Bijlage Archeologisch inventariserend onderzoek - AVG
Tekst van het document
Antea Group Archeologie 2013/123 Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen bij De Zilk Zoutopslag, gemeente Noordwijkerhout projectnr.264392.03 revisie 03
26 juni 2104
auteur(s)
En
Opdrachtgever Gemeente Noordwijkerhout. Postbus 13
DM noordwijkerhout
datum vrijgave
_beschriving revisie 02
26 juni 2014
Definitie na opmerkingen bevoegd geza.
goedkeu)
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middelvan boringen bij De Zilk Zoutopslar gemeente Noordwijkerheut Projecnr. 26439203
anteagroup
februar 2014, reve 03
Tiet
AnteaGroupArcheologie 2013/15.
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen bij De Zik Zoutopslag, gemeente Noordwijkerhout
Auteur(s:
Mm
Issn: 1570-6273,
Antea Group Postbus 24
WE cerenvcen Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs Disclaimer
Archeologisch vooronderzoek wordt in zijn algemeenheid uitgevoerd door het steekproefsgewijs bemonsteren d.m.v. boringen, proefsleuven en/of veldkartering. Hoewel Antea Group de graotste zorgvuldigheid betracht bij het uitvoeren van het. archeologisch onderzoek shet juist deze steekproefsgewijze benadering die het onmogelijk maakt garanties ten aanzien van de situatie af te geven op bass van de resultaten van een archeologisch vooronderzoek. Antea Group aanvaardt derhalve op generll wijze aansprakelijkheid voorschade welke voortvloeit uit beslissingen genomen op basis van de resultaten van archeologisch (voorjonderzoek
2van27
woar
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen bj De Zik Zoutooslag gemeente Noordwijkerhout
ee
anteagroup
Inhoud
blz Administratieve gegevens. Samenvatting
1
Inleiding.
2
Bureauonderzoek
21
Beschrijving onderzoekslocatie
211 __ Begrenzing onderzoeks- en plangebied 2.12 _ Huidig en toekomstig gebruik 213 _ Landschappelijke situatie 2.1.4 __ Historische situatie en mogelijke verstoringen 22
Bekende waarden
22.1 22.2
Archeologische waarden _Ondergrondse bouwhistorische waarden
23
Archeologische verwachting.
231 _ Bestaande verwachtingskaarten 232 _ Gespecificeerde archeologische verwachting
24
__Conclusies en advies voor vervolgonderzoek.
3
Veldonderzoek
31 32
Doel en vraagstelling. Onderzoeksopzet en werkwijze
33
Resultaten
331 __Bodemopbouw. 3.32 _ Archeologie 4 41
-
Conclusies en advies Conclusies.
42 (Selectie)advies Literatuur en geraadpleegde bronnen. 1 2 3
Bijlagen Archeologische perioden AMZ-cyclus Boorbeschrijvingen Kaarten
264392.03-S1
Situatiekaart met locatie boringen
264392.03-A
Kaart met aanbevelingszones
3van27
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen bij De Zik Zoutopslag gemeente Noordwijkerhout Projecunr.264392,03,
anteagroup
februar 2014, revisie 03
Administratieve gegevens AG Projectnummer. 26439203 OM-nummer 59193 / 59194 Provincie
Zuid-Holland
Gemeente
Noordwijkerhout
Plaats De Zilk
Toponiem De Zilk Zoutopslag kaartblad zor (Co rdinaten Locatie Zoutopslag De Zilk: 97270/479920
Opdrachtgever Uitvoerder
Gemeente Noordwijkerhout Antea Group
Datum uitvoering 13-11-2013 (projectleider en senior KNA-archeoloog) Projectteam
M.P.C.Teekens(KNA-archeoloog, uitvoerderbureauonderzoek) (senior KNA-archeoloog, uitvoerder veldwerk)
Bevoegd gezag Gemeente Noordwijkerhout (adviseur gemeente: HI] Beheer documentatie
Antea Group Almere
Vondstdepot Niet van toepassing
Afbeelding 1. Locatie plangebied met plangebied De Zilk Zoutlocatie in blauw kader. (Topografische Kaart 1:25.000 (niet op schaal),
&van27
Topografische Dienst Kadaster, Emmen.
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen bj De Zik Zoutooslag gemeente Noordwijkerhout Projectnr,264392,03 februari 2014, revisie 03
anteagroup
Samenvatting In opdracht van de gemeente Noordwijkerhout heeft Antea Group in november 2013 een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor de locatie De Zilk Zoutopslag in de gemeente. Het onderzoek heeft bestaan uit een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen. Op de locatie is het bestemmingsplan gewijzigd en wordt vooruitlopend op de uitwerkingsplannen voor nieuwe woningen een aantal onderzoeken uitgevoerd, waaronder archeologie. De herinrichting van het plangebied brengt bodemverstorende werkzaamheden met zich mee, waarbij
mogelijke archeologische resten kunnen worden vernietigd. Volgens het gemeentelijk beleid van Noordwijkerhout op het gebied van archeologie dient bij ontwikkelingen waarbij bodemingrepen plaatsvinden tenminste een inventariserend vooronderzoek plaats te vinden, Dit archeologisch bureau
en inventariserend veldonderzoek is de eerste stap in het proces van de archeologische monumentenzorg (zie bijlage 2) Op basis van het bureauonderzoek werd er rekening mee gehouden dat het oostelijke deel van deellocatie De Zilk zou zijn afgegraven, waardoor de archeologische potentie nihil zou zijn. Gebleken is dat de oostelijke helft van deellocatie De Zilk inderdaad is afgegraven, waardoor de kans op
de aanwezigheid van archeologische waarden hier (zeer) laag wordt ingeschat. Tevens is gebleken dat. de bodem binnen de westelijke helft van deze locatie nog (grotendeels) intact is, waardoor de kans aanwezig blijft dat hier archeologische resten aanwezig zijn. Deze zijn echter tijdens het verkennende onderzoek niet aangetroffen. Wel zijn er enkele oude(re) bouwvoren aangetroffen. (selectie)advies
Op basis van de resultaten van het veldonderzoek kan het volgende, tweeledige, (selectie)advies worden geformuleerd: Aanbevolen wordt om:
1._
Het oostelijke deel van deellocatie De Zilk Zoutopslag vrij te geven ten gunste van de voorgenomen ontwikkeling.
2.
Archeologische resten kunnen in de top van het oude duinzand, maar vooral op de diepte van de oude vegetatiehorizonten worden verwacht. In het westelijk deel van De Zilk Zoutopslag
verschilt de diepte van verstoring, maar is in diverse boringen onder de bouwvoor van 0,2 tot 0,9 m dikte direct oud duinzand aanwezig. De top van het duinzand is wel plaatselijk verstoord Het advies is dan ook bij diepere grondwerkzaamheden dan 0,2 m onder maaiveld dit gebied nader te onderzoeken middels een karterend/waarderend proefsleuvenonderzoek, met als
doel het bepalen van de aan- of afwezigheid van een vindplaats en de eventuele waardering hiervan. Hierbij wordt geadviseerd de diepte van de graafwerkzaamheden als leidend te zien voor het inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven. Dit omdat niet
uitgesloten kan worden dat dieper dan de onderzochte 2 tot 2,5 m onder maaiveld geen Ahorizonten meer aanwezig zijn. Omdat een lage vondstdichtheid wordt verwacht, heeft een karterend booronderzoek weinig nut om eventuele vindplaatsen op te sporen. Hierbij dient.
overigens opgemerkt te worden dat er voor aanvang van het proefsleuvenonderzoek een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen (PvE; een soort bestek) opgesteld dient te worden,
De implementatie van de bovenstaande aanbevelingen is afhankelijk van het oordeel van de bevoegde overheid, in dezen de gemeente Noordwijkerhout.
Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Sana
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen bj De Zik Zoutopslag gemeente Noordwijkerhout
Projenr. 26439203
anteagroup
februar 2014, revisie 03
Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Op grond van artikel 53 van de Monumentenwet 1988 dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed:
telefoon 033-4217456). Een vondstmelding bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog kan ook.
