CConstaterende datNoordwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage OBP Correctie Gerleeweg 9 Noordwijk - Toelichting

Gemeenteraadsvergadering 22 februari 2022, gemeente NoordwijkBij agendapunt: Raadsvoorstel Ontwerpbestemmingsplan Correctie Gerleeweg 912.011 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan Correctie Gerleeweg 9, Noordwijk Toelichting

Bestemmingsplan Correctie Gerleeweg 9, Noordwijk Toelichting

Datum Datum vaststelling

: :

7 december 2021

Kenmerk IMRO

: :

19112292/JLA/rap3.2 NL.IMRO.0575.BPGerleeweg9Corr1-ON-01

Auteur Vrijgave

: :

Dhr. J.C. Langeweg MSc ir. H.J. Breukelman MSc

© IDDS b.v. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de uitgever.

INHOUDSOPGAVE

I.

TOELICHTING

II.

REGELS

III.

BIJLAGEN (APART BIJGEVOEGD)

IV.

VERBEELDING

I.

TOELICHTING

Inhoud 1.1 1.2 1.3 1.4

Inleiding .................................................................................................................... 6 Aanleiding .................................................................................................................. 6 Ligging projectgebied ................................................................................................. 6 Geldend bestemmingsplan ......................................................................................... 7 Leeswijzer .................................................................................................................. 8

2.1 2.2

Gebiedsvisie ............................................................................................................. 9 Bestaande situatie ...................................................................................................... 9 Beoogde situatie ...................................................................................................... 10

3.1 3.2 3.3 3.4

Beleidskader........................................................................................................... 12 Rijksbeleid................................................................................................................ 12 Provinciaal beleid ..................................................................................................... 13 Regionaal beleid ...................................................................................................... 15 Gemeentelijk beleid .................................................................................................. 17

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11

Omgevingsaspecten .............................................................................................. 20 Archeologie .............................................................................................................. 20 Cultuurhistorie .......................................................................................................... 21 Watertoets................................................................................................................ 21 Flora en fauna .......................................................................................................... 28 Geluidhinder ............................................................................................................. 28 Luchtkwaliteit ........................................................................................................... 29 Stikstofdepositie ....................................................................................................... 32 Externe veiligheid ..................................................................................................... 33 Bodemgeschiktheid .................................................................................................. 35 Bedrijven en milieuzonering ......................................................................................

35 M.e.r.-beoordeling .................................................................................................... 37

5.1 5.2 5.3

Juridische aspecten ............................................................................................... 39 Inleiding ................................................................................................................... 39 Opzet van de planregels ........................................................................................... 39 Uitleg van de planregels ........................................................................................... 39

6.1 6.2 6.3

Uitvoerbaarheid ...................................................................................................... 42 Maatschappelijk uitvoerbaarheid............................................................................... 42 Financiële uitvoerbaarheid........................................................................................ 42 Eindconclusie ........................................................................................................... 42

Inleiding 1.1

Aanleiding

Aan de Gerleeweg is recent een bestemmingsplan vastgesteld. Het bestemmingsplan maakt de bouw van een GOM-woning mogelijk, regelt de omzetting van de voormalige bedrijfswoning naar een formele woonbestemming en beperkt de bouwmogelijkheden van de achterliggende agrarische (bollenteel-)gronden. Bij de bouwaanvraag bleek dat het bouwvlak, zoals dat in het op 26 januari 2021 vastgestelde (postzegel)bestemmingsplan “Gerleeweg 9, Noordwijk” was vastgelegd, niet overeenkwam met het vlak van de door de aanvrager gewenste woning. De gemeente had al eerder aangegeven dat ook de positie van de voorgevelrooilijn van het bouwvlak in het vastgestelde bestemmingsplan niet wenselijk was. Voor het herstel van dit verzuim is in overleg met de aanvrager besloten om een nieuw bestemmingsplan op te stellen. 1.2

Ligging projectgebied

Het plangebied ligt ten zuiden van Noordwijk aan de Gerleeweg. De Gerleeweg is een rustige doodlopende weg in de buurt van de Coepelduynen. De omgeving kenmerkt zich door de open vlakten van het polderlandschap. De bestaande gebouwen bestaan voornamelijk uit bollenteeltgerelateerde bouwwerken (bedrijven) en enkele (bedrijfs-)woningen.

1.3

Geldend bestemmingsplan

Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Gerleeweg 9, Noordwijk’ (codering NL.IMRO.0575.BPLGGerleeweg9-VA01). De gronden hebben daarbinnen de bestemming ‘Wonen 1’ en de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 2’. Het perceel heeft één bouwvlak. Ook geldt het ‘Paraplu Bestemmingsplan Parkeren’ (codering NL.IMRO.0575.BPPLUparkerenVA01) voor de planlocatie.

In overleg met de aanvrager is er voor gekozen om voor het realiseren van de woning een bestemmingsplanprocedure te volgen waarmee het vastgestelde bouwvlak zal worden gecorrigeerd en wel zodanig dat de voorgevelrooilijn ervan overeenkomt met die van de naastgelegen woningen. Tevens zal de vóór de voorgevelrooilijn gelegen woonbestemming omgezet worden in de bestemming ‘Tuin’. Dit laatste is in overleg gebeurd met de GOM (Greenport Ontwikkelingsmaatschappij). Binnen deze procedure zijn de volgende wijzigingen voorzien: -

het bouwvlak komt 3 m van de zijerfafscheiding; het bouwvlak komt op 7,5 m van de Gerleeweg, gelijk met de overige woningen; de bijgeleverde bouwtekeningen zijn leidend voor de positie van het bouwwerk. De motivatie voor de afwijking is verwerkt in paragraaf 2.2 Beoogde situatie; de toevoeging van de bestemming ‘Tuin’ aan de voorzijde.

Dit bestemmingsplan biedt het toetsingskader om de planologische en ruimtelijke inpasbaarheid te onderbouwen. Na vaststelling van het bestemmingsplan voor ‘handelen in strijd met regels goede ruimtelijke ordening’ volgt de procedure ‘bouwen’. Opgemerkt wordt dat, gelet op de recente vaststelling van het huidige bestemmingsplan, de toelichting en conclusies uit het bestemmingsplan ‘Gerleeweg 9, Noordwijk’ van toepassing zijn. Voor de volledigheid zijn deze verwerkt in dit bestemmingsplan. 1.4

Leeswijzer

Dit bestemmingsplan biedt een globale juridisch-planologische regeling, zodat flexibiliteit bestaat om de geplande ontwikkeling te realiseren. De regeling geschiedt door middel van bindende planstukken, te weten de planregels en de verbeelding. De bindende planstukken worden nader onderbouwd met de toelichting op zowel de planregels als de verbeelding. Hoofstuk 2 beschrijft het beleidskader met relevant beleid voor dit planvoornemen. Er wordt onder andere gekeken naar het Rijks, het provinciaal, het regionaal en het gemeentelijk beleid. Hoofdstuk 3 gaat in op het te realiseren plan met aandacht voor diverse specifieke onderdelen. Hoofdstuk 4 behandeld de relevante omgevingsaspecten en biedt verantwoording waarom dit plan ruimtelijk gezien passend is op deze locatie. De juridische beschrijven en de uitvoerbaarheid worden behandeld in respectievelijk hoofdstuk 5 en 6. De systematiek van de planopzet sluit aan bij het gangbare landelijke systematiek voor de standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP 2012).

