

2

10

3.1

30

3.2

50

Beoordeling planvoornemen De omgeving van het plangebied kan op grond van zijn karakteristiek geschaard worden onder het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Hierdoor kan de aan te houden richtafstand met één afstandsstap worden verkleind. De directe omgeving van het plangebied, kent op dit moment voornamelijk woonbestemmingen. Een van de percelen heeft de bestemming ‘Maatschappelijk’. In de nabije omgeving zijn een aantal percelen te vinden met bedrijfsbestemming. De onderstaande verbeelding geeft deze percelen weer, inclusief de feitelijke afstand van de uiterste perceelsgrens van de betreffende percelen tot aan de beoogde gevel van de nieuwe woning.

Op de Wassenaarseweg 7 is een bedrijfsbestemming voorzien met functieaanduiding ‘transportbedrijf’. Het bestemmingsplan laat bedrijven tot en met categorie 2 toe. Op de Regenvlietweg 19 is een bedrijfsbestemming voorzien zonder specifieke aanduiding. Hier is een garagebedrijf inclusief benzineservicestation gevestigd. Het benzineservicestation bezit geen lpg, waardoor het bedrijf onder categorie 2 valt. Gelet op de richtafstand wordt er met 19 meter ruimschoots aan voldaan.

Aan de Regenvlietweg 30 is een timmerfabriek en aannemersbedrijf gevestigd. Ook dit bedrijf valt onder categorie 2, en met een afstand van 58 m wordt hier ruimschoots voldaan aan de richtafstand van 10 meter. De bestemming ‘maatschappelijk’ aan de Remmerswaalstraat voorziet een nutsvoorziening, specifiek een transformatorhuis. Deze activiteit valt onder de categorie elektriciteitsdistributiebedrijven, met transformatorvermogen: - < 10 MVA (SBI-code 2008: 35.C1) van Lijst 1 uit de Handreiking Bedrijven en milieuzonering 2009. Gelet op deze categorie waarbij er in een gemengd gebied een richtafstand van 10 meter geldt, wordt er voldaan aan de minimale afstand. Daarnaast zijn er in de omgeving reeds woningen aanwezig. Alle bedrijven bevinden zich op ruime afstand van het plangebied. Andersom geldt dat de nieuwe woning de eventuele bedrijfsvoering van de huidige bedrijven (of uitbreiding daarvan) niet in de weg zit. Bovendien bevinden zich al meerdere woningen tussen de nieuwe woning en de bedrijfslocaties in.

Conclusie bedrijven en milieuzonering Gelet op het bovenstaande vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

4.3

Bodem

Wetgeving In het kader van de Woningwet/ Gemeentelijke Bouwverordening dient een bestemmingsplanwijziging en de daaruit (voortvloeiende) omgevingsvergunningaanvraag (activiteit bouwen) vergezeld te gaan van een rapportage met betrekking tot de milieu hygiënische kwaliteit van de bodem. Doel van het onderzoek is het vaststellen of het voormalige dan wel het huidige gebruik van de onderzoekslocatie heeft geleid tot een verontreiniging van de bodem. Het verkennend bodemonderzoek beoogt inzicht te verkrijgen in aard, plaats van voorkomen en concentraties van eventueel aanwezige verontreinigende stoffen in de bodem. Beoordeling planvoornemen Door middel van een verkennend milieukundig bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de boven -en ondergrond alsmede het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie vastgesteld. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de volgende conclusies vastgesteld: • • • • •

Plaatselijk is baksteen en laagjes microdeklaag waargenomen; Visueel is geen asbestverdacht materiaal waargenomen; De bovengrond is licht verontreinigd met zware metalen en PAK; De ondergrond is niet verontreinigd; Het grondwater is niet verontreinigd.

Gelet op de onderzoeksresultaten, te weten de aangetoonde overschrijding van de betreffende achtergrondwaarde (grond) dient de hypothese ‘onverdacht’ voor de onderzoekslocatie formeel te worden verworpen. Echter, de gemeten waarde is dermate gering dat aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze stoffen in de bodem op het perceel, ons inziens, niet noodzakelijk is. Beperkingen inzake het verlenen van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen) worden op basis van de onderzoeksresultaten uit milieuhygiënisch oogpunt niet voorzien. Het volledige rapport is als bijlage toegevoegd bij dit bestemmingsplan. Conclusie bodem Gelet op het bovenstaande, vormt het aspect bodemgesteldheid geen belemmeringen voor het planvoornemen.