6 van27
woar
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen bj De Zik Zoutooslag gemeente Noordwijkerhout Projectnr,264392,03 februari 2014, revisie 03
anteagroup
Inleiding In opdracht van de gemeente Noordwijkerhout heeft Antea Group (voorheen Ingenieursbureau Oranjewoud) in november 2013 een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor de locatie De Zilk Zoutopslag in de gemeente. Het onderzoek heeft bestaan uit een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen. Op de locaties is het bestemmingsplan gewijzigd en wordt vooruitlopend op de uitwerkingsplannen voor nieuwe woningen een aantal onderzoeken uitgevoerd, waaronder archeologie De herinrichting van het plangebied brengt bodemverstorende werkzaamheden met zich mee, waarbij mogelijke archeologische resten kunnen worden vernietigd. Volgens het gemeentelijk beleid van Noordwijkerhout op het gebied van archeologie dient bij ontwikkelingen waarbij bodemingrepen
plaatsvinden tenminste een inventariserend vooronderzoek plaats te vinden. Dit archeologisch bureauen inventariserend veldonderzoek is de eerste stap in het proces van de archeologische monumentenzorg (zie bijlage 2). Het bureauonderzoek en het veldonderzoek zijn uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 3.2.
van
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middelvan boringen bij De Zilk Zoutopslar gemeente Noordvwikerhout Projectnr.26439203
anteagroup
februar 2014, reve 03
8 van27
woar
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen bj De Zik Zoutooslag gemeente Noordwijkerhout Projectnr,264392,03 februari 2014, revisie 03
anteagroup
Bureauonderzoek Het doel van het uitvoeren van een archeologisch bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Waar kunnen we wat verwachten? Voor het opstellen van een dergelijke verwachting wordt gebruik gemaakt van reeds bekende
archeologische waarnemingen, historische kaarten, bodemkundige gegevens en informatie over de landschappelijke situatie. Een gespecificeerde verwachting gaat in op de mogelijke aanwezigheid, het karakter, de omvang, datering en eventuele (mate van) verstoring van archeologische waarden binnen
het plangebied. 2.1
211
Beschrijving onderzoekslocatie Begrenzing onderzoeks- en plangebied Het is van belang een onderscheid te maken tussen onderzoeksgebied enerzijds en plangebied anderzijds. Met plangebied wordt het gebied bedoeld waarop de in de inleiding genoemde plannen
en/of werkzaamheden betrekking hebben. Voor het plangebied wordt in de regel ook de ruimtelijke procedure gevoerd waarvan dit archeologisch onderzoek een onderdeel is. Binnen dit gebied kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden verstoord worden,
Het onderzoeksgebied is het gebied waar informatie over wordt ingewonnen voor het opstellen van de gespecificeerde archeologische verwachting en is groter dan het plangebied zelf. In principe wordt een straal van circa 500 m rondom het plangebied gehanteerd. Dit wordt voldoende geacht om relevante
informatie te verzamelen om het gespecificeerd verwachtingsmodel op te kunnen stellen. Dit op basis van een vergelijkbare situatie als het plangebied van onder andere de hoogteligging, geomorfologie, historische situatie etc. Hieronder worden de begrenzingen per plangebied aangegeven. Het plangebied ligt ter hoogte van de voormalige sportvelden, ten westen van de woonkern De Zilk aan.
de Zilkerduinweg (zie Afbeelding 1). Het beslaat circa 35.380 m. 212
Huidig en toekomstig gebruik Huidig gebruik plangebied Op dit moment is het plangebied deels bebouwd en bestraat en deels onbebouwd. In de
noordwestelijke hoek staat een noodgebouw (school), in de noordoostelijke hoek zijn een sportaccommodatie, tennisvelden en een grasveld aanwezig, De rest van het plangebied bestaat uit bos en er staat een gebouw. Voor een impressie van het plangebied ten tijde van het veldwerk wordt verwezen naarAfbeelding 2.
9vana7
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middelvan boringen bij De Zilk Zoutopslar gemeente Noordwijkerheut Projecnr. 26439203
anteagroup
februar 2014, reve 03
Afbeelding 2: Impressie van het plangebied Zoutlocatie tijdens het veldwerk.
Consequenties toekomstig gebruik
In verband met de bouw van nieuwe woningen worden graafwerkzaamheden verricht die de bodem verstoren. De diepte van de graafwerkzaamheden is op dit moment niet exact bekend omdat de uitwerkingsplannen nog niet definitief zijn.
21.3 _ Landschappelijke situatie Geologie
Het plangebied in De Zilk in de gemeente Noordwijkerhout ligt in het overgangsgebied van het duingebied naar het achterliggende veengebied (kustvlakte) van West-Nederland. Het landschap langs de Noord- en Zuid-Hollandse kust kent een zeer dynamische ontstaansgeschiedenis. Het ontstaan van
d t kustgebied gaat terug tot het begin van het Holoceen (circa 9000 voor Chr.) en hangt nauw samen met de relatieve zeespiegelstijging die vanaf dat moment een aanvang neemt. De kustlijn schuift dientengevolge steeds verder naar het oosten op. Bij aanvang van het Subboreaal (circa 3850 voor Chr.) ligt deze zelfs ten oosten van de huidige kust. Vervolgens - mede door een minder snelle stijging van de
zeespiegel is sprake van kustuitbreiding waarbij de kustbarri re zich naar het westen uitbreidt. De basis van deze kustbarri re wordt gevormd door een serie evenwijdig aan de kustlijn gelegen strandwallen. Dit zijn onder mariene omstandigheden gevormde, langgerekte zandruggen. Deze
afzettingen worden tat het Laagpakket van Zandvoort gerekend. * De strandwallen zijn niet gelijktijdig ontstaan, maar opeenvolgend gedurende de periode van circa 4000 tot 300 voor Chr, de jongere hoger
en meer westwaarts dan de oudere. Op de toppen van de strandwallen is op den duur ook duinvorming opgetreden, de zogenaamde Oude Duinen. Waar strandwallen worden gerekend tot mariene sedimenten (door zee aangevoerd en afgezet), zijn duinen juist onder eolische omstandigheden gevormd (door de wind aangevoerd en
+ zoos. oe NM 2003. 10 van 27
woar
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen bj De Zik Zoutooslag gemeente Noordwijkerhout Projectnr,264392,03 februari 2014, revisie 03
anteagroup
afgezet). Tussen de strandwallen zijn zogenaamde strandvlaktes gesitueerd waar door slechte afwatering vaak veenvorming heeft plaatsgevonden.
Met het ontstaan van de door strandwallen gevormde kustbarri re neemt de invloed van de zee op het achterliggende gebied af, waardoor een enorme zoetwaterlagune is gevormd en over grote delen veenvorming (Hollandveen laagpakket) is opgetreden. De kustbarri re sluit het achterland echter niet. geheel van de zee af. Tussen circa 1000 en 1200 na Chr. begint opnieuw een periode van duinvorming. De duinen die vanaf deze fase zijn ontstaan, worden aangeduid als Jonge Duinen (Laagpakket van Schoorl}. Het zand
waaruit deze duinen zijn gevormd is voornamelijk afkomstig van de stranden en van de zeebodem vlak voor de kust. De vorming van de duinen ging gepaard met een kustachteruitgang, waarbij de kustlijn weer iets landinwaarts opschuift. De Jonge Duinen zijn over een groot oppervlak, tot circa 4 km landinwaarts, in een tamelijk open landschap gevormd en dekken grote delen van de - vooral de meer
westelijk gelegen - strandwallen en Oude Duinen af. Het aldus ontstane duinlandschap is erg dynamisch
en zeer reli frijk met niet zelden toppen van boven de 30 m +NAP. De dynamiek isin de loop van de tijd door vegetatie beperkt, maar kan wanneer de vegetatie verdwijnt door bijvoorbeeld landbouw of
tegenwoordig ook natuurontwikkeling weer snel de kop opsteken. De periode waarin de Jonge Duinen zijn gevormd heeft tot circa 1600 na Chr. geduurd. In de gemeente
Noordwijkerhout worden Jonge Duinen alleen aan de westrand aangetroffen. Vanaf circa 1600 zijn de Oude Duinen, waar niet afgedekt door Jong duinzand, afgezand en ge galiseerd, ten behoeve van de vraag naar zand van de Noord-Hollandse steden. De strandvlakten zijn vanaf de negentiende en twintigste eeuw geschikt gemaakt voor de bollenteelt. Hiervoor zijn veel gronden
bedekt met een laagje zand, zodat op veel plaatsen rondom Noordwijkerhout nu zand aan het oppervlak ligt (bezanden). Maar ook zijn delen van de bodem omgespoten, heeft diepdelving plaatsgevonden of is. de veenlaag verwijderd en is vervolgens zand opgebracht. Deze gronden worden gerekend tot de
zanderijgronden en zijn typerend voor de Bollenstreek (zie Afbeelding 3). Op basis van het Actueel Hoogtebestand Nederland wordt verwacht dat het oostelijke deel van het plangebied is afgegraven (zie onder).
