bijlage b. Artikelsgewijze toelichting Reglement van Orde, 2023
Tekst van het document
Artikelgewijze toelichting Reglement van Orde, Noordwijk 2023 Artikel 1a - De uitgangspunten Een Reglement van Orde (hierna: RvO) is gebaseerd op gezamenlijke waarden, normen en mores binnen de gemeenteraad. Deze zijn in een bij dit RvO behorend apart document samengebracht onder de naam “De 9 van Noordwijk”.
Artikel 2 - De voorzitter De burgemeester is de voorzitter van de raad. Dit is opgenomen in artikel 125, derde lid, van de Grondwet en artikel 9 van de Gemeentewet. De Gemeentewet schrijft in artikel 77, eerste lid, voor dat bij ontstentenis of verhindering van de burgemeester het langstzittende raadslid het voorzitterschap van de raad waarneemt. Als twee raadsleden even lang zitting hebben, is de oudste in jaren degene die het raadsvoorzitterschap waarneemt. De raad kan ook een ander raadslid met de waarneming belasten. De burgemeester heeft op grond van artikel 21 van de Gemeentewet het recht om aan de beraadslaging deel te nemen.
Artikel 3 – De griffier Iedere gemeenteraad heeft een griffier (artikel 100 van de Gemeentewet). De griffier is de eerste adviseur van de raad en is in principe bij elke vergadering van de raad aanwezig. De Gemeentewet regelt verder dat de raad de vervanging van de griffier regelt (artikel 107d, eerste lid). In verband met artikel 22 van de Gemeentewet (verschoningsrecht) is in het derde lid een bepaling opgenomen met betrekking tot het deelnemen van de griffier aan de beraadslagingen.
Artikel 4 – De agendacommissie De agendacommissie vervult een belangrijke (coördinerende) rol bij de voorbereiding van de raads- en commissievergaderingen. Daarbij gaat het onder meer over het (voorlopig) vaststellen van de agenda’s van de raad en beeldvormende en meningsvormende commissies. De agendacommissie is verder verantwoordelijk voor de planning van de raadseigen producten en de bewaking van de lange termijnkalender. De rol van de agendacommissie is toegenomen met de keuze voor het huidige vergadermodel. Het vergadermodel bestaat uit informerende beeldvormende commissies, gevolgd door meningsvormende commissies en de besluitvormende raadsvergadering. De agendacommissie bepaalt de agenda’s van de beeldvormende en meningsvormende commissievergadering en de voorlopige agenda van de raadsvergadering, onder meer op basis van de lange termijnkalender. Na behandeling van een onderwerp in de meningsvormende commissie vindt de (formele) besluitvormig in de raadsvergadering plaats. Het streven is erop gericht dat een voorstel een doorlooptijd heeft van maximaal circa 4 weken. Daarbij kan het zijn dat de raad een zogeheten “structuur doorbrekend besluit” moet nemen. In dat geval is het aan de agendacommissie om daarvoor een op maat gesneden procedure voor vast te stellen. De termijn van maximaal circa 4 weken wordt dan noodzakelijkerwijs losgelaten.
Aan de andere kant kan het voorkomen dat besluiten een zodanig spoedeisend karakter 1
hebben, dat ze geen uitstel kunnen hebben (bijv. bij contractuele verplichtingen of mogelijke overschrijding van wettelijke termijnen). Een verzoek om een stuk direct door te geleiden naar de besluitvormende raadsvergadering wordt schriftelijk gemotiveerd door het college. De agendacommissie adviseert de raad over het al dan niet honoreren van dit verzoek. In het geval een gemeente deelneemt in een gemeenschappelijke regeling of ander gremium zal in het eerste geval in de regeling zijn opgenomen hoe de raad geïnformeerd wordt door de vertegenwoordiger van de gemeente in de gemeenschappelijke regeling (artikelen 16 en 18 van de Wet gemeenschappelijke regelingen). Van belang is dat de agendacommissie de vergadercyclus van deze besturen en gremia kent. Het kan nodig zijn dat de raad voorafgaand aan een vergadering van het bestuur de gemeentelijke vertegenwoordiger informatie of opvattingen wil meegeven. Ook de P&C-cyclus van de gemeenschappelijke regeling is relevant voor de agendacommissie zodat de raad tijdig de noodzakelijke zienswijzen kan leveren. De agendacommissie bestaat uit de voorzitter van de raad, de plaatsvervangend voorzitter van de raad en de voorzitters van de beeldvormende en meningsvormende commissies. Niet alle fracties zijn derhalve vertegenwoordigd in de agendacommissie.
Alle fractievoorzitters kunnen om die reden kennis nemen van de concept-agenda van de agendacommissie en desgewenst hun mening over de behandeling van stukken kenbaar maken. De voorzitter van de raad is ook de voorzitter van de agendacommissie. De agendacommissie stelt de agenda van de raad voorlopig vast en de agenda van de beeldvormende en meningsvormende commissies definitief vast.
Artikel 5 – Het fractievoorzittersoverleg In dit overleg zitten alle fractievoorzitters. Het is geen politiek forum, maar een overleg, waarin zaken die de huishouding van de raad betreffen worden besproken. Hieronder vallen onder meer: de voorbereiding van de fractieverantwoordingen, de inventarisatie benoemingen voor commissies en vraagstukken rondom de gedragscode.
