CConstaterende datNoordwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage D - gewijzigde plantoelichting 20240521 BP middengebied landschapspark

Gemeenteraadsvergadering 11 juli 2024, gemeente NoordwijkBij agendapunt: Bestuurlijke lus aanvullende motivering Bestemmingsplan Middengebied-landschapspark16.966 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Spuitzonering De gronden ten zuidoosten van het plangebied zijn bestemd voor agrarische doeleinden (bollenteelt). Op deze gronden kunnen gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. De drift van deze gewasbeschermingsmiddelen bij open teelt is van belang in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Dit kan mogelijk effecten hebben op de gezondheid van de aanwezige personen in het landschapspark en speeleiland. Om die reden dient beoordeeld te worden of ter plaatse van het beoogde landschapspark en speeleiland al dan niet sprake is van een aanvaardbaar verblijfsklimaat voor de bezoekers. Verder dient beschouwd te worden of er een teler is die in de bedrijfsvoering kan worden gehinderd door voornoemde ontwikkeling. Er gelden in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld en nabij gelegen, voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen met tuinen. Vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten van appel- en perenbomen (in een professionele boomgaard) wordt bij de besluitvorming inzake ruimtelijke ordening meestal een vuistregel gehanteerd om een afstand van 50 m aan te houden tussen een fruitboomgaard en een gevoelige bestemming of functie.

Gevoelige functies zijn plaatsen waar regelmatig en voor een groot gedeelte van de dag mensen verblijven of samenkomen. Het speeleiland (bestemming 'Recreatie') kan als zodanig aangemerkt, alhoewel er doorgaans niet zo intensief en langdurig als in of nabij een woning wordt verbleven. Het verblijf van wandelaars en/of spelende kinderen zal meestal beperkt zijn tot een aantal uren en niet gedurende een gehele dag. Bij de richtafstand van 50 m wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van de bezoekers van het speeleiland. Zoals hiervoor staat vermeld is de 50 m richtafstand echter een indicatieve en willekeurige afstand. Een verantwoorde afstand hangt onder meer af van het soort teelt ter plaatse en de plaatselijke omstandigheden. Drift afkomstig uit bijvoorbeeld een professionele appel- of perenboomgaard is door de aard van de bespuitingen, met name op- en zijwaarts gericht machinaal (onder hoge druk) spuiten en hoge spuitfrequentie, veel intensiever dan bijvoorbeeld bij bespuitingen in de lage bomenteelt of rodebessenteelt. Verder kan rekening worden gehouden met de vanaf 2018 op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer verplicht gestelde driftreducerende spuittechnieken.

Daarmee gelden thans strengere normen dan ten tijde van het tot stand komen van de hiervoor genoemde richtafstand. Voor het betrokken bestuursorgaan bestaat zowel bij toepassing als afwijking van deze afstand een onderzoeksplicht. Een kortere afstand is mogelijk, mits voorzien van een deugdelijke motivering. De in de praktijk gegroeide vuistregel van 50 m is indicatief en willekeurig. Dat betekent dat er onder omstandigheden gemotiveerd van kan worden afgeweken en er toch sprake kan zijn van een goede ruimtelijke ordening. Dit is locatieafhankelijk en dient dit per locatie worden onderzocht en afgewogen. Aan

28

de hand hiervan kan onderbouwd worden waarom bij het voorgenomen plan al dan niet een kleinere spuitzone kan worden aangehouden dan 50 m in verband met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. In 2019 is een omvangrijk onderzoek uitgebracht van een consortium van wetenschappers waarin voor het eerst zo uitgebreid de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen in Nederland in kaart is gebracht, specifiek bij omwonenden van bollenvelden. De onderzoeksresultaten daarvan zijn vastgelegd in het rapport 'Bestrijdingsmiddelen en omwonenden', rapport 2019-0052. In het algemeen blijkt uit het onderzoek dat naast opname van de huid en inademing, mensen stofdeeltjes met bestrijdingsmiddelen op hun kleding en schoenen mee kunnen dragen en dat mensen via het eten van groente en fruit uit eigen tuin bestrijdingsmiddelen binnen kunnen krijgen. De belangrijkste routes voor de blootstelling van omwonenden zijn verdamping van bestrijdingsmiddelen vanuit het bollenveld na de bespuiting en inname van bestrijdingsmiddelen via huisstof. Omdat de wind tijdens de bespuitingen niet gericht was op de huizen van omwonenden, werd in het veldonderzoek geen bijdrage via drift tijdens de bespuitingen waargenomen. Dit laatste is ook goed gebruik bij telers. Er wordt vrijwel altijd gelet op de windrichting bij bespuitingen.

Het is namelijk ook in het belang van de teler dat de gespoten middelen op de gewassen terechtkomen, in het gebied van het gewas blijven en niet van het gebied afwaaien (behalve gezondheidsredenen ook vanwege de hoge kosten van arbeid (loonwerk) en kosten van gewasbeschermingsmiddelen). Uit het bovengenoemde onderzoek blijkt dat er geen gezondheidsproblemen naar voren gekomen die samenhangen met het wonen in de nabijheid van bollenteelt. Dit is door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden bevestigd. Dit komt mede omdat telers in de regel niet spuiten bij harde wind of een windrichting richting woningen of andere gevoelige bestemmingen. Om eventuele drift of andere kansen op aanwezigheid van gewasbeschermingsmiddelen op het speeleiland zoveel als mogelijk uit te sluiten wordt een bladhoudende haag aangeplant aan de zuidoostelijke zijde van het speeleiland (bestemming 'Recreatie'). In aanvulling hierop wordt aan de zuidwestzijde van het speeleiland een bomenrij aangeplant die aan de onderzijde wordt dichtgezet met takken (houtwal). Deze houtwal vormt samen met de bladhoudende haag de afscherming van het speeleiland vanaf de zuidoost- en zuidwestzijde, waarbij de zuidwestzijde de overheersende windrichting is en uit deze richting de kans op drift van gewasbeschermingsmiddelen het grootst is.

