CConstaterende datNoordwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Bestemmingsplan Langevelderlaan 6 en 6A, Noordwijk - Toelichting en regels

Gemeenteraadsvergadering 21 juni 2022, gemeente NoordwijkBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan Langevelderlaan 6 en 6a, Noordwijk18.145 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan Langevelderlaan 6 en 6A, Noordwijk

Bestemmingsplan Langevelderlaan 6 en 6A, Noordwijk

Identificatie Kenmerk

: :

NL.IMRO.0575.BPLGLangevelderln6-VA01 20062737/JLA/BP

Planstatus

:

Voorontwerp Ontwerp Vaststelling

Contactpersoon

:

Dhr. J.C. Langeweg MSc

[23 maart 2021] [03 november 2021] [08 april 2022]

© IDDS b.v. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de uitgever.

Inhoudsopgave toelichting

1.1 1.2 1.3 1.4

Inleiding .................................................................................................................... 4 Aanleiding .................................................................................................................. 4 Ligging plangebied ..................................................................................................... 5 Vigerend bestemmingsplan ...................................................................................... 10 Leeswijzer ................................................................................................................ 11

2.1 2.2

Huidige situatie en planbeschrijving ..................................................................... 12 Bestaande situatie.................................................................................................... 12 Gewenste situatie..................................................................................................... 12

3.1 3.2 3.3 3.4

Beleidskader........................................................................................................... 14 Nationaal beleid ....................................................................................................... 14 Provinciaal beleid ..................................................................................................... 15 Regionaal beleid ...................................................................................................... 18 Gemeentelijk beleid .................................................................................................. 21

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9

Omgevingsonderzoeken ........................................................................................ 26 Archeologie en cultuurhistorie................................................................................... 26 Bedrijven- en milieuzonering..................................................................................... 27 Bodem ..................................................................................................................... 31 Ecologie ................................................................................................................... 33 Externe Veiligheid .................................................................................................... 34 Geluidhinder............................................................................................................. 37 Luchtkwaliteit ........................................................................................................... 38 Water ....................................................................................................................... 41 M.e.r.-beoordeling .................................................................................................... 44

5.1 5.2 5.3

Juridische aspecten ............................................................................................... 45 Inleiding ................................................................................................................... 45 Opzet van de planregels........................................................................................... 45 Uitleg van de planregels ........................................................................................... 45

6.1 6.2 6.3

Uitvoerbaarheid ...................................................................................................... 47 Maatschappelijk uitvoerbaarheid............................................................................... 47 Financiële uitvoerbaarheid........................................................................................ 47 Eindconclusie ........................................................................................................... 48 Bijlagen ................................................................................................................... 49

Inleiding 1.1

Aanleiding

Op de locatie Langevelderlaan 6 en 6 A te Noordwijk bevinden zich diverse agrarische bedrijfsopstallen, twee bedrijfswoningen en een B&B. De agrarische bedrijvigheid wordt beëindigd, waardoor er een planologische onwenselijke situatie ontstaat. Het gevolg is namelijk dat de twee bedrijfswoningen los komen van de agrarische bedrijvigheid. De wens bestaat nu om delen van de gronden, na sloop van enkele opstallen, te herbestemmen als woonkavels met tuin, inclusief een nevenfunctie bed & breakfast. De gemeente heeft via een akkoord op het principeverzoek aangegeven een positieve grondhouding te hebben ten aanzien van de sloop van de bestaande achterliggende kassencomplex en de wijziging van de bestemming naar ‘Wonen’. Onderstaand is het projectgebied weergegeven in relatie tot de directe omgeving. Ook is er reeds overleg geweest met de Greenport Ontwikkelmaatschappij (GOM) Duin- en Bollenstreek vanwege de omzetting van planologisch bestemde bollengrond tussen de bestaande woningen en de Langevelderlaan in een woon(erf)bestemming.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied ligt langs de Langevelderlaan in de Polder Het Langeveld. In de direct omgeving van het plangebied ligt het Oosterduinse Meer (op ca. 700 meter) en de Langevelderduin (op ca. 450 meter). De omgeving wordt met name gevormd door langgerekte kavels voor bollenteelt en diverse clusters bebouwing ten behoeve van (recreatie)woningen.

Stedelijke ontwikkeling omgeving plangebied Het plangebied ligt buiten de dorpskern van Noordwijk en/of Noordwijkerhout. In de huidige plattegronden ligt het plan aan de overzijde van de Sancta Maria, maar omstreeks 1850 is er nog geen teken van enige bebouwing in de nabijheid van het plangebied. Omstreeks 1850 zijn de eerste contouren van de huidige sloten/kanalen en wegen te herkennen. Op de historische kaart van het jaar 1949 zijn de huidige structuren van de Sancta Maria te herkennen. Ook de verdere ontwikkeling van de Langevelderpolder is verder in ontwikkeling. Op de kaart van 1962 is duidelijk te zien dat er is begonnen met het ontgraven van het Oosterduinse Meer. Rondom het plangebied van de Langevelderlaan 6 en 6A gebeurt er op het gebied van stedelijke ontwikkeling niet veel. Pas omstreeks 1970 is de eerst bebouwing binnen het plangebied te herkennen. In de periode tot 1988 wordt ook het nabijgelegen bungalow-park aangelegd en zullen de huidige bouwwerken binnen het plangebied gebouwd worden. Op de kaart van 2011 is de huidige structuur van de Langevelderlaan 6 en 6A volledig.

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Op de locatie is op dit moment het huidige bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied’ van de gemeente Noordwijk van kracht. Dit bestemmingsplan is onherroepelijk sinds 11 december 2017. De beoogde wijziging past door de omvang van de te transformeren kavels niet geheel binnen de geldende regels uit dat plan. De locatie ligt binnen de bestemming ‘Agrarisch – Bollensteelt – Bollenzone 1’. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan is al de mogelijkheid opgenomen om deze bestemming onder voorwaarden te wijzigen in ‘Wonen’, indien er sprake is van een algehele beëindiging van het agrarisch bedrijf. Met het opnemen van deze bevoegdheid tot wijzigen is in planologisch opzicht al rekening gehouden met bedrijfsbeëindigingen en de omzetting naar een burger (woon)bestemming. Uitgangspunt bij bedrijfsbeëindigingen is het slopen van alle bedrijfsgebouwen en het herbestemmen van de bestaande bedrijfswoning (in dit geval twee bedrijfswoningen) naar een burgerwoonbestemming. Er is weliswaar in het bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen, maar het voorliggend bestemmingsplan is niet geheel passend in de daarbij gestelde voorwaarden. Bij de nieuwe woonkavel(s) wordt, conform regionaal gemaakte afspraken, uitgegaan van een maximale kavelgrootte van 1.000 m2.

In dit geval is vanwege de al relatief grote afstand van de bestaande bedrijfswoningen tot de openbare weg een standaard woonkavel van 1.000 m2 voor beide bestaande woningen niet haalbaar. Verder dient het huidige bouwvlak verwijderd te worden van de plankaart. Dit bouwvlak wordt conform gemeentelijk beleid rondom de huidige woningen gelegd. De huidige dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 2’ blijft gehandhaafd.

Tevens is op de locatie het Paraplu Bestemmingsplan Parkeren van toepassing. Op grond van dit bestemmingsplan moet er bij een bestemmingswijziging worden voldaan aan de Nota parkeren en stallen Noordwijk 2013.