kalkloos zand
kalediepte
| eatrizand
== sfandingehoogte
SSS tatroudend mangge
=
-
diepte van de grondbewerking
verstoven strandvlakterand
Afbeelding 3,Schematische dwarsdoorsnede van een strandwal, na afzanding egen de kalkrijke afzettingen weer
vlak onder het oppervlak (bron: Schute 2007, naar HN 1997.
loket al. 1995. *schute 2007, 11 van27
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen bij De Zik Zoutopslag gemeente Noordwijkerhout
projectr26439203
anteagroup
februar 01e vesie os
Geomorfologie De Zilk ligt grotendeels in een gesloten strandvlakte, al dan niet met vervlakte duinen (code 2M40). Ten westen en ten oosten van De Zilk liggen strandwallen, waarvan de westelijke en het zuidelijke deel van
de oostelijke strandwal zijn afgegraven en/of ge galiseerd (code 1M49 of 2M49).* Op de geomorfologische kaart is het plangebied deels ongekarteerd vanwege de ligging binnen de
bebouwde kom, deels op afgegraven en/of ge galiseerde strandwallen. Op de gemeentelijke beleidsadvieskaart bestaat het plangebied uit een (deels afgegraven) strandwal in het westen en ingesloten strandvlakte met mogelijke duin- en strandwalresten in het oostelijk deel. AHN
Het plangebied ligt op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN; versie 2} op 0,3 9 m + NAP. Meer specifiek ligt de zuidwesthoek op 5 9 m + NAP, de noordwesthoek op 2,3 3,3 m + NAP, de noordoosthoek op circa 0,3 m + NAP en de zuidoosthoek (tennisvelden) op 0,3 1,0 m + NAP. Het lijkt er
op dat de oostelijke helft van het plangebied is afgegraven. Bodem en grondwater
In de noordoostelijke hoek komen kalkhoudende enkeerdgronden voor bestaande uit matig fijn zand (code 250A) met een grondwatertrap I1* (GHG 0,4 en GLG 0,7 m - maaiveld, Afbeelding 4). Het plangebied isin de zuidoostelijke hoek niet gekarteerd vanwege de ligging binnen de bebouwde kom.
Uit extrapolatie kan worden verondersteld dat ook hier de kalkhoudende enkeerdgronden voorkomen.
Afbeelding 4: detail bodemkaart met plangebied De Zilk Zoutlocatie (blauwe ster} (bron: ARCHIS)
Deze gronden komen vaak voorin het bloembollengebied rondom De Zilk en zijn door het diepdelven
kalkrijk geworden. In het westelijk deel, ter hoogte van de (deels afgegraven) strandwal komen beekeerdgronden voor, bestaande uit leemarm en zwak lemig fijn zand (code pZg21 met Geomorfologische kaart via Archi
*ouinzand is over hetalgemeen kale, maar Jonge Duinen zin aak kalkrijke dan de Oude Duinen; dat impliceert dat de Oude Duinen ook kalkhoudend kunnen zijn, slhaewel ze veel kalkoas zijn (zie bij waewduinbehoudnl). Overigens zin de Oude
Duinen op grtere diepte ook nog kalkrijk (niet utgeloogd).Strandzand is overhet algemeen kalkrijk; dat wi iet zeggen datt atijd zo s Er zijn voorbeelden bekent waarbij het overduidelijk ging om srandlwaljzand, maar deze toch kakarm of alkdoos was. Een onderscheid is soms moelijk te maken, zeker wanneer er sprake is van verstring. De top van een strandwal is, indien niet afgegraven/omgezet, meestal kakdoos.Indien afgegraven en omgezet is het strandwalzand echter (meestal) alki
* Warning 2013 en Vos 1992 12van27
woar
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen bj De Zik Zoutooslag gemeente Noordwijkerhout Projectnr,264392,03
februari 2014, rave03
anteagroup
grondwaterstand VI, GHG 0,6 -0,8 m en GLG 1,2-1,7 m - mv). Het zijn zandgronden waar hydromorfe
kenmerken en roestvlekken ondieper dan 0,35 m onder maaiveld voorkomen. 214
Historische situatie en mogelijke verstoringen Bewoningsgeschiedenis Vanaf de Late Steentijd wordt het gebied rondom De Zilk voor het eerst bewoond. Daarvoor is het
gebied waarschijnlijk incidenteel bezocht voor jacht en visserij. De eerste bewoners vestigen zich op de hooggelegen strandwallen waar minder wateroverlast is, De zandgronden van de strandwallen zorgen voor goede mogelijkheden voor landbouw en veeteelt. Door de nabijheid van de lager gelegen drassige
gebieden en de kustzone zorgen voor een zeer divers landschap met vele exploitatiemogelijkheden. Binnen de gemeente Noordwijkerhout wijzen archeologische vondsten uit brons-, ijzer en Romeinse tijd op een continue bewoning vanaf het neolithicum. Direct ten noorden van het plangebied De Zilk
Zoutlocatie zijn bi recent archeologisch onderzoek aanwijzingen aangetroffen voor een vindplaats uit de brons- en ijzertijd. Na een mogelijke bevolkingsafname in de vroege middeleeuwen worden vanaf de achtste eeuw de strandwallen weer meer en meer bewoond en neemt de bevolking weer toe. De eerste
vermelding van De Zilk stamt uit 1399 na Chr. De herkomst van De Zilk is niet duidelijk. Mogelijk heeft het te maken met het zilte water (Zil) en een watering (lick
ek) Maar het kan ook afgeleid zijn van
\Saica, een MN: de zesce eeuw Historische kaarten
Het plangebied is tot in de jaren '60 van de vorige eeuw in gebruik geweest als grasland. Er heeft een weg door het plangebied gelopen die ook al op de kadastrale minuut staat aangegeven, voordat de
huidige N206 langs het plangebied is aangelegd.
nl).
"vos 1992.
7 waw bolenstraakhistorie.nl, Schute 2007.
# gerkel en Samplonius 2006. 15van27
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen bj De Zik Zoutopslag gemeente Noordwijkerhout Projecunr.264392,03,
anteagroup
februar 2014, revisie 03
Mogelijke verstoringen Verwacht wordt dat ter plaatse van het noodgebouw de verstoringen beperkt zijn, waarbij alleen plaatselijke verstoringen van kabels en leidingen aanwezig zijn. Op basis van het archeologisch
onderzoek van RAAP worden in de noordoostelijke hoek dan wel de gehele oostelijke helft van het plangebied meer verstoringen uit het verleden verwacht, met name ter plaatse van het grasveld; dit. gebied is waarschijnlijk afgegraven. In het westelijk deel van het plangebied worden geen grootschalige
verstoringen verwacht (Afbeelding 2). * 2.2
221
Bekende waarden
Archeologische waarden Gegevens uit ARCHIS: AMK-terreinen Binnen een straal van 500 m van het plangebied zijn geen AMK-terreinen bekend.