Ondanks het feit dat er in de bollenteelt neerwaarts wordt gespoten en het gemiddelde verblijf van een bezoeker op het speeleiland korter is dan in een woning of tuin, wordt het aanplanten van een haag van ten minste 2 m hoog met een voorwaardelijke verplichting in de regels geborgd. Omdat groenblijvende hagen een reducerende werking voor mogelijke drift op het speeleiland hebben, kan op deze manier (vrijwel) uitgesloten worden dat er gewasbeschermingsmiddelen op het speeleiland terecht kunnen komen. Hierdoor kan worden afgezien van een spuitvrije zone. Onder de hiervoor genoemde omstandigheden wordt geconcludeerd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect milieuzonering geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling. 4.2.5 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen.

Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

29

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10 -5contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek.

In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden.

Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden.

Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd.

30

Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek Met onderhavig plan wordt geen kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object mogelijk gemaakt. Tevens bevat het plangebied geen structurele verblijfsmogelijkheden.

Het plan is daarmee uitvoerbaar met betrekking tot externe veiligheid.

4.3 Waterhuishouding 4.3.1 Beleid De waterhuishouding is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet wordt elke zes jaar een Nationaal Waterplan vastgesteld. Het Nationaal Waterplan is het rijksplan voor het waterbeleid in Nederland. Op 22 december 2015 wordt het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Dit nieuwe Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.

Beleid hoogheemraadschap van Rijnland Waterbeheerplan 2016 - 2021 Voor de planperiode 2016 - 2021 is het Waterbeheerplan (WBP) van het hoogheemraadschap van toepassing. In dit plan geeft het waterschap aan wat haar ambities voor deze planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. Het WBP legt meer dan voorheen accent op uitvoering. De drie hoofddoelen zijn: 1. 2. 3.

veiligheid tegen overstromingen; voldoende water; gezond water.

Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden. Daarbij wil

31

het hoogheemraadschap dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. De taken en bevoegdheden op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert het hoogheemraadschap rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. Het waterbeheerplan sorteert voor op deze ontwikkelingen. Keur 2020 en Uitvoeringsregels Op grond van de Waterwet is het hoogheemraadschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:

• • • •

Waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); Watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); Andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); De bodem van kwelgevoelige gebieden.

Maar ook aan:

• •

Het onttrekken en lozen van grondwater; Het aanbrengen van verhard oppervlak.

De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningsplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In de Uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. Hemelwater Indien een toename van het verhard oppervlak plaatsvindt, dient de initiatiefnemer een verhard oppervlak ter grootte van minimaal 15 % van het nieuw aan te leggen verhard oppervlak te reserveren voor extra open water (bij een toename aan verhard oppervlak: vanaf 500 m² tot 5.000 m²). Het nieuwe open water moet aangesloten worden op het bestaande watersysteem. Uitgangspunt is dat de aanleg van verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het watersysteem. In overleg met het hoogheemraadschap is het mogelijk om de compensatie-eis voor verhard oppervlak te verminderen door alternatieve maatregelen toe te passen. Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met het hoogheemraadschap afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat het hoogheemraadschap uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen.

Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat.

32

Zorgplicht en preventieve maatregelen voor hemelwater Voor de verwerking van hemelwater wijst het hoogheemraadschap op de zorgplicht en op het nemen van preventieve maatregelen. Het verdient aanbeveling daar waar mogelijk aandacht te besteden aan maatregelen bij de bron. Preventie heeft de voorkeur boven ‘end-of-pipe’ maatregelen. Uitgangspunt is dat het te lozen hemelwater geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater mag veroorzaken en emissie van vervuilende stoffen op het oppervlaktewater waar mogelijk wordt voorkomen door bijvoorbeeld:

• • •

duurzaam bouwen;

•

het regenwaterriool uit te voeren met (straat)kolken voorzien van extra zand- slibvang of zakputten (putten met verdiepte bodem) op tactische plekken in het stelsel;

•

adequaat beheer van straatoppervlak, straatkolken en zakputten (straatvegen en kolken/putten zuigen); het toepassen van duurzaam onkruidbeheer;

• • •

het toepassen berm- of bodempassage; toezicht en controle tijdens de aanlegfase en handhaving tijdens de beheerfase ter voorkoming van verkeerde aansluitingen;

de bewoners, gebruikers en beheerders voor te lichten over de werking van de riolering en een juist gebruik hiervan; het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en repareren en chemische onkruidbestrijding.