Om de ontwikkeling van de nieuwe gewenste bebouwing en terreininrichting in juridischplanologische zin mogelijk te maken, dient er een nieuw (postzegel)bestemmingsplan voor de locatie opgesteld te worden. Dit document voorziet daarin.

1.4

Leeswijzer

Dit bestemmingsplan biedt een juridisch-planologische regeling, zodat binnen de kaders van dit plan enige flexibiliteit bestaat om de geplande ontwikkeling te realiseren. De toelichting voorziet in een nadere onderbouwing van de juridisch bindende stukken, de planregels en de verbeelding. De regeling geschiedt door middel van bindende planstukken, te weten de planregels en de verbeelding. Zij omvatten enerzijds een vertaling van de beleidsvoorwaarden (hoofdstuk 3) en anderzijds een juridisch kader voor de te realiseren ontwikkeling (hoofdstuk 5). De bindende planstukken worden nader onderbouwd met de toelichting op zowel de planregels als de verbeelding. Hoofstuk 2 gaat in op het te realiseren plan met aandacht voor diverse specifieke onderdelen. Hoofdstuk 3 beschrijft het beleidskader met relevant beleid voor dit planvoornemen. Er wordt onder andere gekeken naar het Rijks-, het provinciaal, het regionaal en het gemeentelijk beleid. Hoofdstuk 4 behandelt de relevante omgevingsaspecten en biedt verantwoording waarom dit plan ruimtelijk gezien passend is op deze locatie. De juridische beschrijving en de uitvoerbaarheid worden behandeld in respectievelijk hoofdstuk 5 en 6. De systematiek van de planopzet sluit aan bij de gangbare landelijke systematiek voor de standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP 2012).

Huidige situatie en planbeschrijving 2.1

Bestaande situatie

Binnen het plangebied vallen alle gronden waarop dit moment een bouwvlak is, plus de gronden aan de kant van de Langevelderlaan. De overige agrarische gronden vallen niet binnen het bestemmingsplan. In de huidige situatie bestaat het plangebied deels uit bollenareaal. De rest van het gebied wordt benut door de twee bedrijfswoningen met bijbehorende tuinen, een bijgebouw met een B&B-functie en een agrarisch bedrijfsgebouw welke gebruikt wordt voor caravanstalling.

2.2

Gewenste situatie

Het plan bevat de volgende wijziging: • • •

het wijzigen van de twee bestaande bedrijfswoningen naar twee burgerwoningen inclusief bouwvlakken, bijgebouw en tuinen; behoud van de B&B waarbij de bedrijfsvoering van de B&B wordt gevoerd door beide huishoudens (nummer 6 en 6A); het verwijderen van het agrarische bouwvlak op het perceel.

Het huidige bouwvlak onder de bestemming ‘Agrarisch – Bollenteelt – Bollenteelt 1’ vervalt. Rondom de huidige bedrijfswoningen, komt een bouwvlak met een formele woonbestemming. Aangezien er fysiek geen wijzigingen plaatsvinden in het kader van dit bestemmingsplan, en dus geen grondroerende werkzaamheden plaatsvinden, blijven de huidige dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie – 2’ en ‘Waarde – Archeologie – 4’ van toepassing.

Rondom de woonbestemming wordt aan de noord en oostzijde een gebiedseigen groenblijvende haag aangepland. Op deze wijze wordt tegemoetgekomen aan de wensen van de Omgevingsdienst om in het kader van het gebruik van gewassenbestrijding een goed woonen leefklimaat te waarborgen. Hiervoor bevatten de regels een voorwaardelijke verplichting tot het realiseren van een gebiedseigen groenblijvende haag rondom de grenzen van de bestemmingen (overgang van woonbestemming naar de agrarische bestemming).

Beleidskader In dit hoofdstuk worden de belangrijkste en relevante beleidsstukken beschreven die raakvlakken hebben met het planvoornemen. 3.1

Nationaal beleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 2040 De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 2040 (SVIR) is in 2012 vastgesteld en vervangt onder andere de Nota Ruimte, de Nota Mobiliteit en de Mobiliteitsaanpak. Daarnaast vervangt de visie ook de ruimtelijke doelen en uitspraken in diverse landelijke beleidsdocumenten. Daarmee is de SVIR het totaaldocument voor het ruimtelijke- en mobiliteitsbeleid op Rijksniveau. Van belang in de SVIR, is de grote mate van decentralisatie. Het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten; decentralisatie is het sleutelwoord. Dit geldt ook voor het verstedelijkings- en landschapsbeleid. Enkele onderwerpen worden wel benoemd als nationaal belang. Die zijn geborgd in de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte. Deze AMvB is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Barro Het Barro richt zich op de doorwerking van het nationaal belang in de gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van de belangen. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen.

Ladder voor duurzame verstedelijking De ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onder Artikel 3.1.6. Doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de beschikbare ruimte in stedelijke gebieden. De Ladder houdt in dat de behoefte aan stedelijke ontwikkelingen op het gebied van wonen, kantoren, bedrijven en detailhandel moeten worden afgestemd binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van deze ontwikkeling en dat deze waar mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd moet worden. Voor woningbouwontwikkelingen geldt dat deze vanaf 12 woningen Ladderplichtig zijn. Beoordeling nationaal beleid De beoogde ontwikkeling heeft geen nadelige invloed op één van de onderwerpen van nationaal belang. Ook het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) doet geen specifieke uitspraken ten aanzien van het voorliggende projectgebied. Voor woningbouwontwikkelingen geldt dat deze vanaf 12 woningen Ladderplichtig zijn. Derhalve is onderhavig (particulier) initiatief niet Ladderplichtig, aangezien er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Conclusie nationaal beleid De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met het nationale beleidskader.

3.2

Provinciaal beleid

De Visie ruimte en mobiliteit en de daarbij behorende Verordening ruimte 2014 zijn op 1 april 2019 vervallen. In het Omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en een Omgevingsverordening. Omgevingsvisie De Omgevingsvisie bestaat in hoofdlijn uit de volgende onderdelen: • •

• •

een introductie op het omgevingsbeleid, waarin opgenomen de kaartbeelden en de beschrijving van de ruimtelijke structuur; de ontwikkelrichting van het omgevingsbeleid met ambities en sturing. De provincie geeft hierin aan een uitnodigend perspectief te bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen; een beschrijving van de omgevingskwaliteit van Zuid-Holland, waaronder de provinciale inzet voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; de samenhangende beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving.

De Omgevingsvisie bevat de volgende wettelijk verplichte plannen: • • • • •

de provinciale ruimtelijke structuurvisie, artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro); het milieubeleidsplan, artikel 4.9 van de Wet milieubeheer (Wm); het regionale waterplan, artikel 4.4 van de Waterwet (Ww); het verkeers- en vervoersplan, artikel 5 van de Planwet verkeer en vervoer; de natuurvisie, artikel 1.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb).