Gebiedsvisie 2.1

Bestaande situatie

Tot voor kort bevonden zich op het perceel (kadastraal bekend, gem. Noordwijk, sectie G, nr. 3676) diverse aan de bollenteelt gerelateerde bouwwerken. Deze situatie is vastgelegd en omschreven in de afgesloten GOM-overeenkomst. Vastgelegd is dat er onder meer 3.000 m2 kassen en 26,5 m2 aanbouwen met onderliggende bouwvlakken aanwezig waren. Deze zijn inmiddels verwijderd. De gronden op het perceel liggen momenteel braak.

2.2

Beoogde situatie

Met deze procedure wordt het mogelijk gemaakt om de GOM-woning op de planologisch meest gewenste wijze te situeren op het perceel. Naast een gewijzigde positie van het bouwvlak, bevat de aanvraag de toevoeging van de bestemming ‘Tuin’ aan de voorzijde van het perceel. Duurzaamheid Conform nationaal en lokaal beleid, is er voldoende aandacht besteed aan het aspect duurzaamheid. De woning wordt verwarmd door een luchtwarmtepomp en het pand is voorzien van 19 PV panelen op het dak. Om aan te tonen op welke wijze het aspect duurzaamheid voldoet, zijn er diverse berekeningen uitgevoerd. Als losse bijlage is de GPR (duurzaamheid berekening) toegevoegd waaruit blijkt dat de woning voldoende duurzaam is conform de eisen. Deze conclusie blijkt tevens uit de BENG berekening (toegevoegd als losse bijlage). Parkeren Het perceel biedt voldoende ruimte om te voldoen aan de eisen vanuit het gemeentelijk parkeerbeleid. Er zijn 2 parkeerplaatsen voorzien op eigen terrein.

Beleidskader In dit hoofdstuk worden de belangrijkste en relevante beleidsstukken beschreven die raakvlakken hebben met het planvoornemen. 3.1

Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 2040 De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 2040 (SVIR) is in 2012 vastgesteld en vervangt onder andere de Nota Ruimte, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak. Daarnaast vervangt de visie ook de ruimtelijke doelen en uitspraken in diverse landelijke beleidsdocumenten. Daarmee is de SVIR het totaaldocument voor de ruimtelijke- en mobiliteitsbeleid op Rijksniveau. Van belang in de SVIR, is de grote mate van decentralisatie. Het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten; decentralisatie is het sleutelwoord. Dit geldt ook voor het verstedelijkings- en landschapsbeleid. Enkele onderwerpen worden wel benoemd als nationaal belang. Die zijn geborgd in de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte. Deze AMvB is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Barro Het Barro richt zich op de doorwerking van het nationaal belang in de gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van de belangen. Ladder voor duurzame verstedelijking De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onder Artikel 3.1.6.

Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de beschikbare ruimte in stedelijke gebieden. De ladder houdt in dat de behoefte aan stedelijke ontwikkelingen op het gebied van wonen, kantoren, bedrijven en detailhandel moeten worden afgestemd binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van deze ontwikkeling en dat deze waar mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd moet worden. Voor woningbouwontwikkelingen geldt dat deze vanaf 12 woningen ladderplichtig zijn. Derhalve is onderhavig initiatief niet ladderplichtig. De beoogde ontwikkeling heeft geen nadelige invloed op één van de onderwerpen van nationaal belang. Ook het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) doet geen specifieke uitspraken ten aanzien van het voorliggende projectgebied. Voor woningbouwontwikkelingen geldt dat deze vanaf 12 woningen ladderplichtig zijn. Derhalve is onderhavig (particulier) initiatief niet ladderplichtig. Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling geen strijdigheid vertoont met het nationale beleidskader.

3.2

Provinciaal beleid

In het Omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en een Omgevingsverordening. Omgevingsvisie De Omgevingsvisie bestaat in hoofdlijn uit de volgende onderdelen: 1. Een introductie op het omgevingsbeleid, waarin opgenomen de kaartbeelden en de beschrijving van de ruimtelijke structuur; 2. De ontwikkelrichting van het omgevingsbeleid met ambities en sturing. De provincie geeft hierin aan een uitnodigend perspectief te bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen; 3. Een beschrijving van de omgevingskwaliteit van Zuid-Holland, waaronder de provinciale inzet voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; 4. De samenhangende beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie bevat de volgende wettelijk verplichte plannen: 5. de provinciale ruimtelijke structuurvisie, artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro); 6. het milieubeleidsplan, artikel 4.9 van de Wet milieubeheer (Wm); 7. het regionale waterplan, artikel 4.4 van de Waterwet (Ww); 8. het verkeers- en vervoersplan, artikel 5 van de Planwet verkeer en vervoer; 9. de natuurvisie, artikel 1.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb).

Specifieke beoordeling wonen De provincie voorziet op regionaal niveau, samen met gemeenten, marktpartijen en woningbouwcorporaties, in voldoende en passende woningen voor de verschillende doelgroepen, waaronder de doelgroepen van het huurbeleid. Hierbij gaat de voorkeur uit naar nieuwe woningbouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied en georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer. De provincie is terughoudend over het toevoegen van nieuwe woningbouwlocaties buiten bestaand stads- en dorpsgebied en vragen om de bodemdalingsgevoeligheid van een gebied expliciet mee te wegen. De provincie heeft de ambitie om alle woningen in Zuid-Holland in 2035 CO²-neutraal en vóór 2050 klimaatrobuust ingericht en ingepast te laten zijn. Nieuwe woningen dragen bij aan een aantrekkelijke woon- en leefomgeving in Zuid-Holland. Nieuwe woningen zijn energieneutraal of leveren energie en zijn toegerust op de gevolgen van klimaatverandering (heftige regenbuien, perioden van droogte en hittestress) en bodemdaling. Gemeenten maken in samenspraak met de provincie regionale woonvisies en regionale woningbouwprogramma's waarin bovengenoemde doelstellingen zijn uitgewerkt. Omgevingsverordening De beleidskeuzes uit de Visie, werken door naar uitvoeringsprogramma’s en naar regels in de verordening.

Het geheel aan bestaande beleidskeuzes, inclusief de doorwerking naar programma’s en verordening, vormt het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. De verdere ontwikkeling van de Greenport Duin- en Bollenstreek tot een vitale, economisch concurrerende en duurzame greenport is van provinciaal belang. In verband hiermee streeft de provincie naar herstructurering van het bollencomplex, landschapsverbetering en handhaving van het teeltareaal bollengrond. Het bollenteeltgebied is aangeduid op kaart 11 van de verordening. Binnen het bollenteeltgebied bevinden zich ook bedrijfsgebouwen, (bedrijfs)woningen met erf en de eventuele kassen van de bollenteeltbedrijven.

Luchthavenindelingbesluit Schiphol: 20Ke- contour De planlocatie ligt buiten het afwegingsgebied geluid en externe veiligheid, en buiten het beperkingsgebied van het LIB. Er is dus geen strijdigheid met het LIB.