Daar waar ondanks de zorgplicht en de preventieve maatregelen het te lozen hemelwater naar verwachting een aanmerkelijk negatief effect heeft op de oppervlaktewaterkwaliteit, kan in overleg tussen gemeente en waterschap gekozen worden voor aanvullende voorzieningen, een verbeterd gescheiden stelsel of - als laatste keus - aansluiten op het gemengde stelsel. Ook kan de gemeente in overleg met het hoogheemraadschap kiezen voor een generieke ‘end-of-pipe’ aanpak. Deze keuze moet dan expliciet gemaakt worden in het GRP. 4.3.2 Watertoets In de huidige situatie is het plangebied onverhard. Het hoogheemraadschap van Rijnland schrijft voor dat een toename van meer dan 500 m² dient te worden gecompenseerd in de vorm van open water. Bij de nadere ontwikkeling van het landschapspark worden voet- en fietspaden aangelegd en zorgen de speelvoorzieningen eveneens voor gedeeltelijke verharding van het speeleiland. Daarnaast moet het plan voorzien in de opgelegde watercompensatie (137 m²) die voort komt uit de ontwikkeling van de nieuwbouwwijk Duineveld. De ontwikkeling van het landschapspark omvat een veelheid aan waterpartijen waarmee de toename aan verharding wordt gecompenseerd. Daarnaast blijven de reeds aanwezige wateren in het plangebied behouden.

Door de aanleg van de watergang ten westen van het zwembadcomplex, met een oppervlakte van circa 230 m², wordt voldaan aan de waterbergingsopgave. Voor aanvang van deze werkzaamheden zal contact worden gezocht met het hoogheemraadschap. De navolgende afbeelding toont de ontwerprichtlijn van het watersysteem.

33

Ontwerprichtlijn watersysteem (bron: BWZ ingenieurs)

In de wijk Breloftpark is al langere tijd sprake van lokaal wateroverlast ten gevolge van periodieke hoge grondwaterstanden. Een nieuwe verbindingsloot ten noordoosten van (en aangrenzend aan) het Dompad achter de percelen Breloftpark 16 en 18 geeft een gegarandeerde afvoer voor deze woonwijk. De navolgende afbeelding toont de beoogde verbindingsloot.

34

Verbindingsloot watergang 2 en 3

In de Omgevingsvisie Noordwijk 2030 (zie paragraaf 3.4.1) is daarnaast opgenomen dat gemeente Noordwijk in het middengebied een samenhangende waterstructuur ontwikkelen. Deze structuur omvat verbindingen tussen de onderlinge gebieden en meervoudige verbindingen met de boezem. De verbetering van deze structuur heeft tot doel grondwater, kwelwater en regenwater vast te houden, te bergen en af te voeren uit het middengebied en Noordwijk aan Zee. Het watersysteem in het Landschapspark draagt hier aan bij.

4.4 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. Verkeer Het landschapspark en speeleiland hebben een openbare functie en worden in eerste instantie aangelegd voor de inwoners van Noordwijk aan Zee en Noordwijk Binnen. Toeristen kunnen in zijn algemeenheid de plek eveneens gebruiken. Door de ligging van het landschapspark en het speeleiland te midden van bestaand bebouwd gebied en naast de nieuwe woonwijk is de verwachting dat de bezoekers van het landschapspark (noordelijke deel van het plangebied) te voet of met de fiets naar deze plek toe komen. Voor het speeleiland is de verwachting dat dit wel een (beperkte) toename van de verkeersgeneratie met zich mee brengt. Om een inschatting te kunnen maken van deze toename is gebruik gemaakt van de kencijfers van CROW-publicatie 381. Deze publicatie bevat geen kencijfers voor een speeltuin in de buitenlucht, zoals het beoogde speeleiland. Een 'kinderboerderij (stadsboerderij)' is het meest vergelijkbaar met het beoogde speeleiland. Kenmerken als de doelgroep, omvang, piekbelastingen en situering in de buitenlucht van een speeleiland zijn vergelijkbaar met een kinderboerderij. De verkeersgeneratie van een 'kinderboerderij (stadsboerderij)' bedraagt 24 voertuigbewegingen per etmaal.

Voor het voorgenomen plan wordt dan ook uitgegaan van een toename van 24 voertuigbewegingen per etmaal. Het plangebied is ontsloten vanaf een vrijliggend fietspad aan de Nieuwe Zeeweg. Via een fietspad kunnen bezoekers het landschapspark bereiken en hun fiets parkeren bij een fietsenstalling bij de entree van het zwembad en aan het begin van het speeleiland. Binnen het landschapspark zijn vooral voetpaden aanwezig.

35

Het plangebied is niet toegankelijk voor gemotoriseerd verkeer. Gemotoriseerd verkeer kan vanaf de zijde van het zwembad (Nieuwe Zeeweg) komen tot aan de rand het plangebied. Gezien de beperkte toename van de verkeersgeneratie is deze weg geschikt om deze toename te kunnen verwerken en zijn er geen belemmeringen voor het aspect verkeer. Parkeren De Nota Parkeernormen 2020 van de gemeente Noordwijk bevat geen parkeernormen die toepasbaar zijn op het beoogde landschapspark en speeleiland. De toename van de verkeersgeneratie is gelijk aan 24 voertuigbewegingen per etmaal (zie 'Verkeer'). Deze wordt veroorzaakt door het speeleiland. Uitgaande van twee voertuigbewegingen per voertuig (komen en gaan) is sprake van gemiddeld 12 voertuigen per etmaal. Niet alle bezoekers die met de auto komen zijn gelijktijdig op het speeleiland aanwezig. Bovendien zullen de bezoekers relatief kort op het speeleiland aanwezig zijn. De bezoektijd bedraagt naar verwachting 0,5 - 2 uur. Gezien deze korte bezoektijd kunnen parkeerplaatsen meerdere malen per dag gebruikt worden. Er dient in voldoende mate rekening te worden gehouden met een piekbelasting, die kan optreden in het weekend. Daarom wordt voor de piekbelasting uitgegaan van een situatie waarin 75 % van de bezoekers die met de auto naar het speeleiland komen, gelijktijdig aanwezig is.