Artikel 6 - Onderzoek geloofsbrieven en beëdiging raadsleden Met de geloofsbrief geeft de voorzitter van het centraal stembureau aan de benoemde kennis van zijn benoeming (artikel V 1 van de Kieswet). Voor dit benoemingsbesluit is bij ministeriële regeling een model vastgesteld. De benoemde geeft schriftelijk aan of hij de benoeming aanneemt (artikel V 2 van de Kieswet). Tegelijk overlegt de benoemde de stukken waaruit blijkt dat hij voldoet aan de eisen om toegelaten te worden als lid van de raad. Dit zijn: een ondertekende verklaring met de openbare betrekkingen die hij bekleedt; een uittreksel uit de basisregistratie personen met zijn woonplaats, geboorteplaats en – datum en (indien niet-Nederlander) stukken waaruit blijkt dat hij voldoet aan de vereisten van artikel 10, tweede lid, van de Gemeentewet (artikel V 3 van de Kieswet). Het besluit inzake toelating tot de raad moet in een openbare vergadering gebeuren. De commissie die de geloofsbrieven onderzoekt brengt verslag uit. Derde lid Het onderzoek van het proces verbaal (onderzoek naar het verloop van de verkiezing of de vaststelling van de uitslag) gebeurt door de oude raad vlak voor de eerste samenkomst van de nieuwe raad na de gemeenteraadsverkiezingen. Het onderzoek van het proces-verbaal strekt zich niet uit tot de geldigheid van de kandidatenlijsten.
Het lid ziet toe op de specifieke taak, die de raad heeft na de gemeenteraadsverkiezingen. Na deze verkiezingen heeft de commissie voor het geloofsbrievenonderzoek een extra taak. Zij 2
adviseert de raad ook over het verloop van de verkiezingen (of dit op wettige wijze is gebeurd) en het vaststellen van de uitslag (is deze juist vastgesteld). Zij doet dit op basis van het procesverbaal van het centraal stembureau. De raad dient op basis van dit advies een besluit te nemen over het verloop van de verkiezingen en de vaststelling van de uitslag. Dit besluit is van belang omdat de raad de bevoegdheid heeft om te besluiten tot het hertellen van de stemmen en zelfs tot een herstemming, beiden eventueel in een deel van de gemeente bij een aantal specifieke stembureaus. Het proces-verbaal vormt de basis van een besluit tot hertelling of herstemming. Dit dient concrete aanwijzingen te bevatten om tot een dergelijk besluit over te gaan. Het feit dat een fractie een klein aantal stemmen te weinig heeft om een extra zetel te behalen is geen valide motivering om tot hertelling over te gaan. Een proces-verbaal waaruit blijkt dat kiezers bezwaar hebben gemaakt tegen de zorgvuldigheid waarop het stembureau na sluiting de stemmen heeft geteld, kan dat wel zijn. Vierde en vijfde lid Ingevolge artikel V4 van de Kieswet beslist de raad over de toelating van zijn leden. Daarbij is er een verschil in de procedure bij de samenstelling van een nieuwe raad of bij de vervulling van een tussentijdse vacature.
Na een raadsverkiezing moeten de raadsleden op de eerste vergadering van de raad in nieuwe samenstelling de eed of verklaring en belofte afleggen. De voorzitter zal hen hiervoor oproepen. Bij een tussentijdse vacaturevervulling kan de eed of verklaring en belofte aansluitend aan de beslissing van de raad over de toelating van het betrokken raadslid plaatsvinden. Dit is mogelijk omdat er geen beroep open staat tegen de beslissing tot toelating als lid van de raad. Zodra de beslissing aan het betrokken raadslid is meegedeeld, treedt de beslissing in werking en kan het lid worden beëdigd. Bij een tussentijdse installatie leidt de griffier een door de raad toegelaten lid de zaal binnen voor het afleggen van de eed of verklaring en belofte en begeleidt hij het nieuwe lid vervolgens naar de hem toegewezen plaats. De tekst van de eed of verklaring en belofte is in artikel 14 van de Gemeentewet vastgelegd. Zesde lid De gemeenteraad van Noordwijk kent ook de mogelijkheid om commissieleden-niet raadsleden te benoemen. Voor deze leden geldt dezelfde benoemingsprocedure, omdat zij als leden van een commissie ook bepaalde rechten hebben, die gelijk zijn aan die van de raadsleden (zoals de aanwezigheid bij besloten commissievergaderingen).
Artikel 7 – Benoeming wethouders Uit de Kieswet vloeit het geloofsbrievenonderzoek van raadsleden voort. Aangezien de wethouder geen gekozen volksvertegenwoordiger is, is hierover niets in de Kieswet geregeld. De Gemeentewet geeft wel aan welke formele eisen gesteld worden aan een wethouder maar niet op welk moment deze getoetst worden. De formele eisen voor het wethouderschap zijn grotendeels vergelijkbaar met de vereisten voor het raadlidmaatschap (Gemeentewet artikelen 36a, 36b, 41b en 41c). Het ligt voor de hand om voor het benoemen van wethouders ook een commissie voor het onderzoek naar de geloofsbrieven in te stellen. Dit artikel is ook van toepassing als er geen wethouder van buiten maar uit de raad wordt benoemd, de incompatibiliteiten en nevenfuncties dienen immers opnieuw beoordeeld te worden. Bij de benoeming van een wethouder zal er een integriteitstoets plaatsvinden. De gedragscode politieke ambtsdragers speelt hierbij een rol. Daarnaast moet een recent afgegeven verklaring omtrent het gedrag (VOG) worden overgelegd. De VOG kent een screeningsprofiel voor politieke ambtsdragers. Bij dit profiel staat de integriteit van de aspirant bestuurder centraal. Het is mogelijk om deze VOG via een spoedprocedure uit te laten voeren. 3
Een raadslid dat benoemd wordt tot wethouder mag raadslid blijven totdat de geloofsbrieven van zijn opvolger zijn goedgekeurd (artikel 36b, tweede lid, van de Gemeentewet).
Artikel 8 – Fracties Eerste en tweede lid Na het vaststellen van de uitslag van de verkiezingen vindt de eerste zitting van de nieuwe raad plaats. Bij de aanvang van deze zitting worden de leden, die op dezelfde lijst staan, beschouwd als één fractie. Is onder een lijstnummer slechts één lid verkozen, dan wordt dit lid als een afzonderlijke fractie beschouwd. Indien een fractie geen aanduiding boven de kandidatenlijst had vermeld, deelt de fractie in de eerste vergadering de naam van de fractie mee. Vierde lid In de loop van de zittingsperiode kan het voorkomen dat er een verandering in samenstelling van een fractie plaatsvindt. Als dit het geval is, deelt de fractie dit zo snel mogelijk aan de voorzitter mee. Op grond van de Kieswet en de Gemeentewet heeft de raad geen zeggenschap over wijzigingen in de samenstelling, fusies en splitsingen van de fracties. De raad is gehouden rekening te houden met de nieuwe situatie met ingang van de eerstvolgende raadsvergadering nadat de mededeling is gedaan.
