Bijlage Bestemmingsplan Westeinde naast 38 Noordwijkerhout - Toelichting - AVG
Tekst van het document
Toepassing
Woning 1
Verhard
Oppervlakte
Oppervlakte
Bestaande situatie
Nieuwe situatie
[m2]
[m2]
Saldo
140
140
0
Woning 2
-
120
+ 120
Schuur 1
102
102
0
Schuur 2
411
-
- 411
Schuur 3
-
108
+ 108
Verharde tuin/terrein
1.447
1.125
+ 322
Deeltotaal
2.100
1.595
-505
Tuin en achterterrein
2.100
2.605
+505
Deeltotaal
2.100
2.605
+505
Totaal
4.200
4.200
0
Onverhard
Conclusie watertoets Gelet op het voorgaande hoeven er in het kader van de planontwikkeling geen watercompenserende maatregelen getroffen te worden. Het aspect water vormt geen belemmeringen voor het planvoornemen.
6.
Archeologie en cultuurhistorie
6.1
Archeologie
Nederland heeft zich in 1992 in Europees verband gecommitteerd aan het Verdrag van Valletta, ook wel de Conventie van Malta genoemd. Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In aansluiting op dit verdrag is in Nederland op 1 september 2007 de nieuwe Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) van kracht geworden. Op 1 juli 2016 is de Wamz met grote delen van de Monumentenwet opgegaan in de Erfgoedwet, sindsdien dé wet voor behoud en beheer van cultureel erfgoed. De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Valletta zijn in de Nederlandse wetgeving overgenomen, te weten: • • •
Het archeologisch erfgoed dient zo veel mogelijk ter plaatse te worden behouden; Het archeologisch erfgoed dient in de ruimtelijke belangenafweging te worden betrokken; De verstoorder (lees: de initiatiefnemer) is verantwoordelijk voor het vroegtijdig uitvoeren van archeologisch onderzoek alsmede de financiering van dit onderzoek.
In het vigerende bestemmingsplan is aan het plangebied een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ toegekend. Beoordeling IDDS Archeologie heeft december 2018 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO), verkennende fase, uitgevoerd in het plangebied. Het plangebied is gelegen op een strandwal die is gevormd in het Vroeg Neolithicum, tussen 4350 en 3850 voor Chr. Op de strandwal was sprake van een lokale, vochtige laagte die opgevuld is geraakt met veen en ingestoven duinzand. Hierop ligt aan de Voorstraatzijde van het plangebied een historische woonlaag die waarschijnlijk dateert uit de Late Middeleeuwen en/of Nieuwe tijd. Het plangebied is gelegen op een ingesloten strandvlakte. Op basis van de datering van de omliggende strandwallen is deze strandvlakte gevormd tussen 2525 en 1825 voor Chr., in het Laat Neolithicum. Het zand van de strandvlakte wordt bedekt met veen, dat bedekt is met kleiige overstromingsafzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Het maaiveld bestond oorspronkelijk uit een zandlaag van dunner dan 1 m. Op basis van de aanwezige afzettingen, zal het plangebied tot aan de afzetting van het bovenste zandpakket geen gunstige vestigingslocatie hebben gevormd voor de mens. Dit is vastgesteld bij een eerder archeologisch onderzoek in dezelfde strandvlakte, op ongeveer 400 m afstand van het plangebied.
Voor de top van de strandvlakteafzettingen en voor het veen geldt daarom een lage archeologische verwachting. De verwachting voor het zandpakket, afgezet vanaf de Romeinse tijd maar mogelijk pas vanaf de Late Middeleeuwen, is middelhoog. Op historisch kaartmateriaal vanaf de 17e eeuw komt in het gebied geen bebouwing voor. Dit maakt de kans relatief klein dat het plangebied in de Late Middeleeuwen of Nieuwe tijd bebouwd is geweest.
Hoewel directe aanwijzingen ontbreken, is de kans groot dat de bodemopbouw in het plangebied verstoord is door de bloembollenteelt. Uit eerder onderzoek direct aan de overzijde van het Westeinde is gebleken dat de bodemopbouw daarbij tot op grote diepte, tot meer dan 3,0 m -mv, verstoord kan zijn geraakt. Indien dat het geval is, reiken de verstoringen tot diep in het strandzand, en geldt voor het plangebied geen archeologische verwachting meer. Het booronderzoek heeft de lage verwachting uit het bureauonderzoek bevestigd. Het strandvlaktezand en de daarboven gelegen klei- en veenafzettingen vormen geen bewoonbare niveaus. Het strandvlaktezand heeft vooral aan de oppervlakte gelegen in de periode dat de westelijke strandwal nog niet gevormd was, in het Laat Neolithicum. In deze periode lag het plangebied op het strand. Vergelijkbaar met het huidige strand was dit geen gunstige vestigingslocatie. Dat gold ook voor de periode hierna toen er klei werd afgezet en veen werd gevormd. Deze afzettingen zijn ontstaan onder invloed van hoge grondwaterstanden en overstromingen. Alle hierop gelegen afzettingen zijn verstoord. Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat het plangebied een lage archeologische verwachting heeft. IDDS Archeologie adviseert om het plangebied, voor wat betreft het aspect archeologie, vrij te geven voor de voorgenomen civieltechnische werkzaamheden.
