CConstaterende datNoordwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Advies bezwarencommissie november 2020 - AVG

Gemeenteraadsvergadering 18 mei 2021, gemeente NoordwijkBij agendapunt: Raadsvoorstel Beslissing op bezwaar tegen Wvg-aanwijzing van 10 en 20 november 20202.919 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Advies van de commissie bezwaarschriften aan de raad van de gemeente Noordwijk inzake de bezwaarschriften ingediend door:

de naamloze vennootschap N.V. Bever Holding en de besloten vennootschappen Muntendamsche Investerings Maatschappij B.V, Northside Investments B.V. en Bever Holding Participaties B.V.

ne De bezwaarschriften zijn gericht tegen: het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk van

10 november 2020 tot het vestigen van een voorlopig voorkeursrecht op zeven percelen in Noordwijk; het besluit van de raad van de gemeente Noordwijk van 20 november 2020 tot het vestigen van een voorkeursrecht op zeven percelen in Noordwijk. Samenstelling van de commissie bezwaarschriften

Samenvatting De commissie bezwaarschriften (hierna: de commissie) adviseert de raad om het bezwaar

van BEN niet-ontvankelijk te verklaren, het raadsbesluit van 20 november 2020 gedeeltelijk te herroepen met inachtneming van het gestelde in dit advies en voor het overige in stand te laten. Tevens adviseert de commissie de raad om het verzoek van Bever om proceskostenvergoeding toe te wijzen. Ontstaan en loop van het geschil

Bij besluit bekendgemaakt op 12 november 2020 heeft het college besloten een voorlopig voorkeursrecht (als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten, hierna: de Wvg) te vestigen op de percelen, kadastraal bekend als gemeente Noordwijk, sectie E2498, E2364, E2525, N2195, N1977, N1976 EN N1975.

In zijn vergadering van 20 november 2020 heeft de raad besloten een voorkeursrecht (op grond van artikel 2, in samenhang met artikel 3 van de Wvg) te vestigen op deze percelen. Het besluit van de raad is gepubliceerd in de Staatscourant van 20 november 2020 (rectificatie op 25 november 2020).

Bij brief ontvangen op 23 november 2020 hebben N.V. Bever Holding, Munstendamsche Investerings Maatschappij B.V., Northside Investments B.V. en Bever Holding Participaties

B.V. (hierna: Bever) bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college tot voorlopige aanwijzing. Bij brief ontvangen op 3 december 2020 heeft Bever bezwaar gemaakt tegen het besluit van de raad tot vestigen van een voorkeursrecht.

Bij brief ontvangen op 30 november 2020, aangevuld op 7 januari 2021, hect GN

rg PSBENbezwaargemaakttegenvoornoemdebesluitenvan de raad.

Naar aanleiding van de bezwaarschriften heeft de commissie een hoorzitting gehouden op

18 januari 2021. Daar verschenen

Het verslag van de hoorzitting is bij dit advies gevoegd. De ontvankelijkheid

nmr!

Niet ter discussie staat dat BEN geen zakelijk gerechtigde is met betrekking tot

de gronden waarop een voorkeursrecht is gevestigd. KNN ste! belanghebbende te zijn, omdat hij belangstelling heeft voor de verwerving van bepaalde gronden waarop het voorkeursrecht is gevestigd. Op grond van artikelen 8:1, 7:1, eerste lid, en 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan alleen een belanghebbende tegen een besluit bezwaar maken,

Op grond van vaste rechtspraak, onder meer uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 8 april 2015, vindplaats

ECLI:NL:RVS:2015:1083, is het belang van een potenti le koper die zijn aankoopmogelijkheden geringer ziet worden een afgeleid belang en derhalve geen rechtstreeks belang als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Daarbij is

tevens van belang dat op het moment van het vestigen van het voorkeursrecht nog

geen koopovereenkomst in de openbare registers was ingeschreven, zodat niet aan de in artikel 10, derde lid, van de Wvg neergelegde vereisten is voldaan.