Dit betekent ook dat: - kandidaten die van een kandidatenlijst deel uitmaken en binnen die lijst/partij een onderlinge schriftelijke (en soms notariële) afspraak maken, bijvoorbeeld dat men onder bepaalde voorwaarden zal afzien van aanvaarding van het raadslidmaatschap, zich dienen te realiseren dat dergelijke afspraken nietig zijn, vanwege strijd met de Gemeentewet en de Kieswet; - personen die tussentijds van partij veranderen hun raadslidmaatschap niet verliezen; - als men uit een partij stapt en als eigen partij verder gaat, de verlatende partij geen middelen heeft om het raadslid uit de raad te weren. Als moet worden voorzien in de vacature van een raadslid dat zich heeft afgesplitst, wordt teruggegrepen op de lijst waarop betrokkene oorspronkelijk was gekozen (artikel P 19 van de Kieswet). Vijfde lid De naam van de fractie dient getoetst te worden aan de afwijzingsgronden uit artikel G 3 van de Kieswet. Als de nieuwe fractie meedoet aan de eerstvolgende raadsverkiezingen zal dit ook moeten gebeuren.
Artikel 9 – Proces van besluitvorming Besluiten die de raad neemt komen tot stand via het zogeheten “BOB-model”. Dit model maakt onderscheid tussen de beeldvormende fase (door middel van het stellen van vragen komen tot optimale duidelijkheid), de meningsvormende fase (woordvoerders van de fractie gaan met elkaar het debat aan) en de besluitvormende fase. Eerstgenoemde 2 fases vinden plaats in commissieverband, en wel beide fases in één avond. Het besluit wordt genomen in de raadsvergadering. Bedoeling is om de periode van de beeldvorming tot het raadsbesluit in maximaal 4 weken te laten plaatsvinden. Uitzondering hierop wordt gemaakt voor zogeheten structuur doorbrekende raadsbesluiten. Daarvoor wordt in de agendacommissie een op maat gesneden proces vastgesteld.
4
Artikel 10 – Tijd en plaats van vergaderen De vergaderingen vinden plaats in het gemeentehuis dan wel op een ander aangewezen vergaderplaats. De data van de vergaderingen is opgenomen in het vergaderschema. Aanvangstijd van alle vergaderingen is 20.00 uur.
Artikel 11 – Oproep Onder schriftelijk wordt ook verstaan het digitaal ter beschikking stellen van de stukken en de agenda via het raadsinformatiesysteem en de website. Het tweede lid stelt verplicht dat de agenda en de daarbij behorende stukken, met uitzondering van de in artikel 25, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet bedoelde stukken, tegelijkertijd met de oproep aan de leden worden verzonden. De in artikel 25, eerste en tweede lid, bedoelde stukken zijn stukken ten aanzien waarvan geheimhouding is opgelegd.1 Hier wordt duidelijk melding van gemaakt op de stukken. Deze liggen ter inzage op de griffie.
Artikel 12 – Agenda De agendacommissie stelt de agenda van de beeldvormende en de meningsvormende commissies vast. Het laatste woord over de agenda van de besluitvormende raadsvergadering is aan de raad. De agendacommissie bepaalt in zijn overleg hoe de agenda eruit komt te zien, daarbij rekening houdend met niet behandelde voorstellen uit de voorgaande vergadering, welke bovenaan de bespreekagenda van de eerstvolgende vergadering worden geplaatst (en ook als eerste behandeld zullen worden, tenzij de raad daarover anders beslist). Dit is echter een voorlopige vaststelling van de agenda. Individuele raadsleden kunnen via de agendacommissie onderwerpen voor de agenda voordragen. Zij kunnen echter ook bij aanvang van de raadsvergadering een voorstel doen om onderwerpen aan de agenda toe te voegen of van de agenda af te voeren.
Artikel 13 – Publicatie en ter inzage leggen van stukken De vergaderstukken worden digitaal verzonden en gepubliceerd. Uiteraard dienen de raadsleden en andere geïnteresseerden de mogelijkheid te hebben om alle stukken desgewenst in te zien. Daarom worden alle stukken gelijktijdig met het verzenden van de oproep in fysieke vorm ter inzage gelegd op het gemeentehuis. Daarnaast worden de stukken doorgaans digitaal aangeboden via de website en/of het raadsinformatiesysteem. Als het gaat om stukken waarop (voorlopige) geheimhouding is opgelegd door het bestuursorgaan dat het document aanbiedt aan de raad, dient dit duidelijk op het stuk te zijn aangegeven. De griffier vervult in dat geval de secretariaatsfunctie. Geheime stukken die betrekking hebben op de agenda en de voorstellen van de raadsvergadering worden bij de griffie ter inzage gelegd. Op verzoek van de leden van de raad kan de griffier inzage aan hen verlenen.
Artikel 14 - Openbare kennisgeving Met dit artikel wordt invulling gegeven aan het voorschrift van artikel 19, tweede lid, van de Gemeentewet. Voor wat betreft de wijze van publicatie is aangesloten bij artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Hier wordt expliciet vastgelegd in welke dag-, 1 Na 1 april 2023 is artikel 87 Gemeentewet de bevoegdheidsgrondslag voor het opleggen van
de verplichting tot geheimhouding.
5
nieuws- of huis-aan-huisbladen de aankondiging van de vergadering van de raad wordt geplaatst. Indien de kennisgeving uitsluitend elektronisch plaatsvindt, dan dient er een grondslag te zijn, zie artikel 3:12 juncto artikel 12 Bekendmakingswet.