Gegevens uit ARCHIS: archeologische waarnemingen Rondom het plangebied zijn twee waarnemingen bekend. Ten westen op circa 450-500 m van het plangebied is een bronzen bijl uit de late bronstijd aangetroffen (waarneming 45557). Ten zuiden van De
Zilk (op circa 800 m van de plangebieden) is bij een waarneming een ijzeren pijlpunt uit de middeleeuwen aangetroffen (45507) Gegevens uit ARCHIS: eerdere onderzoeken In en in de omgeving van De Zilk zijn diverse archeologische onderzoeken uitgevoerd waarbij geen verder onderzoek noodzakelijk bleek. Voor het opstellen van de beleidskaart van Noordwijkerhout is in het plangebied een aantal boringen geplaatst. Hierbij is binnen het plangebied onder een opgebracht
pakket van circa 0,7 m een mogelijk oude bouwvoor aangetroffen met daaronder veen. Op circa 1,65 m onder maaiveld zijn oude duin- en strandafzettingen aangetroffen dat naar beneden toe kalkrijk wordt. In de kalkloze oude duinafzettingen kunnen archeologische resten vanaf het neolithicum worden
aangetroffen. Verder is in de omgeving van het plangebied veelal is er sprake van omzetting van de bodem voor de bloembollenteelt, zandwinning of een afgegraven top van de strandwal waardoor het bodemprofiel verstoord is en geen vindplaatsen meer verwacht worden (onderzoeksmeldingen 6225, 7646, 13560, 14811, 17543, 19407, 49843). Ter hoogte van de Zilkerbinnenweg 69 wordt geen vervolgonderzoek aanbevolen vanwege het ontbreken van archeologische resten (onderzoeksmelding. 20763)
Direct ten noorden van het plangebied is voor de aanleg van een sloot langs de N206 archeologisch booronderzoek uitgevoerd. Hierbij zijn kalkloze oude duinafzettingen aangetroffen met potenti le archeologische niveaus uit het neolithicum tot de late ijzertijd (onderzoeksmelding 53021). De diepteligging van het intacte bodemprofiel wisselt sterk, tussen de 1,88 m + NAP en 0,94 m - NAP. In de
oude duinafzettingen zijn aanwijzingen gevonden van bodemvorming (sterk humeus zand of een veenlaag met onderliggend een uitspoelinglaag). Deze bodems zijn waarschijnlijk gevormd op de flank
van de strandwal of in een duinpan.* Ook de onderzoeksmeldingen 56993 en 57420 hebben betrekking op het onderzoek aan de Sportlaan waarbij behoudenswaardige resten uit de bronstijd en ijzertijd en ook het neolithicum zijn aangetroffen. De resten uit het neolithicum worden niet verder naar het zuiden
toe verwacht. De sporen uit de bronstijd / ijzertijd nemen eveneens af naar het zuiden toe, het is echter
niet duidelijk of het daadwerkelijk de rand de vindplaats betreft of dat deze verder doorloopt. *
informatie mede op basis van de mondelinge mededeling van de gemeente Noordwijkerhout (mevr. NN
"7 Adviesdocument 601, 2012.
20: De rapportage van het onderzoek is nog niet gereed, informatie op basis van de gemeente Noordwijkerhout (mevr. zand
waa:
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen bj De Zik Zoutooslag gemeente Noordwijkerhout Projectnr,264392,03 februari 2014, revisie 03
222
anteagroup
Ondergrondse bouwhistorische waarden
Er worden geen bouwhistorische waarden in de plangebieden verwacht. 23
Archeologische verwachting
231
Bestaande verwachtingskaarten IKAW en Provinciale verwachtingskaart De Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) is een door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed opgestelde kaart waarop aan de hand van eerder gedane archeologische waarnemingen en de
bodemkundige gegevens is aangegeven wat de kans is in een bepaald gebied archeologie aan te treffen laag, middelhoog of hoog. Zoals de naam al aangeeft gaat het hier - vanwege schaal en extrapolatie slechts om een ruwe indicatie. Op provinciaal niveau is de cultuurhistorische kaart van Zuid-Holland met
zones met een archeologische verwachting op hoofdlijnen. De gemeente Noordwijkerhout beschikt echter zelf over een gedetaileerde verwachtingskaart, deze kaart is leidend voor de archeologische verwachting in de plangebieden,
Gemeentelijke verwachtingskaart Ten gevolge van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de verantwoordelijkheid voor archeologielbeleid) bij de gemeentelijke overheid neergelegd. Gemeenten dienen archeologie te borgen
in hun ruimtelijk beleid, door dubbelbestemmingen voor archeologie op te nemen. Om dat te kunnen doen hebben veel gemeenten een grondgebied dekkende archeologische beleidskaart gemaakt. Ook de gemeente Noordwijkerhout beschikt over een archeologische beleidskaart. Op de gemeentelijke
archeologische beleidsadvieskaart liggen de plangebieden in verschillende landschapszones met een verschillende archeologische verwachting (Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied: AWV). Het gemeentelijk beleid ten aanzien van de zones die in het plangebied voorkomen is als volgt:
Voor zone AvW 3 geldt dat hier een inventariserend veldonderzoek door middel van (verkennende) boringen dient plaats te vinden bij ingrepen dieper dan 30 cm - mv en bij oppervlaktes groter dan 100
m, Voor zone AWV 5 geldt dat hier een archeologisch verkennend onderzoek dient plaats te vinden bij
ingrepen dieper dan 1,0 m - mv en bij oppervlaktes groter dan 500 m , waarbij gekeken moet worden naar de aan- of afwezigheid van fossiele bodems. Indien aanwezig, dient vervolgens nader onderzoek
plaats te vinden in de vorm van een inventariserend veldonderzoek (door middel van boringen). Voor zone AWV 8 geldt hier een archeologisch verkennend onderzoek dient plaats te vinden bij
ingrepen dieper dan 30 cm - mv en bij oppervlaktes groter dan 500 m?, waarbij gekeken moet worden. naar de aanwezigheid en intactheid van duin- en strandwalresten."* Indien (intact) aanwezig, dient vervolgens nader onderzoek plaats te vinden in de vorm van een inventariserend veldonderzoek (door
middel van boringen) Op de archeologische beleidskaart blijkt dat het plangebied De Zilk Zoutlocatie een hoge, middelhoge en lage verwachting kent. De ondergrond bestaat uit een (deels afgegraven) strandwal (AWV 3 en 5) en
ingesloten strandvlakte met mogelijke duin- en strandwalresten. Op de strandwal en bij mogelijke duinen strandwalresten in de strandvlakte moet rekening worden gehouden met eventueel aanwezige vindplaatsen vanaf het neolithicum.
wow atasleefomgevingnl
* oude duinafzetingen zijn in n MN oangetoffe binnen het plangebied 15 van2
anteagroup
Projectnr. 26439203 februari 2014, visie 03
Afbeelding 6: Detail archeologische beleidskaart Noordwijkerhout met in blauw het plangebied De Zilk Zoutlocatie Legenda: roze: strandwal, al dan niet met duinen AVV 3; geel:
deels afgegraven strandwal (kalkloze top) AVV 4;
lichtgeel: deels afgegraven strandwal (kalkrijke top) AWV 5; groen: ingesloten strandvlakte, mogelijk duinstrandwalresten AMW 8.