Beoordeling planvoornemen In de verordening, gaat artikel 6.17 specifiek in op gebieden aangewezen als Bollenteeltgebied. De gronden (ook de gronden van dit bestemmingsplan) laten primair bollenteeltbedrijven toe. Lid 4 van artikel 6.17, maakt het mogelijk om middels een bestemmingsplanprocedure te voorzien in een greenportwoning als bedoelt in de ISG Greenport Duin- en Bollenstreek. De verder regionale afweging vindt plaats in de Regionale woonagenda Holland Rijnland 2017. In paragraaf 3.1 is de Ladder voor duurzame verstedelijking al toegelicht. Daar is aangetoond dat er geen strijdigheid is. Ook is er geen strijdigheid met het LIB aangezien het plan niet binnen de grenzen van het LIB valt.

3.3

Regionaal beleid

Regionale woonagenda Holland Rijnland 2017 Op 14 maart 2018 heeft het Algemeen Bestuur van Holland Rijnland de Regionale Woonagenda Holland Rijnland 2017 vastgesteld. Met de woonagenda willen de gemeenten het woningaanbod de komende jaren beter laten aansluiten op de behoefte in de regio Holland Rijnland en in de sub-regio’s Duin- en Bollenstreek, Leidse regio en Rijn- en Veenstreek. Met de agenda ambieert de regio een actuele, kwalitatieve koerst te schetsen voor een goed functionerende woningmarkt. Zij wil daarmee aansluiten bij de behoeften aan verschillende woonvormen en woonmilieus. Waar de vorige woonagenda met name zich richtte op afstemming van het aantal te bouwen woningen, richt de nieuwe woonagenda zich ook op de gewenste kwalitatieve richting. Naast het accommoderen van de lokale en sub-regionale behoefte, zijn er ook bovenregionale woningbouwopgaven waarover bestuurlijke afspraken zijn gemaakt. Het nieuwe aanbod moet daarbij in kwalitatief opzicht zo goed mogelijk aansluiten op de toekomstige behoefte. Deze is per gemeente in de regio anders.

Regionale Structuurvisie 2020 Holland Rijnland In de Regionale Structuurvisie zijn de ambities en keuzes van Holland Rijnland uitgewerkt in zeven kernbeslissingen. Deze zijn samen van belang voor de toekomst van het gebied. Uitgangspunten hierbij zijn een evenwichtige ontwikkeling van wonen, recreatie en infrastructuur en een intensief, meervoudig en duurzaam ruimtegebruik. De kernbeslissingen zijn: • • • • • •

het in de regio bouwen van 33.000 nieuwe woningen tot 2020; het zorgen voor een betere bereikbaarheid van de centrumfunctie van Leiden; het concentreren van nieuwe bebouwing in de bestaande aaneengesloten stedelijke agglomeratie; het versterken van groen en water en het beter toegankelijk maken van groene gebieden; het openhouden van de Bollenstreek en het Veenweide- en Plassengebied, met een revitalisering van de Bollenstreek door middel van een herstructurering; het kiezen voor de kenniseconomie en de Greenport Duin- en Bollenstreek als de belangrijke economische kennisdragers; het ontwikkelen van een goed openbaar vervoernetwerk en de realisering van de Rijnlandroute en de Noordelijke Ontsluiting Greenport.

Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport Duin- en Bollenstreek 2016 ‘’Meer flexibiliteit en ontwikkelingsmogelijkheden voor het totale bollen- en sierteeltcomplex in de Duin- en Bollenstreek, met zijn productie, handel, distributie, onderzoek en promotie om te komen tot een Vitale Greenport, zonder daarbij het landschap verder te ‘verrommelen’’’. Dat is één zin de ambitie van ISG 2016, waarmee op hoofdlijnen voortgeborduurd wordt op de ISG uit 2009. Deze Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport is een uitgave van de vijf samenwerkende gemeenten in de Greenport Duin- en Bollenstreek, naast de fusie gemeente Noordwijk zijn dat Katwijk, Lisse, Hillegom en Teylingen. De Greenport Duin- en Bollenstreek is nog altijd goed voor 60% van de wereldhandel en -export in bloembollen (met een welhaast monopolie op de hyacint), met een handelsomzet van 550 miljoen euro en een exportwaarde van 415 miljoen euro. Daarmee neemt deze regio circa 10% van het nationale productieareaal en de daarmee samenhangende productiewaarde voor haar rekening. Om dit aandeel te waarborgen en bollenteeltbedrijven zich economisch te laten handhaven, wordt in de ISG ingezet op herstructurering en schaalvergroting.

Het regionaal beleid is er vooral op gericht ruimte te bieden aan greenport-gerelateerde bedrijven, oftewel het mogelijk maken van investeringen die onmiskenbaar bijdragen aan de kwaliteit van de Greenport.

De locatie ligt in de zone die door de GOM als het gebied is aangewezen, waarbinnen het leidend principe ‘openheid actief vergroten’ is. Bebouwing is in principe niet toegestaan, tenzij de ontwikkeling verrommeling tegengaat en actief bijdraagt aan openheid van het landschap. Beoordeling planvoornemen Als gevolg van de herinrichting van het perceel neemt de openheid van het bollengebied duidelijk toe. De nieuwe woning wordt in lijn met de naastgelegen woningen gerealiseerd en komt in de plaats van aanwezige opstallen: circa 3.000 m2 kassen en circa 26 m2 overige bouwwerken. Op grond hiervan is het initiatief inpasbaar binnen de ISG. 3.4

Gemeentelijk beleid

Omgevingsvisie Noordwijk 2030 Op 12 oktober 2017 is door de gemeenteraad van Noordwijk de Omgevingsvisie Noordwijk 2030 'Noordwijk voor elkaar' vastgesteld. De visie geeft een beeld van hoe Noordwijk zich verder wil ontwikkelen richting 2030: Noordwijk, energieke 7-sterren kustgemeente. De Omgevingsvisie is de opvolger van de Ruimtelijke Structuurvisie Noordwijk 2030. De Omgevingsvisie Noordwijk 2030 is een uitnodiging aan de samenleving om samen met de gemeente vorm te geven aan Noordwijk als ‘Energieke 7 Sterren Kustplaats’. De omgevingsvisie bevat de hoofdlijnen van de kwaliteiten die we willen koesteren en ontwikkelen. Ruimtelijk, maatschappelijk en economisch. Niet alles is vastgelegd, maar de gemeente laat waar mogelijk graag ruimte voor initiatieven uit de samenleving.

Bij het afwegen van nieuwe initiatieven zijn de centrale visie en de bijdrage aan de versterking van een of meer sterren leidend. De energieke 7-sterren zijn: 1. Energieke, zelfredzame en betrokken samenleving met een actief verenigingsleven, krachtig vrijwilligersnetwerk en een levendig cultureel klimaat. 2. Hoogstaande sportbeoefening en –beleving in een gezonde omgeving. 3. Sfeervolle dorpskernen: de kustzone Noordwijk aan Zee, met name de zee, het strand, de duinstrook en de Koningin Wilhelmina Boulevard (gezelligheid, cultuur, beleving, grandeur, authenticiteit, toerisme, congres). 4. Aantrekkelijke onderscheidende leefomgeving met een overwegend dorps karakter: versterkt Noordwijkse DNA en biedt ruimte voor vernieuwende woon-, werk-, vrijetijd-, en zorg/gezondheidsconcepten voor een grote diversiteit aan doelgroepen. 5. Rijke natuur, mooi landschap en vitale Greenport: genieten van rust en reuring, routes, omgeving, biodiversiteit en ontwikkeling van een duurzame agrarische sector. 6. Uitstekend bereikbaar vanuit de hele Randstad, in het bijzonder de kustzone. 7. Veelzijdige economie en toerisme met innovatief ondernemersklimaat: sterke clusters (zorg, space en toerisme), participatie in Greenport, ontwikkelde wijkeconomie, succesvolle starters en kennis/onderwijs.