Het rapport ‘Archeologisch bureauonderzoek & Inventariserend Veldonderzoek verkennende fase, Westeinde 38 Noordwijkerhout’ met kenmerk 50670217 is als separate bijlage toegevoegd.
6.2
Cultuurhistorie
Op grond van artikel 3.1.6, lid 5 onder a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om in het proces tijdig rekening te houden met aanwezige cultuurhistorische waarden. Op de planlocatie is geen dubbelbestemming aangaande een cultuurhistorische vrijwaringszone (bijvoorbeeld van een molenbiotoop) van toepassing.
Conclusie archeologie en cultuurhistorie Vanuit archeologisch en cultuurhistorisch oogpunt is er geen belemmering voor het planvoornemen.
7.
Juridische aspecten
7.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de in de vorige hoofdstukken toegelichte beoogde ruimtelijke situatie in het plangebied juridisch is vertaald in planregels en de bijbehorende verbeelding. Het bestemmingsplan bestaat uit juridisch bindende regels en een verbeelding met daarbij een toelichting. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van de op te richten en/of aanwezige bebouwing. Op de verbeelding zijn de bestemmingen in beeld gebracht. Samen met de regels is dit het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, maar vervult een belangrijke rol voor de onderbouwing van het plan en de uitleg van de planregels.
7.2
Opzet van de planregels
De regels zijn, conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) ondergebracht in een viertal hoofstukken: • • • •
Hoofdstuk 1: Inleidende regels; Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3: Algemene regels; Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels.
Hierna wordt kort ingegaan op de inhoud van de regels per hoofdstuk. De regels zijn opgesteld met als uitgangspunt de geldende regels uit het onderliggende moederplan. Indien verwezen wordt naar een bepaling en/of een bestemming welke niet wordt genoemd in dit bestemmingsplan, wordt verwezen naar het moederplan. In de slotregel is de naamgeving van dit bestemmingsplan bepaald.
7.3
Uitleg van de planregels
Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In de begripsbepaling worden begrippen waar nodig beschreven om zodoende interpretatieproblemen te voorkomen. Veelal worden begrippen gedefinieerd die in de voorschriften worden gebruikt en daar een bijzondere betekenis hebben, die afwijkt van of niet dan wel niet vaak voorkomt in het “normale” spraakgebruik. Wanneer een begrip niet opgenomen is in de begripsomschrijvingen/-bepalingen en er ontstaat een interpretatieprobleem dan is het normale spraakgebruik richtinggevend. De begripsomschrijvingen/-bepalingen zijn niet uitputtend bedoeld. De belangrijkste en/of onduidelijke begrippen zijn opgenomen in dit artikel. De begripsomschrijvingen zijn overgenomen uit het moederplan. Artikel 2 Wijze van meten De wijze van meten beschrijft hoe de genoemde maatvoeringen in de diverse bestemmingsbepalingen gemeten dienen te worden. De wijze van meten is overgenomen uit het vigerend bestemmingsplan.
Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Artikel 3 Waarde – Archeologie 1 Het gehele plangebied is voorzien van een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Uitgangspunt voor deze bestemmingen is dat potentiële aanwezige archeologische waarden beschermd dienen te worden. Bij verstoringen van de bodem dient een archeologisch rapport te worden opgesteld alvorens met de verstorende activiteit begonnen kan worden. Er is al reeds een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd, waaruit blijkt dat het gebied een lage verwachting kent. Na een positieve beoordeling van het bevoegd gezag, zal de bestemming Waarde – Archeologie vervallen. Artikel 4 Tuin De omliggende gronden van de woning in het plangebied zijn bestemd met de bestemming Tuin. Deze gronden zijn bestemd voor tuinen behorende bij de aangrenzende hoofdgebouwen alsmede voor een onoverdekte zwembad en paardenbakken. Tevens zijn ter plaats van de aanduiding 'bijgebouwen' garages en bergplaatsen toegestaan. Binnen deze bestemming zijn uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' gebouwen toegestaan. De goot- en bouwhoogte van deze gebouwen mag niet meer bedragen dan respectievelijk 3 m en 6 m. Op de overige gronden zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. Ook deze toegestane maximale bouwmogelijkheden zijn opgenomen in de bouwregels.
