Bijlage Ecologische Quickscan 1687 Westeinde 38 - AVG
Tekst van het document
RAPPORT betreffende een flora- en faunaonderzoek Westeinde 38 Noordwijkerhout
Datum Kenmerk
: 17 december 2018 : 1687/RSL/rap1
Opdrachtgever
: : Westeinde 38 : 2211 XP Noordwijkerhout
Goedkeuring Ecoloog Ruimtelijk adviseur Projectleider
Datum Opsteller, auteur
17-11-2018
2e lezerschap, controle
17-11-2018
Vrijgave rapportage
17-11-2018
Handtekening
© IDDS B.V. Noordwijk Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever
1/16
Inhoud 1. Inleiding ....................................................................................................................................................... 3 1.1 Aanleiding .............................................................................................................................................. 3 1.2 Doel van het onderzoek ........................................................................................................................ 3 1.3 Leeswijzer.............................................................................................................................................. 3 2. Opzet en uitvoering van het onderzoek ....................................................................................................... 4 2.1. Bureaustudie ........................................................................................................................................ 4 2.2. Veldonderzoek...................................................................................................................................... 4 2.3. Effectenbeoordeling ............................................................................................................................. 4 3.
Beschrijving van het plangebied .................................................................................................................. 5 3.1 Ligging plangebied ................................................................................................................................ 5 3.2 Algemene beschrijving van het plangebied ........................................................................................... 6 3.3 Ligging ten opzichte van beschermde gebieden ................................................................................... 7 4. Wettelijk kader ............................................................................................................................................. 8 4.1 Wet natuurbescherming, onderdeel soorten ......................................................................................... 8 4.2 Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland ............................................................. 9 5. Resultaten en effectenbeoordeling .............................................................................................................. 9 5.1. Vleermuizen..........................................................................................................................................
9 5.2 Grondgebonden zoogdieren ................................................................................................................ 10 5.3 Vaatplanten ......................................................................................................................................... 10 5.4 Vogels .................................................................................................................................................. 10 5.5 Amfibieën en reptielen ......................................................................................................................... 11 5.6 Overige beschermde soorten .............................................................................................................. 12 6. Samenvatting conclusie en overzichtstabel .............................................................................................. 12 6.1 De zorgplicht zoals weergegeven in artikel 1.11 ................................................................................. 12 6.2 De zorgplicht specifiek voor vogels in artikel 3.1 ................................................................................ 12 6.3 Tabel: Overzicht van onderzochte soortgroepen en onderzoeksresultaten in het plangebied ........... 13 7.
Aanbevelingen ........................................................................................................................................... 14 Bijlage: Literatuur en bronvermelding ........................................................................................................... 16
2/16
1. Inleiding 1.1 Aanleiding In opdracht van is een flora - en faunaonderzoek uitgevoerd op de locatie Westeinde 38, te Noordwijkerhout. Aanleiding tot het uitvoeren van dit flora- en faunaonderzoek zijn de voorgenomen plannen van sloop van een schuur en nieuwbouw van een woning op locatie. 1.2 Doel van het onderzoek Deze quickscan flora en fauna heeft ten doel de voorgenomen plannen te toetsen aan de huidige natuurwetgeving zodat duidelijk wordt welke maatregelen moeten worden getroffen om overtreding van deze wet te voorkomen. Het plangebied is onderzocht en beoordeeld op de aanwezigheid van en betekenis voor door de Wet natuurbescherming beschermde plant- en diersoorten. Indien overtreding niet kan worden vermeden, is in het onderhavige rapport aangegeven voor welke soorten en met welke onderbouwing ontheffing dient te worden aangevraagd. Indien aanvullend onderzoek noodzakelijk blijkt, kan op basis van de quickscan een gedegen planning daarvan worden gemaakt. 1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 is de opzet van het onderzoek besproken en in hoofdstuk 3 wordt nader ingegaan op het plangebied. In hoofdstuk 4 is de reikwijdte en de doelstelling uit de Wet natuurbescherming beschreven. In hoofdstuk 5 worden conclusies getrokken uit de resultaten van het bureauonderzoek en het veldbezoek, waarna in hoofdstuk 6 de conclusies zijn samengevat.