Specifieke beleid wonen De provincie voorziet op regionaal niveau, samen met gemeenten, marktpartijen en woningbouwcorporaties, in voldoende en passende woningen voor de verschillende doelgroepen, waaronder de doelgroepen van het huurbeleid. Hierbij gaat de voorkeur uit naar nieuwe woningbouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied (verdichting) en georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer (nabij mobiliteitsvoorzieningen). De provincie is terughoudend over het toevoegen van nieuwe woningbouwlocaties buiten bestaand stads- en dorpsgebied en vraagt expliciet om de bodemdalingsgevoeligheid van een gebied mee te wegen. De provincie heeft de ambitie dat alle woningen in Zuid-Holland in 2035 CO2-neutraal en vóór 2050 klimaatrobuust ingericht en ingepast zijn. Nieuwe woningen dragen bij aan een aantrekkelijke woon- en leefomgeving in Zuid-Holland. Nieuwe woningen zijn energieneutraal of leveren energie en zijn toegerust op de gevolgen van klimaatverandering (hevigere regenbuien, perioden van droogte en hittestress) en bodemdaling. Gemeenten maken in samenspraak met de provincie regionale woonvisies en regionale woningbouwprogramma's waarin bovengenoemde doelstellingen zijn uitgewerkt. Omgevingsverordening De beleidskeuzes uit de Visie werken door naar uitvoeringsprogramma’s en naar regels in de verordening.

Het geheel aan bestaande beleidskeuzes, inclusief de doorwerking naar programma’s en de verordening, vormt het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving.

Artikel 6.10: Stedelijke ontwikkeling In de Omgevingsverordening is er geen specifieke kaart of expliciet beleid voor wonen. Wel wordt er in artikel 6.10 ‘Stedelijke ontwikkeling’ aangehaald dat het uitgangspunt van de strategie voor de bebouwde ruimte bestaat uit de betere benutting van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkeling vindt daarom primair plaats binnen het BSD. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen het BSD. De Ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bevat het handelingskader. In de Omgevingsverordening is aangegeven dat woningbouw in het Greenportgebied (buiten BSD) niet mogelijk is behoudens Greenportwoningen en Ruimte voor ruimte woningen. Er is overleg met de GOM omtrent deze wijziging. Zij staan positief tegenover de wijziging. Er wordt voor vaststelling van dit bestemmingsplan een overeenkomst gesloten.

Artikel 6.14: 20 Ke-contour Schiphol In de Omgevingsverordening is onder artikel 6.14 aandacht voor het afwegingsbeleid vanuit het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol. Het plangebied is gelegen buiten de 20 Ke-contour van het LIB (zie onderstaande figuur). De 20 Ke-contour houdt in dat binnen die contour circa 20% van de mensen die blootgesteld wordt aan vliegverkeergeluid geluidgehinderd is en 10% ernstig geluidgehinderd. Ten opzichte van de heersende geluidbelasting vanwege wegverkeer levert vliegverkeerlawaai geen relevante bijdrage op de gecumuleerde geluidbelasting in het plangebied. Gelet op de onderstaande verbeelding, is duidelijk te zien dat de locatie ver buiten het contour ligt. Er is dus geen strijdigheid met dit onderdeel.

Artikel 6.17 – Bollenteeltgebied Binnen de Omgevingsverordening is middels Kaart 11 in bijlage II aandacht voor gronden binnen het bollenteeltgebied. Er zijn diverse regels opgenomen waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. In dit geval geldt dat artikel 6.17 lid 4 en 8 ingaat op de mogelijkheid voor greenportwoningen zoals bedoeld in de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport Duin- en Bollensteek. Met de GOM wordt een overeenkomst afgesloten met betrekking tot een sloopvergoeding voor het opruimen van de voormalige bedrijfsgebouwen en voor bollengrondcompensatie in verband met de afmeting van de woonkavels. Door het opstellen van een nieuwe bestemmingsplan en separate afspraken te maken met de Greenport Ontwikkelmaatschappij Duin- en Bollenstreek, wordt er aan de voorwaarden voldaan. Er is dan ook geen strijdigheid met dit provinciaal beleid.

Beoordeling planvoornemen provinciaal beleid Deze ontwikkeling, waarbij er twee bestaande bedrijfswoningen een formele woonbestemming krijgen, vindt plaats binnen het landelijk gebied. In de paragraaf Rijksbeleid is de Ladder voor duurzame verstedelijking al toegelicht. Daar is aangetoond dat er geen strijdigheid is. Opgemerkt wordt dat deze ‘ontwikkeling’ niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de provincie Zuid-Holland valt. Maar gelet op het feit dat er geen bebouwing wordt toegevoegd, is er geen strijd met het beleid. Ook is er geen strijdigheid met het LIB aangezien het plan niet binnen de grenzen van de geluidscontouren of beperkingengebieden in het LIB valt. Andere provinciale beleidregels vormen ook geen belemmeringen voor het planvoornemen.

Conclusie provinciaal beleid De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met het provinciale beleidskader.

3.3

Regionaal beleid

Regionale Structuurvisie 2020 (2009) Het regionale samenwerkingsorgaan Holland Rijnland, heeft op 24 juni 2009 de Regionale Structuurvisie 2020 (RSV) vastgesteld. Deze verankert de intergemeentelijke afspraken in een ruimtelijke vertaling naar 2020. Na 2020 houdt de RSV rekening met een doorkijk naar 2030. Op diverse onderwerpen werken de deelnemende gemeenten samen. Dit zijn onder andere ontwikkelingen op het gebied van wonen, werken, natuur en landschap, verkeer en vervoer, samenleving en welzijn. De RSV ziet een goede balans tussen gebiedsontwikkeling en behoud van het oorspronkelijke karakter van de regio als belangrijk streven. Concentratie van stedelijke ontwikkeling en verbetering van de regionale bereikbaarheid zijn hierbij speerpunten. Specifiek voor de woningmarkt is het voorzien in een gedifferentieerd woonmilieu een streven.

Het doel is om een topwoonregio in de Randstad te worden. Voldoende aandacht voor de kwaliteit van de leefomgeving is daarbij een kernpunt. Dit leidt tot de volgende kernbeslissingen: • •

tot 2020 moeten er 40.000 woningen in de regio gebouwd worden; per gemeente moet 30% van de woningbouw in de sociale huursector worden gerealiseerd.

Beoordeling planvoornemen RSV Noordwijk wordt gekenmerkt door een aantrekkelijk woonklimaat. Deze locatie ligt tegen de oude kern aan, op een loopafstand van de kustzone. De vraag naar woningen is in het gebied hoog. Dit geldt zowel voor de bestaande inwoners als toekomstige bewoners van buitenaf. Deze ontwikkeling draagt bij aan de wens om nieuwe woningen aan de regio toe te voegen. Per saldo zal het aantal woningen niet toenemen, maar de woningen zullen voor een breder publiek beschikbaar worden. Hierdoor wordt een bijdrage geleverd aan de kwantitatieve taakstelling en wordt de doorstroming op de woningmarkt bevorderd.

Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport Duin- en Bollenstreek (2009) ‘Meer flexibiliteit en ontwikkelingsmogelijkheden voor het totale bollen- en sierteeltcomplex in de Duin- en Bollenstreek, met zijn productie, handel, distributie, onderzoek en promotie om te komen tot een Vitale Greenport, zonder daarbij het landschap verder te ‘verrommelen’. Dat is tezamen met het herstel van het karakteristieke (bollen)landschap in één zin de ambitie van de ISG 2016, waarmee op hoofdlijnen voortgeborduurd wordt op de ISG uit 2009. Deze Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport is een uitgave van de vijf samenwerkende gemeenten in de Greenport Duin- en Bollenstreek, naast Noordwijk zijn dat Katwijk, Lisse, Hillegom en Teylingen. De ISG 2016 is een deeluitwerking van de Regionale Structuurvisie, maar dan wel met een zelfbindend karakter voor de betreffende gemeenten. De greenportgemeenten hebben gezamenlijk de Greenport Ontwikkelingsmaatschappij (GOM) opgericht die zich vanuit deze intergemeentelijke structuurvisie richt op herstructurering en revitalisering van de Greenport Duin- en Bollenstreek. De Greenport Duin- en Bollenstreek is nog altijd goed voor 60% van de wereldhandel en -export in bloembollen (met een welhaast monopolie op de hyacint), met een handelsomzet van 550 miljoen euro en een exportwaarde van 415 miljoen euro.