4.4

Ecologie

Wetgeving Bij de aanvraag van een bestemmingsplanwijziging, toetst het bevoegd gezag aan de Wet natuurbescherming (Wnb). In het kader van deze wet moet niet alleen de invloed op beschermde soorten worden vastgesteld, maar ook of de ruimtelijke ingreep negatieve invloed heeft op beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000. Doel van de QuickScan is het toetsen van de plannen aan de Wnb, zodat inzichtelijk wordt welke maatregelen getroffen moeten worden om overtreding van deze wet te voorkomen. Beoordeling planvoornemen Het plangebied ligt in de bebouwde omgeving van de Zilk. Op de onderstaande kaart is te zien dat het plangebied geen deel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland. Het gebied maakt eveneens geen onderdeel uit van een ander beschermd gebied, zoals Natura 2000, belangrijk weidevogelgebied of strategische reservering natuur. Binnen een straal van 10 kilometer liggen de volgende Natura 2000-gebieden: Kennemerland-Zuid 0,9 Gevoelig tot zeer gevoelig (op circa 550 meter). Er is een losse stikstofberekening gedaan voor het planvoornemen (zie paragraaf 4.5).

Uit de bureaustudie en biotooptoets is naar voren gekomen dat binnen de invloedsfeer van het plangebied een potentieel geschikte verblijfplaats aanwezig is voor beschermde soorten vogels en vleermuizen. Daarnaast heeft het groen in en om het plangebied een functie als broedlocatie voor algemene vogelsoorten. Wel is vastgesteld dat een nader onderzoek niet noodzakelijk is, indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: • • •

tussen de te ontwikkelen woning en de nokpan aan de zijgevel van de naastgelegen woning (nr. 10) 2,5m ruimte behouden blijft; er buiten de kwetsbare periode (maart t/m augustus) van de huismus en gierzwaluw wordt gewerkt; en er in de actieve periode van vleermuizen (april t/m november) geen fel licht wordt geschenen in de richting van de nokpan van de naastgelegen woning (nr. 10).

Wanneer deze voorwaarden niet kunnen worden nageleefd is nader onderzoek voor verscheidene soorten noodzakelijk. Gelet op het planvoornemen (waarbij er de woning binnen het bouwvlak gebouwd dient te worden) en de afstand van de rand van het bouwvlak tot de nok van de woning (nr. 10) van 2,50, wordt er voldaan aan deze voorwaarden. Ook aan de overige voorwaarden kan worden voldaan, aangezien dit te maken heeft met de planning van de werkzaamheden. Het volledige rapport is als losse bijlage toegevoegd aan het bestemmingsplan.

Conclusie ecologie Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect ecologie geen belemmering vormt voor het planvoornemen mits er aan een aantal voorwaarden wordt voldaan.

4.5

Stikstofdepositie

Wetgeving Voorheen diende op grond van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) – dat juli 2015 van kracht werd – berekend te worden of een nieuwe (bouw)activiteit leidde tot een significante toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Onder het PAS golden enkele drempel- en grenswaarden die bepaalden of een toename van stikstofdepositie significant was en zo ja, of er dan een meldingsplicht of een vergunningplicht gold. Door te rekenen met het voorgeschreven rekenprogramma AERIUS Calculator werd automatisch met die drempelwaarden rekening gehouden. In het geval van de meldingsplicht kon de planontwikkeling aanspraak kan maken op benutting van de ontwikkelingsruimte die voor een Natura 2000-gebied gold, totdat deze niet meer voorradig was. Als gevolg van de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 mag het PAS niet meer gebruikt worden als toestemmingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen die leiden tot een toename van stikstofdepositie op (stikstofgevoelige habitattypen in) Natura 2000-gebieden. De drempel- en grenswaarden uit het PAS zijn daarmee ook niet meer van toepassing. Hierdoor kan een project met een geringe depositietoename van 0,01 mol/ha/jaar al vergunningplichtig zijn (artikel 2.7 en 2.8 Wnb).