Beoordeling planvoornemen Het plangebied is in de bovenstaande uitsnede aangewezen als met ‘Behoud bollengebied’. Met het verwijderen van de bestaande opstallen, de omzetting naar bollenareaal en de bouw van één GOM woning plus omvorming bestaande bedrijfswoning naar reguliere woning, wordt er aangesloten bij het behoud van het bollengebied. Er wordt met name aangesloten aan punt 5 en 7 van de bovengenoemde 7-sterren.

Conclusie beleid Gelet op het bovenstaande, vormt het landelijke, regionaal en gemeentelijk beleid geen belemmering voor de realisatie van het planvoornemen. Er ontstaat een opener bollenlandschap en er wordt een nieuwe woning toegevoegd aan de woningvoorraad.

Omgevingsaspecten 4.1

Archeologie

Verdrag van Valeta Nederland heeft zich in 1992 in Europees verband gecommitteerd aan het Verdrag van Valetta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In aansluiting op dit verdrag is in Nederland op 1 september 2007 de nieuwe Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) van kracht geworden. Deze is per 1 juli 2016 met grote delen van de Monumentenwet opgegaan in de Erfgoedweg. Dit is sindsdien de wet voor behoud en beheer van cultureel erfgoed. De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Malta zijn in de Nederlandse wetgeving overgenomen, te weten: -

het archeologisch erfgoed dient zo veel mogelijk ter plaatse te worden behouden; het archeologisch erfgoed dient in de ruimtelijke belangenafweging te worden betrokken; de verstoorder (lees: de initiatiefnemer) is verantwoordelijk voor het vroegtijdig uitvoeren van archeologisch onderzoek alsmede de financiering van dit onderzoek.

Gemeentelijk beleid De gemeentelijke Erfgoednota 'Noordwijk op de kaart' omschrijft het beleid en de wet- en regelgeving rondom monumenten, beschermd dorpsgezicht en archeologie. In deze nota heeft de gemeente aangegeven zich met name te richten op thema's die ook nu zichtbaar zijn. Het gaat dan om de bollenteelt, Sint Jeroen, monumentale graven en de ontwikkeling van vissersdorp naar badplaats. In de Erfgoedverordening 2011 zijn de lokale regels en procedures voor de omgang met monumenten en archeologie vastgelegd. RAAP heeft in 2015 een toelichting opgesteld op de archeologische verwachtings(waarden) kaart en beleidkaart. Beoordeling planvoornemen Uit de gemeentelijke verwachtingen kaart én uit het huidige bestemmingsplan blijkt dat er een hoge archeologische verwachting op het plangebied zit. Op pagina 110 van het rapport van RAAP, zijn er per categorie (verwachtingen) de ondergrenzen weergegeven. Voor dit project geldt dus de ondergrens van 250 m2 en een diepte van 30 cm-mv. Gelet op het plan, waarbij de ondergrens van 250 m2 ten behoeve van de nieuwe woning niet gehaald wordt, is nader onderzoek niet nodig. De verwachtingen zoals deze in het huidige bestemmingsplan staan, worden overgenomen.

Conclusie Archeologie Gelet op bovenstaande bevindingen gelden er vanuit archeologisch geen onderzoek verricht hoeft te worden op de locatie. Enkel als de bovengenoemde ondergrenzen overschreden worden, is er nader onderzoek nodig. Voor dit bouwplan is dit niet nodig.

4.2

Cultuurhistorie

Op grond van artikel 3.1.6, lid 5 onder a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om in het proces tijdig rekening te houden met aanwezige cultuurhistorische waarden. Op de planlocatie is geen dubbelbestemming aangaande een cultuurhistorische vrijwaringszone (bijvoorbeeld van een molenbiotoop) van toepassing.

Conclusie cultuurhistorie Gelet op bovenstaande bevindingen gelden er vanuit cultuurhistorisch oogpunt geen belemmeringen voor het planvoornemen.

4.3

Watertoets

Door extremere neerslagintensiteiten en hogere neerslaghoeveelheden als gevolg van klimaatverandering, neemt de kans op wateroverlast toe. Voldoende ruimte voor waterberging is (zeker in ons land) dan ook cruciaal. Derhalve dient bij de ontwikkeling van een ruimtelijk plan aandacht besteed te worden aan de gevolgen ervan voor de waterhuishoudkundige situatie. Zo zorgen ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater. Om in dat geval voldoende waterberging te waarborgen, hanteren Waterschappen normen ter compensatie van de aanleg van extra verhard oppervlak. Bijvoorbeeld dat een toename van zoveel m2 verhard oppervlak gecompenseerd dient te worden door een toename van zoveel m3 waterberging. Naast de

kwantitatieve aspecten, dient er in het geval van een ruimtelijk plan ook aandacht besteed te worden aan de kwalitatieve effecten op het watersysteem. Het instrument dat hiervoor ontwikkeld is, is de Watertoets. De Watertoets komt voort uit het advies van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw en het Nationaal Bestuursakkoord Water en berust op twee cruciale uitgangspunten: 1. Standstill beginsel: negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen. Uitgangspunt is dat ieder gebied moet voldoen aan de inundatienorm: de wettelijke veiligheidsnorm aangegeven als de gemiddelde kans per jaar op wateroverlast door hevige neerslag. Ook mag een verandering niet tot grotere afvoer naar andere gebieden leiden (afwentelen). Daarnaast moet worden tegengegaan dat de nog beschikbare ruimte in het watersysteem door ruimtelijke ontwikkelingen geleidelijk aan steeds kleiner wordt (normopvulling). 2. Verbetering: in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen, die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut. Beleid Op verschillende bestuursniveaus zijn beleidsnota’s verschenen die zich richten op een (zowel kwalitatief als kwantitatief) duurzaam waterbeheer. Op het hoogste niveau zijn de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en het Nationaal Waterplan (NW) richtinggevend.

Op een lager schaalniveau zijn het beleid van het Hoogheemraadschap Rijnland en de gemeente met name relevant voor het plangebied. Dit beleid is in lijn met, en in aanvulling op, de plannen die Rijk en provincies hebben op het gebied van waterbeheer. Derhalve wordt hier alleen kort ingegaan op de hoofdpunten uit het beleid van het Hoogheemraadschap en de gemeente. Waterbeheerplan 5: Waardevol Water Voor de planperiode 2016-2021 zal het Waterbeheerplan 5 (WBP5) van het Hoogheemraadschap van Rijnland (HHvR) van toepassing zijn. In dit plan geeft het Hoogheemraadschap aan wat de ambities voor de komende planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. In het WBP5 staat samenwerken met de omgeving aan water centraal. Het Hoogheemraadschap wil samen met de omgeving werken aan duurzaam en efficiënt waterbeheer. De vier hoofddoelen zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water, gezond water en de waterketen. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Bij voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden. Daarbij wil het hoogheemraadschap van Rijnland dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering.

Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. Het waterbeheerplan sorteert voor op deze ontwikkelingen. Gezond water is de zorgplicht om het water schoon zoals past bij de functie van het water te houden. Wat betreft de waterketen, zijnde afvalwater, wordt dit optimaal gezuiverd en onttrokken grondstoffen worden hergebruikt. Keur Hoogheemraadschap van Rijnland 2020 Per 1 juni 2020 is een nieuwe Keur (opvolger van de Keur 2015) en de daarbij horende uitvoeringsregels in werking getreden. De Keur is benodigd vanuit de Waterwet. Daarin zijn vastgelegd de bevoegdheden en taken van het Hoogheemraadschap, zijnde de zorg voor het watersysteem, de zorg voor het zuiveren van afvalwater, de zorg voor andere waterstaatsaangelegenheden en waterbeheer. De Keur dient tevens ter invulling van deze doelstellingen, te weten: voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen,

wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, en vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Samengevat maken de Keur en de bijbehorende uitvoeringsregels het mogelijk dat het Hoogheemraadschap van Rijnland haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor: waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken) en andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen). De Keur bevat ge- en verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunning plichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. De zorgplicht gaat in op het ‘ja, tenzij’-uitgangspunt. Handelingen zijn toegestaan tenzij er onvoldoende zorg in acht is genomen. Dit is vooruitlopend op de nieuwe Omgevingswet waarin hetzelfde principe wordt toegepast. De zorgplicht is bedoeld om schade aan het watersysteem te voorkomen. De algemene regels gaan uit van het principe ‘ja, mits’. De handeling is toegestaan mits aan alle voorwaarden wordt voldaan.

De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Uitvoeringsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van het Hoogheemraadschap van Rijnland nader uitgewerkt. Zo zijn er voorwaarden compensatie verhard oppervlak. Indien een initiatiefnemer meer dan 500 m2 extra verhard oppervlak wil aanleggen is er compensatie in de vorm van open water vereist van 15% van de totale toegenomen verharde oppervlakte. Als er boven de 10.000 m2 verhard oppervlak wordt aanlegt moet dit gecompenseerd worden aan de hand van een maatwerkberekening. Handreiking Watertoets Om te kunnen borgen dat gemeenten bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen of het verlenen van omgevingsvergunningen ter afwijking van een bestemmingsplan worden gehouden aan de regels uit de Keur, is in artikel 3.1.1 Bro de verplichting opgenomen voor gemeenten om nieuwe bestemmingsplannen, wijzigingsplannen en omgevingsvergunningen ter toetsing aan het waterschap voor te leggen. Deze toets wordt ook wel de 'Watertoets' genoemd. De Handreiking Watertoets, die in december 2011 door het Hoogheemraadschap is vastgesteld, bevat richtlijnen over de waterparagraaf in ruimtelijke besluiten en de manier waarop deze wordt getoetst door het waterschap.

Het Hoogheemraadschap van Rijnland biedt gemeenten de gelegenheid de planeigenschappen op een digitaal formulier in te vullen, waarna een digitale watertoets moet uitwijzen of het bestemmingsplan, het wijzigingsplan of de omgevingsvergunning een 'groot waterbelang' omvat en ook feitelijk contact met de afdeling plantoetsing van het Hoogheemraadschap dient te worden opgenomen. Riolering en afkoppelen Overeenkomstig het rijksbeleid (de voorkeursvolgorde uit Wm art 29 a en de doelmatigheidsdoelstelling uit het bestuursakkoord waterketen 2007) geeft Rijnland de voorkeur aan het scheiden van hemelwater en afvalwater, mits het doelmatig is. De voorkeursvolgorde voor de omgang met afvalwater houdt in dat het belang van de bescherming van het milieu vereist dat: a) het ontstaan van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; b) verontreiniging van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; c) afvalwaterstromen worden gescheiden gehouden, tenzij het niet gescheiden houden geen nadelige gevolgen heeft voor een doelmatig beheer van afvalwater;

d) huishoudelijk afvalwater en afvalwater dat daarmee wat biologische afbreekbaarheid betreft overeenkomt, worden ingezameld en naar een inrichting als bedoeld in artikel 15a van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren getransporteerd; e) ander afvalwater dan bedoeld in onderdeel d: a) zo nodig na zuivering bij de bron, wordt hergebruikt; b) lokaal, zo nodig na retentie of zuivering bij de bron, in het milieu wordt gebracht; De gemeente kan gebruikmaken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Deze voorkeursvolgorde is echter geen dogma. De uiteindelijke afweging zal lokaal moeten worden gemaakt, waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal moet staan. Klimaat adaptief bouwen Het klimaat in Nederland is aan het veranderen. De gevolgen van deze veranderingen hebben een grote impact op de maatschappij. De provincie Zuid-Holland heeft samen met verschillende partijen het ‘Convenant Klimaatadaptief bouwen in Zuid-Holland’ in het leven geroepen om de delta waarin we liggen adaptief te maken op deze veranderingen. Met klimaat adaptief bouwen wordt er gestreefd naar minder wateroverlast, minder hittestress, minder langdurige droogte inclusief de nodige gevolgen, minder bodemdaling inclusief de nodige gevolgen en meer biodiversiteit in vergelijking met de oude situatie.

Er kan gedacht worden aan natuur inclusief bouwen, minder verharding aanleggen, meer groen in de openbare ruimte en in tuinen, zonwering plaatsen, meer regenwateropslag en verhoogde trottoirs. Beoordeling planvoornemen Huidige situatie Algemeen Tot voor kort bevonden zich op het perceel (kadastraal bekend, gem. Noordwijk, sectie G, nr. 3676) diverse aan de bollenteelt gerelateerde bouwwerken. Deze situatie is vastgelegd en omschreven in de afgesloten GOM-overeenkomst. Vastgelegd is dat er onder meer 3.000 m2 kassen en 26,5 m2 aanbouwen met onderliggende bouwvlakken aanwezig waren. Deze zijn inmiddels verwijderd. De gronden op het perceel liggen momenteel braak. . Bodem en grondwater Volgens de bodemkaart van Nederland (www.bodemdata) bestaat de bodem ter plaatse van het projectgebied uit Leemarm zand in stuifduinen en stranden. Er is sprake van grondwatertrap IIb. Dat wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand varieert tussen 0,25 en 0,4 m beneden maaiveld en dat de gemiddelde laagste grondwaterstand varieert tussen 0,5 en 0,8 m beneden maaiveld. De maaiveldhoogte ter plaatse van de Gerleeweg is circa NAP 1,0 m.

Waterkwantiteit Rondom het hele projectgebied is oppervlaktewater aanwezig in de vorm van slootjes. Echter, de werkzaamheden vinden niet plaats binnen beschermingszones van de watergangen.

Watersysteemkwaliteit en ecologie In de omgeving is geen KRW-waterlichaam gelegen. Het gebied ligt daarnaast ook niet in een grondwaterbeschermingsgebied. Veiligheid en waterkeringen Het projectgebied ligt niet in de kern-/beschermingszone van een waterkering.