Daarmee neemt deze regio circa 10% van het nationale productieareaal en de daarmee samenhangende productiewaarde voor haar rekening. Om dit aandeel te waarborgen en bollenteeltbedrijven zich economisch te laten handhaven, wordt in de ISG ingezet op herstructurering en schaalvergroting. Het regionaal beleid is er vooral op gericht ruimte te bieden aan greenport-gerelateerde bedrijven, oftewel het mogelijk maken van investeringen die onmiskenbaar bijdragen aan de kwaliteit van de Greenport.

Beoordeling planvoornemen ISG De locatie ligt in een gebied, aangewezen als ‘bollenteeltgebied’. Voor deze gebieden zijn geen specifieke beleidsvoornemens van toepassing vanuit de ISG 2016. De functiewijziging sluit aan bij de woningbouwopgave van de regio, doordat de woning voor een ‘breder publiek’ bewoonbaar wordt. Dit plan voorziet deels in deze woningbehoefte en is daarmee passend binnen dit beleid. Regionale woonagenda Holland Rijnland 2017 Het Algemene Bestuur van Holland Rijnland heeft op 14 maart 2018 de Regionale Woonagenda vastgesteld. De Woonagenda heeft betrekking op de regionale woningbehoefte (kwantitatief en kwalitatief) en de bijbehorende planlijst wordt hierop afgestemd. Woningbouwontwikkelingen moeten passen binnen de kaders die de provinciale Woningbehoefteraming (WBR) en Bevolkingsprognose (BP) bieden. Beide prognoses kennen verschillende uitgangspunten, waardoor een bandbreedte voor de woningbehoefte ontstaat. In de regio Holland Rijnland is vraag naar meer woningen die kwalitatief aansluiten bij de veranderende bevolkingssamenstelling. Om aan deze vraag te kunnen voldoen en de regio aantrekkelijk te houden voor huidige en toekomstige bewoners, heeft de regio de volgende keuzes gemaakt: 1. tempoversnelling noodzakelijk, zeker voor de korte termijn; 2.

groei vraagt goede ruimtelijke ordening, balans tussen inbreiding en uitbreiding met prioriteit voor inbreiding; 3. een kwalitatief programma dat borgt dat verdringing beperkt is; 4. bevorderen doorstroming voor een betere werking van de woningmarkt; 5. een programma dat recht doet aan de behoefte aan verschillende woonmilieus, centrumstedelijk, suburbaan en dorps/landelijk; 6. groeien met aandacht voor duurzaamheid en bodemdaling;

7. langer zelfstandig wonen met zorg faciliteren; 8. bereikbaar bouwen; 9. solidariteit; Beoordeling planvoornemen regionale woonagenda Met de functiewijziging van de woningen worden de woningen beschikbaar gesteld aan een breder publiek. Dit plan veroorzaakt geen verdringing op de woningmarkt en bevordert het aantrekkelijke woonmilieu van Noordwijk. Uit de regionale woonagenda blijkt dat er in Noordwijk in de periode 2017-2022 een vraag is naar 610 extra woningen. In de periode 2022-2030 bedraagt deze behoefte 170 extra woningen. Van deze totale behoefte van 780 woningen, zijn er volgens de agenda 400 indicatief voorzien in een woongebied ‘rustig stedelijk’. Zie onderstaande tabellen uit de Woonagenda.

Tabel 1: Uitsnede met woningbouwbehoefte tot 2030 – Woonagenda Holland Rijnland

Tabel 2: Uitsnede met indicatieve behoefte woonmilieus tot 2030 – Woonagenda Holland Rijnland

Conclusie regionaal beleid Het voorgenomen plan past binnen de kwalitatieve behoefte naar woningen in de gemeente Noordwijk.

3.4

Gemeentelijk beleid

Ontwerp Omgevingsvisie ‘Samen maken we de toekomst voor Noordwijk!’ Wegens de fusie van de Gemeente Noordwijk en Noordwijkerhout in 2019, nu Gemeente Noordwijk, is in september 2020 een ontwerp omgevingsvisie gepubliceerd. Deze heeft ter inzage gelegen voor het publiek. Deze omgevingsvisie komt voort uit de nieuwe Omgevingswet en zal na vaststelling tot de inwerkingtreding hiervan als structuurvisie dienen.

De gemeente Noordwijk ziet daarbij diverse uitdagingen die op de gemeente en haar bezoekers, bewoners en bedrijven afkomen. Graag gaat de gemeente deze uitdagingen niet uit de weg. Tegelijkertijd wil de gemeente niet, dat met deze veranderingen de dorpen en het landschap hun identiteit, hun eigenheid verliezen. Daarom is naast de koers ook de identiteit beschreven. Met de visie nodigt de gemeente iedereen uit om bij te dragen aan de toekomst van de gemeente Noordwijk. Aan de gewenste koers en aan de identiteit zoals die in de visie beschreven is. De gemeente Noordwijk zet in op vijf thema’s voor de toekomst: 1. 2. 3. 4. 5.

ondernemende gemeente; prettig wonen; welzijn en gezondheid; bereikbaarheid; duurzaam, klimaatneutraal en klimaatbestendig.

Beoordeling planvoornemen Ontwerp Omgevingsvisie De beëindiging van het bedrijf en de omzetting naar wonen, past binnen het beleid van de omgevingsvisie. De eigenaren willen met de wijziging ervoor zorgen dat zij nog lang prettig kunnen wonen. Dit sluit aan bij het thema fijn wonen. Aangezien het enkel een planologische wijziging betreft, zijn er geen bouwactiviteiten nodig. Sterker nog, de oude bedrijfsopstallen worden gesloopt, waardoor er een opener landschap ontstaat. Doordat er een B&B aanwezig is, sluit het plan verder ook aan bij het thema vrijheid om te ondernemen. De bollenvelden vormen immers een belangrijk element in het landschap en stimuleren recreatie en toerisme. De B&B biedt ruimte om hiervan te kunnen genieten. Er is geen strijdigheid met het beleid uit de Omgevingsvisie. Omgevingsvisie Noordwijk 2030 De gemeente Noordwijk heeft in december 2017 haar Omgevingsvisie vastgesteld. De Omgevingsvisie Noordwijk 2030 Noordwijk met als ondertitel ‘Energieke 7-sterren Kustplaats’ kent de volgende centrale doelstelling: “Energieke, duurzame, inspirerende en gastvrije kustplaats met topkwaliteit en allure”. De zeven kwaliteiten waar de gemeente Noordwijk op inzet, zijn: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

energieke samenleving; geweldige sportmogelijkheden; sfeervolle dorpscentra; aantrekkelijke leefomgeving; rijke natuur & mooi landschap; uitstekende bereikbaarheid; veelzijdige economie & toerisme.