BN ste: dat hij

n van de weinigen is die de specialistische kennis

bezit voor het ontwikkelen van grondgebonden woningen in de kernzone van de

kustverdediging. Dit doet, wat daar ook van zij, er niet aan af dat hij wat betreft de bestreden besluiten slechts een afgeleid belang heeft.

EN heeft verder geen andere omstandigheden gesteld op grond waarvan hij desondanks als belanghebbende zou dienen te worden aangemerkt.

De commissie adviseert gelet hierop dan ook om het bezwaar van niet-ontvankelijk te verklaren. Bever

De commissie overweegt dat uit artikel 6, eerste lid, van de Wvg, volgt dat een besluit van

het college tot voorlopige aanwijzing vervalt als een besluit van de raad tot aanwijzing in werking treedt. Uit artikel 6, derde lid, van de Wvg, volgt dat, indien een bezwaar aanhangig

is tegen een besluit tot voorlopige aanwijzing, en dit besluit vervalt omdat een besluit van de gemeenteraad tot aanwijzing in werking is getreden, het bezwaar mede geacht wordt te zijn gericht tegen het besluit van de gemeenteraad.

Gelet hierop overweegt de commissie dat het collegebesluit van 12 november 2020 met de inwerkingtreding van het besluit van de raad van 20 november 2020 van rechtswege is vervallen. Hierdoor is het bezwaarschrift tegen het collegebesluit van rechtswege omgezet in een bezwaarschrift tegen het besluit van de raad (zie de uitspraak van de rechtbank

Den Haag van 29 juni 2011, vindplaats ECLI:NL:RBSGR:2011:BR1267). Uit voornoemde uitspraak volgt tevens dat de inhoudelijke gronden van het bezwaarschrift tegen het

collegebesluit in het kader van de bezwaarprocedure tegen het raadsbesluit worden behandeld. De commissie voelt zich hierbij gesteund door bovengenoemde uitspraak van de rechtbank Den Haag en door de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

16 augustus 2013 (vindplaats ECLI:NL:RBAMS:2013:6532). Ten aanzien van het bezwaarschrift van Bever gericht tegen het raadsbesluit van

20 november 2020 meent de commissie dat aan alle vereisten met betrekking tot de ontvankelijkheid is voldaan en dat Bever in haar bezwaren kan worden ontvangen. Bezwaargronden van Bever Bever kan zich niet verenigen met het besluit van het college tot voorlopige aanwijzing van

hun percelen op grond van artikel 6, eerste lid van de Wvg. Bever stelt dat het college niet bevoegd is tot het vestigen van een voorkeursrecht op grond van dit artikel. Een voorlopige aanwijzing is niet mogelijk wanneer al een ruimtelijk plan is vastgesteld.

Met betrekking tot het raadsbesluit voert Bever aan dat het niet ondertekend is en dat de vermelding van planologische grondslag en de eerst mogelijke vervaldatum van het voorkeursrecht ontbreekt. Het conserverend bestemmingsplan Zeewaardig is reeds 7 jaar oud waardoor dat niet als planologische grondslag voor een Wvg-aanwijzing ingevolge artikel 2 in samenhang met artikel 3 Wvg kan dienen. Bever kan zich verder

niet aan de indruk onttrekken dat de raad bij de aanwijzing een oneigenlijk doel voor ogen heeft gehad en stelt dat nu de executieveiling van de baan is, er geen aanleiding meer bestaat om het voorkeursrecht te handhaven. Er is ten opzichte van het bestemmingsplan geen sprake van afwijkend gebruik. Verder is onduidelijk op welke

percelen de aanwijzing betrekking heeft en voldoet het bestreden raadsbesluit niet aan in de Wvg en het Besluit voorkeursrecht gemeenten 2010 (Bvg) gestelde eisen. Standpunt van de Raad De raad geeft aan dat het collegebesluit met de inwerkingtreding van het raadsbesluit van 20 november 2020 is vervallen. Een ondertekend raadsbesluit is ter inzage

gelegd en aan Bever toegestuurd. De raad merkt verder op dat het raadsvoorstel behorende bij het besluit van 20 november 2020 wel het huidige gebruik en de toegekende niet-agrarische bestemming van de percelen vermeldt en het niet relevant is dat dit bestemmingsplan al zeven jaar oud is. De bevoegdheid tot de Wvg-aanwijzing is niet voor een ander doel aangewend, dan waarvoor deze is

bedoeld. Ondanks de kennelijke verschrijving wat betreft de oppervlakte is voor Bever zonder meer duidelijk dat de gemeente gehele kadastrale percelen heeft aangewezen. Van benadeling van Bever door de formele gebreken is geen sprake

en deze gebreken kunnen volgens de raad in de beslissing op bezwaar worden hersteld.