232
Gespecificeerde archeologische verwachting Datering
Vindplaatsen vanaf het neolithicum. Gezien de vindplaatsen direct ten noorden van het plangebied worden vooral resten uit de bronstijd / ijzertijd verwacht. Complextype
AWV 3, AWV 4, en AWV 8: Op de (afgetopte/deels afgegraven) strandwal kunnen nederzettingssporen worden aangetroffen zoals paalkuilen, afvalkuilen, greppels, etc. Uit de bronstijd tot en met de ijzertijd kunnen resten van huizen/nederzettingen worden verwacht (paalgaten, haardplaatsen, greppels, funderingen), alsmede schuren, spiekers en opstallen indien de noordelijk gelegen vindplaats verder doorloopt. Anders kunnen vooral sporen die met de periferie van de vindplaats samenhangen worden aangetroffen (greppelstructuren, afvalkuilen). Verder kunnen sporen van agrarische activiteit worden aangetroffen, zoals erfafscheidingen. Daarnaast kunnen ook menselijke begravingen/crematies worden aangetroffen. Uit de middeleeuwen kunnen 16 van 27
veer
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen bj De Zik Zoutooslag gemeente Noordwijkerhout
Projectnr,264392,03
februar 2014, revisie 03
anteagroup
In het plangebied nederzettingen en resten van agrarische activiteit worden verwacht (bijvoorbeeld greppels) Omvang De vindplaatsen kunnen vari ren van puntlocaties tot en met nederzettingsterreinen van meer dan
n hectare,
Diepteligging Indien strandwal of duinresten aanwezig zijn, worden deze tot maximaal 3 m mv verwacht. Locatie
Binnen het gehele plangebied kunnen archeologische resten worden verwacht. Door de verstoringen in het noordoostelijke deel wordt hier de kans op aantreffen van archeologische resten wel kleiner ingeschat dan in de rest van het plangebied. Uiterlijke kenmerken
Laat-neolithicum tot en met late middeleeuwen: resten en structuren die wijzen op een sedentair, agrarisch bestaan, Nederzettingen (huizen, spiekers, opstallen, schuren), greppels, waterputten met houten beschoeiingen, afvalkuilen. Vondsten in de vorm van aardewerk, huttenleem, natuursteen, glas, botten, houtskool etc Middeleeuwen en nieuwe tijd: nederzettings- en ontginningssporen. Metalen objecten en organisch materiaal (hout, bot, pollen) kunnen nog redelijk tot goed bewaard zijn gebleven. Mogelijke verstoringen Verwacht wordt dat ter plaatse van het noodgebouw de verstoringen beperkt zijn, waarbij
alleen plaatselijke verstoringen van kabels en leidingen aanwezig zijn. Op basis van het archeologisch onderzoek van RAAP worden in de noordoostelijke hoek dan wel het gehele oosten van het plangebied meer verstoringen uit het verleden verwacht, met name ter plaatse van het grasveld; dit gebied is waarschijnlijk afgegraven. In het westelijk deel van het plangebied worden geen grootschalige verstoringen verwacht. 24
Conclusies en advies voor vervolgonderzoek Om het in het archeologisch bureauonderzoek opgestelde verwachtingsmodel te toetsen wordt geadviseerd om een verkennend booronderzoek uit te voeren. Voor de locatie De Zilk geldt dat in het westelijke deel van het plangebied vijf boringen per ha. worden gezet en de verstoringen binnen het oostelijke deel van het plangebied worden getoetst door middel van vier boringen (zie Afbeelding 7). Indien dit gebied toch niet zo verstoord is als verwacht, zullen er alsnog 6 boringen per ha. gezet moeten worden. De boringen worden tot 2 m -mv of tot 0,3 min de ongeroerde C-horizont gezet, zoveel mogelijk verspreid over het terrein, zodat een dekkend beeld van de ondergrond kan ontstaan.
Indien mogelijk zullen in het westelijke deel van het plangebied enkele boringen doorgezet worden tot 3,0 m -mv. Voor het veldonderzoek worden de boringen verricht met een Edelmanboor met een
diameter van 7/10 cm, Deze boorstrategie is in overleg met de gemeente Noordwijkerhout opgesteld
(mail aan mevr. WM aa 14-11-2013). De boorkernen inspecteren wij op de aanwezigheid van archeologische indicatoren, zoals aardewerk, bot- en houtskoolfragmenten en archeologische lagen. Verder wordt gelet op de mate van verstoring
van het bodemprofiel. Ook worden de textuur en de bodemkundige horizonten beschreven conform NEN 5104/ASB. De boringen worden ingemeten ten opzichte van kavelbegrenzingen en andere kenmerken binnen het terrein of met een GPS.
17 van27
Archelegsch bureauonderzoek en inventarteerend veldonderzoek door middelvan boringen bij De ZI Zoutopdag gemeente Noordwijkerheut Projecnr 26839203
anteagroup
februar 2014, reve 03
bs, Afbeelding 7. Deellocatie De Zilk. In geel het deel van het plangebied waar in eerste instantie controleboringen worden geplaatst. Blijkt de bodem niet verstoord te zijn worden aanvullende boringen uitgevoerd (zes per hectare).
18 van 27
woar
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen bj De Zik Zoutooslag gemeente Noordwijkerhout Projectnr,264392,03 februari 2014, revisie 03
anteagroup
Veldonderzoek 3.1
Doel en vraagstelling Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen van de archeologische verwachting, zoals
deze op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek is opgesteld. Het uitgevoerde onderzoek betreft een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase. Een verkennend onderzoek heeft als doel het in kaart brengen van eventuele verstoringen in de bodem, het verkrijgen
van enig inzicht in de bodemopbouw van het gebied en aldus het in kaart brengen van kansrijke en. kansarme zones wat betreft archeologie. Het onderzoek dient antwoord te geven op de volgende vragen:
_Watis de bodemopbouw en zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen? Is er binnen het plangebied een vindplaats aanwezig en/of zijn er archeologische indicatoren,
aangetroffen die hierop kunnen wijzen? Zo ja, wat is de aard, conserveringstoestand en datering van deze indicatoren/vindplaats? _Indien archeologische lagen aanwezig zijn; op welke diepte bevinden deze zich en wat is de maximale diepte? _ Waaruit bestaat of bestaan deze archeologische laag of lagen? In welke mate wordt een eventueel aanwezige vindplaats verstoord door realisatie van geplande bodemingrepen?
_Hoe kan deze verstoring door planaanpassing tot een minimum worden beperkt? _In welke mate stemmen de resultaten van het veldwerk overeen met de verwachtingen van de bureaustudie?
_Wat zijn de aanbevelingen? Is nader onderzoek noodzakelijk? En zo ja, waaruit kan deze bestaan?
3.2
Onderzoeksopzet en werkwijze Datum uitvoering
19-11-2013,
Veldteam, P.CTeekens (senior KNA-archeoloog). Weersomstandigheden _| Bewolkt, circa 9 graden celsius en miezerig. 12 cm Edelmanboor.
(boorgrid) Aantal boringen
Verspreid over het terrein (zoveel mogelijk in een grid van 50m
Diepte boringen
0,7 4,0 m- mv.
tussen de boringen en 40 mtussen de raaien). 15 boringen op locatie De Zilk
Methode conform N.v.t (verkennend). Leidraad SIKB Ori ntatie gridt.ov.geo- | Nvt morfologie/paleolandschap.
Hierbij moest echter wel rekening gehouden worden met de aanwezigheid van kabels, leidingen, sloten, bestrating, bebouwing, eten, auto's ete. Dit heeft er toe geleid dat de boringen binnen deellocatie De Egelantier minder gelijkmatig verspreid over het plangebied konden worden gezet dan gewens
* goringen 014 en 015 konden helaas niet worden doorgezet tot de gewenste diepte. * Tolea, 2012, 19 van27
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen bj De Zik Zoutopslag gemeente Noordwijkerhout
priem aoeszas
anteagroul
eagroup
februar 2014, reve 03
Wijze inmeten boringen Overige toegepaste
Handheld GPS. Nut.
methoden
Wijze onderzoek/ beschrijving boorkolom Verzamelwijze archeo-
ASB en NEN 5104,
Bemonstering
Regelmatig is in het veld de kalkhoudendheid van de diverse (zand)lagen bepaald door middel van een zoutzuuroplossing (10
Snijden, doorwoelen en visuele inspectie van de boorkernen.
#7 Vondstzichtbaarheid aan
Nihil (bestraat, begroeid etc).
oppervlak
Omschrijving oppervlaktekartering
Nvt.
3.3
Resultaten Voor een overzicht van de boringen wordt verwezen naar de boorprofielen in Bijlage 3 en de situatiekaart in de kaartenbijlage.