Tot slot worden in hoofdstuk 7 aanbevelingen en in de bijlage een overzicht van de geraadpleegde literatuur gepresenteerd.
Aanzicht plangebied
3/16
2. Opzet en uitvoering van het onderzoek Het onderhavige flora- en faunaonderzoek bestaat uit twee onderdelen, te weten: een bronnen- en literatuuronderzoek (bureaustudie) en een biotooptoets (veldbezoek). De biotooptoets is door een ecoloog uitgevoerd op 17 november 2018 in de middag bij windkracht 3, zon en circa 6 graden Celsius. 2.1. Bureaustudie Het bronnen- en literatuuronderzoek omvat een bureaustudie, waarbij kaarten zijn geraadpleegd (kenmerken van het landschap waarin het plangebied zich bevindt) en de reeds bekende verspreidingsgegevens van voorkomende beschermde soorten in de regio zijn geraadpleegd. In het bronnen- en literatuuronderzoek zijn het plangebied en het omliggende gebied in een straal van ongeveer 1,5 kilometer onderzocht. Er zijn diverse bronnen geraadpleegd om een beeld te krijgen van de verspreiding en mogelijk voorkomen van beschermde soorten in en rond het plangebied. Aan de hand van deze informatie is een inschatting gemaakt of de betreffende soorten in het plangebied voor zouden kunnen komen, gezien de habitatvoorkeur van de betreffende soorten. Een overzicht van de gebruikte literatuur is opgenomen in de literatuurlijst, die is opgenomen in de bijlage van deze briefrapportage. 2.2. Veldonderzoek Naast een bureaustudie is een biotooptoets uitgevoerd.
Dit betreft een veldbezoek met als doel een inschatting te maken van de ecologische kwaliteiten van het plangebied. De bevindingen van het bronnenen literatuuronderzoek worden in het veld getoetst en indien nodig aangevuld. Op het moment dat een biotooptoets wordt uitgevoerd, zijn niet alle soorten zichtbaar aanwezig. Diersoorten zijn bijvoorbeeld alleen nachtactief of in een bepaalde periode van het jaar afwezig. Daarom zijn de eisen die soorten/soortgroepen aan hun leefomgeving stellen met betrekking tot vaste rust- en verblijfplaatsen, voedselgebieden en migratierouten vergeleken en getoetst met de situatie in het veld. Op deze manier is ook het belang van het plangebied beoordeeld voor flora en fauna die niet zijn waargenomen gedurende de biotooptoets, maar desondanks toch mogelijk kunnen voorkomen ter plaatse van het plangebied. De resultaten van de biotooptoets betreffen uitsluitend waarnemingen binnen het plangebied. 2.3. Effectenbeoordeling Op basis van de veldkenmerken van het plangebied en de verspreiding van beschermde soorten, is beoordeeld voor welke beschermde soorten het plangebied van betekenis kan zijn. Bij deze toetsing is alleen gekeken naar de beschermde soorten uit de Wet Natuurbescherming. Deze soorten hebben een Nederlandse of Europese bescherming en moeten worden getoetst op voorkomen en effect.
Wanneer effecten optreden of verbodsbepalingen worden overtreden, dan zijn er mogelijk maatregelen nodig om de effecten te voorkomen, verzachten of te compenseren om te voldoen aan de Wet Natuurbescherming. Algemene soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing. Deze soorten zijn zodanig algemeen in Nederland dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt door de meeste projecten. Bovendien geldt voor deze soorten een vrijstelling van de verbodsbepalingen zoals weergegeven in artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet Natuurbescherming. Wel geldt de zorgplicht ex artikel 1.11.
