Bijlage A7 - Bijlage 4 Ecologisch onderzoek
Tekst van het document
Natuurtoets realisatie nieuwbouwwijk OffemZuid te Noordwijk Toetsing aan de Wet natuurbescherming 1 oktober 2021
Kenmerk
R001-1282423MTR-V03-sal-NL
Verantwoording Titel
Natuurtoets realisatie nieuwbouwwijk Offem-Zuid te Noordwijk Toetsing aan de Wet natuurbescherming
Opdrachtgever
Campri Vastgoed B.V.
Projectleider
Elise Koole
Auteurs
Mickey Tromp
Tweede lezer
Adrie van Hooff
Uitvoering veldbezoek
Mickey Tromp
Projectnummer
1282423
Aantal pagina’s
22
Datum
1 oktober 2021
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon TAUW bv Australiëlaan 5 Postbus 3015 3502 GA Utrecht T +31 30 28 24 82 4 E info.utrecht@tauw.com
2/22
Kenmerk
R001-1282423MTR-V03-sal-NL
Inhoud 1
2
3
Inleiding ..................................................................................................................................... 4 1.1
Doel .................................................................................................................................... 4
1.2
Wetgeving .......................................................................................................................... 4
1.3
Te beschouwen onderdelen Wnb ...................................................................................... 4
1.4
Werkwijze ........................................................................................................................... 5
1.5
Kwaliteit .............................................................................................................................. 5
1.6
Uitgangspunten .................................................................................................................. 5
Situatie en beoogde ontwikkeling .............................................................................................. 6 2.1
Huidige situatie ................................................................................................................... 6
2.2
Beoogde ontwikkeling ........................................................................................................ 7
Soortenbescherming ................................................................................................................. 8 3.1
Beschermingsregime en bepalingen .................................................................................. 8
3.2
Vrijstellingen ....................................................................................................................... 9
3.3
Zorgplicht ......................................................................................................................... 10
3.4
Literatuuronderzoek ......................................................................................................... 10
3.5
Effecten ............................................................................................................................ 11
3.5.1
Flora .......................................................................................................................... 11
3.5.2
Grondgebonden zoogdieren ..................................................................................... 11
3.5.3
Vleermuizen .............................................................................................................. 12
3.5.4
Vogels ....................................................................................................................... 15
3.5.5
Amfibieën .................................................................................................................. 15
3.5.6
Reptielen ................................................................................................................... 17
3.5.7
Libellen, vlinders en overige ongewervelden ............................................................ 17
3.5.8
Zorgplicht .................................................................................................................. 17
4
Conclusies en aanbevelingen.................................................................................................. 18
5
Literatuur ................................................................................................................................. 21
3/22
Kenmerk
R001-1282423MTR-V03-sal-NL
1 Inleiding Dit hoofdstuk bevat achtergrondinformatie over het doel van de toetsing, de relevante natuurwetgeving, de wijze van kwaliteitsborging en de te hanteren uitgangspunten voor toetsing.
1.1
Doel
In opdracht van Campri Vastgoed B.V. heeft TAUW onderzoek gedaan naar de consequenties van de Wet natuurbescherming voor de ontwikkeling van een woonwijk te Noordwijk. De ontwikkeling kan alleen doorgaan als deze niet in strijd is met de natuurwetgeving, of als de benodigde vergunningen en/of ontheffingen kunnen worden verleend. In de rapportage volgt het antwoord op de volgende vragen: • Welke onderdelen van de Wet natuurbescherming (hierna te noemen Wnb) zijn van belang? • In hoeverre is de beoogde ontwikkeling (mogelijk) strijdig met de Wnb? • •
1.2
Zijn maatregelen en/of een ontheffing/vergunning nodig? Wat betekent dit voor de verdere planvorming en uitvoering?
Wetgeving
Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna te noemen “Wnb”) in werking. De Wnb is het nieuwe wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt drie tot dan bestaande wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Het beschermingsregime gaat uit van het “nee, tenzij-principe“. Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Zuid-Holland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling.