Oftewel, ook relatief kleinschalige projecten dienen zorgvuldig op hun stikstofdepositie getoetst te worden om aan Europese regelgeving te kunnen voldoen (en stand te houden bij de Raad van State in geval van een beroep). Beoordeeld dient te worden of er als gevolg van het project de kwaliteit van het natuurlijke leefgebied of de habitat van soorten in een Natura-2000 gebied kan verslechteren. In de nabijheid van het plangebied liggen stikstofgevoelig Natura 2000-gebieden. Daarom is het nodig om een stikstofonderzoek uit te voeren. Er wordt een stikstofonderzoek uitgevoerd voor de sloop-, bouw- en gebruiksfase van het planvoornemen. Beoordeling planvoornemen Zoals eerdergenoemd, ligt er op circa 550 meter een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied. Met behulp van AERIUS is het effect van het planvoornemen doorgerekend. IDDS heeft op basis van ervaring een onderbouwing opgesteld met een AERIUS-stikstofdepositieberekening. De conclusie luidt dat er geen beschermde natuurgebieden worden getroffen door deze ontwikkeling. De rekentool geeft geen rekenresultaten van meer dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van het planvoornemen treedt er dus geen stikstofdepositie op in Natura 2000-gebied. De notitie met AERIUS uitvoerbestanden zijn als losse bijlage toegevoegd als ‘Bijlage 3 Stikstofonderzoek Wassenaarseweg tussen 8 en 10, De Zilk.

Conclusie stikstofdepositie Het planvoornemen leidt op basis van de ingevoerde gegevens niet tot extra stikstofdepositie in Natura 2000-gebied. Dit aspect vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.6

Externe Veiligheid

Wetgeving Bij externe veiligheid gaat het om situaties waarbij een ongeval kan plaatsvinden met gevaarlijke stoffen of als gevolg van luchtvaartverkeer nabij luchthavens, waardoor mensen die verder niets met de betreffende activiteit te maken hebben, om het leven kunnen komen. Er wordt gekeken naar de risico’s verbonden aan risicovolle inrichtingen, waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, opgeslagen of gebruikt en vervoer van gevaarlijke stoffen via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen. Het belangrijkste instrument om de externe veiligheid te waarborgen is ruimtelijke scheiding aan de hand van veiligheidsafstanden tussen (beperkt) kwetsbare objecten en risicobronnen. Bij (beperkt) kwetsbare objecten dient gedacht te worden aan ruimten waar personen gedurende langere tijd verblijven (woning, recreatieterrein), gebouwen met grote aantallen personen (winkelcomplex, grote supermarkt, warenhuis) of personen met beperkte zelfredzaamheid (ziekenhuis, school, kinderopvang). Naast maatregelen aan de bron (bijvoorbeeld Best Beschikbare Technieken voor inrichtingen), dienen afdoende maatregelen in de omgeving te worden genomen door middel van zonering: hoe minder mensen binnen de risicocontouren van een risicovolle activiteit vallen, hoe beter de veiligheidssituatie. De wettelijke kaders voor externe veiligheid worden gevormd door de volgende wet- en regelgeving: -

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); Besluit externe veiligheid transport van gevaarlijke stoffen (Bevt) Wet luchtvaart (obstakelvrije vlakken en veiligheidszones; voor Schiphol gelden ook het Luchthavenindelingbesluit (LIB) en het Luchthavenverkeerbesluit (LVB).

Als centrale maatstaf voor het in beeld brengen van de externe veiligheidsrisico’s worden de begrippen plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR) gehanteerd. Deze begrippen zijn in de wet eenduidig gedefinieerd, en in de wetgeving zijn normen opgenomen (grenswaarden en richtwaarden voor het PR, en een oriëntatiewaarde voor het GR) die bepalen welke omvang van een extern veiligheidsrisico onacceptabel is. Zo beoogt de wetgeving te voorkomen dat er (beperkt) kwetsbare objecten (kunnen) worden gerealiseerd op locaties waar het PR als gevolg van risicobronnen in de omgeving hoger is dan 10-6/jaar (één op een miljoen). Verder beoogt de wetgeving het bevoegd gezag een afwegingskader te bieden voor het omgaan met risicobronnen die bij een ongewoon voorval kunnen leiden tot grotere hoeveelheden dodelijke slachtoffers (maatschappelijke ontwrichting). Indien het bevoegd gezag een ruimtelijk besluit wil nemen, moet daaraan een analyse van het groepsrisico voorafgaan. Indien het GR door het (te nemen) ruimtelijke besluit toe zal nemen, dient bij het ruimtelijke besluit een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. De methodiek waarmee het GR moet worden bepaald, is wettelijk vastgelegd. De uitkomsten daarvan zijn afhankelijk van de hoeveelheid aanwezige personen in de omgeving van de risicobron.