Afvalwaterketen en riolering Het projectgebied aan is in de momenteel niet aangesloten op een rioleringsstelsel. Toekomstige situatie Algemeen De ontwikkeling bestaat uit de toevoeging van een extra woning aan de Gerleeweg. Waterkwantiteit Bij een toename in verharding dient deze toename te worden gecompenseerd. Volgens de eis van het waterschap dient 15% van de toename in verharding te worden gecompenseerd door de aanleg van functioneel open water. Het dempen van sloten dient daarnaast voor 100% te worden gecompenseerd. De oppervlakte van de woning komt niet boven de 500 m2. Daarnaast wordt de bestaande kas van 3.000 m2 met de bijbehorende verharding gesloopt. Per saldo neemt daarmee de verharde oppervlakte juist af. Er zal dus geen oppervlaktewater gecompenseerd hoeven worden. Watersysteemkwaliteit en ecologie Bij de bouw van de woning en bij het verder gebruik van de percelen, moet worden voorkomen dat er schadelijke stoffen in de grond terecht komen. Hier wordt rekening mee gehouden. Schadelijke bouwmaterialen zullen vermeden moeten worden. Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling welke is voorzien in dit project heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid in de omgeving.

Riolering en afkoppelen Overeenkomstig het rijksbeleid (de voorkeursvolgorde uit Wm art 29 a en de doelmatigheidsdoelstelling uit het bestuursakkoord waterketen 2007) geeft Rijnland de voorkeur aan het scheiden van hemelwater en afvalwater, mits het doelmatig is.

De voorkeursvolgorde voor de omgang met afvalwater houdt in dat het belang van de bescherming van het milieu vereist dat: a) het ontstaan van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; b) verontreiniging van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; c) afvalwaterstromen worden gescheiden gehouden, tenzij het niet gescheiden houden geen nadelige gevolgen heeft voor een doelmatig beheer van afvalwater; d) huishoudelijk afvalwater en afvalwater dat daarmee wat biologische afbreekbaarheid betreft overeenkomt, worden ingezameld en naar een inrichting als bedoeld in artikel 15a van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren getransporteerd; e) ander afvalwater dan bedoeld in onderdeel d: a. zo nodig na zuivering bij de bron, wordt hergebruikt; b. lokaal, zo nodig na retentie of zuivering bij de bron, in het milieu wordt gebracht; De gemeente kan gebruikmaken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Deze voorkeursvolgorde is echter geen dogma. De uiteindelijke afweging zal lokaal moeten worden gemaakt, waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal moet staan. Zorgplicht en preventieve maatregelen voor hemelwater Voor de behandeling van hemelwater wijst Rijnland op de zorgplicht en op het nemen van preventieve maatregelen. Het verdient aanbeveling daar waar mogelijk aandacht te besteden aan maatregelen bij de bron.

Preventie heeft de voorkeur boven 'end-of-pipe' maatregelen. Uitgangspunt is dat het te lozen hemelwater geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater mag veroorzaken en emissie van vervuilende stoffen op het oppervlaktewater waar mogelijk wordt voorkomen. Door bijvoorbeeld: a) duurzaam bouwen; b) het toepassen van berm- of bodempassage; c) toezicht en controle tijdens de aanlegfase en handhaving tijdens de beheerfase ter voorkoming van verkeerde aansluitingen; d) het regenwaterriool uit te voeren met (straat)kolken voorzien van extra zand-slibvang of zakputten (putten met verdiepte bodem) op tactische plekken in het stelsel; e) adequaat beheer van straatoppervlak, straatkolken en zakputten (straatvegen en kolken/putten zuigen); f) het toepassen van duurzaam onkruidbeheer; g) de bewoners, gebruikers en beheerders voor te lichten over de werking van de riolering en een juist gebruik hiervan; h) het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto's wassen en repareren en chemische onkruidbestrijding.

Daar waar ondanks de zorgplicht en de preventieve maatregelen het te lozen hemelwater naar verwachting een aanmerkelijk negatief effect heeft op de oppervlaktewaterkwaliteit, kan in overleg tussen gemeente en waterschap gekozen worden voor aanvullende voorzieningen, een verbeterd gescheiden stelsel of – als laatste keus – aansluiten op het gemengde stelsel. Ook kan de gemeente in overleg met het waterschap kiezen voor een generieke 'end-of-pipe'aanpak. Deze keuze moet dan expliciet gemaakt worden in het GRP.

Conclusie Watertoets Gelet op de bovenstaande resultaten, voldoet het plan aan de eisen voor wat betreft het waterbeleid van het Hoogheemraadschap.

4.4

Flora en fauna

In het kader van de Wet natuurbescherming is er een ecologische Quickscan uitgevoerd. De voorgenomen plannen betreffen de sloop van kassen en de grond omvormen naar bollenland. Daarnaast wordt er langs de weg een nieuwe woning gebouwd. Het plangebied zelf bestaat uit een stuk braakliggend land waar de nieuw te bouwen woning wordt gesitueerd. Erachter is een kassencomplex. Achter de kassen bevindt zich een open schuurtje. Langs de weg loopt een greppel met ondiep water welke in de zomer droog staat. Beoordeling planvoornemen Uit bureaustudie en biotooptoets is naar voren gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen worden aangetast van in de Wet natuurbescherming beschermde soorten. Eveneens is het plangebied ongeschikt biotoop voor beschermde soorten. Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland, Natura 2000, belangrijk weidevogelgebied of strategische reservering natuur. De afstand tot NNN en Natura 2000 gebieden is zo groot dat directe gevolgen niet zijn te verwachten. De nieuwe inrichting van de kwekerij tot open bollengrond kan wellicht zelfs tot een uitbereiding van foerageergebied leiden voor dieren die in Natura 2000 gebied Coepelduynen leven. Wel wordt opgemerkt dat er specifiek voor gebiedsbescherming een stikstofdepostieonderzoek is uitgevoerd. Meer hierover is te vinden in paragraaf 4.7.

Indien de werkzaamheden starten binnen het broedseizoen, worden deze pas uitgevoerde indien vooraf door een deskundig ecoloog is vastgesteld dat geen verstoring van broedvogels zal plaatsvinden. Ook moeten er maatregelen worden genomen om te voorkomen dat de rugstreeppad zich vestigt op het terrein zodra met de werkzaamheden voor de bouw van de woning wordt begonnen. De maatregelen worden volledig beschreven in het bijgevoegd rapport De zorgplicht van de Wet natuurbescherming is altijd van toepassing. Naast de consequenties die voortkomen uit de Wet natuurbescherming geven wij in relatie tot de voorgenomen nieuwbouw verschillende aanbevelingen met als doel de ecologische structuren in de omgeving te versterken. Denk hierbij aan vleermuiskasten, vleermuisstenen en neststenen ten behoeve van mussen en gierzwaluwen. Meer aanbevelingen worden beschreven in paragraaf 6.4 van het rapport. Het volledige rapport met kenmerk R&O19112292/REI/rap is als bijlage toegevoegd.

Conclusie Flora en Fauna Gelet op de bovenstaande bevindingen, vormt het aspect flora en fauna geen belemmering voor het planvoornemen. De zorgplicht van de Wet natuurbescherming is altijd van toepassing.