Overwegingen van de commissie naar aanleiding van de bezwaren Op grond van vaste rechtspraak, onder meer de uitspraak van de Afdeling van 25 april 2012, vindplaats ECLI:NL:RVS:2012:BVV3871, gaat het bij de vestiging van een voorkeursrecht om een discretionaire bevoegdheid van de raad. Het al dan niet uitoefenen van die bevoegdheid dient, indien aan de wettelijke voorwaarden voor de toepassing daarvan is voldaan, door de commissie terughoudend te worden getoetst.

Bever stelt dat het college niet bevoegd is tot het vestigen van een voorkeursrecht op grond van artikel 6, eerste lid van de Wvg. Bever stelt dat een voorlopige aanwijzing niet mogelijk is wanneer al een bestemmingsplan is vastgesteld dat voorziet in de toegedachte ontwikkeling. Dit bezwaar wordt niet geraakt door het raadsbesluit en het collegebesluit is komen te vervallen.

Bever voert daarnaast aan dat zijn belang er in gelegen is om de rechtmatigheid van het inmiddels vervallen collegebesluit vast te stellen vanwege de schade die hij

daardoor heeft geleden. Volgens vaste rechtspraak, onder meer uitspraak van de Afdeling van 16 oktober 2012, vindplaatsECLI:NL:RVS:2012:BX9686, is het aan Bever om de door hem gestelde schade tot op zekere hoogte aannemelijk te maken.

Hierover merkt de commissie op dat, nu zij vaststelt dat Bever haar vanwege het collegebesluit niet aannemelijk heeft gemaakt. De commissie acht dit bezwaar

ongegrond. De commissie constateert dat Bever zich op het standpunt stelt dat de raad een

oneigenlijk doel voor ogen heeft gehad bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot het vestigen van een voorkeursrecht.

De Afdeling heeft, onder meer in haar uitspraak van 8 april 2015 (vindplaats ECLI:NL:RVS:2015:1089), geoordeeld dat uit de geschiedenis van de

totstandkoming van de Wvg volgt dat de wetgever met de invoering daarvan heeft beoogd om de positie van gemeenten bij de grondverwerving ten behoeve van de

verwezenlijking van het ruimtelijke beleid te versterken. Dit door de raad een middel te geven waarmee speculatie kan worden tegengegaan en de regie bij de verwezenlijking van de voorgestane ruimtelijke ontwikkelingen kan worden behouden. De raad heeft toegelicht dat het voorkeursrecht is gevestigd om tot

herontwikkeling van deze braakliggende locaties over te gaan. Daarbij wil de raad de regie houden voor wat betreft de door de gemeente gewenste strategie ten

aanzien van de realisatie van de in het bestemmingsplan toegekende planologische bestemmingen. Door het vestigen van voorkeursrecht wordt ook een versnippering van eigenaarschap van de betreffende percelen voorkomen, wat het realiseren van deze doelstelling zou bemoeilijken. Deze motieven zijn naar de mening van de commissie in overeenstemming met het doel en de strekking van de Wvg. De commissie ziet geen grond voor het oordeel dat de raad zijn bevoegdheid om een voorkeursrecht te vestigen heeft gebruikt voor

een ander doel dan waarvoor deze bevoegdheid is gegeven. De commissie overweegt dat noch uit de Wvg noch uit rechtspraak volgt dat een reeds vastgesteld (conserverend) bestemmingsplan niet als planologische grondslag voor een Wvg-aanwijzing ingevolge artikel 2 in samenhang met artikel 3 van de Wvg

kan dienen. In artikel 3, eerste lid, van de Wvg wordt, anders dan in artikel 6, eerste