Tot hoever die relevante risico-omgeving strekt, is wettelijk gedefinieerd als het invloedsgebied. Doorgaans wordt dit gebied begrensd door de 1% letaliteitsgrens (de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen komt te overlijden als gevolg van de risicovolle activiteit).

Gesteld kan worden dat aanwezigheid van personen buiten het invloedsgebied van een risicobron niet meetelt voor de hoogte van het GR dat door die risicobron wordt veroorzaakt. Beoordeling planvoornemen Met behulp van de Risicokaart is onderzocht of er relevante risicobronnen in de directe nabijheid van het plangebied liggen. Hierbij is zowel gekeken naar de plaatsgebonden risicocontouren groter dan 10-6/jaar als individuele risico-elementen, te weten risicovolle inrichtingen (bedrijfsactiviteiten), transport van gevaarlijke stoffen en luchtvaart. Zie onderstaande figuur.

Risicovolle inrichtingen Uit de risico-inventarisatie blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen zijn in de nabije omgeving. Voor zowel het PR (risicocontour) als het GR (invloedsgebied) geldt dat de planlocatie niet binnen de risicocontouren valt van bedrijven die zich op nog grotere afstand bevinden. Op ruime afstand bevinden zich: -

Gasunie Veiligheid en Milieu, 1e loosterweg 42, Hillegom Draka interfoam B.V, van den Endelaan 15, Hillegom

De contour voor plaatsgebonden risico bevindt zich enkel rondom de desbetreffende bedrijven. Gelet op de ruimte afstand tussen het planvoornemen en deze contouren, vormen de risicovolle inrichtingen geen risico. Transport gevaarlijke stoffen over de weg In de directe omgeving van het planvoornemen liggen geen wegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Nadere toetsing is dan ook niet noodzakelijk.

Transport gevaarlijke stoffen over het spoor In de directe omgeving van het planvoornemen liggen geen spoorlijnen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Nadere toetsing is dan ook niet noodzakelijk. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen In de directe omgeving van het planvoornemen liggen geen buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Nadere toetsing is dan ook niet noodzakelijk.

Conclusie externe veiligheid Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.7

Geluidhinder

Wetgeving Aangezien woningen geluidgevoelig zijn, dient overeenkomstig de Wet geluidhinder (Wgh) beoordeeld te worden of aan wet- en regelgeving wordt voldaan en sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt in dat ter plaatse van de nieuwe woningen een aangenaam woon- en leefklimaat gewaarborgd dient te zijn. Beoordeling planvoornemen Geluidsoverlast kan veroorzaakt worden door lawaai afkomstig van industrie, railverkeer, wegverkeer en/of luchtvaartverkeer. Er bevinden zich in de buurt van het plangebied geen grote lawaaimakers overeenkomstig bijlage 1 onderdeel D van het Besluit omgevingsrecht (Bor), noch een gezoneerd industrieterrein conform artikel 40 Wgh (industrielawaai). Ook is er in de nabijheid van het plangebied geen wegverkeer, geen spoorlijn (railverkeerlawaai) en ligt het plangebied niet binnen een geluidszone (’20 Ke-contour’) van een luchthaven (luchtvaartverkeer-lawaai). Een nadere onderbouwing is dus niet nodig. Ook voor het aspect wegverkeerlawaai geldt dat geen nader onderzoek noodzakelijk is. De maximale snelheid op de Wassenaarseweg bedraagt 30 km/u. De Wet Geluidhinder is niet van toepassing op wegen binnen een woonerf en 30 km/u-wegen. In toevoeging hierop wordt de nieuwe woning al omsloten door bestaande woningen.

Omdat in deze woningen al een goed woon- en leefklimaat geborgd moet zijn, is het niet doelmatig voor dit planvoornemen apart akoestisch onderzoek uit te voeren. Uiteraard zal de nieuwe woning voldoen aan de laatste eisen uit het Bouwbesluit.

Conclusie geluidhinder Gelet op het bovenstaande, luidt de conclusie dat er een goed woon- en leefklimaat geborgd is met het realiseren van dit planvoornemen.