Dit staat gelijk aan een parkeerbehoefte van 9 parkeerplaatsen (75 % van 12 voertuigen = 9 parkeerplaatsen). In de directe omgeving van het speeleiland is voldoende restcapaciteit aanwezig om in de parkeerbehoefte van 9 parkeerplaatsen te voorzien. Dit blijkt in de eerste plaats uit een in september 2017 opgestelde parkeerbalans. In deze parkeerbalans is de parkeersituatie in kaart gebracht voor de wijk Duineveld en de omgeving, waaronder het zwembad en de daartegenover gelegen sportvelden.

Parkeerbalans Duineveld e.o.

Uit de parkeerbalans blijkt dat in de omgeving een behoorlijk overschot aan parkleerplaatsen is. Op het drukste moment is er een overschot van 20 parkeerplaatsen. Het drukste moment voor het speeleiland zijn de zaterdag- en zondagmiddagen. De restcapaciteit bestaat volledig uit openbare parkeerplaatsen die door bezoekers van het speeleiland kunnen worden gebruikt. Er kan worden geparkeerd in de wijk Duineveld, langs de Nieuwe Zeeweg en/of bij het zwembad. Ook zijn er bij de hockeyvereniging 20 parkeerplaatsen aangelegd, die nog niet in de parkeerbalans uit 2017 waren verdisconteerd. In mei 2022 heeft adviesbureau De Verkeerstellers het rapport “Parkeeronderzoek Woonwijk Duineveld” (De Verkeerstellers, mei 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 10) opgesteld. Dit rapport is gebaseerd op verkeerstellingen die zijn verricht op verschillende dagen en tijdstippen in de maand mei. In dit rapport wordt geconcludeerd dat de maximale bezetting (van de onderzochte dagen en tijdstippen) werd bereikt op zaterdag 21 mei 2022, tussen 11:00-12:00 uur (zie p. 9 van bijlage 10). De bezetting is dan 168 en de bezettingsgraad 68%. Er kunnen dan nog 53 voertuigen in de openbare ruimte worden geparkeerd, voordat de maximale bezettingsgraad van 90% wordt bereikt.

Het rapport bevestigt dat in de openbare ruimte voldoende restcapaciteit beschikbaar is om in de parkeerbehoefte van het speeleiland (9 parkeerplaatsen) te voorzien. De loopafstand tussen de entree van het speeleiland en de eerste parkeerplaatsen in de wijk Duineveld is circa 70 m. De afstand tot het parkeerterrein van het zwembad bedraagt ongeveer 120 m. Het verste punt achteraan op het parkeerterrein bij de hockeyvereniging of in de wijk Duineveld is ongeveer 300 m. De

36

loopafstand tussen de entree van het speeleiland en de beschikbare parkeerplaatsen bedraagt derhalve tussen de 70 en 300 m. Dit is een aanvaardbare loopafstand. Op grond van de Nota Parkeernormen 2020 is het uitgangspunt dat de normatieve parkeeropgave binnen de contouren van de ontwikkeling worden opgelost. In de gevallen dat de normatieve parkeeropgave aantoonbaar niet binnen de contouren van de eigen ontwikkeling oplosbaar is, kan hiervan worden afgeweken. Met het voorliggende bestemmingsplan wordt op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgeweken van dit in de Nota Parkeernormen 2020 opgenomen uitgangspunt. Het doel van de Nota Parkeernormen 2020 is dat in de benodigde parkeerbehoefte van de ontwikkeling wordt voorzien. Zoals hiervoor uiteen is gezet, wordt binnen aanvaardbare loopafstand in de parkeerbehoefte van het speeleiland voorzien, zodat voldaan wordt aan dit doel. Er wordt derhalve alleen afgeweken van de in de Nota Parkeernormen 2020 opgenomen eis dat in beginsel binnen de ontwikkeling (derhalve binnen het plangebied) in de parkeerbehoefte moet zijn voorzien en dat hiervan alleen kan worden afgeweken indien aantoonbaar niet binnen het plangebied in de parkeerbehoefte kan worden voorzien.

Niet is uitgesloten dat het alsnog planologisch mogelijk kan worden gemaakt om binnen het plangebied in de parkeerbehoefte van het speeleiland te voorzien. Gelet op de benodigde ontsluiting van deze parkeerplaatsen zou het in de rede liggen om deze mogelijkheid aan de zijde van het Breloftpark te creëren. Aan de in de Nota Parkeernormen 2020 opgenomen eis dat aantoonbaar niet binnen het plangebied in de benodigde parkeerbehoefte kan worden voorzien, voordat kan worden gekeken naar andere (bestaande) parkeermogelijkheden, wordt derhalve niet voldaan. Het is evenwel zeer onwenselijk om voor de onderhavige niet-commerciële functie van een speeleiland extra verharding ten behoeve van parkeerplaatsen en de daarmee gepaard gaande ontsluiting mogelijk te maken, terwijl binnen aanvaardbare loopafstand reeds in de benodigde parkeerbehoefte van het speeleiland wordt voorzien. Het creëren van (onnodige) parkeermogelijkheden en de daarmee gepaard gaande ontsluiting zou ten koste gaan van de gewenste groene uitstraling van het landschapspark met bomen, grasweides en water. Het zou derhalve niet bijdragen aan de met het bestemmingsplan beoogde hoge ruimtelijke kwaliteit, beeldkwaliteit en hoogwaardige openbare ruimte. Daarnaast wordt voor bezoekers aan het landschapspark en het speeleiland het autogebruik ontmoedigd.