331
_Bodemopbouw In het oostelijke deel van het plangebied, dat 1,5 2,0 m lager ligt dan het westelijke deel, is sprake van
een egaal maaiveld terwijl in het westen duinen aanwezig zijn. De bodem binnen het oostelijke deel van het plangebied (boringen 019, 020, 022 en 024) wordt van boven naar beneden gekenmerkt door de aanwezigheid van een 0,25 m dikke A-horizont, bestaande uit matig humeus, bruingrijs zand. Hieronder is sprake van n of meerdere verstoorde (venige) zandlagen, die gekenmerkt worden door de
aanwezigheid van veen- en zandbrokken en (soms) plantenresten. De onverstoorde, maar waarschijnlijk afgegraven, natuurlijke ondergrond werd aangetroffen op een diepte van 0,8 1,4 m-mv (-0,5 -1,1m tov. NAP) In de westelijke helft van het plangebied is van boven naar beneden sprake van een 0,2 0,9 m dikke Ahorizont, waaronder plaatselijk nog een verstoorde tussenlaag werd aangetroffen. Veelal is echter direct
geelbruin tot grijs(bruin) duinzand aanwezig. De top is gelig van kleur, terwijl in de ondergrond grijs zand aanwezig is. Op enkele locaties werd er in de ondergrond (op een diepte beginnend tussen de 1,3 en 2,0 m - mv) een (restant) van een oude(re) bouwvoor (A-horizont) of vegetatiehorizont aangetroffen (boringen 008, 010, 011, 012 en 013) en ter plaatse van 006 werden in het geelbruine zand kleine
humeuse lensjes gevonden. Daarnaast is ter plaatse van
010, onder de genoemde oude A-
horizont, sprake van een E-horizont. Voor de diepteligging en locatie van deze bodemrestanten wordt. verwezen naar Tabel 1, Net als in het onderzoek ten noorden van het plangebied blijkt dat de diepte van
de intacte duinafzettingen en vegetatiehorizonten grote verschillen laat zien (0,75 tot 3,8 m - maaiveld). Daarbij is het niet uitgesloten dat er hieronder nog meer oude(re) A-horizonten aanwezig zijn (boringen
zijn doorgezet tot 2,0 tot 2,5 m, MMM 13 tot 4,0 m - mv). Boorpunt__
006 008 010 011
| Oude(re) A-horizont
-L4-15m-mv 13-14m- mv
13-14m- mv 17-175 mmv
Humeuse bandjes
E-horizont
vanaf 0,6 m mv --
-14-15 m-mv
-
-
012 20-21m-mv 013 19-21m-mv Tabel 1. Overzicht van de locatie en diepteligging van de aangetroffen oudefre) A- en mogelijke E-horizonten. % poor het kakgehate te bepalen wordt duidelijk ofer sprake is van een intacte strandwal (met ontkalkt de too) af dat de strandwalis afgetopt (zie ook Afbeelding 3). 20 van 27
woar
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen bj De Zik Zoutooslag gemeente Noordwijkerhout Projectnr,264392,03
februari 2014, rave03
anteagroup
De bodem binnen deellocatie De Zilk Zoutopslag is tot op een diepte van 0,2 1,4 m - mv verstoord Voor het oostelijke, afgegraven, deel van het plangebied geldt dat hier de bodem tot op een diepte van 0,5 -1,1m tov. NAP (boringen 019 en 022) en -0,65 m t.o.v. NAP (boringen 020 en 024) is verstoord.
Voor de westelijke helft van het plangebied is, vanwege het aanzienlijke reli f, een groot verschil in verstoringsdiepten t.o.v. NAP. Het is in ieder geval duidelijk dat de maximale verstoring hier (ver) boven het NAP liggen (minimaal 1,0 m + NAP en maximaal 8,0 m + NAP. Zie voor de verstoringsdiepten per
BEN ree 2.
Boorpunt 006
Verstoringsdiepte 60
Boorpunt 016
Verstoringsdiepte 90
010
70
024
95
007 008 009
6025 20
019020 022
8095 140
Tabel 2. Overzicht van de waargenomen bodemverstoring (in cm - mv) per EM 3311
Kalkgehalte Van 13 boringen is in het veld het kalgehalte bepaald (zoutzuuroplossing 10 %). Hierbij is mate van opbruisen, zoals die is weergegeven in de Archeologische Boorbeschrijvingswaaier van het SIKB gevolgd:
kalkloos = geen opbruisen (code CAI), kalkarm = hoorbaar opbruisen (CA2) en kalkrijk= zichtbaar
opbruisen (code CA3). Over het algemeen blijkt er sprake te zijn van kalkloos zand.
I
Ter plaatse van boringen 006 en 007 (westelijke deel plangebied De Zilk) is in de ondergrond sprake van
kalkarm zand en ter plaatse van boringen 019, 020, 022 en 024 (oostelijk deel plangebied De Zilk) werd
in de ondergrond kalkrijk zand aangetroffen. Hieronder wordt per bemonsterde MNM en per laag aangegeven wat het kalkgehaite is.
Boorpunt 006 007 008 009 010
011
012
[laag 0-20
Code CAL
Kalkgehalte Kalkloos
60-200 0-20 20-60 60-200 0-25 25-140
CA2 CAL CAL CA2 CAL CAL
Kalkarm Kalkloos Kalkloos Kalkarm Kalkloos Kalkloos
140-150 150-250
CAL CAL
Kalkloos Kalkloos
0-20 20-190
CAL CAL
Kalkloos Kalkloos
190-250 250-300 0-70 70-130 130-140 140-150 150-200 5-50 50-130 130-140 170-175 175-195 195-220 0-30
CAL CAL CAL CAL CAL CAL CAL CAL CAL CAL CAL CAL CAL CAL
Kalkloos Kalkloos Kalkloos Kalkloos Kalkloos Kalkloos Kalkloos Kalkloos Kalkloos Kalkloos Kalkloos Kalkloos Kalkloos Kalkloos
20-60
CAL
Kalkloos
21van27
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middelvan boringen bij De Zilk Zoutopslar gemeente Noordwijkerheut Projecnr. 26439203
anteagroup
februar 2014, reve 03
013
016 019 020 022
024
30-200 200-210 210-250 0-20 20-190 190-250 250-400 0-50 90-200 25-60
CAL CAL CAL CAL CAL CAL CAL CAL CAL CAL
Kalkloos Kalkloos Kalkloos Kalkloos Kalkloos Kalkloos Kalkloos Kalkloos Kalkloos Kalkloos
80-200
cA3
Kalkrijk
25-55
CAL
Kalkloos
95-200
cA3
Kalkrijk
25-110 110-140
CAL CAL
Kalkloos Kalkloos
140-200
cA3
Kalkrijk
25-60
CAL
Kalkloos
95-200
CA3
Kalkrijk
Tabel 3, Overzicht van het kalkgehaite per MNM en per laag (aagdiepte in em - mv 33.2
Archeologie Er zijn tijdens het veldonderzoek geen archeologische indicatoren aangetroffen. Het gaat hier echter wel om een verkennende fase van het inventariserend veldonderzoek door middel van boringen. Het doel van de verkennende fase van het veldonderzoek is het in kaart brengen van de bodemopbouw en het aantonen van eventuele bodemverstoringen. De afwezigheid van archeologische indicatoren kan dan
ook niet worden beschouwd als indicatie voor de afwezigheid van een archeologische vindplaats. De kans dat een dergelijke vindplaats aanwezig isin het oostelijke deel van het plangebied wordt vanwege de aangetoonde bodemverstoring (afgraving) echter (zeer) laag ingeschat 33.3
(Archeologische) interpretatie Op basis van de resultaten van het veldonderzoek kan worden geconcludeerd dat binnen het oostelijke deel van het plangebied sprake is van kalkloze zanderijgronden en dat hier de strandwal (deels) is
afgegraven dan wel is omgespit. Dit blijkt niet alleen uit de boorprofielen, maar ook uit het veldbezoek (gebied ligt 1,5 2,0 m lager dan het westelijke deel van het plangebied) en het feit dat de maaiveldhoogte slechts 0,3 1,0 m + NAP is; niet afgegraven strandwallen/Oude Duinen worden
immers verwacht op een diepte van circa 4 m + NAP. De archeologische potentie van dit deel is dan ook nihil
Voor het westelijke deel van het plangebied geldt dat een grotendeels intact bodemprofiel aanwezig is;
er is hier sprake van (strand(wal)}zand dat bovenin kalkloos is en onderin (plaatselijk) kalkrijk is. Bovendien zijn er op enkele locaties oude{re}) A-horizonten (vegetatiehorizonten) aangetroffen, wat de intactheid van het bodemprofiel bevestigt. Met name de zuidwesthoek van het plangebied lijkt nog
intact te zijn, hier ligt het maaiveld ook hoger (tussen de 5 9 m + NAP). In het noordwesten lijkt een deel van het profiel wel afgegraven te zijn; hier ligt het maaiveld immers op 2,3 3,3 m + NAP. Geconcludeerd kan worden dat de archeologische verwachtingswaarde van het gehele westelijke deel
van het plangebied gehandhaafd dient te blijven.
22 van 27
woar
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen bj De Zik Zoutooslag gemeente Noordwijkerhout
Kea aoe ruse
anteagroup
Conclusies en advies 41
Conclusies
Op basis van de resultaten van het veldonderzoek kunnen de onderzoeksvragen uit paragraaf 3.1 als volgt worden beantwoord: 1._Wat is de bodemopbouw en zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen?