4/16
3. Beschrijving van het plangebied 3.1 Ligging plangebied Het plangebied is gesitueerd buiten de bebouwde kom van Noordwijkerhout. Het ligt midden in agrarisch gebied tussen de Duinweg en het Westeinde.
Globale afkadering plangebied (rode cirkel) in relatie tot de omgeving
Close-up plangebied
5/16
3.2 Algemene beschrijving van het plangebied In het plangebied staat een schuur, die ten behoeve van de werkzaamheden gesloopt gaat worden. Ook een dressuurbak, een houten tuinhuisje en kleine kas worden gesloopt. De rest van het plangebied bestaat uit gecultiveerde tuin, moestuin en paardenwei.
Foto-impressie plangebied, alle op de foto's zichtbare opstallen worden gesloopt.
6/16
3.3 Ligging ten opzichte van beschermde gebieden Op de onderstaande kaart is te zien dat het plangebied geen deel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland (NNN; donkergroen en roze). Het gebied maakt eveneens geen onderdeel uit van een ander beschermd gebied, zoals Natura 2000 (groen gearceerd), belangrijk weidevogelgebied (lichtgroen) of strategische reservering natuur (bruin). Binnen een straal van 10 kilometer liggen de volgende Natura 2000-gebieden: Kennemerland Zuid 600m, Coepelduynen op 3,5km en Berkheide/Meijendel 8km
Ligging plangebied (rode cirkel midden) in een straal van ca 7 km ten opzichte van ecologische hoofdstructuur EHS/NNN (donkergroen), Natura2000 (gearceerd)en belangrijk weidevogelgebied PV (licht groen). Bron: http://pzh.b3p.nl/viewer/app/NNN
7/16
4. Wettelijk kader 4.1 Wet natuurbescherming, onderdeel soorten Voor soortenbescherming geldt voor deze wet dat deze gericht is op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van deze soorten. De wet maakt hiervoor een programmatische aanpak mogelijk. Binnen deze wet wordt de soortbescherming opgedeeld in drie categorieën: 1. De bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogels van soorten die voorkomen in de EU als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten (art. 3.1 – 3.4). 2. De bescherming van in het wild levende dieren en planten van soorten die voorkomen in de EU op grond van de Habitatrichtlijn (bijlagen I, II, IV, V) en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5 - 3.9). 3. De bescherming van niet onder de bovenstaande twee categorieën vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland, vermeld in de bijlage van de Wet natuurbescherming (art. 3.10 - 3.11). Voor de zoogdier- amfibieen reptielsoorten opgenomen in deze bijlage geldt geen Europese verplichting tot bescherming. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren een bescherming behoeven. De andere in de bijlage opgenomen soorten worden om ecologische redenen beschermd.
Hiermee geeft Nederland uitvoering aan de algemene verplichting van het Biodiversiteitsverdrag om kwetsbare en bedreigde dier- en plantsoorten te beschermen. Verbodsbepalingen: Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Uitbreiding verbodsbepalingen en mogelijkheid tot ontheffing of vrijstelling: Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a.
in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. t/m h. (niet van toepassing, zie wettekst). 3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. 8/16
4.2 Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland Artikel 8.1 vrijstelling ten behoeve van bestendig beheer of onderhoud en de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. 1. De verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de wet, gelden niet bij de uitvoering van handelingen in het kader van: a. de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; (b,c,d niet van toepassing, zie wettekst) 2. De vrijstellingen, bedoeld in het eerste lid, gelden ten aanzien van de in bijlage 6 genoemde andere beschermde soorten: Aardmuis, Bastaardkikker, Bosmuis, Bruine kikker, Bunzing, Dwergmuis, Dwergspitsmuis, Egel, Gewone bosspitsmuis, Gewone pad, Haas, Hermelijn, Huisspitsmuis, Kleine watersalamander , Konijn, Meerkikker, Ree, Rosse woelmuis, Veldmuis, Vos, Wezel en Woelrat. Bovenstaande soorten zijn derhalve niet beschermd bij de voorgenomen werkzaamheden, wel geldt de zorgplicht.