Daarbij is voor onoverdekte zwembaden opgenomen dat de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 100 m² en de bouwhoogte niet meer dan 0,5 m. Artikel 5 Wonen De burgerwoning in het plangebied is bestemd met de bestemming Wonen. Naast burgerbewoning mag 25% van de vloeroppervlakte van de betreffende woning inclusief bijgebouwen met een maximum van 50 m² worden aangewend voor aan-huis-gebonden
beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten. Ook zijn per woning één zwembad en één paardenbak toegestaan. Het hoofdgebouw, in dit geval de woning, mag uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. Bijgebouwen en aan- en uitbouwen zijn ook buiten het bouwvlak toegestaan. De inhoudsmaat van woningen, inclusief aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen, mag niet meer bedragen dan 750 m3. De goot- en bouwhoogte van woningen mag niet meer bedragen dan is aangegeven in de bijbehorende tabel in de regels. De oppervlakte van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 50 m2.
Hoofdstuk 3: Algemene regels Dit hoofdstuk bevat vijf algemene regels. Artikel 6 Anti-dubbeltelregel In het nieuwe Besluit op de ruimtelijke ordening is hiervoor een standaard bepaling opgenomen. Het besluit verplicht om deze bepaling in het bestemmingsplan op te nemen. Artikel 7 Algemene bouwregels Dit artikel bevat een algemene regeling voor een geringe overschrijding van bouwgrenzen (geen bestemmingsgrenzen zijnde) door ondergeschikte onderdelen van gebouwen. De overschrijding van de bouwgrenzen dient wel beperkt te zijn. Verder wordt in het tweede lid van dit artikel bepaald dat - indien de maten van gebouwen en bouwwerken, zoals aanwezig op het moment dat het bestemmingsplan wordt vastgesteld, meer bedragen dan in de bestemmingsregels bepaald - de aanwezige maatvoering als maximum mag worden behouden. Op deze wijze beoogt de gemeente alle legaal gebouwde bouwwerken positief te bestemmen. In het derde lid van dit artikel is een regeling voor ondergrondse bouwwerken opgenomen. Zo is het toegestaan om onder elk hoofdgebouw, onder voorwaarden, een kelder te bouwen. Omdat voor (bedrijfs)woningen de inhoudsmaat bepalend is en de gemeente het niet nodig acht ondergrondse bouwwerken hieraan te relateren, is bepaald dat de inhoud van een ondergronds bouwwerk geen invloed heeft op hetgeen bovengronds kan worden gerealiseerd.
In het vierde lid zijn regels opgenomen met betrekking tot afstanden tot zijerfscheidingen. De afstand van gebouwen tot de zijerfscheiding mag niet minder dan 3 m bedragen. Door middel van een afwijking bij een omgevingsvergunning kan deze afstand worden verkleind. In het vijfde lid is opgenomen dat in afwijking van de regels in hoofdstuk twee bruggen gebouwd mogen worden. Bijvoorbeeld ten dienste van fiets- en/of wandelpaden. De breedte van deze bruggen mag niet meer dan 6 m bedragen. Artikel 8 Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn de algemene gebruiksregels opgenomen. In het eerste lid zijn de activiteiten opgenomen die in ieder geval in strijd zijn met het bestemmingsplan. Dit lid bevat geen limitatieve opsomming van strijdige activiteiten. Overige activiteiten die niet passen binnen de bestemmingsomschrijvingen van de bestemmingen in hoofdstuk 2 zijn eveneens in strijd met het bestemmingsplan. In het tweede lid zijn nadere gebruiksregels opgenomen.
Artikel 9 Algemene afwijkingsregels In dit artikel wordt het mogelijk gemaakt om af te wijken van de regel dat bouwgrenzen niet mogen worden overschreden. Deze regels zijn opgenomen om meer flexibiliteit in het plan te genereren en kleine afwijkingen van de planregels toch mogelijk te maken. Maten en bouwgrenzen Om deze afwijking mogelijk te maken kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen. Ook biedt dit artikel de mogelijkheid om via een omgevingsvergunning af te wijken van de voorgeschreven maten en percentages. Afwijken op basis van dit artikel is overigens alleen mogelijk wanneer hiermee geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan aspecten als de woon- en milieusituatie van aangrenzende percelen. Artikel 10 Overige regels Parkeerregels gemeente Noordwijkerhout Op 29 november 2014 is de Reparatiewet BZK 2014 (Stb. 2014-458) van kracht geworden. Dit heeft tot gevolg dat onder andere de regeling aangaande parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen in de Bouwverordening van de gemeente Noordwijkerhout per 1 juli 2018 in het geheel vervalt. Voor nieuwe bestemmingsplannen en beheersverordeningen die na 28 november 2014 zijn of worden vastgesteld, gelden de stedenbouwkundige bepalingen (waaronder de parkeerregeling) ook niet meer.