De bodem binnen het oostelijke deel van deellocatie De Zilk, dat 1,5 2,0 m lager ligt dan het westelijke deel, wordt van boven naar beneden gekenmerkt door de aanwezigheid van een 0,25 m dikke Ahorizont, bestaande uit matig humeus, bruingrijs zand. Hieronder sprake van n of meerdere
verstoorde (venige) zandlagen, die gekenmerkt worden door de aanwezigheid van veen- en zandbrokken en (soms) plantenresten. De onverstoorde, maar waarschijnlijk afgegraven, natuurlijke ondergrond werd aangetroffen op een diepte van 0,8 1,4 m - mv (-0,5 -1,1m tov. NAP). In de
westelijke helft van het plangebied is van boven naar beneden sprake van een 0,2 0,9 m dikke Ahorizont, waaronder plaatselijk nog een verstoorde tussenlaag werd aangetroffen. Veelal is echter direct geelbruin tot grijs(bruin) duinzand aanwezig. Veelal is de top gelig van Kleur, terwijl in de ondergrond grijs zand aanwezig is. Op enkele locaties werd er in de ondergrond (op een diepte beginnend tussen de
13 en 2,0 m - mv) een (restant) van een oude{re) A-horizont (vegetatiehorizont) aangetroffen (boringen 008, 010, 011, 012 en 013) en ter plaatse van lensjes gevonden. Daarnaast is ter plaatse van
006 werden in het geelbruine zand kleine humeuse 010, onder de genoemde oude A-horizont, sprake
van een ogenschijnlijke E-horizont. De bodem binnen deellocatie De Zilk Zoutopslag is tot op een diepte van 0,2 1,4 m - mv verstoord. Voor het oostelijke, afgegraven, deel van het plangebied geldt dat hier de bodem tot op een diepte van -
0,5 11m tov. NAP (boringen 019 en 022) en -0,65 m t.o.v. NAP (boringen 020 en 024) is verstoord. Voor de westelijke helft van het plangebied is, vanwege het aanzienlijke reli f, een groot verschil in verstoringsdiepten t.o.v.NAP. Het is in ieder geval duidelijk dat de maximale verstoring hier (ver) boven
het NAP liggen (minimaal 1,0 m + NAP en maximaal 8,0 m + NAP. 2. _Zijn er vegetatiehorizonten aangetroffen? Zo ja, wat is hiervan de aard, diepteligging en kwaliteit (gaafheid)?
Ja, in het westelijk deel van deellocatie De Zilk zoutlocatie zijn in vijf boringen oude(re) A-horizonten/ vegetatieniveaus aangetroffen met een minimale dikte van 0,1 m (beginnend op een diepte tussen de 1,3 en 2,0 m - mv). Het is niet uit te sluiten dat er onder de aangetroffen A-horizonten nog meer aanwezig zijn. In de rest van het plangebied zijn geen vegetatiehorizonten aangetroffen.
3.
Iser binnen het plangebied een vindplaats aanwezig en/of zijner archeologische indicatoren aangetroffen die hierop kunnen wijzen? Zo ja, wat is de aard, conserveringstoestand en
datering van deze indicatoren/vindplaats? * Er zijn tijdens het veldonderzoek geen archeologische indicatoren aangetroffen. Het gaat hier echter wel om een verkennende fase van het inventariserend veldonderzoek door middel van boringen. Het doel
van de verkennende fase van het veldonderzoek is het in kaart brengen van de bodemopbouw en het aantonen van eventuele bodemverstoringen. De afwezigheid van archeologische indicatoren kan dan ook niet worden beschouwd als indicatie voor de afwezigheid van een archeologische vindplaats. De
kans dat een dergelijke vindplaats aanwezig is in het oostelijke deel van het plangebied (deellocatie De Zilk- Zoutopslag) wordt vanwege de aangetoonde bodemverstoring (afgraving) echter (zeer) laag ingeschat. % peze vraag hoort in principe niet thuis bij een verkennend onderzoek, omdat het bepalen van de aan- af afwezigheid van. vindplaatsen iet hetprimaire dael is van een dergelijk nderzoek. Hiervoors de gehanteerde boordichtheid -en diameter immers te gering. Echter, omdat het wel mogelijk isdat er tijdens een verkennend booronderzoek een vindplaats wordt aangetroffen, deze vraag toch opgenomen. 23van27
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen bj De Zik Zoutopslag gemeente Noordwijkerhout
Projenr. 26439203
anteagroup
februar 2014, reve 03
4.
_indien archeologische lagen aanwezig zijn; op welke diepte bevinden deze zich en wat is de maximale diepte? Nee (zie verder vraag 2) 5. _ Waaruit bestaat of bestaan deze archeologische laag of lagen? Niet van toepassing (zie vraag 2) 6._In welke mate wordt een eventueel aanwezige vindplaats verstoord door realisatie van geplande bodemingrepen?
Voor het westelijke deel van het plangebied De Zilk Zoutopslag geldt dat de bodem nog (grotendeels) intact is, en dat de kans re el is dat hier archeologische resten aanwezig zijn. De voorgenomen bodemingrepen zullen hier vermoedelijk tot in de onverstoorde ondergrond reiken, waardoor een eventueel aanwezige vindplaats verstoord of vernietigd zal worden. 7.__In welke mate stemmen de resultaten van het veldwerk overeen met de verwachtingen van het bureauonderzoek?
Op basis van het bureauonderzoek werd er rekening mee gehouden dat het oostelijke deel van deellocatie De Zilk zou zijn afgegraven, waardoor de archeologische potentie nihil zou zijn. Gebleken is dat de oostelijke helft van deellocatie De Zilk inderdaad is afgegraven, waardoor de kans op de aanwezigheid van archeologische waarden hier (zeer) laag wordt ingeschat. Tevens is gebleken dat de bodem binnen de westelijke helft van deze locatie nog (grotendeels) intact is, waardoor de kans aanwezig blijft dat hier archeologische resten aanwezig zijn. Deze zijn echter tijdens het verkennende onderzoek niet aangetroffen. Wel zijn er enkele oude{re} bouwvoren aangetroffen. 8._Wat zijn de aanbevelingen? Is nader onderzoek noodzakelijk? En zo ja, waaruit kan deze bestaan?
Zie hiervoor paragraaf 4.2.
42
(Selectie)advies Op basis van de resultaten van het veldonderzoek kan het volgende, tweeledige, (selectie}advies worden geformuleerd: Aanbevolen wordt om:
1._
Het oostelijke deel van deellocatie De Zilk Zoutopslag vrij te geven ten gunste van de
voorgenomen ontwikkeling. 2.
Archeologische resten kunnen in de top van het oude duinzand, maar vooral op de diepte van
de oude vegetatiehorizonten worden verwacht. In het westelijk deel van De Zilk Zoutopslag verschilt de diepte van verstoring, maar is in diverse boringen onder de bouwvoor van 0,2 tot 0,9 m dikte direct oud duinzand aanwezig. De top van het duinzand is wel plaatselijk verstoord. Het advies is dan ook bij diepere grondwerkzaamheden dan 0,2 m onder maaiveld dit gebied
nader te onderzoeken middels een karterend/waarderend proefsleuvenonderzoek, met als deel het bepalen van de aan- of afwezigheid van een vindplaats en de eventuele waardering hiervan. Hierbij wordt geadviseerd de diepte van de graafwerkzaamheden als leidend te zien
voor het inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven. Dit omdat niet uitgesloten kan worden dat dieper dan de onderzochte 2 tot 2,5 m onder maaiveld geen A horizonten meer aanwezig zijn. Omdat een lage vondstdichtheid wordt verwacht, heeft een karterend booronderzoek weinig nut om eventuele vindplaatsen op te sporen. Hierbij dient.
overigens opgemerkt te worden dat er voor aanvang van het proefsleuvenonderzoek een door 24 van 27
voer
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen bj De Zik Zoutooslag gemeente Noordwijkerhout Projectnr,264392,03 februari 2014, revisie 03
anteagroup
de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen (PvE; een soort bestek) opgesteld dient te worden.