lid, van de Wvg, slechts gesproken over gronden waaraan bij het bestemmingsplan of inpassingsplan een niet-agrarische bestemming is toegekend. Naar de mening van de commissie volgt reeds uit het verschil tussen het gestelde in artikel 3, eerste lid, en artikel 6, eerste lid, van de Wvg dat de raad, in tegenstelling tot het college,

ook een voorkeursrecht vestigen op basis van een vastgesteld bestemmingsplan. De commissie is het met de raad eens dat het feit dat het bestemmingsplan op het moment

van de aanwijzing al zeven jaar oud was, daaraan niet af doet. De bevoegdheid van de raad op grond van artikel 3 Wvg kan toegepast worden als het daadwerkelijke

feitelijke gebruik afwijkt van de door de gemeente beoogde ontwikkeling die is toegekend in het vastgestelde bestemmingsplan gebruik moet afwijken van het plan. Conform de parlementaire geschiedenis van de Wvg, is op grond van de rechtspraak van de Afdeling, vrij snel aan deze eis voldaan. Ook bij een beter of intensiever gebruik van dezelfde functie mag het voorkeursrecht worden toegepast. Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 18 april 2007, vindplaats ECLI:NL:RVS:2007:BA3222

Hierin is door de Afdeling overwogen dat bij de parlementaire behandeling van de

Wvg tot uitdrukking is gebracht dat de voorkeursregeling niet zo beperkt behoeft te worden opgevat dat deze alleen zou kunnen worden toegepast wanneer sprake is van een bestemming voor wezenlijk andere gebruiksvormen. Ook wanneer de nieuwe bestemming voorziet in een vergelijkbaar maar intensiever gebruik dan het bestaande kan van een afwijkend gebruik worden gesproken. Het gaat er derhalve om dat het huidige feitelijke - gebruik (de percelen liggen momenteel gehaal

braak) niet overeenkomt met het gebruik dat op grond van het bestemmingsplan

mogelijk is. Daarbij neemt de commissie in aanmerking dat in dit geval niet slechts sprake is van een gering afwijkend gebruik. Feitelijk is op dit moment van geen enkele ontwikkeling sprake.

De commissie overweegt dat door de raad terecht is gesteld dat er sprake is van ten

opzichte van het bestemmingsplan afwijkend gebruik, nu de betreffende zeven percelen niet in ontwikkeling zijn genomen en derhalve niet voldoen aan de doeleindenomschrijving van de in het bestemmingsplan aan die percelen gegeven bestemming. De raad was dan ook bevoegd een voorkeursrecht te vestigen

Voor zover de bezwaargronden zich richten tegen een aantal formele gebreken kan de commissie zich vinden in het oordeel van verweerder dat Bever door deze gebreken niet in

zijn belangen is geschaad en dat deze gebreken in de beslissing op bezwaar kunnen worden hersteld.

De commissie adviseert, in lijn met hetgeen in het verweerschrift en op de hoorzitting namens de raad is toegelicht, in de beslissing op bezwaar de kadastrale aanduiding van de

zeven percelen te vermelden, de juiste oppervlakte van het perceel kadastraal bekend Noordwijk, sectie N, nummer 1977 op te nemen, te vermelden dat de gronden eerder zijn aangewezen ingevolge artikel 6 van de Wvg en een kaart bij te sluiten welke voldoet aan de in artikel 3 van het Besluit voorkeursrecht gestelde eisen.

Gelet op het voorgaande adviseert de commissie, mede gezien de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2017, vindplaats ECLI:NL:RVS:2017:1670, om het in dit kader gedane verzoek van Bever om vergoeding van de proceskosten toe te wijzen. Al het voorgaande brengt de commissie tot het volgende advies. Advies

De commissie adviseert de raad:

- het bezwaar van MN niet-ontvankelijk te verklaren; - het bestreden besluit van 20 november 2020 in stand te laten;

- met toepassing van artikel 6:22 van de Awb in de beslissing op bezwaar de kadastrale

aanduiding van de zeven percelen te vermelden, de juiste oppervlakte van het perceel kadastraal bekend Noordwijk, sectie N, nummer 1977 op te nemen, te vermelden dat de

gronden eerder zijn aangewezen ingevolge artikel 6 van de Wvg en een kaart bij te

sluiten welke voldoet aan de in artikel 3 van het Besluit voorkeursrecht gestelde eisen;

- het verzoek om vergoeding van de proceskosten toe te wijzen tot een bedrag van 1.068,00.