Zoals in de door de gemeenteraad vastgestelde omgevingsvisie staat aangegeven, wil de gemeente Noordwijk de bewoners en bezoekers uitdagen de auto te laten staan. Ook is de ambitie dat in de openbare ruimte veel groen ruim baan krijgt alsmede dat lopen en fietsen meer aandacht krijgen en dat de auto een minder prominente plaats krijgt. Het realiseren van parkeerplaatsen binnen het plangebied zou haaks staan op dit doel en het autogebruik juist stimuleren. In de directe omgeving van het speeleiland zijn immers reeds voldoende parkeerplaatsen voorhanden om in de benodigde parkeerbehoefte te voorzien. Indien vervolgens binnen het plangebied nog meer parkeermogelijkheden worden gecreëerd wordt daarmee het autogebruik extra gefaciliteerd en daarmee gestimuleerd. Gelet op deze bijzondere omstandigheden wordt met dit bestemmingsplan afgeweken van de in de Nota Parkeernormen 2020 opgenomen eis dat in beginsel binnen het plangebied in de parkeerbehoefte moet worden voorzien en dat alleen wanneer dit aantoonbaar niet kan, kan worden gekeken naar andere (bestaande) parkeermogelijkheden. Breedte fietspaden Het halfverharde fietspad aan de westzijde van het plangebied (Dompad) is circa 2 m breed. Het heeft een ‘spitsuurcapaciteit’ van maximaal 50 fietsers per uur. Dat is ruim voldoende voor in de beoogde nieuwe situatie. Het is nu een rustig fietspad.

37

Capaciteit fietspaden

4.5 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingsweg 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:

• • •

bescherming van de biodiversiteit in Nederland; decentralisatie van verantwoordelijkheden; vereenvoudiging van regels.

Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in hat kader van de gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN en vormen een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvatten bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN en dragen bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:

• • •

vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden; verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden; verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming is gericht op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Op basis van de wet zijn activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten verboden. Waar de voormalige Flora- en faunawet echter uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen:

• •

strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.

38

Ten opzichte van de oude Flora- en faunawet zijn circa 200 soorten (vooral vaatplanten en vissen) niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten (met name bepaalde vlinders en vaatplannen) toegevoegd. Planspecifiek Met het voorliggende plan wordt het plangebied heringericht ten behoeve van een landschapspark met speeleiland. Voor het uitvoeren van de werkzaamheden, moeten de gevolgen voor beschermde natuurwaarden en de consequenties met betrekking tot de natuur wet- en regelgeving in beeld zijn gebracht. Derhalve is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (Laneco, 11 april 2019, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). Een deel van de steilrand langs de Prins Hendrikweg in het noorden van het plangebied is niet meegenomen in dit onderzoek. In het deel van de steilrand dat niet is onderzocht vinden geen planologische wijzigingen en fysieke ingrepen plaats, waarmee effecten op beschermde soorten en gebieden op deze gronden uitgesloten zijn. Soortenbescherming Voor een aantal mogelijk in (de omgeving van) het plangebied voorkomende nationaal beschermde soorten zoals egel, haas, konijn, vos, kleine marterachtigen, muizen en spitsmuizen, geldt een provinciale vrijstelling voor het aantasten van vaste rust- en verblijfplaatsen.

Op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezige habitats en de biotoopeisen van individuele diersoorten is de beschermde rugstreeppad niet uit te sluiten binnen het plangebied. De ondiepe watergang is een geschikt voortplantingswater voor rugstreeppad en in het plangebied is er voldoende vergraafbaar zand aanwezig. De herinrichting van het plangebied kan mogelijk leiden tot aantasting van het leefgebied van rugstreeppad. Door het verwijderen van het bestaande groen en de bouw van gebouwen is de vliegroute van de gewone dwergvleermuis vanaf de nieuw gerealiseerde kraamverblijfplaats in het nieuwe zwembad naar het landschapspark en de steilrand verdwenen. Hier zijn herstelmaatregelen noodzakelijk. Op basis van het veldbezoek, de verspreidingsgegevens, de aanwezige habitattypen en biotoopeisen van de mogelijk in de omgeving voorkomende soorten zijn van de overige (niet-vrijgestelde) nationaal of Europees beschermde soorten, vaste rust- en verblijfplaatsen uit te sluiten binnen het plangebied. Nader onderzoek naar deze soorten is dan ook niet nodig. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in of direct nabij de Natuurnetwerk Nederland. Gezien de afstand en de lokale aard van de ingreep kunnen negatieve effecten op de NNN worden uitgesloten. Het plangebied ligt op 240 m afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied.

De werkzaamheden bij de herinrichting van het landschapspark zijn van beperkte omvang en van tijdelijke aard. Deze zullen slechts een lokaal effect hebben. Aangezien er geen woningen of andere gebouwen worden geplaatst zal het aantal verkeersbewegingen vrijwel gelijk blijven aan de oorspronkelijke situatie. Externe effecten van de werkzaamheden, zoals geluid, licht, menselijke aanwezigheid en trilling op de omliggende Natura 2000gebieden kunnen gezien de ligging tegen de bebouwde kom, de afstand en de tussenliggende elementen worden uitgesloten. De mogelijke gevolgen voor wat betreft stikstof worden later in deze paragraaf behandeld. Houtopstanden Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom. Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming is dan ook niet van toepassing. Nader onderzoek vleermuizen en rugstreeppad Van mei tot en met begin september is op de planlocatie een vervolgonderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de vleermuis en de rugstreeppad (Laneco, 19 november 2019, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4). Uit het onderzoek zijn de volgende resultaten naar voren gekomen.