Voor een visuele weergave van het bovenstaande (selectie)advies, wordt verwezen naar kaartbijlage. 264392.03-A.
De implementatie van de bovenstaande aanbevelingen is afhankelijk van het oordeel van de bevoegde
overheid, in dezen de gemeente Noordwijkerhout. Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens
graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Op grond van artikel 53 van de Monumentenwet 1988 dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 033-4217456). Een
vondstmelding bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog kan ook. Antea Group
Almere, juni 2014
25 van27
Archeologisch bureauonderzoek en inventarberend veldonderzoek door middelvan boringen bij De Zik Zoutopslag gemeente Noordvwikerhout Projectnr.26439203
anteagroup
februar 2014, reve 03
26 van 27
woar
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen bj De Zik Zoutooslag gemeente Noordwijkerhout Projectnr,264392,03 februari 2014, revisie 03
anteagroup
Literatuur en geraadpleegde bronnen 2012: Adviesdocument 601: archeologisch onderzoek in plangebied
NN EN
gemeente Noordwijkerhout, RAAP.
Barends et. al, 1986: Het Nederlandse landschap. Een historisch-geografische benadering. Uitgeverij
BN veen: HJA, 2004 (4 druk): De vorming van het land. Inleiding in de geologie en geomorfologie. Van
Assen.
Berkel, G. van & K. Samplonius, 2006: Nederlandse plaatsnamen, herkomst en historie. Het Spectrum, Houten,
WN. 2012: Plangebied slootuitbreiding achter sportterrein Sportlaan, De Zilk, gemeente Noordwijkerhout; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek, (RAAPnotitie 4321) weesp.
Schute, LA. 2007: Naar een realistische en duurzame omgang met het archeologische erfgoed in de gemeente Noordwijkerhout; Deel|: Nota Archeologie Gemeente Noordwijkerhout; Deel I: Archeologische beleidskaart van de gemeente Noordwijkerhout. (RAAP-rapport 1458), Weesp.
Tol, A.P. HN& v. verbruggen, 2012: Leidraad inventariserend veldonderzoek. Deel: karterend booronderzoek. SIKB.
Vos, GA, 1992: Bodemkaart van Nederland schaal 1 : 50 000. Toelichting bij kaartblad 24 - 25 West Zandvoort-Amsterdam. Wageningen. Warning, 5, 2013: Bestemmingsplangebied De Zilk, gemeente Noordwijkerhout; archeologisch
vooronderzoek: een bureauonderzoek, (RAAP-notitie 4499), Weesp. Kaarten
Bodemkaart van Nederland, 1:50000, STIBOKA, kaartblad 30F
Grote Historische Atlas (1830-1855), Wolters Noordhoff, Groningen Minuutplan ca. 1830 (http://www. watwaswaar.nl) Topografische kaart 1:25000 (http://kadata.kadaster.nl} Topografisch-miltaire kaarten 1879, 100 ( www. watwaswaar.nl} Internet wwwwatwaswaar.nl
www.atlaswoonomgeving.nl
27 van27
Bijlage 1: Archeologische perioden
Bijlage 1: Archeologische perioden Als bijlage op de resultaten en verzamelde gegevens wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewonersgeschiedenis in Nederland geschetst. Gedurende het paleolithicum (300.000-8800 voor Chr.) hebben moderne mensen (homo sapiens) onze streken tijdens de warmere perioden wel bezocht, doch sporen uit deze periode zijn zeldzaam en vaak door latere omstandigheden verstoord. De mensen trokken als jager-verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. De verschillende groepen jager-verzamelaars exploiteerden kleine territoria, maar verbleven, afhankelijk van het seizoen, steeds op andere locaties.
In het mesolithicum (8800-4900 voor Chr.) zette aan het begin van het Holoceen een langdurige klimaatsverbetering in. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor geleidelijk een bosvegetatie tot ontwikkeling kwam en de variatie in flora en fauna toenam. Ook in deze periode trokken de mensen als jager-verzamelaars rond.
Voorwerpen uit deze periode bestaan voornamelijk uit voor de jacht ontworpen vuurstenen spitsjes. De hierop volgende periode, het neolithicum (5300-2000 voor Chr.), wordt gekenmerkt door een overschakeling van jager-verzamelaars naar sedentaire bewoners, met een volledig agrarische levenswijze. Deze omwenteling ging
gepaard met een aantal technische en sociale vernieuwingen, zoals huizen, geslepen bijlen en het gebruik van aardewerk. Door de productie van overschot kon de bevolking gaan groeien en die bevolkingsgroei had tot gevolg dat de samenleving steeds complexer werd. Uit het neolithicum zijn verschillende grafmonumenten bekend, zoals hunebedden en grafheuvels. Het begin van de bronstijd (200-800 voor Chr.) valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen, zoals bijlen. Het gebruik van vuursteen was hiermee niet direct afgelopen. Vuursteenmateriaal uit de bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Het aardewerk is over het algemeen zeldzaam. De grafheuveltraditie die tijdens het neolithicum haar intrede deed werd in eerste instantie voortgezet, maar rond 1200 voor Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, eventueel omgeven door een greppel.
In de ijzertijd (800-12 voor Chr.) werden de eerste ijzeren voorwerpen gemaakt. Ten opzichte van de bronstijd traden er in de aardewerktraditie en in het gebruik van vuursteen geen radicale veranderingen op. De mensen woonden in verspreid liggende hoeven of in nederzettingen van enkele huizen. Op de hogere zandgronden
ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen (celtic fields). In deze periode werden de kleigebieden ook in gebruik genomen door mensen afkomstig van de zandgebieden. Opvallend zijn de verschillen in materi le welstand Er zijn zogenaamde vorstengraven bekend in Zuid-Nederland, maar de meeste begravingen vonden plaats in urnenvelden.
Met de Romeinse tijd (12 voor Chr. tot 450 na Chr.) eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. In 47 na Chr. werd de Rijn definitief als rijksgrens van het Romeinse Rijk ingesteld. Ter controle van deze zogenaamde limes werden langs de Rijn castella (militaire forten) gebouwd. De inheems leefwijze handhaafde zich wel, ook al werd de invloed van de Romeinen steeds duidelijker in soorten aardewerk (o.a. gedraaid) en een betere infrastructuur. Onder meer ten gevolge van invallen van Germaanse stammen ontstond er instabiliteit wat uiteindelijk leidde tot het instorten van de grensverdediging langs de Rijn
Over de middeleeuwen (450-1500 na Chr), en met name de vroege middeleeuwen (450-1000 na Chr.), zijn nog veel zaken onbekend. Archeologische overblijfselen zijn betrekkelijk schaars. De politieke macht was na het wegvallen
van de Romeinen in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Vanaf de 10 eeuw ontstaat er weer enige stabiliteit en is een toenemende feodalisering zichtbaar. Door bevolkingsgroei en gunstige klimatologische omstandigheden werd in deze periode een begin gemaakt met het ontginnen van bos, heide en veen. Veel van onze huidige steden en dorpen dateren uit deze periode.
De hierop volgende periode 1500 heden wordt aangeduid als nieuwe tijd.
Bijlage 2: Archeologische Monumentenzorg (AMZ) __
schematisch overzicht AMZ
_
verklarende woordenlijst AMZ
Schema Archeologische Monumentenzorg (AMZ) Stap 1 Bureauonderzoek
Stap 2 Inventariserend veldonderzoek (IVO)
1IFnveatrsi
Stap2a Plan van Aanpak
Stap 2d Programma van Eisen.
Stap2b
Stap2e
WO-o Verkennende fase
Goedkeuring bevoegd gezag.
Stap2e
Stap 2f IVO-p
WO-oKarterende fase
Karterende/waarderende fase
Stap 3 Rapport met selectieadvies
v
8 KU] g bd
ne
soe
Ed]
Kete
Rd
vervolgonderzoek.
en
Stap 5 Opgraven
O3Fndaerszok AUrcheolgis
Stap Sa
Programma van Eisen Stapsb
Goedkeuring bevoegd gezag.
Stap sc
Opgraving of archeologische begeleid
Stap Sd Rapporten documentatie
4BFeaslui
Stap Ga rijgave onderzoeksterrein en vergunningverlening
Stap Gb Geen vrijgave onderzoekster planaanpassing noodzakel