1.3
Te beschouwen onderdelen Wnb
Het is noodzakelijk om de ontwikkeling te toetsen aan soortenbescherming vanwege de mogelijke aanwezigheid van flora en fauna. Voor bescherming van gebieden is toetsing aan Natura 2000doelen van belang. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Coepelduynen’ ligt op circa 1,4 kilometer afstand van het plangebied. Vanwege de afstand tot Natura 2000-gebieden en de aard van de werkzaamheden zijn negatieve effecten door trilling, geluid, licht en optische verstoring et cetera uitgesloten. Sinds 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden. Als gevolg daarvan zijn bouw- en sloopwerkzaamheden vrijgesteld van natuurvergunningsplicht voor het aspect stikstofdepositie. Echter de gebruiksfase is niet vrijgesteld van deze vergunningsplicht. Effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofuitstoot zijn al dan niet uit te sluiten door middel van een AERIUS-berekening. Hier kan een bevoegd gezag dan ook altijd om vragen. Het uitvoeren van deze berekening is geen onderdeel van deze natuurtoets.
4/22
Kenmerk
R001-1282423MTR-V03-sal-NL
Toetsing in het kader van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is niet nodig, aangezien het plangebied niet binnen de begrenzing van het NNN ligt. Externe werking op het NNN hoeft in provincie Zuid-Holland niet getoetst te worden. Onder de Wnb zijn sommige houtopstanden en solitaire bomen ook beschermd. Een toetsing aan Wnb onderdeel houtopstanden is niet nodig, omdat het project binnen de bebouwde kom wordt uitgevoerd. Bij de kap van bomen in het plangebied is mogelijk wel een kapvergunning van de ‘Algemene plaatselijke verordening Noordwijk 2021’ vereist. Bomen met een stamomtrek groter dan 110 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld zijn vergunningplichtig. De (mogelijk benodigde) kapvergunning blijft verder buiten beschouwing in dit rapport.
1.4
Werkwijze
De mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten is bepaald aan de hand van de volgende gegevens: • • •
Regionale en landelijke verspreidingsatlassen en -data (zie ook H5) Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) Natuurkaart van TAUW (https://www.TAUW.nl/op-welk-terrein/ecologie/ecoviewer.html)
•
Een oriënterend veldbezoek op 19 juli 2021
Het doel van de literatuurstudie is om na te gaan welke beschermde soorten in of in de omgeving van het plangebied kunnen voorkomen. De ecoloog controleert tijdens het oriënterende veldbezoek of de locatie voldoet aan eisen die soorten aan hun leefomgeving stellen. Ook kijkt de ecoloog naar aanwijzingen van de aanwezigheid (zichtwaarnemingen en sporen van terreingebruik, zoals holen, uitwerpselen, haren, prooi- of voedselresten).
1.5
Kwaliteit
Voor soortenbescherming is een volledige garantie over de aanwezigheid niet te geven. Door inzet van deskundige ecologen en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethodes wordt de kwaliteit van het onderzoek zoveel mogelijk gewaarborgd. Mede in dit kader is TAUW aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus, een samenwerkingsverband van adviesbureaus die ecologisch advies geven en ecologisch onderzoek verrichten.
1.6
Uitgangspunten
De volgende uitgangspunten zijn van toepassing op de beoogde ontwikkeling: 1. De Woensdagsche Watering wordt niet aangetast door de beoogde ontwikkeling; 2. 3.
Het bos ten zuidoosten van het plangebied heeft de bestemming ‘natuur’ en zal niet worden aangetast door het voornemen; De bomen langs de N206 blijven staan en daar komt in een brede strook een ecologische zone. Verder wordt alle vegetatie in het plangebied verwijderd.
5/22
Kenmerk
R001-1282423MTR-V03-sal-NL
2 Situatie en beoogde ontwikkeling Dit hoofdstuk bevat achtergrondinformatie over de huidige situatie, het voorgenomen plan en de uit te voeren werkzaamheden.