39

Rugstreeppad Er zijn ten aanzien van de rugstreeppad geen juridische consequenties te verwachten in het kader van de Wet Natuurbescherming. De rugstreeppad is niet aangetroffen tijdens gericht onderzoek. De aanleg van het landschapspark en de nieuwbouw van de wijk kan zonder ontheffing voor deze soort voortgang vinden. Vleermuizen Bij het gerichte onderzoek naar vleermuizen is één soort vleermuis waargenomen in en rondom het plangebied: de gewone dwergvleermuis. Binnen het plangebied zijn geen verblijfplaatsen of vliegroutes van vleermuizen vastgesteld. Het plangebied wordt enkel beperkt gebruikt als foerageergebied. Dit foerageergebied is niet essentieel aangezien er voldoende alternatieven, zoals particuliere tuinen in de omgeving, zijn. Bij het zwembad zijn voorzieningen voor vleermuizen aangebracht. Deze aangebrachte voorzieningen in het zwembad zijn niet in gebruik genomen door vleermuizen. Mogelijk komt dit door het ontbreken van vliegroutes en de aanwezigheid van verlichting rond de voorzieningen in het zwembad. Er zijn daarmee ten aanzien van de werkzaamheden in de omgeving geen effecten te verwachten op vleermuizen. Stikstofdepositie In de Wet natuurbescherming is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een vergunning vereist is. Verzuring en vermesting is één van die mogelijk negatieve effecten.

Voor ieder habitattype binnen een Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State uitspraak gedaan omtrent de PAS. De PAS mag niet meer gebruikt worden als basis voor toestemming voor ‘activiteiten’. Hiermee is de PAS buiten werking gesteld. In de nieuwe AERIUS Calculator van oktober 2020 zijn de bezwaren van de Afdeling bestuursrechtspraak zoals verwoord in de uitspraak van 29 mei 2019 weggenomen. Het initiatief gaat in de bouw- en de gebruiksfase gepaard met enige uitstoot van stikstof. Om die reden zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd, gebruik makend van de nieuwe AERIUS Calculator (Buro SRO, 10 december 2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 5). Uit de berekeningen blijkt dat er voor de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. Voor de bouwfase geldt dat er voor de Natura 2000gebieden Coepelduynen en Kennemerland-Zuid een rekenresultaat van 0,01 mol/ha/j is.

Uit de 'Beslisboom Toestemmingverlening stikstofdepositie bij nieuwe activiteiten' blijkt dat er met een ecologische voortoets aangetoond moet worden of er significante effecten zijn op de Natura 2000-gebieden Coepelduynen en Kennemerland-Zuid. Voortoets Naar aanleiding van de berekende stikstofdepositie van 0,01 mol/ha/j op de Natura 2000-gebieden Coepelduynen en Kennemerland-Zuid in de bouwfase is een voortoets opgesteld (Laneco, 2 februari 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6). In het onderzoek is uitgezocht of de overschrijding van de kritische depositiewaarde (KDW) voor de Natura 2000-gebieden mogelijk significant is. Gezien de werkelijke variatie van depositie op gebieden door externe invloeden en een foutmarge in de berekeningstools, is een toename voor enkele maanden van 0,01 mol/ha/jaar verwaarloosbaar te noemen. Ook zijn de effecten ecologisch niet meetbaar en merkbaar. Er zal gezien de beperkte tijdelijke toename, in relatie tot seizoens- en meteorologische fluctuaties van stikstofdepositie, in samenspel met de tijdelijkheid van de uitstoot, geen sprake zijn van een merkbaar effect op beschermde habitattypen en habitatrichtlijnsoorten in de Natura 2000-gebieden Coepelduynen en Kennemerland-Zuid.

De aanleg van het landschapspark kan geen significante gevolgen hebben op de habitattypen en habitatrichtlijnsoorten met een instandhoudingsdoelstelling van de Natura 2000-gebieden. Het plan kan daarmee in overeenstemming met artikel 2.7 lid 1 van de Wet natuurbescherming worden uitgevoerd.

40

Conclusie Gezien het voorgaande is het voorgenomen plan uitvoerbaar vanuit het aspect ecologie. In de quickscan flora en fauna en het nader onderzoek zijn aanbevelingen opgenomen voor de inrichting van het landschapspark. Met deze aanbevelingen kan een meerwaarde voor de natuur bereikt worden. Deze aanbevelingen zijn en zullen betrokken worden bij de uitwerking van het plan.

4.6 Archeologie en cultuurhistorie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. De gemeentelijke Erfgoednota 'Noordwijk op de kaart' omschrijft het beleid en de wet- en regelgeving rondom monumenten, beschermd dorpsgezicht en archeologie. In deze nota heeft de gemeente aangegeven zich met name te richten op thema's die ook nu zichtbaar zijn. Het gaat dan om de bollenteelt, Sint Jeroen, monumentale graven en de ontwikkeling van vissersdorp naar badplaats.