5. Resultaten en effectenbeoordeling
5.1. Vleermuizen Resultaten bureauonderzoek Het plangebied heeft meerdere opstallen waarin vleermuizen kunnen verblijven. De meest voorkomende gebouwbewonende vleermuissoort is de gewone dwergvleermuis (Pipistrelllus pipistrelllus). Andere soorten die vaak of regelmatig in gebouwen verblijven en voorkomen in Noordwijkerhout zijn de ruige dwergvleermuis (Pipistrelllus nathusii), gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus), laatvlieger (Eptesicus serotinus) en meervleermuis (Myotis dasycneme). Bomen van voldoende grootte zijn in het plangebied niet aanwezig, waardoor de aanwezigheid van boombewonende soorten kan worden uitgesloten. Resultaten veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen locaties gevonden waar potentieel een vaste rust- en/of verblijfplaats aanwezig kan zijn. De schuur heeft geen spouw; vanwege de bouwaard met golfplaten daken en wanden. Het tuinhuisje zat dicht en is daarmee ontoegankelijk voor vleermuizen. Het gebied maakt vanwege de geïsoleerde ligging in het bollenland geen deel uit van een lijnelement. De ligusterhagen in het plangebied zijn het enige groen in de omgeving van het plangebied. Dit is niet voldoende om als essentieel foerageergebied te dienen voor eventueel in de nabij liggende panden verblijvende vleermuizen. Mochten zich vleermuizen in de nabije panden bevinden, dan zullen deze in het duingebied foerageren.
Conclusie vleermuizen In het plangebied ontbreken geschikte invliegopeningen. Het gebied maakt geen deel uit van een lijnelement en wordt daardoor niet gebruikt als vaste vliegroute van vleermuizen. Als foerageergebied heeft het plangebied geen essentiële functie. Op basis van het bovenstaande is het uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten hebben op vaste rust- en/of verblijfplaatsen, vaste vliegroutes en foerageergebied van vleermuizen.
9/16
5.2 Grondgebonden zoogdieren Resultaten bureauonderzoek Op basis van verspreidingsgegevens, ligging en biotoop zijn geen beschermde soorten zoogdieren te verwachten in het plangebied. Steenmarter (Martes foina) is eenmalig in Noordwijk waargenomen en vormt mogelijk een uitzondering hierop. Resultaten veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen zoogdieren waargenomen. Steenmarter of sporen van een nest hiervan zijn niet aangetroffen. Geconstateerd is dat het gebied ongeschikt is voor beschermde soorten. Conclusie grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten zoogdieren aangetroffen. Deze worden ook niet verwacht in de toekomst. Egel en algemene soorten muizen kunnen in het gebied verblijven. Voor alle zoogdieren geldt de zorgplicht (zie §6.1). Voor de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis geldt, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden, de zorgplicht niet.
5.3 Vaatplanten Resultaten bureauonderzoek De omgeving van Noordwijk is uitstekend onderzocht op planten. Van de beschermde soorten in de Wet Natuurbescherming zijn slechts 4 soorten ooit in de regio van Noordwijk aangetroffen. Stofzaad (Monotropa hypopitys), voor het jaar 2000 op enkele plaatsen in de Noordduinen. Glad biggenkruid (Hypochaeris glabra), eenmaal gevonden bij De Zilk en eenmaal in het Langeveld. Ruw parelzaad (Lithospermum arvense), rond 1990 bij de Nieuweweg (Hillegom) en Kluwenklokje (Campanula glomerata) enkele keren in een wegberm, verwilderd vanuit een tuin. Op basis van de meest recente verspreidingsgegevens kan de aanwezigheid van beschermde soorten vaatplanten worden uitgesloten. Resultaten veldbezoek Beschermde vaatplanten zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. Geconstateerd is dat het biotoop hiervoor ongeschikt is. Conclusie vaatplanten Geconcludeerd kan worden dat de aanwezige vaatplanten geen beschermde status hebben en ontwikkelingen niet in de weg staan.