Artikel 15 - Presentielijst De verplichting tot het hebben van een presentielijst vloeit voort uit artikel 20 van de Gemeentewet. Deze is bedoeld om formeel vast te stellen dat het vergaderquorum bereikt is. De lijst kan niet dienen om het stemquorum vast te stellen; daarvoor geldt artikel 29 van de Gemeentewet. Het tekenen van de presentatielijst gebeurt onder verantwoordelijkheid van de griffier. Aan het einde van de vergadering stelt de griffier samen met de voorzitter de presentatielijst vast en ondertekent deze. De ondertekening waarborgt dat de lijst volledig is en het quorum bereikt.
Artikel 16 – Zitplaatsen De voorzitter kan na overleg met de fractievoorzitters, de indeling van de raadstafel herzien indien daartoe aanleiding bestaat, bijvoorbeeld na de splitsing van een fractie of de installatie van een nieuw lid. Voor commissievergaderingen is er geen vaste indeling.
Artikel 17 – Instelling raadscommissies Voor de beeldvorming en de meningsvorming zijn er twee commissies: Bestuur, Middelen en Economie (BME) en Ruimte en Welzijn. Fracties worden hierin vertegenwoordigd volgens het bepaalde in artikel 18 van dit reglement.
Artikel 18 – Samenstelling commissies Het eerste lid regelt dat alle raadsleden automatisch ook commissielid zijn en allemaal wanneer nodig kunnen deelnemen aan de beeldvormende en meningsvormende commissies. Op die manier kan een fractie altijd de fractiespecialist afvaardigen en is het ook mogelijk om bijeenkomsten bij te wonen, die voor alle raads- en commissieleden open staan, zoals een presentatie. Elke fractie mag twee commissieleden voordragen voor benoeming door de raad. Vanwege de snellere doorlooptijd is gewezen op de wenselijkheid om de kleinste fracties van een derde commissielid te voorzien. Voor commissieleden gelden dezelfde wettelijke benoemingsvereisten als voor raadsleden. Dit betekent onder andere dat de leden achttien jaar of ouder moeten zijn, over een geldige verblijfstitel moeten beschikken, hun nevenfuncties openbaar moeten maken en geen functie als bedoeld in artikel 13 Gemeentewet mogen vervullen. Ook de bepalingen in artikel 6, eerste en tweede lid van het RvO over het geloofsbrievenonderzoek zijn van toepassing op de commissieleden/niet-raadsleden. Commissieleden/niet-raadsleden zijn niet gekozen bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen en hebben geen mandaat van de kiezer. Er wordt daarom de voorwaarde gesteld dat commissieleden/niet-raadsleden in eerste instantie op de kieslijst van de laatste gemeenteraadsverkiezingen hebben gestaan.
Inwoners kunnen er zo van uitgaan dat deze commissieleden verbonden zijn met de partij waarvoor zij als afgevaardigde optreden. Na twee jaar mogen ook vertegenwoordigers worden voorgedragen als commissielid die niet op de kandidatenlijst hebben gestaan. Hierdoor ontstaat de mogelijkheid om potentiële raadsleden voor de volgende raadsperiode alvast via het commissielidmaatschap in te werken.
6
Het staat een commissielid echter vrij om de overstap te maken naar een andere fractie, ook als die fractie is ontstaan door afsplitsing van een bestaande fractie als bedoeld in artikel 8 lid 4 van dit reglement. Commissieleden/niet-raadsleden ontvangen een vergoeding voor hun deelname aan een commissievergadering (met een maximum van eenmaal de vergoeding per avond).
Artikel 19 – De commissievoorzitter De commissievoorzitter wordt benoemd door en vanuit de raad.
Artikel 20 – Werkwijze commissies In de commissies vindt de voorbereiding van de door de raad te nemen besluiten plaats. Ook wordt in de commissies overlegd met de burgemeester en met het college. In de beeldvormende fase worden vragen gesteld, waarna in de meningsvormende fase het onderlinge debat van de commissie plaatsvindt. Als tijdens de beeld- of meningsvorming door de voorzitter, de commissieleden of de portefeuillehouder in het raadsbesluit een schrijffout wordt geconstateerd dan is het aan de griffie om dit tbv de raadsvergadering te wijzigen. Gaat het om een inhoudelijk fout in het besluit dan wordt het voorstel door de commissie terugverwezen naar het college dan wel gecorrigeerd door een amendement.
Artikel 21 – Inspreekrecht Aan het begin van de beeldvormende commissie is er gelegenheid om in te spreken door personen die een aanwijsbaar belang in de gemeente Noordwijk vertegenwoordigen. Het onderwerp waarover wordt ingesproken hoeft niet per se op de agenda van de betreffende beeldvormende commissievergadering te staan. Wel moet het gaan over een onderwerp dat behoort tot de bevoegdheid van het gemeentebestuur van Noordwijk.
Artikel 22 – Opening vergadering; quorum De vergadering kan geopend worden wanneer meer dan de helft van de raadsleden aanwezig is en de presentielijst heeft getekend (artikel 20, eerste lid gemeentewet). Van belang zijn verder artikel 20, tweede en derde lid Gemeentewet: 2. Indien ingevolge het eerste lid de vergadering niet kan worden geopend, belegt de burgemeester, onder verwijzing naar dit artikel, opnieuw een vergadering tegen een tijdstip dat ten minste vierentwintig uur na het bezorgen van de oproeping is gelegen. 3. Op de vergadering, bedoeld in het tweede lid, is het eerste lid niet van toepassing. De raad kan echter over andere aangelegenheden dan die waarvoor de ingevolge het eerste lid niet geopende vergadering was belegd alleen beraadslagen of besluiten, indien blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is
Artikel 23 – Volgorde sprekers Het voeren van het woord vindt plaats nadat de voorzitter de volgorde van sprekers heeft bepaald. Daarbij geldt dat de indiener van een initiatiefvoorstel of een burgerinitiatief als eerste het woord krijgt. 7
Artikel 24 – Voorstellen van orde Een voorstel van orde vindt mondeling plaats en heeft betrekking op de orde van de vergadering. Dit wordt kort en bondig toegelicht.