In de ‘kaart bij deel A – Ruimtelijk Ontwikkelingsperspectief’ is de projectlocatie onderdeel van een groter gebied dat aangewezen is voor ’behoud duin- en bosgebied’ en ‘behoud fietspaden’.

Beoordeling planvoornemen omgevingsvisie Gelet op de ligging van het plan (langs de Langevelderlaan) en de kenmerken van het plan (het slopen van opstallen en het formaliseren van de bestaande situatie), bestaat er geen strijdigheid met het gemeentelijke beleid vanuit de Structuurvisie en de Omgevingsvisie. Noordwijkse Woonagenda, De toekomst van het wonen in Noordwijk Naast het bovengenoemde algemene beleid, heeft de gemeenteraad van Noordwijk op 25 augustus 2016 de Noordwijkse Woonagenda vastgesteld. Hierin streeft zij naar een goed woonklimaat voor iedereen in de gemeente. Noordwijk verwacht dat het aantal huishoudens in de komende decennia met ruim 1.300 zal toenemen. Belangrijke bewegingen welke deze groei onder andere versterken zijn vergrijzing, toestroom van arbeidsmigranten, gezinsverdunning en de uitstroom van starters en gezinnen. De afgelopen jaren zijn er slechts een beperkt aantal nieuwbouwwoningen gerealiseerd. Mede hierdoor is er vrijwel voor elk type woning een groeiende vraag. Voor de komende jaren zet de gemeente Noordwijk in op de volgende vier thema's: • • • •

werken aan beschikbaarheid van woningen; werken aan betaalbaarheid van woningen; werken aan zorg en flexibiliteit; werken aan duurzaamheid.

De woonagenda biedt een basis voor de planvorming en realisatie van de woningen. Hiervoor zoekt de gemeente nadrukkelijk de samenwerking op met bewoners, ontwikkelaars, particuliere initiatiefnemers en de woningcorporaties.

Beoordeling planvoornemen Noordwijkse woonagenda In Noordwijk blijkt er voldoende vraag te zijn naar woningen in alle typen. Zo ook naar de typologie vrijstaande koopwoning zoals mogelijk wordt gemaakt in dit plan. Door de omzetting van twee bedrijfswoningen naar twee burgerwoningen, worden er woningen toegevoegd aan de kwalitatieve woningvoorraad. Hierdoor levert de beoogde ontwikkeling een bijdrage aan de benodigde extra woningbouw. Nota Parkeren en Stallen Noordwijk 2013 De gemeente Noordwijk heeft in mei 2013 de Nota Parkeren en Stallen Noordwijk 2013 vastgesteld. De gemeente hanteert voor woningen in principe een behoeftevolgend beleid. De Nota Parkeren en Stallen Noordwijk 2013 vloeit ook voort uit het vigerende paraplubestemmingsplan Parkeren. Er moeten nu en in de toekomst voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd om aan de vraag van de bewoners en hun bezoekers te kunnen volden. Hierbij sluit de gemeente aan bij de normen zoals beschreven zijn door de CROW. Deze beschrijft per woningtype en functie een norm voor het aantal te realiseren parkeerplaatsen. Beoordeling planvoornemen parkeren Op grond van de CROW publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren – Van parkeercijfers naar parkeernormen’ (december 2018) is gekeken naar de te verwachte parkeerbehoefte voor dit plan.

Hierbij is op basis van de omgevingsadressendichtheid van 258 uitgegaan van een niet stedelijk gebied in het buitengebied (Verspreide huizen Langeveld). De woningen zijn twee vrijstaande koopwoningen. Gelet op de CROW norm, dient er minimaal 2,0 en maximaal 2,8 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Gelet op de omvang van het plangebied, is er (in de huidige én toekomstige situatie) sprake van voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Op het moment zijn er voor de woning aan de Langevelderlaan 6, twee eigen parkeerplaatsen gerealiseerd aan de rechterzijde op het perceel. Voor de bed and breakfast zijn er daarnaast vier parkeerplaatsen gerealiseerd aan de westzijde van het betreffende gebouw. Daarnaast is er aan de noordzijde van het bed and breakfast gebouw nog voldoende ruimte om uit te breiden mocht er een behoefte zijn voor meer parkeerplaatsen. De bewoners van Langevelderlaan 6a hebben ten noorden van de woning een kleine inrit, waar ruimte is voor minimaal twee auto’s. Hiermee wordt er voldaan aan de parkeerbehoefte.

Conclusie gemeentelijk beleid Het voorgenomen plan past binnen de het beleid van de gemeente Noordwijk.

Omgevingsonderzoeken 4.1

Archeologie en cultuurhistorie

Wetgeving archeologie Nederland heeft zich in 1992 in Europees verband gecommitteerd aan het Verdrag van Valetta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In aansluiting op dit verdrag is in Nederland op 1 september 2007 de nieuwe Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) van kracht geworden. Deze is per 1 juli 2016 met grote delen van de Monumentenwet opgegaan in de Erfgoedweg. Dit is sindsdien de wet voor behoud en beheer van cultureel erfgoed. De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Malta zijn in de Nederlandse wetgeving overgenomen, te weten: -

het archeologisch erfgoed dient zo veel mogelijk ter plaatse te worden behouden; het archeologisch erfgoed dient in de ruimtelijke belangenafweging te worden betrokken; de verstoorder (lees: de initiatiefnemer) is verantwoordelijk voor het vroegtijdig uitvoeren van archeologisch onderzoek alsmede de financiering van dit onderzoek.

Beoordeling planvoornemen archeologie Overeenkomstig het bestemmingsplan ligt een deel van het plangebied in een zone met dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie -2’. In principe is hier een archeologisch onderzoek nodig. Echter, onder bepaling 4 is gesteld dat een dergelijk niet nodig is indien er wordt voldaan aan de volgende uitgangspunten: a. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; b. een bouwwerk met een oppervlakte kleiner dan 500 m²; c. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 50 centimeter en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst. Gelet op het feit dat er enkel een verwijdering van de huidige caravanstalling is voorzien, waarbij er geen graafwerkzaamheden zijn voorzien, is er geen strijdigheid met het archeologisch beleid. Wetgeving cultuurhistorie Op grond van artikel 3.1.6, lid 5 onder a, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om in het proces tijdig rekening te houden met aanwezige cultuurhistorische waarden. Op de planlocatie is geen dubbelbestemming aangaande een cultuurhistorische vrijwaringszone (bijvoorbeeld van een molenbiotoop) van toepassing.

Beoordeling planvoornemen cultuurhistorie Het plangebied vormt geen onderdeel van het beschermd stadsgezicht van Noordwijk, noch bevinden zich beeldbepalende panden of monumenten in het plangebied.

Conclusie Archeologie en cultuurhistorie Naar verwachting worden geen archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen bodemverstorende werkzaamheden. Archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmeringen voor het planvoornemen.