5.4 Vogels Resultaten bureauonderzoek Bebouwing is aanwezig waardoor gebouwbewonende jaarrond beschermde soorten kunnen worden verwacht. Noordwijkerhout is en wordt goed onderzocht op vogels. In de verspreidingsgegevens worden over de afgelopen drie jaar vele vogelsoorten genoemd. Huismus (Passer domesticus) en gierzwaluw (Apus apus) broeden op geschikte plaatsen in de regio. Resultaten veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn merel (Turdus merula) en vink (Fringilla coelebs) waargenomen. Invliegopeningen voor huismussen en gierzwaluw zijn niet aanwezig. Nesten van broedvogels met een jaarrond beschermde status zijn niet gevonden en worden niet verwacht in het gebied. Algemene broedvogels worden wel verwacht. Conclusie vogels In het gebied zijn geen (jaarrond) beschermde nesten aangetroffen. Huismussen en zijn in het gebied en de omgeving ervan niet gesignaleerd. Het plangebied heeft geen functie voor jaarrond beschermde broedvogels, noch doet het dienst als foerageerplaats of schuilplaats voor huismussen. Gierzwaluwen kunnen niet invliegen, waardoor het gebied voor hen ongeschikt is om te broeden. 10/16
Het plangebied heeft wel een functie voor algemene broedvogels. De Wet natuurbescherming biedt bescherming aan alle in gebruik zijnde nesten en rustplaatsen van vogels. De nestbescherming geldt voor alle soorten gedurende het broedseizoen en voor een beperkt aantal soorten jaarrond. Iedere vogel is tijdens het broeden beschermd. Voor het broedseizoen geldt geen vaste periode, globaal wordt uitgegaan van half maart tot half augustus. Geadviseerd wordt het groen in het plangebied, voor zover noodzakelijk, te verwijderen voor aanvang broedseizoen (half maart) of na augustus. Indien de werkzaamheden starten binnen het broedseizoen, mogen deze pas uitgevoerd worden indien vooraf door een deskundig ecoloog is vastgesteld dat geen verstoring van broedvogels zal plaatsvinden. Tot de mogelijkheden behoort aanvangen voor het broedseizoen en doorwerken met continue verstoring tijdens het broedseizoen, zodat vogels niet tot broeden komen.
5.5 Amfibieën en reptielen Resultaten bureauonderzoek Wat betreft in Zuid-Holland beschermde amfibieën komt in Noordwijkerhout alleen de rugstreeppad (Epidalea calamita) voor. De aanwezigheid van deze soort kan op basis van biotoop op voorhand niet worden uitgesloten. Voor de zandhagedis (Lacerta agilis) geldt, dat op basis van biotoop deze soort wel uitgesloten kan worden. De zandhagedis prefereert halfopen zandige situaties met enige vorm van dekking. Voor het leggen van eieren kiezen de vrouwtjes zonnige, onbegroeide zandige plekken. De eitjes worden op 5 tot 20 cm diepte ingegraven. De warmte van de zon zorgt dan voor verdere ontwikkeling van de eieren. In de duinen komt de rugstreeppad voor. Rugstreeppadden zijn warmteminnend en komen daarom vooral voor in gebieden waarvan de bodem vaak sterk opwarmt en waarin ze kunnen graven. De rugstreeppad is vooral een soort van terreinen met een hoge natuurlijke of door mensen ingebrachte dynamiek. Braakliggende bouwterreinen, groeven en zand- en kleiafgravingen, (rivier)duinen en uiterwaarden vormen een ideaal leefgebied voor de rugstreeppad. Vaak is er een goed vergraafbare bodem aanwezig en is bouwmateriaal om onder te schuilen een voorwaarde. Water dat snel opwarmt moet eveneens in de buurt zijn. Over het algemeen bieden de agrarische erven geen optimaal biotoop voor beschermde soorten als rugstreeppad.