In de Erfgoedverordening 2011 zijn de lokale regels en procedures voor de omgang met monumenten en archeologie vastgelegd. Planspecifiek De gemeentelijke beleidskaart geeft aan dat het om een gebied gaat dat een archeologische verwachting heeft. Dat houdt in dat voor het plangebied archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Uit het uitgevoerde archeologisch bureauonderzoek (Transect, 13 juni 2018, zie bijlagen bij toelichting bijlage 7) blijkt dat binnen het plangebied verschillende potentiële archeologische niveaus worden verwacht:

•

•

•

Het oudste en diepst gelegen archeologische niveau wordt gevormd door de top van de Oude Duinen/strandwalafzettingen, die direct ten oosten van het plangebied tussen -1,1 en +0,3 m NAP is aangetroffen. De strandwallen met Oude Duinen hebben een hoge archeologische verwachting voor de periode Neolithicum-Bronstijd. Daarna werden ze afgedekt door klei vanuit de Oude Rijn, zowel de hoge delen als de lage delen van de Oude Duinen. In de omgeving van het plangebied zijn in de Oude Duinen geen oude bodemhorizonten waargenomen. Boven de Oude Duinen zijn kwelderafzettingen aanwezig, en mogelijk ook een geul in de nabijheid van de Prins Hendrikweg. De top van de kwelderafzettingen wordt op basis van het bureauonderzoek tussen -0,1 en +0,9 m NAP verwacht. In plangebied en in de omgeving van het plangebied zijn hierin ook bodemhorizonten waargenomen. Deze kwelders zijn vanaf de IJzertijd in de omgeving van het plangebied in gebruik genomen door de mens, getuige de vondsten en/sporen in de nabijheid van het plangebied. Voor de kwelders en eventuele kreken geldt een middelhoge archeologische verwachting. Bovenop de kwelderafzettingen zijn in het noordwesten van het plangebied Jonge Duinen aanwezig, vanaf het maaiveld. Hiervoor geldt een lage archeologische verwachting voor de periode Late-Middeleeuwen-Nieuwe Tijd.

Deze stuivende duinen vormden immers geen aantrekkelijke vestigingsplaats en op historisch kaartmateriaal ontbreken aanwijzingen van bewoning in het plangebied. Onder de Jonge Duinen zouden nog Oude Duinen aanwezig kunnen zijn. Gezien eerder uitgevoerd onderzoek zijn plaatselijk onder de Jonge Duinen nog kwelderafzettingen aanwezig.

In hoeverre nog daadwerkelijk archeologische vondsten en/of sporen aanwezig zijn hangt af van de mate van intactheid van de bodem. Op basis van eerder onderzoek in het midden en zuiden van het plangebied

41

blijkt dat hier de bovenste 80 à 100 cm is opgebracht dan wel omgewerkt ten behoeve van tuinbouw. Dit betekent dat de archeologische niveaus vermoedelijk nog grotendeels intact zijn, omdat deze dieper verwacht worden. Omdat niet van het gehele plangebied de bodemopbouw en bijbehorende archeologische niveaus bekend is, wordt geadviseerd om in het gehele plangebied een dubbelbestemming archeologie op te nemen. In het voorliggende bestemmingsplan is voor het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' opgenomen. Met betrekking tot de voorgenomen ontwikkeling wordt het volgende geadviseerd: 1.

2.

Met betrekking tot het graven van de watergangen in het zuiden van het plangebied wordt geadviseerd om deze aan te leggen binnen 80 cm –Mv. Dan kunnen ze zonder archeologisch vervolgonderzoek worden aangelegd, omdat binnen deze diepte geen archeologische waarden worden verwacht. Ook voor de graafwerkzaamheden ten behoeve van het speeleiland of het planten van bomen wordt geadviseerd deze binnen 80 cm –Mv te plannen. Vanaf 80 cm –Mv kunnen namelijk kwelderafzettingen aanwezig zijn, waarin in de top archeologische vondsten en/op sporen kunnen voorkomen, zoals in de omgeving van het plangebied ook zijn aangetroffen. o Mocht dieper dan 80 cm –Mv worden gegraven, maar niet dieper dan 2 m –Mv, over een oppervlakte van 250 m² of meer in zone 1 (zie bijlage), dan wordt geadviseerd om een archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren ter plaatse van de ingrepen. In het geval van de te graven watergangen zou dit kunnen worden uitgevoerd als een karterend/waarderend proefsleuvenonderzoek of als een archeologische begeleiding (protocol proefsleuven) tijdens de aanleg van de watergangen. Het doel van het proefsleuvenonderzoek is om vast te stellen of behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn en deze waar mogelijk te waarderen.

Een archeologische begeleiding betekent dat archeologen mede de voortgang van het civieltechnisch werk bepalen en het tijdelijk kunnen stil leggen om archeologische waarden te documenteren. De archeologische begeleiding kan eveneens zodanig worden ingestoken dat het eerst dient om vast te stellen of er behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn (protocol proefsleuven), om vervolgens tijdens de uitvoering met het bevoegd gezag te overleggen of deze moeten worden veiliggesteld door middel van een doorstart (protocol opgraven). Indien dit het geval is, moet het civieltechnisch werk wachten tot op het moment dat de archeologische waarden volledig zijn gedocumenteerd en geborgen. Pas daarna kan het in overleg met het bevoegd gezag worden vrijgegeven. Voor de hierboven beschreven maatregelen is op voorhand een Programma van Eisen (PvE) nodig, waarin de wijze van onderzoek en de randvoorwaarden zijn vastgelegd. Dit PvE dient voor aanvang van de onderzoekswerkzaamheden te zijn goedgekeurd door de bevoegde overheid, de gemeente Noordwijk. o In het geval dat in zone 1 (zie bijlage) werkzaamheden beneden 2 m –Mv worden gepland over een oppervlakte van meer dan 250 m², wordt geadviseerd het vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een verkennend booronderzoek ter plaatse van de te verstoren gebieden.