4.2

Bedrijven- en milieuzonering

Wetgeving De Wet milieubeheer beoogt milieuhinder ten gevolge van bedrijfsmatige activiteiten in de woonomgeving of ten opzichte van gevoelige functies zoals woningen zoveel mogelijk te voorkomen. Alle bedrijfsmatige activiteiten die in potentie hinder kunnen veroorzaken worden door middel van vergunningen of meldingen op basis van de Wet milieubeheer gereguleerd. In aanvulling op deze vergunningen of meldingen voorziet een 'goede ruimtelijke ordening' eveneens in het voorkomen van onvoorzienbare hinder bij gevoelige functies zoals wonen. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (bedrijven) en gevoelige functies (wonen) wordt hinder voorkomen. Met milieuzonering worden te allen tijde twee doelen gediend: niet alleen het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen, maar tevens het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven zodat zij hun activiteiten duurzaam kunnen (blijven) uitoefenen. VNG-publicatie “Bedrijven en Milieuzonering 2009” Bedrijfsmatige activiteiten zijn in de VNG-publicatie "Bedrijven en Milieuzonering 2009" ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende minimaal gewenste afstanden tot milieugevoelige functies. De indeling van de activiteiten is gebaseerd op de standaard bedrijfsindeling (SBI) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, een richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. In de VNG-publicatie zijn de richtafstanden uit bijlage 1 ‘Richtafstandenlijst voor milieubelastende activiteiten’ afgestemd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, stiltegebied of natuurgebied) wordt gekenmerkt door functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen er nauwelijks andere functies zoals bedrijven of kantoren voor. Een locatie kan echter ook behoren tot het tweede omgevingstype ‘gemengd gebied’, dat gekarakteriseerd wordt door een matige tot sterke functiemenging. Hier komen direct naast woningen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als dit type worden beschouwd. De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-publicatie kunnen in dat geval met één afstandsstap verlaagd worden zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat van een milieugevoelig object.

Dit geldt in het bijzonder voor geluid, het milieuaspect dat voor de te hanteren richtafstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend is.

Tabel 3: richtafstanden bedrijven in relatie tot omgevingstype gemengd gebied Milieucategorie

Richtafstand gemengd gebied [m]

1

0

2

10

3.1

30

3.2

50

Beoordeling planvoornemen De omgeving van het plangebied kan op grond van zijn karakteristiek geschaard worden onder het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Hierdoor kan de aan te houden richtafstand met één afstandsstap worden verkleind. De directe omgeving van het plangebied, kent op dit moment voornamelijk de bestemmingen ‘wonen’ en ‘bos-wonen’. De meest relevante bestemming/adres is het kampeerterrein ‘Camping ’t Bruggetje’. Hier is een kampeerterrein voor permanente standplaatsen van kampeermiddelen aanwezig. De afstand tussen de uiterste perceelsgrens van de camping tot de uiterste gevel van de bestaande woning, betreft 25 meter. De richtafstand voor een kampeerterrein (SBI-2008 553, 552) voor een gemengd gebied is 30 meter. Aangezien de afstand wordt bepaald door het onderdeel geluid (met de aanduiding Continue) is daar nader naar gekeken. De categorieomschrijving van kampeerterrein omvat ook een keuken. Een dergelijke keuken is echter niet aanwezig in de nabijheid van de woning. Op 25 meter van de woning zijn enkel standplaatsen van caravans e.d. aanwezig. Gelet op de geringe wijziging (bedrijfswoning naar reguliere woning) kan het bevoegd gezag afwijken van de richtafstand.

De gronden ten westen van het plangebied worden voornamelijk gebruikt voor agrarische teelt. Kwekerijen vallen onder bedrijfscategorie 2. Hier geldt een richtafstand van 10 meter voor gemengd gebied. Hoewel het agrarische teelt perceel direct aansluit op het planvoornemen, staat het gebouw op 10 meter van de erfgrens, zie onderstaand figuur. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand.

Verdere bedrijven zitten niet in de nabijheid van het plangebied. Deze vormen vanzelfsprekend geen belemmering voor het planvoornemen. Andersom geldt dat de transformatie de eventuele bedrijfsvoering van de huidige bedrijven (of uitbreiding daarvan) niet in de weg zit.

Driftgassen De aanliggende gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een bollenteeltbedrijf. De omgevingsdienst heeft aanbevelingen gedaan om in het kader van milieuzonering hier een nadere onderbouwing voor op te stellen. Zoals te lezen in onder andere de uitspraak van de Raad van State ‘ECLI:NL:RVS:2016:2373’, zijn er geen wettelijke bepalingen inzake de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld en nabijgelegen woningen. Er wordt gesproken over een minimale afstand van 50 meter als vuistregel tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid, waarbij opgemerkt wordt dat er een keuze gemaakt kan worden voor een kortere afstand indien dit middels een deugdelijke belangenafweging en motivatie wordt gedaan. Deze afstand van 50 meter is overigens gebaseerd op het gebruik van gewassenbeschermingsmiddelen voor fruitteelt. Dat is een teelt die vele meters boven de grond plaatsvindt en dus dito het gebruik van middelen. Bij het (in dit geval eventuele) gebruik van de gronden voor bollenteelt, zal deze mogelijk drift van gassen vele malen lager zijn dan bij fruitteelt. Voor de situatie dat er sprake is van het in gebruik nemen van de gronden voor bollenteelt, geldt dat de desbetreffende agrariër het gebruik van de bestrijdingsmiddelen zal beperken (om zowel economische als ecologische redenen).

Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) heeft recentelijk onderzoek gedaan naar een mogelijk verband tussen gezondheid en de nabijheid van landbouwgewassen. Daarbij hebben zij geen duidelijk verband gevonden. Sterker nog, over het algemeen leken mensen die dichter bij landbouwpercelen wonen zelfs wat gezonder. Dat blijkt uit een meerjarig onderzoek genaamd ‘Gezondheidsverkenning omwonenden van landbouwpercelen’ met als publicatiedatum 06-07-2018. Het RIVM rapport heeft het kenmerk 2018-0068 en is te vinden via het RIVM. In 2019 is een omvangrijk onderzoek uitgebracht van een consortium van wetenschappers waarin voor het eerst zo uitgebreid de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen in Nederland in kaart is gebracht, specifiek bij omwonenden van bollenvelden. De onderzoeksresultaten daarvan zijn vastgelegd in het rapport 'Bestrijdingsmiddelen en omwonenden', rapport 2019-0052. In het algemeen blijkt uit het onderzoek dat naast opname van de huid en inademing, mensen stofdeeltjes met bestrijdingsmiddelen op hun kleding en schoenen mee kunnen dragen en dat mensen via het eten van groente en fruit uit eigen tuin bestrijdingsmiddelen binnen kunnen krijgen. De belangrijkste routes voor de blootstelling van omwonenden zijn verdamping van bestrijdingsmiddelen vanuit het bollenveld na de bespuiting en inname van bestrijdingsmiddelen via huisstof.