Resultaten veldbezoek Amfibieën zijn niet waargenomen. Binnen het plangebied is een kleine kas aanwezig in de moestuin. Los zand en voldoende mogelijkheden om te schuilen voor rugstreeppadden zijn ook aanwezig. Het plangebied vormt derhalve geschikt landbiotoop voor rugstreeppad en andere amfibieën. Het plangebied beschikt niet over watergang. Op enkele meters van het plangebied ligt een slootje van circa 2m breed. Deze sloot wordt gebruikt voor bemaling en kan regelmatig droogvallen. Conclusie amfibieën en reptielen Vanwege de geïsoleerde ligging tussen intensieve akkerbouw (bollen), het gebruik van gif, en het ontbreken van geschikt voortplantingswater, is het onaannemelijk dat rugstreeppad zich in het plangebied bevindt. Algemene soorten kikkers worden gezien het biotoop, wel verwacht aanwezig te zijn. Vanwege de afwezigheid van de beschermde rugstreeppad zijn nader onderzoek naar het voorkomen van rugstreeppad en maatregelen met betrekking tot rugstreeppad niet noodzakelijk. Voor eventueel aanwezige algemene soorten kikkers geldt de zorgplicht in §6.1.
11/16
5.6 Overige beschermde soorten Resultaten bureauonderzoek Vissen zijn niet onderzocht: het plangebied beschikt niet over watergang. De verschillende soorten libellen, vlinders, insecten en andere ongewervelden die vermeld worden in de Wet natuurbescherming zijn aanwezig in een ander verspreidingsgebied dan het plangebied. Meldingen van deze soorten in het plangebied zijn er niet. Resultaten veldbezoek Tijdens het veldbezoek is vastgesteld dat het biotoop ongeschikt is voor overige beschermde soorten. Conclusie overige beschermde soorten Met beschermde ongewervelde diersoorten hoeft op grond van biotoop en verspreidingsgegevens geen rekening gehouden te worden.
6. Samenvatting conclusie en overzichtstabel Uit bureaustudie en biotooptoets is naar voren gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen of belangrijk leefgebied wordt aangetast van de in de Wet natuurbescherming beschermde soorten. Wel moet rekening worden gehouden met het broedseizoen voor vogels. Zoals ook blijkt uit de zorgplicht van de Wet natuurbescherming. Hieronder wordt geadviseerd hoe aan deze zorgplicht invulling kan worden gegeven. 6.1 De zorgplicht zoals weergegeven in artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
Zodra een niet in de Wet natuurbescherming beschermd in het wild levende dier wordt aangetroffen tijdens de werkzaamheden kan deze worden gevangen en direct worden overgeplaatst naar een geschikte habitat in de nabijheid van het plangebied. 6.2 De zorgplicht specifiek voor vogels in artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Invulling zorgplicht specifiek voor vogels in artikel 3.1 Geadviseerd het groen in het plangebied, voor zover noodzakelijk, te verwijderen voor aanvang broedseizoen (half maart) of na augustus. Indien de werkzaamheden starten binnen het broedseizoen, mogen deze pas uitgevoerd worden indien vooraf door een deskundig ecoloog is vastgesteld dat geen verstoring van broedvogels zal plaatsvinden. 12/16
6.3 Tabel: Overzicht van onderzochte soortgroepen en onderzoeksresultaten in het plangebied Soort(groep) Ingreep Nader Ontheffing Bijzonderheden/ verstorend onderzoek opmerkingen Vleermuizen Nee Nee Nee Geen soorten aanwezig, het gebied heeft geen (essentiële) functie voor vleermuizen. Grondgebonden Nee Nee Nee Geen beschermde soorten aanwezig. zoogdieren Vogels Nee* Nee Nee * zie zorgplicht vogels hoofdstuk 6. Amfibieën en Nee Nee Nee Geen beschermde soorten aanwezig. reptielen Vaatplanten Nee Nee Nee Geen beschermde soorten aanwezig. Overige soorten Nee Nee Nee Geen beschermde soorten aanwezig. Wij adviseren om de onderzoeksresultaten voor te leggen aan het bevoegd gezag om na te gaan of zij kunnen instemmen met de onderzoeksresultaten en bovengenoemde conclusies ten behoeve van het verkrijgen van een omgevingsvergunning.