2.1
Huidige situatie
Figuur 2.1 toont de ligging van het plangebied. Het gaat om een verwilderd terrein in Offem-Zuid te Noordwijk. Voorheen, tot eind 2015, waren op deze locatie extensief beheerde agrarische percelen; enkele volkstuincomplexen; en enkele paardenstallen te vinden. Na januari 2016 zijn de gronden, op last van de gemeente, in ongebruik geraakt. Op het terrein staan nu diverse grassen, kruiden en bloemen afgewisseld met open stukken zandgrond. Tevens zijn bramenstruiken en brandnetel langs het plangebied aangetroffen. In de zuidhoek, de westzijde en de noordoostrand staan respectievelijk een kleine bosschage; enkele losstaande bomen; en een bomenrij. Ten oosten en zuidoosten van het plangebied zijn een bosschage en bomenrij aanwezig. Langs de randen van het plangebied lopen (deels droogstaande) watergangen.
Figuur 2.1 Ligging van het plangebied (globaal begrensd)
6/22
Kenmerk
R001-1282423MTR-V03-sal-NL
Figuur 2.2 Impressie van het plangebied
2.2
Beoogde ontwikkeling
Figuur 2.3 geeft de beoogde ontwikkeling weer. De gemeente Noordwijk heeft het geel gearceerde deel aangewezen als woonwijk. De gemeente ontwikkelt zelf een deel van de grond. Overige percelen worden door ontwikkelaars zoals Campri Vastgoed B.V. bebouwd. Deze natuurtoets is gericht op het rood omlijnde deel.
7/22
Kenmerk
R001-1282423MTR-V03-sal-NL
Figuur 2.3 Bestemmingsplan Offem-Zuid. Het plangebied is rood omlijnd. Het overige geel gearceerde deel is in deze natuurtoets niet van toepassing
3 Soortenbescherming In dit hoofdstuk volgt antwoord op de vraag de beoogde activiteiten schade (kunnen) op beschermde flora en fauna tot gevolg hebben.
3.1
Beschermingsregime en bepalingen
Het onderdeel soortenbescherming onder de Wnb heeft bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar ook in Europa in hun voortbestaan worden bedreigd. De Wnb kent drie beschermingsregimes: • Vogels: Het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn
•
beschermd via de Europese Vogelrichtlijn; de bescherming is geregeld in artikel 3.1 van de Wnb Dieren en planten: Het gaat hier om inheemse dieren en planten, die zijn beschermd via de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; de bescherming is geregeld in artikel 3.5 van de Wnb
8/22
Kenmerk
•
R001-1282423MTR-V03-sal-NL
Nationale soorten: Het gaat hier om soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of
Habitatrichtlijn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd; de bescherming is geregeld in artikel 3.10 van de Wnb Per beschermingsregime geldt een aantal verbodsbepalingen. Hier is ook een beschrijving opgenomen onder welke voorwaarden een bevoegd gezag ontheffing of vrijstelling kan verlenen. Tabel 3.1 is een samenvatting van de verbodspalingen. Ze voorzien in een bescherming van verblijfplaatsen, evenals de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Zuid-Holland kan een ontheffing verlenen van de verboden als genoemd in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10.
3.2
Vrijstellingen
In de Wnb is een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren onder de categorie “Nationale soorten”, zoals gewone pad, bruine kikker en konijn, landelijk vrijgesteld. Dit betekent dat geen ontheffing nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland hebben bevoegdheid om bij verordening deze soorten te beschermen (Provincie Zuid-Holland, 2016). Vrijgestelde soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing. Tabel 3.1 Verbodsbepalingen soortenbescherming onder de Wnb
Verbodsbepaling
A
B
C
D
E
Vogels Vrl
Dieren Hrl/
Planten
Dieren
Planten
Hrl/
(‘nationaal’)
(‘nationaal’)
Bonn/Bern
Bonn/Bern Dieren of planten: Doden of vangen Storen/verstoren
3.1.1
3.5.1
3.1.4
3.5.2
3.10.1.a
(tenzij 3.1.5) Plukken, verzamelen, afsnijden,
3.5.5
3.10.1.c
ontwortelen of vernielen Onder zich hebben of vervoeren
3.2.6
3.6.2
3.6.2
Plaatsen: Vernielen, beschadigen of wegnemen
3.1.2
nesten Beschadigen of vernielen
3.5.4
voortplantingsplaatsen Beschadigen of vernielen rustplaatsen
3.10.1.b (vaste vp)
3.1.2
3.5.4
3.10.1.b (vaste rp)
Eieren: Vernielen (of –Vrl- beschadigen)
3.1.2
3.5.3
Rapen
3.1.3
3.5.3
Onder zich hebben
3.1.3
Toelichting: Codes verwijzen naar wetsartikelen Wet natuurbescherming.