Artikel 25 – Spreekregels, aantal spreektermijnen en spreektijden De voorzitter kan volstaan met de behandeling in een termijn. De eventuele tweede termijn kan kort zijn en vindt slechts plaats indien er nog politieke standpuntbepaling moet plaatsvinden door meerdere fracties. Het derde lid benadrukt dat de voorzitter elke spreektermijn afsluit. De beraadslaging over een motie vindt plaats in de reguliere termijnen. Met de lid 7 wordt niet rechtstreeks een spreektijdenregeling ingevoerd. Het dient als grondslag voor een eventueel op een later moment in te voeren regeling als de noodzaak daartoe binnen de raad wordt onderkend.
Artikel 26 - Handhaving van de orde Van belang is artikel 26, derde lid, van de Gemeentewet: Hij kan de raad voorstellen aan een lid dat door zijn gedragingen de geregelde gang van zaken belemmert, het verdere verblijf in de vergadering te ontzeggen. Over het voorstel wordt niet beraadslaagd. Na aanneming daarvan verlaat het lid de vergadering onmiddellijk. Zo nodig doet de voorzitter hem verwijderen. Bij herhaling van zijn gedrag kan het lid bovendien voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de vergadering worden ontzegd.
Artikel 27 – Beraadslaging en schorsing vergadering Het eerste lid van dit artikel geeft de raad de mogelijkheid om bijvoorbeeld omvangrijke onderwerp per onderdeel te behandelen. Voor nader beraad kan de voorzitter of een lid van de raad, de raad laten besluiten om te schorsen. Daarbij benoemt de voorzitter het tijdstip waarop de vergadering weer wordt hervat.
Artikel 28 – Ingekomen stukken Alle aan de raad en commissies gerichte stukken worden opgenomen op de lijst van ingekomen stukken. Hieronder vallen ook de brieven en stukken van het college aan de raad. De agendacommissie geeft op voorstel van de griffier bij elk stuk aan op welke wijze het stuk (procedureel) kan worden behandeld. De raad stelt vervolgens in elke raadsvergadering formeel de wijze van afdoening van deze ingekomen stukken vast.
Artikel 29 - Deelname aan beraadslagingen door anderen De raad kan beslissen dat anderen kunnen deelnemen aan de beraadslagingen, bijvoorbeeld een externe deskundige. Een dergelijke spreker heeft vanzelfsprekend geen andere individuele rechten die toebehoren aan de raad, zoals het recht van amendement of stemrecht.
Artikel 30 – Omgang met voorstellen van het college Als het college het voorstel heeft voorbereid en overgedragen aan de gemeenteraad, heeft dit ook tot gevolg dat het collegevoorstel niet meer door hen kan worden ingetrokken. Bijvoorbeeld wanneer het college van oordeel is dat verdere behandeling van het voorstel niet wenselijk is (bijvoorbeeld omdat zij een voorstel willen wijzigen). De raad moet hiervoor toestemming geven. 8
Indien de raad van oordeel is dat een voorstel voor een verordening of een ander voorstel niet voldoende is voorbereid, kan de raad het betreffende stuk op grond van het tweede lid nogmaals voor advies aan het college zenden. De raad kan het college bijvoorbeeld verzoeken het voorstel nader te onderbouwen. De raad bepaalt echter wanneer het voorstel voor een verordening of ander voorstel, dat door het college verder voorbereid is, opnieuw behandeld wordt. De raad kan dit in dezelfde raadsvergadering regelen, maar de raad kan dit ook aan de agendacommissie overlaten.
Artikel 31 - Sluiting beraadslaging en stemverklaring De voorzitter kan de beraadslaging sluiten als hij vaststelt dat een onderwerp voldoende is toegelicht, tenzij de raad anders beslist. Ieder raadslid heeft het recht om kort te motiveren waarom hij of zijn fractie ‘voor’ of ‘tegen’ het voorstel gaat stemmen.
Artikel 32 – Primus bij hoofdelijke stemming Indien besloten wordt tot mondeling hoofdelijke stemming over het voorstel wordt voor dat onderwerp bij loting een volgnummer van de presentielijst getrokken. Nadat de naam van het betreffende raadslid wordt opgeroepen, meldt het raadslid ‘voor’ of ‘tegen’ het voorstel te zijn waarna de volgorde op de lijst wordt afgewerkt.
Artikel 33 – Algemene bepalingen over stemmingen Stemming kan bij handopsteken of elektronisch. Van belang zijn de artikelen 27 t/m 30, 32 Gemeentewet: Art. 27: De leden van de raad stemmen zonder last. Art. 28: 1. Een lid van de raad neemt niet deel aan de beraadslaging en stemming over: a. een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger is betrokken; b. de vaststelling of goedkeuring der rekening van een lichaam waaraan hij rekenplichtig is of tot welks bestuur hij behoort. 2. Bij een schriftelijke stemming wordt onder het deelnemen aan de stemming verstaan het inleveren van een stembriefje. 3. Een benoeming gaat iemand persoonlijk aan, wanneer hij behoort tot de personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt. 4. Het eerste lid is niet van toepassing bij het besluit betreffende de toelating van de na periodieke verkiezing benoemde leden. Art. 29: 1. Een stemming is alleen geldig, indien meer dan de helft van het aantal leden dat zitting heeft en zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden, daaraan heeft deelgenomen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing:
9
a.
b.
ingeval opnieuw wordt gestemd over een voorstel of over een benoeming, voordracht of aanbeveling van een of meer personen ten aanzien van wie in een vorige vergadering een stemming op grond van dat lid niet geldig was. In een vergadering als bedoeld in artikel 20, tweede lid, voor zover het betreft onderwerpen die in de daaraan voorafgaande, ingevolge artikel 20 ,eerste lid, niet geopende vergadering aan de orde waren gesteld.