4.5

Geluidhinder

Een woning is in het kader van de Wet geluidhinder een gevoelig object. Dit houdt in dat ter plaatse van de nieuwe woningen een aangenaam woon- en leefklimaat gewaarborgd dient te zijn. Aangetoond dient dat er wordt voldaan aan de gestelde akoestische eisen. Geluidsoverlast kan veroorzaakt worden door lawaai afkomstig van industrie, railverkeer, wegverkeer en/of luchtvaartverkeer.

Beoordeling planvoornemen Het plan betreft het toevoegen van een nieuwe woning en het omzetten van de bestaande bedrijfswoning naar een reguliere woning. Er bevinden zich in de buurt van het plangebied geen grote lawaaimakers overeenkomstig bijlage 1 onderdeel D van het Besluit omgevingsrecht (Bor), noch een gezoneerd industrieterrein conform artikel 40 Wgh (industrielawaai). Ook is er in de nabijheid van het plangebied geen spoorlijn (railverkeerlawaai) en ligt het plangebied binnen een geluidszone (’20 Ke-contour’) van een luchthaven (luchtvaartverkeer-lawaai). Er is vanuit het LIB geen belemmering voor het plan (zie hiervoor ook paragraaf 3.2). De Gerleeweg is een doodlopende weg met uitsluitend bestemmingsverkeer. Uit een indicatieve berekening met behulp van de verkeersgegevens van de RVMK V3.2 blijkt dat ruimschoots wordt voldaan aan de voorkeurswaarde. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek is dus niet noodzakelijk of doelmatig. Het aspect wegverkeerslawaai vormt dus ook geen belemmering voor het planvoornemen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is er ook een afweging gemaakt vanuit geluid onder de paragraaf bedrijven- en milieuzonering. Meer hierover is te lezen in de desbetreffende paragraaf.

Conclusie geluidhinder Gelet op het bovenstaande vormt het aspect geluidhinder geen belemmering voor het planvoornemen.

4.6

Luchtkwaliteit

Wet milieubeheer Op 15 november 2007 is de Wet milieubeheer gewijzigd. Aan hoofdstuk 5 is een titel toegevoegd: titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen. Deze wet vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005. Het doel van de wet is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Daartoe zijn in de wet grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes (PM10) opgenomen. Dit zijn in ons land de meest kritische luchtverontreinigende componenten met de hoogste kans op overschrijdingen van de grenswaarden. De normen zijn op basis van gezondheidskundige aspecten bepaald, maar ook onder de norm kunnen gezondheidseffecten optreden, zij het vooral bij mensen die er gevoelig voor zijn, zoals kinderen en ouderen. Bij concentraties onder de 40 µg/m3 neemt de kans op effecten wel geleidelijk af, al is voor fijnstof geen gezondheidskundige grenswaarde vast te stellen. In onderstaande tabel staan de grenswaarden zoals vermeld in de wet weergegeven. Tabel 1: Grenswaarden NO2 en PM10 overeenkomstig bijlage 2 Wet milieubeheer

Stof NO2 PM10 PM2,5

Concentratie [μg/m3]

Omschrijving

40 200 40 50 25

Jaargemiddelde concentratie Uurgemiddelde waarde die max. 18 keer per jaar mag worden overschreden Jaargemiddelde concentratie 24-uursgemiddelde waarde die max. 35 keer per jaar mag worden overschreden Jaargemiddelde concentratie

Ter correctie van natuurlijk in de lucht voorkomend fijnstof mag een aantal dagen in mindering gebracht worden bij de toetsing van de daggemiddelde grenswaarde: de zogenaamde zeezoutcorrectie. Dit houdt in dat in het geval van overschrijding van de 24-uursgemiddelde

grenswaarde van PM10 gecorrigeerd mag worden met een vastgesteld aantal dagen. Het RIVM heeft dit aantal per provincie vastgesteld, vanzelfsprekend mogen voor de kustprovincies meer dagen in mindering worden gebracht dan voor verder inlandse provincies. Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) Het NSL is de kern van de Wet milieubeheer, onderdeel luchtkwaliteit. Dit programma is de onderbouwing van het derogatieverzoek van het Rijk aan de EU. Het NSL is een bundeling van alle ruimtelijke maatregelen die de luchtkwaliteit in betekenende mate verslechteren en alle maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren om er voor te zorgen dat per 2011 (fijnstof) respectievelijk 2015 (stikstofdioxide) overal in Nederland aan de grenswaarden wordt voldaan. Het Rijk coördineert het programma. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. De uitvoeringsregels behorende bij de wet zijn vastgelegd in algemene maatregelen van bestuur (AMvB) en ministeriële regelingen (mr), waaronder AMvB en mr niet in betekenende mate (NIBM). AMvB en mr niet in betekenende mate De Wet milieubeheer, onderdeel luchtkwaliteit, maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel niet in betekenende mate) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.

De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSL-programma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door de maatregelen van het NSL. De AMvB en Regeling “Niet in betekenende mate” bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als ‘in betekenende mate’ moet worden beschouwd. De AMvB is gelijktijdig met het NSL in werking getreden. Er mag rekening worden gehouden met een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarde (= 1,2 µg/m3 voor zowel stikstofdioxide en fijnstof). NIBM projecten kunnen, juridisch gezien, zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening moet wel worden bekeken of het realiseren van het plan met betrekking tot de luchtkwaliteit op die locatie gewenst is. Daarbij speelt de mate van blootstelling aan de luchtverontreiniging een rol. Ook de gevoeligheid van bepaalde groepen mensen voor luchtverontreiniging kan daarbij worden afgewogen. Hierbij gaat het niet alleen om de toekomstige gebruikers van de locatie maar ook om de personen in de omgeving daarvan, bijvoorbeeld om de bewoners en/of kinderen in een school/kinderdagverblijf aan de gebiedsontsluitende wegen.

Beoordeling planvoornemen In bijlage 3A van de Regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met netto maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg (of netto maximaal 3.000 woningen aan twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling) is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op grond hiervan kan gesteld worden dat de voorgenomen planontwikkeling niet in betekende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit ter plaatse In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn tevens de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het projectgebied. Deze worden getoetst aan de grenswaarden zoals genoemd in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de NSL-monitoringstool waarin deze achtergrondconcentraties langs de belangrijkste wegen zijn bepaald. In de volgende figuur zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 weergegeven ter hoogte van het projectgebied voor het peiljaar 2020.

Uit bovenstaand figuur blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 langs de Carolus Clusiuslaan ter hoogte van het projectgebied voor de voorgenoemde stoffen maximaal 18,9 µg/m3 is en 18,2 µg/m3. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3 wordt niet overschreden. Eenzelfde geldt voor de grenswaarde van 25 µg/m3 voor PM2,5, deze is in de nabijheid van het projectgebied maximaal 10,0 µg/m3. De daggemiddelde grenswaarde voor PM10 van 50 μg/m3 mag overeenkomstig de Wet milieubeheer maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. In het projectgebied komen maximaal 6,4 overschrijdingsdagen voor. In onderstaande tabel zijn deze bevindingen kort opgesomd. Tabel 2: Toetsing achtergrondwaarden en grenswaarden NO2, PM2,5 en PM10

Stof PM2,5 PM10 NO2

Maximale achtergrondwaarde [μg/m3] 10,0 18,2 18,9

Jaargemiddelde grenswaarde conform Wet milieubeheer [μg/m3] 25 40 40

Conclusie luchtkwaliteit Het project valt onder de regeling NIBM en draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Tevens voldoet de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied ruimschoots aan de gestelde grenswaarden in de Wet milieubeheer. Het onderdeel luchtkwaliteit vormt zodoende geen belemmering voor het planvoornemen.