9/22
Kenmerk
R001-1282423MTR-V03-sal-NL
Oranje
verbodsbepaling geldt alleen wanneer sprake is van opzet.
Rood
verbodsbepaling geldt in alle gevallen, ook wanneer geen sprake is van opzet.
3.3
Zorgplicht
De zorgplicht (artikel 1.11 van de Wnb) houdt in dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten achterwege worden gelaten. Als zich mogelijk negatieve effecten voordoen, dan treft de initiatiefnemer noodzakelijke maatregelen om die gevolgen te voorkomen of zo veel mogelijk te beperken/ongedaan te maken. Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is overal van toepassing, ook buiten beschermde gebieden.
3.4
Literatuuronderzoek
Het voorkomen van de soorten in tabel 3.2 in of in de nabijheid van het plangebied is, op grond van het literatuuronderzoek, niet met zekerheid uit te sluiten. In het plangebied zijn geen gebouwen aanwezig. Om deze reden zijn soorten (zoals laatvlieger, gierzwaluw en steenmarter) die voor hun leefgebied afhankelijk zijn van bebouwing op voorhand uitgesloten. Voor beschermde soorten vissen ontbreekt het aan geschikt habitat in (de directe nabijheid van) het plangebied. Ook deze soortgroep is daarom op voorhand uitgesloten. Tabel 3.2 Soorten in de omgeving van het plangebied Soortgroep
Aanwezige soorten in omgeving
Flora
Ruw parelzaad, wilde averuit (artikel 3.10)
Grondgebonden zoogdieren
Boommarter, eekhoorn (artikel 3.10)
Vleermuizen
Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis, watervleermuis, baardvleermuis, franjestaart (artikel 3.5)
Vogels jaarrond beschermd
Ooievaar, wespendief, buizerd, havik, boomvalk, sperwer, ransuil, roek, grote gele kwikstaart (artikel 3.1)
Algemene broedvogels
Soorten zoals houtduif, putter, tjiftjaf (artikel 3.1)
Amfibieën
Rugstreeppad (artikel 3.5)
Reptielen
Zandhagedis (artikel 3.5)
Vissen
N.v.t.
Vlinders, libellen en overige ongewervelden
Platte schijfhoren (artikel 3.5), aardbeivlinder (artikel 3.10)
10/22
Kenmerk
3.5
R001-1282423MTR-V03-sal-NL
Effecten
3.5.1 Flora Het plangebied betreft een braakliggend terrein met gras, kruiden en bloemen met open zandplekken. Ruw parelzaad en wilde averuit komen voor op braakliggende grond. Deze soorten zijn tijdens het veldbezoek op 19 juli niet waargenomen. Echter is het veldbezoek uitgevoerd buiten de bloeiperiode van ruw parelzaad en wilde averuit. Van ruw parelzaad is de bloeitijd april – juni. De bloeitijd van wilde averuit is augustus – herfst. Negatieve effecten op ruw parelzaad en wilde averuit zijn niet op voorhand uit te sluiten. Nader soortgericht onderzoek naar de aanwezigheid van en effecten op deze soorten is noodzakelijk. Het nader onderzoek naar ruw parelzaad en wilde averuit kan gecombineerd uitgevoerd worden, aangezien wilde averuit een overblijvende plant is. Het onderzoek dient uitgevoerd te worden in de bloeiperiode van ruw parelzaad. In figuur 3.1 is het braakliggend terrein dat geschikt is als groeiplaats voor ruw parelzaad en wilde averuit oranje gearceerd.