13/16
7. Aanbevelingen Naast de consequenties die voortkomen uit de Wet Natuurbescherming geven wij in relatie tot de voorgenomen nieuwbouw de volgende aanbevelingen met als doel de ecologische structuren in de omgeving te versterken. - voor vleermuizen zouden open stootvoegen aangebracht kunnen worden in muren, of vleermuiskasten kunnen worden geplaatst in de spouw of tegen de muur op >2,5 meter hoogte in nieuw te bouwen woningen. Eveneens kunnen vleermuisstenen worden ingemetseld (foto links boven). Zie literatuurlijst voor vermelding naar brochure vleermuisvriendelijk bouwen.
Vrijwel onzichtbare inbouw van vleermuisstenen en technische informatie over de plaatsing daarvan.
- het planten van bomen en struwelen voor vogels en vleermuizen verdient aanbeveling. Het beste zijn, ecologisch gezien, inheemse bes- en bloemdragende struiken en planten. 14/16
- er kunnen nestpannen of neststenen worden aangebracht ten behoeve van huismussen en gierzwaluwen (foto's rechtsboven en links midden). Deze beschermde soorten verliezen steeds meer nestmogelijkheden. - voor huismussen blijken uit onderzoek zogenaamde mussenvides (onderste foto's) uitstekend te functioneren als nestplaats. Deze zijn gemakkelijk en relatief goedkoop in te bouwen in nieuwe woningen. - aan de rand van het plangebied kan een kerkuilenkast worden opgehangen aan een gevel. Een torenvalkkast op een hoge paal in vrij terrein is eveneens mogelijk. De omgeving van het plangebied leent zich voor beide soorten.
15/16
Bijlage: Literatuur en bronvermelding
Atlas van de Nederlandse vleermuizen, Limpens e.a. KNNV 1997 Bats of Britain and Europe, C. Dietz en A. Kiefer, Bloomsbury 2016 www.vleermuis.net, voor up-to-date kennis van vleermuizen Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0, juli 2017, BIJ12 Brochure vleermuisvriendelijk bouwen: Landschapsbeheer Flevoland, Zoogdiervereniging en Tauw bv, 2011 Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON)(Redactie) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland Kennisdocument Rugstreeppad, Bufo calamita, Versie 1.0, juli 2017, BIJ12 Kennisdocument Zandhagedis, Lacera agilis, juli 2017, BIJ12 Stichting RAVON: www.ravon.nl Nederlandse Oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Weeda e.a. 1985-1994 Verspreidingsatlas planten. 13 mei 2014, http://www.verspreidingsatlas.nl/planten Natuurgids voor de Duin- en Bollenstreek, Vereniging voor Natuur- en Vogelbescherming Noordwijk, 2000 Tussen tulpen en de zee, Vereniging voor Natuur- en Vogelbescherming Noordwijk, 2011 Een nieuwe wet voor de natuur: Wet Natuurbescherming, artikel uit De Strandloper 48e jaargang nummer 3, juni 2016, J. van Dijk Van Aardaker tot Zwanenbloem, Flora van de Duin- en Bollenstreek, J. Van Dijk et al, 2018 Vereniging voor Natuur- en Vogelbescherming Noordwijk Twintig jaar Gierzwaluwen inventariseren in Noordwijk, H.
Verkade, LIMOSA 88 (2015): 164-172 Sovon Vogelonderzoek Nederland: www.sovon.nl Vereniging Vogelbescherming: www. vogelbescherming.nl Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep, Ministerie van LNV, 2009 Atlas van de Nederlandse Zoogdieren, Zoogdiervereniging 2016, S. Broekhuizen et al. Nationale Databank Flora en Fauna, www.telmee.nl
16/16