Dit betekent dat er vanaf die datum in de bestemmingsplannen zelf, voor zover nodig, moet zijn voorzien in parkeerregelingen. In dit verband is er in de overige regels van dit bestemmingsplan een parkeerregeling opgenomen waardoor de gemeente de mogelijkheid heeft om met name bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen, een omgevingsvergunning voor een gebruiksverandering en/of en/of het in dit plan opgenomen afwijkingen en wijzigingen te toetsen op parkeergelegenheid, zodat er geen problemen ontstaan in de openbare ruimte. Bij een dergelijke ontwikkeling zal de gemeente veelal de parkeernormen, die zijn opgenomen in de recentste CROW-publicatie 'Parkeercijfers - basis voor parkeernormeringen' toepassen. In deze publicatie zijn richtlijnen aangegeven hoeveel parkeerplaatsen er moeten worden aangelegd op eigen terrein en hoeveel plaatsen er worden aangelegd in openbaar gebied.
Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels. Artikel 11 Overgangsregels Het overgangsrecht is opgenomen conform artikel 3.2.1 en artikel 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening. De overgangsregels regelen het overgangsrecht voor de bebouwing en het gebruik van de bebouwing in het plangebied. Uit oogpunt van behoorlijk bestuur dienen bestaande bebouwing en bestaand gebruik, welke afwijken van de in het bestemmingsplan opgenomen regels, te kunnen worden voortgezet (overgangsregels). Artikel 12 Slotregel De slotbepaling geeft aan onder welke benaming de regels kunnen worden aangehaald.
8.
Uitvoerbaarheid
8.1
Maatschappelijk uitvoerbaarheid
Een bestemmingsplan dient maatschappelijk uitvoerbaar te zijn. De voorgenomen ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt in het bestemmingsplan, zijn besproken met belanghebbenden. Daarnaast dient het plan in overwegende mate op maatschappelijk draagvlak te kunnen rekenen. De ervaring leeft dat het niet altijd mogelijk is om alle belanghebbenden bij dergelijke ruimtelijke ontwikkelingen volledig tegemoet te komen. De raadpleging van belanghebbenden tijdens verschillende fasen in het planvormingsproces moet er dan ook vooral toe leiden dat het bevoegd gezag een goede afweging kan maken tussen eventuele tegenstrijdige ruimtelijke belangen.
Dit plan volgt de geldende wettelijke procedure. Overeenkomstig artikel 1.3.1 Bro wordt er een vooraankondiging van het bestemmingsplan gedaan. Op grond van artikel 3.1.1 van de Bro worden burgemeester en wethouders verplicht gesteld om bij de voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan in overleg te treden met de besturen van andere gemeenten, het waterschap, de provincie, de inspecteur op de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van het Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden, zullen een bericht ontvangen. Gedurende de inspraakperiode van het voorontwerpbestemmingsplan wordt dat gedaan. Tussen 13 mei 2020 en 23 juni 2020 heeft het voorontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegen. In deze periode zijn er geen reacties binnengekomen bij de gemeente. Het (ongewijzigd) ontwerpbestemmingsplan is vervolgens ter inzage gelegd waarbij er gedurende zes weken zienswijzen kunnen worden ingediend. Dit was in de periode tussen woensdag 11 november 2020 en dinsdag 22 december 2020. In die tijd zijn er geen zienswijzen binnengekomen. Vervolgens wordt het plan ter vaststelling aangeboden aan de raad.
8.2
Financiële uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens bestaat overeenkomstig Hoofdstuk 6 in de Wet ruimtelijke ordening de verplichting om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken (bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut) en de plankosten, deze verhaald moeten kunnen worden op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Tussen de ontwikkelaar en de gemeente is een anterieure overeenkomst gesloten, waarmee het kostenverhaal gewaarborgd is. Zowel de gemeentelijke kosten, als de kosten van de initiatiefnemer zijn hiermee gedekt. Gelet hierop is het plan financieel uitvoerbaar.
8.3
Eindconclusie
Geconcludeerd wordt dat het project, in overeenstemming met de in de voorgaande hoofdstukken gegeven omschrijving van het project en projectgebied, zowel ruimtelijk als milieu hygiënisch inpasbaar is en geen onaanvaardbare negatieve effecten heeft op de in de omgeving aanwezige waarden en belangen.
9.
Bijlagen
Bijlage 1 ‘AERIUS berekening kenmerk Rhjec5nTPA8b’ Bijlage 2 ‘Betreffende een verkennend bodemonderzoek Westeinde 38 te Noordwijkerhout’ kenmerk 1809L832/JSM/rap1 Bijlage 3 ’Quickscan Wet Natuurbescherming Noordwijkerhout Westeinde 38’ kenmerk 1687/RSL/rap1 Bijlage 4 ‘Archeologisch bureauonderzoek & Inventariserend Veldonderzoek verkennende fase, Westeinde 38 Noordwijkerhout’ kenmerk 5067021’