4.8

Luchtkwaliteit

Wetgeving Op 15 november 2007 is de Wet milieubeheer gewijzigd. Aan hoofdstuk 5 is een titel toegevoegd: titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen. Deze wet vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005. Het doel van de wet is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Daartoe zijn in de wet grenswaarden voor onder meer stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5) opgenomen. Dit zijn in ons land de meest kritische luchtverontreinigende componenten met de hoogste kans op overschrijdingen van de grenswaarden. De normen zijn op basis van gezondheidskundige aspecten bepaald, maar ook onder de norm kunnen gezondheidseffecten optreden, zij het vooral bij mensen die er gevoelig voor zijn, zoals kinderen en ouderen. Bij concentraties onder de 40 µg/m3 neemt de kans op effecten wel geleidelijk af, al is voor fijnstof geen gezondheidskundige grenswaarde vast te stellen. In onderstaande tabel staan de grenswaarden zoals vermeld in bijlage 2 van de Wet milieubeheer weergegeven.

Tabel 4: Grenswaarden NO2 en PM10 overeenkomstig bijlage 2 Wet milieubeheer Stof

Concentratie [μg/m3]

Omschrijving

40

Jaargemiddelde concentratie

Stikstofdioxide

200

Uurgemiddelde waarde die max. 18 keer per jaar mag worden overschreden

PM10 Fijnstof (grove deeltjes)

40

Jaargemiddelde concentratie

50

24-uursgemiddelde waarde die max. 35 keer per jaar mag worden overschreden

25

Jaargemiddelde concentratie

NO2

PM2,5 Fijnstof (fijne deeltjes)

Ter correctie van natuurlijk in de lucht voorkomend fijnstof mag een aantal dagen in mindering gebracht worden bij de toetsing van de daggemiddelde grenswaarde: de zogenaamde zeezoutcorrectie. Dit houdt in dat in het geval van overschrijding van de 24-uursgemiddelde grenswaarde van PM10 gecorrigeerd mag worden met een vastgesteld aantal dagen. Het RIVM heeft dit aantal per provincie vastgesteld, vanzelfsprekend mogen voor de kustprovincies meer dagen in mindering worden gebracht dan voor verder inlandse provincies. Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) Het NSL is de kern van de Wet milieubeheer, onderdeel luchtkwaliteit. Dit programma is de onderbouwing van het derogatieverzoek van het Rijk aan de EU. Het NSL is een bundeling van alle ruimtelijke maatregelen die de luchtkwaliteit in betekenende mate verslechteren en alle maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren om er voor te zorgen dat per 2011 (fijnstof) respectievelijk 2015 (stikstofdioxide) overal in Nederland aan de grenswaarden wordt voldaan. Het Rijk coördineert het programma. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. De uitvoeringsregels behorende bij de wet zijn vastgelegd in algemene maatregelen van bestuur (AMvB) en ministeriële regelingen (mr), waaronder AMvB en mr niet in betekenende mate (NIBM).

AMvB en mr niet in betekenende mate De Wet milieubeheer, onderdeel luchtkwaliteit, maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel niet in betekenende mate) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. De AMvB en Regeling “Niet in betekenende mate” bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als ‘in betekenende mate’ moet worden beschouwd. De AMvB is gelijktijdig met het NSL in werking getreden. Er mag rekening worden gehouden met een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarde (= 1,2 µg/m 3 voor zowel stikstofdioxide en fijnstof). NIBM-projecten kunnen, juridisch gezien, zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening moet wel worden bekeken of het realiseren van het plan met betrekking tot de luchtkwaliteit op die locatie gewenst is. Daarbij speelt de mate van blootstelling aan de luchtverontreiniging een rol. Ook de gevoeligheid van bepaalde groepen mensen voor luchtverontreiniging kan daarbij worden afgewogen. Hierbij gaat het niet alleen om de toekomstige gebruikers van de locatie, maar ook om de personen in de omgeving daarvan.

Beoordeling planvoornemen In bijlage 3A van de Regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met netto maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg (of netto maximaal 3.000 woningen aan twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling) is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op grond hiervan kan gesteld worden dat de voorgenomen planontwikkeling niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit ter plaatse In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn tevens de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het projectgebied. Deze worden getoetst aan de grenswaarden zoals genoemd in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de NSL-monitoringstool waarin deze achtergrondconcentraties langs de belangrijkste wegen zijn bepaald. In de volgende figuur zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 weergegeven ter hoogte van het plangebied voor het peiljaar 2018.