Het doel van het verkennende booronderzoek is om de diepte van de top van de Oude Duinen te bepalen en te toetsen wat de archeologische waarde hiervan is, omdat de Oude Duinen niet bereikt zijn met het eerdere booronderzoek in het plangebied. Gezien de verwachtte diepteligging van het archeologische niveau in het noorden van het plangebied, zal voor het plaatsen van het geluidsscherm in zone 2 (zie bijlage) vermoedelijk geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk zijn (zolang de ingrepen niet dieper reiken dan +1 m NAP).

Gezien het voorgaande en artikel 9.3 van de planregels is voor de aanleg van de waterpartij een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden vereist. Wat betreft de noodzaak van (nader) onderzoek wordt verwezen naar het bovenstaande.

42

5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

5.2 Plansystematiek In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De planregels van het bestemmingsplan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 5.2.1 Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Hiervoor is aangesloten bij de SVBP 2012. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. 5.2.2 Bestemmingsregels In dit hoofdstuk komen alle (enkel)bestemmingen aan de orde. Het betreft een indeling van bestemmingen in hoofdgroepen waarin de meest voorkomende functies kunnen worden ondergebracht.

De indeling in hoofdgroepen maakt het raadplegen van een bestemmingsplan en het zoeken naar bepaalde functies eenvoudiger. De gronden van het gehele plangebied hebben een positieve bestemming. Een positieve bestemming betekent dat gebruik van de gronden voor de verschillende bestemmingen direct mogelijk is. Bovendien betekent het dat oprichting van gebouwen direct mogelijk is nadat het bevoegd gezag een

43

omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen heeft verleend. Een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt verleend indien zij voldoet aan onder meer de regels van het bestemmingsplan, het Bouwbesluit en de Bouwverordening. Hieronder volgt per toegepaste (dubbel)bestemming een korte toelichting: Groen De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor onder andere groenvoorzieningen, (civieltechnische) kunstwerken, bermen en beplanting, voet- en fietspaden, speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen, verharding en water. Op die gronden zijn, zoals gebruikelijk binnen de gemeente Noordwijk, andere bouwwerken, zoals speelvoorzieningen, toegelaten. Ook zijn overkappingen toegestaan. Natuur De voor ‘Natuur’ aangewezen gronden betreft de steilrand. Deze gronden zijn bestemd voor natuur en het behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden. Recreatie De voor de bestemming ‘Recreatie’ aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor dagrecreatieve doeleinden, speelvoorzieningen, voet- en fietspaden, verhardingen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, groenvoorzieningen en (civieltechnische) kunstwerken. Binnen deze bestemming mogen uitsluitend gebouwen worden gebouwd die een speelvoorziening zijn of daar onderdeel van zijn.

Met een voorwaardelijke verplichting is vastgelegd dat er een bladhoudende haag van ten minste 2 m hoog aangeplant moet worden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - windhaag'. Verkeer De voor de bestemming ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor wegen, straten en paden, bruggen en viaducten, voet- en rijwielpaden, groenvoorzieningen en parkeervoorzieningen. Ook nutsvoorzieningen, zoals transformatorhuisjes, zijn ondergebracht in de bestemming ‘Verkeer’. Water De voor ‘Water’ aangewezen gronden zijn bestemd voor watergangen en waterpartijen. De beoogde hoofdwaterstructuur in het plangebied is als zodanig bestemd. Binnen deze bestemming is geregeld der er bruggen mogen worden gerealiseerd. Leiding - Water De voor ‘Leiding - Water’ aangewezen gronden zijn tevens bestemd voor de waterleiding. Waarde - Archeologie 2 De archeologische waarden in het plangebied worden beschermd door de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 2'. Voor deze gebieden geldt een vergunningsverplichting bij werkzaamheden waarbij de grond wordt verstoord dieper dan 50 cm en groter dan 100 m².

5.2.3 Algemene regels Antidubbeltelregel Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels In dit artikel zijn algemene bepalingen over bouwen opgenomen. Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van functies die in ieder geval strijdig zijn met het bestemmingsplan.

44

Algemene afwijkingsregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen om – onder voorwaarden – af te wijken van hetgeen is bepaald in het bestemmingsplan. 5.2.4 Overgangs- en slotregels Overgangsrecht In deze regels wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik. Slotregel Als laatste wordt de slotregeling opgenomen. Deze regeling bevat zowel de titel van het plan als de vaststellingsregeling.

45

6 Economische uitvoerbaarheid Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Enkel aan het opstellen van het bestemmingsplan zijn kosten verbonden die door de gemeente bekostigd worden. Verder worden er geen kosten gemaakt bij het opstellen van het bestemmingsplan. De economische haalbaarheid van het plan kan hierdoor als aangetoond worden beschouwd. Planspecifiek Alle kosten worden gedragen door de gemeente. Deze kosten zijn gedekt in de grondexploitatie. Daarin is ook rekening gehouden met afdracht voor de bollengrond.

46

7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerp bestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.

De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

7.2 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg en inspraak Het voorontwerp bestemmingsplan heeft van 27 juni 2018 tot en met 7 augustus 2018 ter inzage gelegen. De ingediende vooroverleg- en inspraakreacties zijn in de Nota van beantwoording inspraakreacties (gemeente Noordwijk, 11 december 2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 8) samengevat en van een gemeentelijke reactie voorzien.

7.3 Verslag zienswijzen Het ontwerp bestemmingsplan heeft met ingang van 2 juni 2021 en 22 september 2021 ter inzage gelegen. De ingediende zienswijzen zijn in de Nota van beantwoording zienswijzen (gemeente Noordwijk, 12 oktober 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 9) samengevat en van een gemeentelijke reactie voorzien.

47

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Noordwijk&id=b2961793-a441-453d-9d10-769f142c041b