Art. 30: 1. Voor het tot stand komen van een beslissing bij stemming wordt de volstrekte meerderheid vereist van hen die een stem hebben uitgebracht. 2. Bij een schriftelijke stemming wordt onder het uitbrengen van een stem verstaan het inleveren van een behoorlijk ingevuld stembriefje. Art. 32: 1. De overige stemmingen geschieden bij hoofdelijke oproeping, indien de voorzitter of een van de leden dat verlangt. In dat geval geschieden zij mondeling. 2. Bij hoofdelijke oproeping is ieder ter vergadering aanwezig lid dat zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden verplicht zijn stem voor of tegen uit te brengen. 3. Indien over een voorstel geen stemming wordt gevraagd, is het aangenomen. 4. Tenzij de vergadering voltallig is, wordt bij staking van stemmen het nemen van een beslissing uitgesteld tot een volgende vergadering, waarin de beraadslagingen kunnen worden heropend. 5. Indien de stemmen staken in een voltallige vergadering of in een ingevolge het vierde lid opnieuw belegde vergadering, is het voorstel niet aangenomen. 6. Onder een voltallige vergadering wordt verstaan een vergadering waarin alle leden waaruit de raad bestaat, voor zover zij zich niet van deelneming aan de stemming moesten onthouden, een stem hebben uitgebracht.
Artikel 34 – Stemming over amendementen en moties In de besluitvormende raad neemt de raad de besluiten over de voorliggende moties, amendementen, raadsvoorstellen en andere zaken waar formele besluitvorming nodig is. In de besluitvormende raad kunnen raadsleden (gewijzigde) moties en amendementen indienen. Nadat de beraadslaging hierover is afgesloten door de voorzitter formuleert deze de te nemen eindbeslissing. Indien geen stemming wordt gevraagd is het voorstel aangenomen op grond van artikel 32, derde lid, van de Gemeentewet. Een amendement komt altijd in stemming voorafgaande aan de stemming over het onderliggende voorstel. Omdat een motie niet strekt tot wijziging van een voorgesteld besluit, vindt de stemming over een motie normaalgesproken plaats nadat de besluitvorming over het aanhangige voorstel is afgerond. Soms kan een motie zo zwaar wegen dat de steun voor het gehele voorstel hiervan afhangt. In dat geval kan de raad – in de praktijk op voorstel van een of meer raadsleden – besluiten om van de voorgeschreven stemvolgorde af te wijken. Het vierde lid strekt hiertoe.
Artikel 35 – Stemming over personen Dit artikel regelt de orde bij stemmingen over personen. Van belang is artikel 31, Gemeentewet: 1. De stemming over personen voor het doen van benoemingen, voordrachten of aanbevelingen geschiedt bij gesloten en ongetekende stembriefjes.
10
2. 3.
Indien de stemmen staken over personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt, wordt in dezelfde vergadering een herstemming gehouden. Staken bij deze stemming de stemmen opnieuw, dan beslist terstond het lot.
Het reglement van orde gaat uit van stemming met briefjes.
Artikel 36 – Herstemming over personen Evenals bij artikel 35 vindt de herstemming schriftelijk plaats.
Artikel 37 – Beslissing door het lot Dit artikel behoeft geen toelichting.
Artikel 38 – Besluitenlijst en verslaglegging De Gemeentewet verplicht tot het openbaar maken van de besluitenlijst (artikel 23, vijfde lid). Dit artikel regelt de inhoud van de besluitenlijst en wanneer deze gepubliceerd wordt. Daarnaast vindt volledige verslaglegging plaats via beeld- en geluidsopnames.
Artikel 39 - Schriftelijke vragen Op grond van deze bepaling kan een raadslid schriftelijke vragen stellen aan het college of de burgemeester, al naar gelang wie verantwoordelijk is. Een schriftelijke vraag heeft betrekking op meningen, argumenten of toelichtingen die tot de bevoegdheid van het college of de burgemeester horen. (Vragen over feitelijkheden worden via de griffie aan de ambtenaar gesteld.) Het college of de burgemeester dient de vragensteller gemotiveerd in kennis te stellen in het geval de beantwoording niet binnen de gestelde termijn kan plaatsvinden. In het geval fracties identieke vragen stellen (schriftelijk dan wel mondeling) over een onderwerp waarover reeds door een andere fractie schriftelijk vragen zijn gesteld kan verwezen worden naar de eerder schriftelijk ingediende vragen en de verwachtte datum van beantwoording. Vragen over hetzelfde onderwerp maar met een andere strekking/politieke lading worden direct in behandeling genomen en overeenkomstig dit artikel behandeld. De vragen bevatten indien mogelijk de bron, zoals een krantenartikel of televisie-uitzending, zodat het college deze kan betrekken bij de beantwoording.
Artikel 40 - Amendementen Raadsleden kunnen wijzigingen op een aanhangig concept-besluit indienen in de vorm van een amendement. De indiening van een amendement kan aanleiding zijn voor een ander raadslid om het betreffende amendement een wijziging voor te stellen. In dat geval wordt gesproken over een subamendement. Het recht van amendement is neergelegd in artikel 147b van de Gemeentewet. Dit artikel verplicht de raad nadere regels te stellen. Deze nadere regels staan in dit artikel. Op basis van artikel 147b van de Gemeentewet is de raad verplicht een amendement te behandelen.
11
Artikel 41 - Moties Een motie is in beginsel een verklaring waarmee een oordeel, wens of verzoek wordt uitgesproken. Dat wil niet zeggen dat een motie niet ergens anders voor kan worden gebruikt. Omdat de Gemeentewet hier niets over regelt, is het de raad die hierin de grenzen bepaalt. Aan een door de raad aangenomen motie zijn geen rechtsgevolgen verbonden als het aan het college is gericht. Moties zijn juridisch gezien niet bij het college afdwingbaar, politiek kan het naast zich neerleggen van een motie door het college leiden tot een vertrouwensbreuk tussen raad en college, waarna een motie van wantrouwen kan volgen of het college zijn consequenties trekt. In het vierde lid is de mogelijkheid opgenomen om een motie in te dienen over een onderwerp dat niet op de agenda staat. Deze actuele motie is een motie over een actueel, niet geagendeerd (onvoorzien) onderwerp dat niet kan wachten op behandeling in een volgende vergadering. De actuele motie (ook wel motie vreemd aan de orde van de dag genoemd) dient 48 uur voor de raadsvergadering te zijn aangeleverd bij de griffier, zodat het college de behandeling van de motie goed kan voorbereiden. In spoedeisende gevallen is het mogelijk om af te wijken van de termijn. Dit is aan de raad om te beoordelen.