4.7

Stikstofdepositie

Met de inwerkingtreding van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) in juli 2015 is bepaald dat berekend dient te worden of een nieuwe activiteit een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden zal geven. Indien dit inderdaad het geval is, dient beoordeeld te worden of de natuurlijke kenmerken van betrokken Natura 2000-gebieden dermate in het geding zijn dat gesproken kan worden van een significant negatief effect, of dat de verslechtering niet significant is en de planontwikkeling aanspraak kan maken op benutting van de ontwikkelingsruimte. Met de invoering van het PAS geldt alleen nog een vergunningplicht voor activiteiten die meer dan 1 mol stikstofdepositie per hectare per jaar geven op een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied. Bij een stikstofdepositie tussen de 0,05 mol en 1 mol N/ha/j bestaat er een meldingsplicht. Door de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 is de juridische houdbaarheid van het bovenstaande niet meer volledig. Als gevolg van de uitspraak gelden de drempel- en grenswaarden uit het PAS niet meer. Dit kan leiden dat er voor een ruimtelijke ontwikkeling een Wnb-vergunning (artikel 2.7 Wnb) nodig is. Door het schrappen van de bovengenoemde drempel- en grenswaarden van het PAS, kan een project met een geringe depositietoename van 0,01 mol/ha/jaar al vergunningplichtig zijn.

Beoordeeld dient te worden of er als gevolg van het project de kwaliteit van het natuurlijke leefgebied of de habitat van soorten in een Natura-2000 gebied kan verslechteren. Met een Quickscan wordt bepaald of negatieve effecten op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten. Indien we deze effecten niet worden uitsluiten, is het nodig om een stikstofberekening uit te voeren. In de nabijheid van het projectgebied ligt een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied. Er is door IDDS een stikstofonderzoek uitgevoerd voor de aanleg van de woning en voor de gebruiksfase. Beoordeling planvoornemen Opgemerkt wordt dat er per 1 juli 2021 een partiële vrijstelling geldt voor de aanlegfase. Aangezien het reeds uitgevoerde onderzoek ook inzicht geeft in de gebruiksfase (welke wettelijk gezien wél beoordeeld moet worden) is het niet doelmatig om een nieuwe herberekening te maken. Wel is er een nieuwe AERIUS uitvoeringsbestand bijgevoegd met daarin de meest recente versie van de berekening voor de gebruiksfase. Deze is aanvullend op het stikstofrapport. De conclusie luidt dat er geen beschermde natuurgebieden worden getroffen door deze ontwikkeling. De rekentool geeft op basis van de door de initiatiefnemer aangeleverde input, een rekenresultaten van 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van het planvoornemen treedt er dus geen stikstofdepositie op in Natura 2000-gebied.

Het stikstofonderzoek inclusief rekenbestanden is toegevoegd als bijlagen.

Conclusie stikstofdepositie Het planvoornemen leidt op basis van de ingevoerde gegevens niet tot extra stikstofdepositie in Natura 2000-gebied. Dit aspect vormt gelet op de tijdelijkheid, de berekende uitstoot en de omvang van het bouwwerk dan ook niet tot een belemmering voor het planvoornemen.

4.8

Externe veiligheid

Bij externe veiligheid gaat het om situaties waarbij een ongeval kan plaatsvinden met gevaarlijke stoffen of als gevolg van luchtvaartverkeer nabij luchthavens, waardoor mensen die verder niets met de betreffende activiteit te maken hebben, om het leven kunnen komen. Er wordt gekeken naar de risico’s verbonden aan risicovolle inrichtingen, waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, opgeslagen of gebruikt en vervoer van gevaarlijke stoffen via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen. Het belangrijkste instrument om de externe veiligheid te waarborgen is ruimtelijke scheiding aan de hand van veiligheidsafstanden tussen (beperkt) kwetsbare objecten en risicobronnen. Bij (beperkt) kwetsbare objecten dient gedacht te worden aan ruimten waar personen gedurende langere tijd verblijven (woning, recreatieterrein), gebouwen met grote aantallen personen (winkelcomplex, grote supermarkt, warenhuis) of personen met beperkte zelfredzaamheid (ziekenhuis, school, kinderopvang). Naast maatregelen aan de bron (bijvoorbeeld Best Beschikbare Technieken voor inrichtingen), dienen afdoende maatregelen in de omgeving te worden genomen door middel van zonering: hoe minder mensen binnen de risicocontouren van een risicovolle activiteit vallen, hoe beter de veiligheidssituatie. De wettelijke kaders voor externe veiligheid worden gevormd door de volgende wet- en regelgeving: -

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); Besluit externe veiligheid transport van gevaarlijke stoffen (Bevt) Wet luchtvaart (obstakelvrije vlakken en veiligheidszones; voor Schiphol gelden ook het Luchthavenindelingbesluit (LIB) en het Luchthavenverkeerbesluit (LVB).

Als centrale maatstaf voor het in beeld brengen van de externe veiligheidsrisico’s worden de begrippen plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR) gehanteerd. Deze begrippen zijn in de wet eenduidig gedefinieerd, en in de wetgeving zijn normen opgenomen (grenswaarden en richtwaarden voor het PR, en een oriëntatiewaarde voor het GR) die bepalen welke omvang van een extern veiligheidsrisico als onacceptabel moet worden geacht. Zo beoogt de wetgeving te voorkomen dat er (beperkt) kwetsbare objecten (kunnen) worden gerealiseerd op locaties waar het PR als gevolg van risicobronnen in de omgeving hoger is dan 10-6/jaar (één op een miljoen). Verder beoogt de wetgeving het bevoegd gezag een afwegingskader te bieden voor het omgaan met risicobronnen die bij een ongewoon voorval kunnen leiden tot grotere hoeveelheden dodelijke slachtoffers (maatschappelijke ontwrichting). Indien het bevoegd gezag een ruimtelijk besluit wil nemen, moet daaraan een analyse van het groepsrisico vooraf gaan. Indien het GR door het (te nemen) ruimtelijke besluit toe zal nemen, dient bij het ruimtelijke besluit een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. De methodiek waarmee het GR moet worden bepaald, is wettelijk vastgelegd. De uitkomsten daarvan zijn afhankelijk van de hoeveelheid aanwezige personen in de omgeving van de risicobron.

Tot hoever die omgeving strekt voor zover dat relevant is binnen de methodiek van het GR, is wettelijk gedefinieerd als het invloedsgebied. Doorgaans wordt dit gebied begrensd door de 1% letaliteitsgrens (de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen komt te overlijden als gevolg van de risicovolle activiteit). Gesteld kan worden dat aanwezigheid van personen buiten het invloedsgebied van een risicobron niet meetelt voor de hoogte van het GR dat door die risicobron wordt veroorzaakt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Noordwijk&id=581bd52b-903b-416b-a15f-6808c9278009