Figuur 3.1 Het braakliggend terrein als geschikte groeiplaats voor ruw parelzaad en wilde averuit in het plangebied
3.5.2 Grondgebonden zoogdieren In het plangebied is geen geschikt leefgebied aanwezig van boommarter en eekhoorn. De bosschage ten oosten van het plangebied biedt echter potentieel leefgebied van deze soorten. Tijdens het veldbezoek is de bosschage betreden en zijn geen sporen (zoals boomholtes, eekhoornnesten, krabsporen en uitwerpselen) van boommarter en eekhoorn aangetroffen. Ook in het door TAUW uitgevoerde nader onderzoek uit 2017 zijn geen sporen van deze soorten gevonden in (de omgeving van) het plangebied (TAUW, 2017).
11/22
Kenmerk
R001-1282423MTR-V03-sal-NL
Bovendien blijft het potentieel leefgebied onaangetast en geldt geen verbod op verstoring van boommarter en eekhoorn onder artikel 3.10 in de Wnb. Negatieve effecten op boommarter en eekhoorn zijn uitgesloten. Een ontheffing is niet nodig. 3.5.3 Vleermuizen Hoewel vleermuizen zoogdieren zijn, worden deze vanwege hun afwijkende eigenschappen als afzonderlijke groep behandeld. Er zijn drie typen leefgebied van vleermuizen te onderscheiden: verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes. Verblijfplaatsen bevinden zich, afhankelijk van de soort, in woningen, andere bouwwerken of in bomen. Foerageergebieden zijn groen- of waterstructuren zoals struweel, bomenrijen en watergangen. Vliegroutes worden gevormd door lijnvormige elementen zoals bomenrijen, randen van bebouwing en watergangen. Verblijfplaatsen Op voorhand zijn verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten zoals gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, tweekleurige vleermuis, gewone grootoorvleermuis en meervleermuis uitgesloten. Dit wegens het ontbreken van gebouwen in het plangebied. In het plangebied zijn tevens géén geschikte boomholtes, loshangende takken of losse schors aangetroffen die naar geschikte verblijfplaatsen van boombewonende soorten kunnen leiden.
Het gaat hierbij om de volgende soorten: ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis, watervleermuis, baardvleermuis en franjestaart. Direct buiten het plangebied is wel een boom met potentieel geschikte holtes gevonden. Deze holtes leiden mogelijk naar zomer-, paar- en winterverblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. De boom is van onvoldoende grootte om te dienen als kraamverblijfplaats. De foto’s en locatie van deze boom met holtes zijn respectievelijk in figuur 3.2 en 3.3 weergegeven. Deze boom en de naastgelegen bomen dienen onaangetast te blijven. Ook dient de boom met holte onverlicht te blijven tussen zonsondergang en zonsopkomst in de actieve periode van april tot en met oktober. In de periode van november tot en met maart, dient uitstralende verlichting tussen 20:00 – 7:00 te worden voorkomen. Deze maanden liggen buiten de actieve periode, waardoor de kans op foeragerende vleermuizen minimaal is. Een ontheffing is bij het nemen van deze maatregelen niet nodig. Deze maatregelen zijn niet nodig wanneer uit nader onderzoek blijkt dat in de boom met holtes geen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Met een endoscoop kan door een ter zake kundige ecoloog worden onderzocht of de holte geschikt is als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen.
Foerageergebied en vliegroutes In het plangebied zijn slechts kleine delen geschikt als foerageergebied voor vleermuizen zoals een kleine bosschage, enkele losstaande bomen en watergangen. Deze onderdelen zijn dusdanig klein en vrij geïsoleerd dat deze geen essentieel foerageergebied vormen. De bosschage ten oosten van en tevens buiten het plangebied en een naastgelegen plas vormen meer geschikt foerageergebied voor vleermuizen (zie figuur 1.3). Het Landgoed Offem ten noorden van het plangebied is essentieel foerageergebied gezien de grootte en bereikbaarheid van dit gebied. De bosschage ten oosten van het plangebied en de bomenrij langs de noordoostzijde van het plangebied (ten zuidwesten van de Hogeweg) vormen mogelijk een onderdeel van een essentiële vliegroute naar en van het landgoed Offem.