Artikel 42 - Initiatiefvoorstellen Art. 147a, eerste lid, van de Gemeentewet geeft een raadslid het recht een voorstel voor een verordening of een ander voorstel ter behandeling in de raad in te dienen. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de raad regelt op welke wijze een initiatiefvoorstel voor een verordening wordt ingediend en behandeld. Art. 147a, derde lid, van de Gemeentewet bepaalt in tegenstelling tot artikel 147a, tweede lid, dat voor andere initiatiefvoorstellen geen verplichte behandeling voorgeschreven is. Dit betekent dat de raad (aanvullende) voorwaarden kan stellen aan het in behandeling nemen van een ander initiatiefvoorstel dan de wijziging van een verordening. De raad kan hiermee bijvoorbeeld voorzien in een zekere inhoudelijke toets, zoals de vraag of het voorstel wel een raadsbevoegdheid betreft. Artikel 147a, vierde lid, verplicht de raad om het college de gelegenheid te bieden zijn wensen en bedenkingen over het initiatiefvoorstel aan de raad kenbaar te maken. Pas daarna mag de raad er een besluit over nemen. Het eerste lid van het artikel houdt in dat de voorzitter het initiatiefvoorstel zo spoedig mogelijk op de agenda plaatst; maar de voorzitter plaatst het voorstel echter niet meer op de agenda, nadat de oproep verzonden is.
Dit laat de mogelijkheid onverlet voor het individuele raadslid om op grond van artikel 12, derde lid, het initiatiefvoorstel toch een verzoek te doen om het aan de agenda toe te voegen. Initiatiefvoorstellen moeten aan dezelfde kwaliteitseisen voldoen als “gewone” raadsvoorstellen. Elk voorstel moet voorzien zijn van een ontwerpbesluit. Bij voorstellen die strekken tot wijziging van de begroting moet een comptabiliteitsbesluit gevoegd zijn. Behandeling van het initiatiefvoorstel in de vergadering vindt plaats als volgt: 1) De indiener krijgt de mogelijkheid het initiatiefvoorstel kort toe te lichten 2) De raad reageert in eerste termijn 3) Het college geeft desgewenst of desgevraagd een reactie op het voorstel 4) Indiener reageert op eerste termijn raad en reactie college 5) Vervolgens volgt een eventuele tweede termijn 6) Slotreactie indiener 7) Stemming 12
Artikel 43 Mondelinge vragenrecht – Rondvraag Raadsleden kunnen in de commissievergadering bij de rondvraag actuele politieke vragen stellen aan het college of de burgemeester. Vragen die tijdig – 12 uur voor het begin van de vergadering zijn aangemeld- worden in de regel mondeling beantwoord. Vragen die daarna of tijdens de vergadering worden gesteld kunnen schriftelijk beantwoord worden. Iedere fractie kan 2 vragen per commissievergadering indienen. Over een rondvraag vindt geen discussie plaats. De maximale duur van de rondvraag is 30 minuten.
Artikel 44 - Interpellatie Dit artikel stelt nadere regels aan artikel 155 van de Gemeentewet. Op grond van artikel 155, eerste lid, van de Gemeentewet komt aan individuele leden het recht toe mondelinge vragen te stellen aan het college of de burgemeester. Het interpellatierecht (lid 2) ligt in het verlengde van het mondelinge vragenrecht. Het gaat om een recht van een volksvertegenwoordiger om een debat aan te vragen over een niet-geagendeerd onderwerp en inlichtingen aan het college of de burgemeester te vragen. Daarvoor is verlof van de raad nodig. Dit verlof komt tot stand door het nemen van een raadsbesluit. Hiervoor gelden de gebruikelijke stem- en besluitquora als bedoeld in artikel 29 lid 1 en 30 lid 1 Gemeentewet. Een interpellatie heeft veelal betrekking op onderwerpen van een meer bestuurlijk (politiek) gewicht. De behandeling ervan kan eventueel uitmonden in een motie van afkeuring of wantrouwen waarbij het vertrouwen in een collegelid wordt opgezegd. De raad is verplicht hierover nadere regels te stellen, hetgeen met dit artikel is geregeld. De procedure tijdens de vergadering is als volgt: 1. De interpellant krijgt van de voorzitter de gelegenheid tot het stellen van de reeds schriftelijk ingediende vragen en kan deze vragen zo nodig verduidelijken of motiveren. De interpellant wordt niet geïnterrumpeerd. 2.
Na het stellen van de vragen krijgt het collegelid of de burgemeester tot wie de vragen zich richten gelegenheid tot het geven van antwoord. Indien de vragen zich tot meerdere collegeleden richten, krijgen deze daaropvolgend gelegenheid tot het geven van antwoord. 3. Na de beantwoording door het collegelid / de collegeleden of burgemeester vindt behandeling van het onderwerp op de gebruikelijke wijze als bedoeld in artikel 22 van dit Reglement van Orde plaats. 4. Interpellant krijgt de gelegenheid tot het geven van een slotverklaring. Indien deze daarvan gebruik maakt, krijgt het collegelid of de burgemeester eveneens gelegenheid voor een slotverklaring. 5. De stemming over eventueel ingediende moties vindt plaats.