Omdat de wind tijdens de bespuitingen niet gericht was op de huizen van omwonenden, werd in het veldonderzoek geen bijdrage via drift tijdens de bespuitingen waargenomen. Dit laatste is ook goed gebruik bij telers. Er wordt vrijwel altijd gelet op de windrichting bij bespuitingen. Het is namelijk ook in het belang van de teler dat de gespoten middelen op de gewassen terechtkomen, in het gebied van het gewas blijven en niet van het gebied afwaaien (behalve gezondheidsredenen ook vanwege de hoge kosten van arbeid (loonwerk) en kosten van gewasbeschermingsmiddelen). Er in de regels een voorwaardelijke verplichting worden opgenomen voor het aanplanten van een haag van 1,5 m rondom de woonbestemming. Deze haag van ca. 1,5 meter hoog, wordt op

de op ca. 7 meter van de rechtergevel van de woning met nummer 6 geplaatst. De haag komt ook aan de noordzijde van het woonperceel. Om een goed woon- en leefklimaat te waarborgen, is het van belang dat de bovengenoemde haag wintergroen/bladhoudend is. Omdat groenblijvende hagen een reducerende werking voor mogelijke drift op de woonkavels hebben, kan op deze manier (vrijwel) uitgesloten worden dat er gewasbeschermingsmiddelen bij de woningen terecht kunnen komen. Hierdoor kan worden afgezien van een spuitvrije zone. Onder de hiervoor genoemde omstandigheden wordt geconcludeerd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

Conclusie bedrijven en milieuzonering Gelet op het bovenstaande vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

4.3

Bodem

Wetgeving In het kader van de Woningwet / Gemeentelijke Bouwverordening dient een bestemmingsplanwijziging en de daaruit (voortvloeiende) omgevingsvergunningaanvraag (activiteit bouwen) vergezeld te gaan van een rapportage met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. In verband met de sloop van agrarische bedrijfsbebouwing en bestemmingswijziging van bedrijfswoning naar reguliere woning is inzage in de milieuhygiënische bodemkwaliteit gewenst. Doel van het onderzoek is het vaststellen of het voormalige dan wel het huidige gebruik van de onderzoekslocatie heeft geleid tot een verontreiniging van de bodem. Het verkennend bodemonderzoek beoogt inzicht te verkrijgen in aard, plaats van voorkomen en concentraties van eventueel aanwezige verontreinigende stoffen in de bodem. Beoordeling planvoornemen Uit het verkennend bodemonderzoek, zijn de volgende resultaten naar voren gekomen welke van belang zijn voor deze bestemmingswijziging: • • •

de bovengrond is licht verontreinigd met kwik; de ondergrond is niet verontreinigd; het grondwater is niet verontreinigd.

Gelet op de onderzoeksresultaten, te weten de aangetoonde overschrijding van de betreffende achtergrondwaarde (grond) dient de hypothese ‘onverdacht’ voor de onderzoekslocatie formeel te worden verworpen. Echter, de gemeten waarde is dermate gering dat aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze stof in de bodem op het perceel, ons inziens, niet noodzakelijk is. Ons inziens is in afdoende mate een beeld verkregen van de chemische bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Belemmeringen inzake de voortzetting van het huidige gebruik en de bestemmingswijziging worden vanuit milieuhygiënisch oogpunt niet voorzien. Het volledige rapport met kenmerk 2006N750/PMU/rap1 is als losse bijlage toegevoegd bij deze toelichting.

Conclusie bodem Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.4

Ecologie

Wetgeving Bij de aanvraag van een bestemmingsplanwijziging, toetst het bevoegd gezag aan de Wet natuurbescherming (Wnb). In het kader van deze wet moet niet alleen de invloed op beschermde soorten worden vastgesteld, maar ook of de ruimtelijke ingreep negatieve invloed heeft op beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000. Doel van de Quickscan is het toetsen van de plannen aan de Wnb, zodat inzichtelijk wordt welke maatregelen getroffen moeten worden om overtreding van deze wet te voorkomen. Beoordeling planvoornemen Het plangebied ligt in het buitengebied van Noordwijk. Op de onderstaande kaart is te zien dat het plangebied geen deel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland. Het gebied maakt eveneens geen onderdeel uit van een ander beschermd gebied, zoals Natura 2000, belangrijk weidevogelgebied of strategische reservering natuur. Binnen een straal van 10 kilometer liggen de volgende Natura 2000-gebieden: • •

Kennemerland-Zuid – 475 m Coepelduynen - 6 km

Gelet op het feit dat het plan bestaat uit enkel de planologische wijziging van bedrijfswoning naar reguliere woningen (inclusief de sloop van het huidige pand) is er geen significante toename van stikstofdepositie te verwachten. Sterker nog, het is aannemelijk dat deze afneemt (mede door het feit dat de caravanstalling, met bijbehorende verkeer aantrekkende werking wordt gesloopt). De te slopen bedrijfshal bestaat uit een staalconstructie, systeemwanden en (deels) glazen dak. Voor de sloop en afvoer van het sloopmateriaal is beperkte inzet van materieel nodig. Een nader onderzoek naar stikstofdepositie is niet nodig.

In verband met de sloop van het pand, is er wel een Quickscan Wnb uitgevoerd. Uit bureaustudie en biotooptoets is naar voren gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen worden aangetast van in de Wet natuurbescherming beschermde soorten. Eveneens is het plangebied ongeschikt biotoop voor beschermde soorten. In de caravanstalling zijn twee jaarrond beschermde nesten gevonden van de boerenzwaluw. De boerenzwaluwen broedden voorheen in de paardenstal en deze is inmiddels door de opdrachtgever opnieuw geschikt worden gemaakt voor de zwaluwen door het creëren van een grote opening onder de dakrand. Zwaarwegende ecologische omstandigheden worden uitgesloten door het beschikbaar stellen van een nestplaats in de directe omgeving van de huidige nestlocatie. Dit is nader uitgewerkt in de Quickscan Wnb. Tijdens de werkzaamheden op het terrein zal te allen tijde de zorgplicht onder de Wnb in acht worden genomen. De zorgplicht onder artikel 1.11 van de Wnb stelt dat ieder voldoende zorg in acht neemt voor de directe leefomgeving inclusief levende dieren en planten. Hierbij worden voor handelingen waarbij redelijkerwijs nadelige gevolgen kunnen optreden achterwege gelaten of de noodzakelijke maatregelen getroffen om gevolgen te voorkomen. In dit kader zal voor de boerenzwaluw een andere nestplaats worden gecreëerd zoals hierboven beschreven.

Bij het vinden van andere nesten binnen de stalling zal gewacht worden met de werkzaamheden tot het uitvliegen van de jongen. Het volledige rapport met de bevindingen en de aanbevelingen, is als bijlage met kenmerk R&O20062737 toegevoegd bij deze toelichting. Conclusie ecologie Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect ecologie geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.5

Externe Veiligheid

Wetgeving Bij externe veiligheid gaat het om situaties waarbij een ongeval kan plaatsvinden met gevaarlijke stoffen of als gevolg van luchtvaartverkeer nabij luchthavens, waardoor mensen die verder niets met de betreffende activiteit te maken hebben, om het leven kunnen komen. Er wordt gekeken naar de risico’s verbonden aan risicovolle inrichtingen, waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, opgeslagen of gebruikt en vervoer van gevaarlijke stoffen via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen. Het belangrijkste instrument om de externe veiligheid te waarborgen is ruimtelijke scheiding aan de hand van veiligheidsafstanden tussen (beperkt) kwetsbare objecten en risicobronnen. Bij (beperkt) kwetsbare objecten dient gedacht te worden aan ruimten waar personen gedurende langere tijd verblijven (woning, recreatieterrein), gebouwen met grote aantallen personen (winkelcomplex, grote supermarkt, warenhuis) of personen met beperkte zelfredzaamheid (ziekenhuis, school, kinderopvang). Naast maatregelen aan de bron (bijvoorbeeld Best Beschikbare Technieken voor inrichtingen), dienen afdoende maatregelen in de omgeving te worden genomen door middel van zonering: hoe minder mensen binnen de risicocontouren van een risicovolle activiteit vallen, hoe beter de veiligheidssituatie.