Noordwijk, 11 februari 2021

Jut ch kader

Wet voorkeursrecht gemeenten

Artikel 2

De gemeenteraad kan gronden aanwijzen waarop de artikelen 10 tot en met 15, 24 en 26 van toepassing zijn. Artikel 3

f

Voor aanwijzing komen in aanmerking gronden waaraan bij het bestemmingsplan of inpassingsplan een niet-agrarische bestemming is toegekend en waarvan het gebruik afwijkt van dat plan.

2

Een besluit tot aanwijzing vermeldt ten aanzien van de onroerende zaken waarop het betrekking heeft:

a. de kadastrale aanduiding; b. de grootte van elk van de desbetreffende percelen volgens de kadastrale registratie;

c. de grootte van een perceelsgedeelte, indien de aanwijzing betrekking heeft op een gedeelte van een onroerende zaak, en d. de namen van de eigenaren van de desbetreffende onroerende zaken en van de rechthebbenden op de beperkte rechten waaraan die zaken zijn onderworpen.

3.

Bij het besluit behoort een kadastraal overzicht waarop duidelijk zijn aangegeven de gronden waarop de aanwijzing betrekking heeft en de bijbehorende percelen of perceelsgedeelten.

Artikel 5

1

In afwijking van de artikelen 3, eerste lid, en 4, eerste lid, komen voor aanwijzing ook in aanmerking gronden die nog niet zijn opgenomen in een bestemmingsplan,

inpassingsplan, of structuurvisie, maar waarbij in het besluit tot aanwijzing aan de betrokken gronden een niet-agrarische bestemming wordt toegedacht en waarvan het gebruik afwijkt van die bestemming. In het besluit tot aanwijzing wordt aangegeven of nadien nog zal worden overgegaan tot het vaststellen van een structuurvisie. 2

Artikel 3, tweede en derde lid, is van toepassing.

Artikel 6

1.

Burgemeester en wethouders kunnen gronden voorlopig aanwijzen, mits bij het

hiertoe strekkend besluit aan die gronden een niet-agrarische bestemming is toegedacht en het gebruik afwijkt van de toegedachte bestemming. Het besluit vervalt van rechtswege drie maanden na dagtekening of zoveel eerder als een besluit van de gemeenteraad tot aanwijzing ingevolge artikel 3, 4 of 5 in werking treedt.

2.

De artikelen 3, tweede en derde lid, 10 tot en met 15, 24 en 26 zijn van overeenkomstige toepassing.

.

Indien bezwaar of beroep aanhangig is tegen een besluit tot voorlopige aanwijzing en dit besluit vervalt omdat een besluit van de gemeenteraad tot aanwijzing in werking is

getreden, wordt het bezwaar of beroep mede geacht te zijn gericht tegen het besluit van de gemeenteraad. Besluit voorkeursrecht gemeenten Artikel 3

a. het kadastraal overzicht, bedoeld in artikel 3, derde lid, van de wet wordt vervat in

een kaart, die is ingericht met inachtneming van de volgende voorschriften:

b. de kaart wordt vervaardigd op een schaal van ten minste 1 op 2500, waarop de kadastrale indeling van het gebied waarin zich aangewezen gronden bevinden is aangegeven;

c. de aangewezen gronden worden met een duidelijke ononderbroken lijn of arcering op de kaart aangegeven; d. uit de kaart moet de kadastrale sectie-indeling blijken door middel van een onderbroken lijn;

e. uit de kaart moet de aansluiting van de aangewezen gronden aan het daaromheen gelegen gebied blijken; f. op de kaart wordt aangegeven een noordpijl, alsmede de naam van de gemeente en in geval van afwijking tevens de naam van de kadastrale gemeente.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Noordwijk&id=e1c27106-8d96-492f-a645-073840f08513