Artikel 45 – Procedure van begroting en verantwoording De in artikel 45 opgenomen indemniteitsprocedure is een nadere uitwerking van de artikelen 197 t/m 201 van de Gemeentewet en heeft tot doel een procedure in het leven te roepen (vergelijkbaar met de indemniteitsprocedure bij de rijksoverheid) waarbij onrechtmatige uitgaven 13
nadrukkelijk aandacht krijgen in de raad. De procedure stelt de raad in staat zich een oordeel te vormen over de rechtmatigheid van de betrokken uitgave. Het verloop van een indemniteitsprocedure is als volgt: 1. Als de raad na kennisneming van de rekening zoals die door het college van burgemeester en wethouders wordt aangeboden, alsmede van het verslag van bevindingen en de verklaring van de accountant, tot de conclusie komt dat een of meer uitgaven niet rechtmatig zijn geschied, wordt het college daarvan onverwijld op de hoogte gesteld, onder vermelding van de gerezen bezwaren. 2. Het college bereidt vervolgens een indemniteitsbesluit voor. Door middel van een dergelijk besluit worden de onrechtmatige uitgaven alsnog gesanctioneerd, waarna de rekening alsnog kan worden vastgesteld. Uiteraard zal het college bij die gelegenheid inhoudelijk moeten reageren op de gerezen bezwaren. 3. De raad kan dan besluiten in te stemmen met het door het college opgestelde ontwerpindemniteitsbesluit. Daarop stelt hij alsnog de rekening vast. 4. Als de raad echter niet instemt met het ontwerpbesluit of dit besluit niet naar behoren vaststelt, zendt het college het ontwerp ter vaststelling naar gedeputeerde staten, zoals dat op grond van artikel 200 van de Gemeentewet nu al gebeurt ten aanzien van de rekening.
Onder het niet naar behoren vaststellen van het indemniteitsbesluit en in relatie hiermee van de rekening wordt in dit verband verstaan het zodanig vaststellen dat bepaalde uitgaven die wel zijn gedaan, buiten de rekening gehouden worden. Gedeputeerde staten kunnen er dan voor zorgen, door het indemniteitsbesluit en de rekening wel naar behoren vast te stellen, dat het college van burgemeester en wethouders alsnog wordt gedéchargeerd.
Artikel 46 - Besloten vergadering; algemeen Van belang zijn de artikelen 23 en 24 van de Gemeentewet: Art. 23 1. De vergadering van de raad wordt in het openbaar gehouden. 2. De deuren worden gesloten, wanneer ten minste een vijfde van het aantal leden dat de presentielijst heeft getekend daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt. 3. De raad beslist vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd. 4. Van een vergadering met gesloten deuren wordt een afzonderlijk verslag opgemaakt, dat niet openbaar wordt gemaakt tenzij de raad anders beslist. Art. 24 In een besloten vergadering kan niet worden beraadslaagd of besloten over: a. de toelating van nieuw benoemde leden; b. de vaststelling en wijziging van de begroting en de vaststelling van de jaarrekening; c. de invoering, wijziging en afschaffing van gemeentelijke belastingen, en d. de benoeming en het ontslag van wethouders.
Artikel 47 –Besloten vergadering; verslaglegging Dit artikel behoeft geen toelichting.
14
Artikel 48 –Opheffen geheimhouding Op 1 april 2023 is de Gemeentewet op dit punt gewijzigd. De raad hoeft de verplichting tot geheimhouding met betrekking tot aan hem verstrekte informatie niet meer te bekrachtigen (vgl. artikel 25, derde lid, Gemeentewet (oud)). Op het moment dat het college informatie waarop geheimhouding rust met de raad deelt, moet de raad de verplichting tot geheimhouding in acht nemen. De raad is evenwel vanaf het moment dat hij de geheime informatie van het college ontvangt exclusief bevoegd te beslissen over het voortduren in de zin van het al dan niet opheffen van de geheimhouding. Desgewenst kan de raad de geheimhouding dus opheffen na ontvangst van de geheime informatie. Overgangsrecht Artikel 292 Gemeentewet voorziet in overgangsrecht ter voorkoming dat de eerder door een voorzitter opgelegde geheimhouding automatisch komt te vervallen bij inwerkingtreding van de nieuwe geheimhoudingsregels. Voor informatie waarop geheimhouding is opgelegd vóór de inwerkingtreding van de nieuwe geheimhoudingsregels, blijft artikel 86 Gemeentewet (oud) gelden. Dat betekent dat de geheimhouding voortduurt tot de voorzitter of de raad de geheimhouding opheft. Indien het informatie betreft waarmee de commissie zich tot de raad heeft gewend, dan is de raad exclusief bevoegd de geheimhouding op te heffen (artikel 86, tweede en derde lid, Gemeentewet (oud)).
De voorzitter van een commissie kan onder de nieuwe geheimhoudingsregels niet langer eigenstandig geheimhouding opleggen op informatie (artikel 86, tweede lid, Gemeentewet (oud)). Alleen de commissie zelf kan informatie geheim verklaren (artikel 87 Gemeentewet). De voorzitter kan daartoe wel voorstellen doen. Als de wens bestaat geheime informatie aan een of enkele raadsleden te verstrekken, moet deze informatie aan de gehele raad worden verstrekt (Kamerstukken II 2019/20, 35 546, nr. 3, p. 10 en 20). Ook als geheime informatie wordt verstrekt aan een commissie waarin raadsleden zitting hebben, moet die informatie tevens aan de voltallige raad worden verstrekt (artikel 88, vijfde lid, Gemeentewet). Hiermee heeft de wetgever de gelijkheid in de informatiepositie tussen raadsleden willen benadrukken. Ook voorkomt dit dat onduidelijkheid ontstaat over de status van informatie en bijvoorbeeld over de (on)mogelijkheid om deze informatie in de fractie te delen of bespreken.
Artikel 49 –Toehoorders en pers Van belang is artikel 26, eerste en tweede lid van de Gemeentewet. 1. De voorzitter zorgt voor de handhaving van de orde in de vergadering en is bevoegd, wanneer die orde op enigerlei wijze door toehoorders wordt verstoord, deze en zo nodig andere toehoorders te doen vertrekken. 2. Hij is bevoegd toehoorders die bij herhaling de orde in de vergadering verstoren voor ten hoogste drie maanden de toezegging tot de vergadering te ontzeggen.
Artikel 50 t/m 55 Deze artikelen behoeven geen toelichting.
15