Uit bovenstaand figuur blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 langs de gemonitorde wegen ter hoogte van het plangebied voor de voornoemde stoffen respectievelijk maximaal 17.5, 19.3 en 10.6 µg/m3 zijn. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3 voor NO2 en PM10 wordt niet overschreden. Eenzelfde geldt voor de grenswaarde van 25 µg/m3 voor PM2,5. De daggemiddelde grenswaarde voor PM10 van 50 μg/m3 mag overeenkomstig de Wet milieubeheer maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. In het plangebied komen maximaal 6.5 overschrijdingsdagen voor. In onderstaande tabel zijn deze bevindingen kort opgesomd. Tabel 5: Toetsing achtergrondwaarden en grenswaarden NO2, PM2,5 en PM10

Stof

Maximale achtergrondwaarde [μg/m3]

Jaargemiddelde grenswaarde conform Wet milieubeheer [μg/m3]

NO2

17.5

40

PM10

19.3

40

PM2,5

10.5

25

Conclusie Luchtkwaliteit Het project valt onder de regeling NIBM en draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Tevens voldoet de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied ruimschoots aan de gestelde grenswaarden in de Wet milieubeheer. Het onderdeel luchtkwaliteit vormt zodoende geen belemmering voor het planvoornemen.

4.9

Water

Wetgeving Door extremere neerslagintensiteiten en hogere neerslaghoeveelheden als gevolg van klimaatverandering, neemt de kans op wateroverlast toe. Voldoende ruimte voor waterberging is (zeker in ons land) dan ook cruciaal. Derhalve dient bij de ontwikkeling van een ruimtelijk plan aandacht besteed te worden aan de gevolgen ervan voor de waterhuishoudkundige situatie. Zo zorgen ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater. Om in dat geval voldoende waterberging te waarborgen, hanteren Waterschappen normen ter compensatie van de aanleg van extra verhard oppervlak. Bijvoorbeeld dat een toename van zoveel m2 verhard oppervlak gecompenseerd dient te worden door een toename van zoveel m3 waterberging. Naast de kwantitatieve aspecten, dient er in het geval van een ruimtelijk plan ook aandacht besteed te worden aan de kwalitatieve effecten op het watersysteem. Het instrument dat hiervoor ontwikkeld is, is de Watertoets. De Watertoets komt voort uit het advies van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw en het Nationaal Bestuursakkoord Water en berust op twee cruciale uitgangspunten: 1.

Standstill-beginsel: negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen. Uitgangspunt is dat ieder gebied moet voldoen aan de inundatienorm: de wettelijke veiligheidsnorm aangegeven als de gemiddelde kans per jaar op wateroverlast door hevige neerslag. Ook mag een verandering niet tot grotere afvoer naar andere gebieden leiden (afwentelen). Daarnaast moet worden tegengegaan dat de nog beschikbare ruimte in het watersysteem door ruimtelijke ontwikkelingen geleidelijk aan steeds kleiner wordt (normopvulling).

2.

Verbetering: in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen, die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut.

Beleid Op verschillende bestuursniveaus zijn beleidsnota’s verschenen die zich richten op een (zowel kwalitatief als kwantitatief) duurzaam waterbeheer. Op het hoogste niveau zijn de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en het Nationaal Waterplan (NW) richtinggevend. Op een lager schaalniveau is met name het beleid van het Hoogheemraadschap van Delftland en van de gemeente Schiedam relevant voor het plangebied. Dit beleid is in lijn met, en in aanvulling op, de plannen die Rijk en provincies hebben op het gebied van waterbeheer. Derhalve wordt hier alleen kort ingegaan op de hoofdpunten uit het beleid van het Hoogheemraadschap. Waterbeheerplan 5: Waardevol Water Voor de planperiode 2016-2021 is het Waterbeheerplan 5 (WBP5) van het Hoogheemraadschap van Rijnland van toepassing. In dit plan geeft het Hoogheemraadschap aan wat haar ambities voor de komende planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. In het WBP5 staat samenwerken met de omgeving aan water centraal. Rijnland wil samen met de omgeving werken aan duurzaam en efficiënt waterbeheer. De vier hoofddoelen zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water, gezond water en de waterketen. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Noordwijk&id=472be444-7240-4c01-a42a-c756a2543ca9