De wettelijke kaders voor externe veiligheid worden gevormd door de volgende wet- en regelgeving: -

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); Besluit externe veiligheid transport van gevaarlijke stoffen (Bevt) Wet luchtvaart (obstakelvrije vlakken en veiligheidszones; voor Schiphol gelden ook het Luchthavenindelingbesluit (LIB) en het Luchthavenverkeerbesluit (LVB).

Als centrale maatstaf voor het in beeld brengen van de externe veiligheidsrisico’s worden de begrippen plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR) gehanteerd. Deze begrippen zijn in de wet eenduidig gedefinieerd, en in de wetgeving zijn normen opgenomen (grenswaarden en richtwaarden voor het PR, en een oriëntatiewaarde voor het GR) die bepalen welke omvang van een extern veiligheidsrisico onacceptabel is. Zo beoogt de wetgeving te voorkomen dat er (beperkt) kwetsbare objecten (kunnen) worden gerealiseerd op locaties waar het PR als gevolg van risicobronnen in de omgeving hoger is dan 10-6/jaar (één op een miljoen). Verder beoogt de wetgeving het bevoegd gezag een afwegingskader te bieden voor het omgaan met risicobronnen die bij een ongewoon voorval kunnen leiden tot grotere hoeveelheden dodelijke slachtoffers (maatschappelijke ontwrichting). Indien het bevoegd gezag een ruimtelijk besluit wil nemen, moet daaraan een analyse van het groepsrisico vooraf gaan. Indien het GR door het (te nemen) ruimtelijke besluit toe zal nemen, dient bij het ruimtelijke besluit een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. De methodiek waarmee het GR moet worden bepaald, is wettelijk vastgelegd. De uitkomsten daarvan zijn afhankelijk van de hoeveelheid aanwezige personen in de omgeving van de risicobron.

Tot hoever die relevante risico-omgeving strekt, is wettelijk gedefinieerd als het invloedsgebied. Doorgaans wordt dit gebied begrensd door de 1% letaliteitsgrens (de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen komt te overlijden als gevolg van de risicovolle activiteit). Gesteld kan worden dat aanwezigheid van personen buiten het invloedsgebied van een risicobron niet meetelt voor de hoogte van het GR dat door die risicobron wordt veroorzaakt. Beoordeling planvoornemen Met behulp van de Risicokaart is onderzocht of er relevante risicobronnen in de directe nabijheid van het plangebied liggen. Hierbij is zowel gekeken naar de plaatsgebonden risicocontouren groter dan 10 -6/jaar als individuele risico-elementen, te weten risicovolle inrichtingen (bedrijfsactiviteiten), transport van gevaarlijke stoffen en luchtvaart. Zie onderstaande figuur.

Risicovolle inrichtingen Uit de risico-inventarisatie blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen zijn in de nabije omgeving. Voor zowel het PR (risicocontour) als het GR (invloedsgebied) geldt dat de planlocatie niet binnen de risicocontouren valt van bedrijven die zich op nog grotere afstand bevinden. Op ruime afstand bevinden zich: -

Camping De Carlton en Club Soleil Kraaierslaan op ca 1.500 meter

De contour van de bijbehorende invloedgebieden plaatsgebonden risico enkel rondom de desbetreffende bedrijven. Gelet op de ruimte afstand tussen het planvoornemen en deze contouren, vormen de risicovolle inrichtingen geen risico. Transport gevaarlijke stoffen over de weg In de directe omgeving van het planvoornemen liggen geen wegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Nadere toetsing is dan ook niet noodzakelijk. Transport gevaarlijke stoffen over het spoor In de directe omgeving van het planvoornemen liggen geen spoorlijnen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Nadere toetsing is dan ook niet noodzakelijk. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen Op ruim 1.700 meter van het planvoornemen ligt aardgasleiding (A-560). Deze aardgasleiding heeft een diameter van 914 mm en een druk van 66,2 bar. In het vigerend bestemminsplan is beschreven dat de PR 10-6 contour op de leiding zelf ligt. De contouren voor het invloedsgebied bedraagt 430 meter. Door de vaststelling van het bestemmingsplan zal het GR dan ook niet toenemen. Het GR vormt daarmee geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Gelet op het plan en de ruime afstand tot de buisleiding is een nadere toetsing is dus niet noodzakelijk.

Conclusie externe veiligheid Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.6

Geluidhinder

Wetgeving Aangezien woningen geluidgevoelig zijn, dient overeenkomstig de Wet geluidhinder (Wgh) beoordeeld te worden of aan wet- en regelgeving wordt voldaan en sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt in dat ter plaatse van de nieuwe woningen een aangenaam woon- en leefklimaat gewaarborgd dient te zijn. Beoordeling planvoornemen Geluidsoverlast kan veroorzaakt worden door lawaai afkomstig van industrie, railverkeer, wegverkeer en/of luchtvaartverkeer. Er bevinden zich in de buurt van het plangebied geen grote lawaaimakers overeenkomstig bijlage 1 onderdeel D van het Besluit omgevingsrecht (Bor), noch een gezoneerd industrieterrein conform artikel 40 Wgh (industrielawaai). Ook is er in de nabijheid van het plangebied, geen spoorlijn (railverkeerlawaai) en ligt het plangebied niet binnen een geluidszone (’20 Ke-contour’) van een luchthaven (luchtvaartverkeer-lawaai). Een nadere onderbouwing is dus niet nodig.

Ook voor het aspect wegverkeerlawaai geldt dat geen nader onderzoek noodzakelijk is. Gelet op de huidige omgeving waarbij de woningen reeds aanwezig zijn én de woningen op ca. 30 meter van de as van de naastgelegen weg liggen, is een nader onderzoek niet doelmatig. Omdat in deze woningen al een goed woon- en leefklimaat geborgd moet zijn, is het niet doelmatig voor dit planvoornemen apart akoestisch onderzoek. Conclusie geluidhinder Gelet op het bovenstaande, luidt de conclusie dat er een goed woon- en leefklimaat geborgd is met het realiseren van dit planvoornemen.

4.7

Luchtkwaliteit

Wetgeving Op 15 november 2007 is de Wet milieubeheer gewijzigd. Aan hoofdstuk 5 is een titel toegevoegd: titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen. Deze wet vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005. Het doel van de wet is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Daartoe zijn in de wet grenswaarden voor onder meer stikstofdioxide (NO 2) en zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5) opgenomen. Dit zijn in ons land de meest kritische luchtverontreinigende componenten met de hoogste kans op overschrijdingen van de grenswaarden. De normen zijn op basis van gezondheidskundige aspecten bepaald, maar ook onder de norm kunnen gezondheidseffecten optreden, zij het vooral bij mensen die er gevoelig voor zijn, zoals kinderen en ouderen. Bij concentraties onder de 40 µg/m 3 neemt de kans op effecten wel geleidelijk af, al is voor fijnstof geen gezondheidskundige grenswaarde vast te stellen. In onderstaande tabel staan de grenswaarden zoals vermeld in bijlage 2 van de Wet milieubeheer weergegeven. Tabel 4: Grenswaarden NO2 en PM10 overeenkomstig bijlage 2 Wet milieubeheer Stof

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Noordwijk&id=81d445d0-d75c-4ea2-922b-7873804db33d