12/22
Kenmerk
R001-1282423MTR-V03-sal-NL
De bomenrijen aan de noordoostkant van de Hogeweg en de Woensdagsche Watering zijn mogelijk eveneens essentiële vliegroutes. Migratieroutes van de meervleermuis zijn uitgesloten vanwege het ontbreken van grote wateren zoals rivieren en kanalen. Wanneer de bomenrij langs het plangebied wordt gekapt, blijven overbruggingen even groot als in de huidige situatie. Daarnaast blijft er voldoende dekking en beschutting aanwezig door het behouden van de bomen ten noordoosten van de Hogeweg en de Woensdagsche Watering. De grote bosschage met naastgelegen plas en de bomen langs de Hogeweg dienen onverlicht te blijven in de onder ‘Verblijfplaatsen’ genoemde periodes zodat negatieve effecten op potentieel foerageergebied en potentiële vliegroutes uitgesloten zijn. Een ontheffing is door het nemen van deze maatregel niet nodig. Deze maatregel is niet nodig wanneer uit nader onderzoek blijkt dat geen essentieel foerageergebied en/of essentiële vliegroutes aanwezig zijn. Wanneer het onvermijdelijk is om deze mogelijke foerageergebieden en vliegroutes onverlicht te laten in deze periodes, is nader onderzoek naar essentieel foerageergebied en essentiële vliegroutes nodig. Het nader onderzoek bestaat uit twee veldbezoeken, één in de kraamperiode (1 juni – 15 juli) en één bezoek minstens acht weken na het eerste veldbezoek (uiterlijk tot 15 september).
Figuur 3.2 Boom met holtes buiten het plangebied
13/22
Kenmerk
R001-1282423MTR-V03-sal-NL
Figuur 3.3 Boom met holtes voor vleermuizen buiten het plangebied
Figuur 3.4 Grote bosschage ten oosten van het plangebied (links) en de plas ten noordwesten daarvan (rechts)
Tabel 3.3 Type functies en soorten vleermuizen in plangebied Type functie
Deelgebied
Vleermuissoorten
Verblijfplaatsen in
N.v.t.
Uitgesloten
N.v.t.
Uitgesloten
Bosschage en plas ten oosten van
Alle genoemde soorten
gebouwen Verblijfplaatsen in bomen Foerageergebied
plangebied Vliegroute
Bosschage en bomenrij ten oosten en
Alle genoemde soorten (behalve
noordoosten van het plangebied
meervleermuis)
14/22
Kenmerk
3.5.4
R001-1282423MTR-V03-sal-NL
Vogels
Vogels met jaarrond beschermde nesten De nesten van deze soorten zijn het hele jaar beschermd, evenals de functionele leefomgeving rondom het nest. In het plangebied zijn geen (geschikte) nesten van vogels met jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Ook in de grote bosschage ten oosten en de bomenrijen aan de randen van het plangebied zijn geen (potentieel) jaarrond beschermde nesten gevonden. Uitsluitend is een overvliegende buizerd waargenomen tijdens het veldbezoek. In de NDFF zijn in de afgelopen tien jaar geen jaarrond beschermde nesten bekend in (de invloedsfeer van) het plangebied (NDFF, 2021). Tevens zijn tijdens het in 2017 door TAUW uitgevoerde nader onderzoek geen jaarrond beschermde nesten of belangrijk foerageergebied vastgesteld (TAUW, 2017). Negatieve effecten als gevolg van het beoogde voornemen op vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten zijn er niet. Een ontheffing is niet nodig. Soorten uit categorie 5 De nesten van vogels in deze categorie zijn alleen jaarrond beschermd als ‘zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden’ dat rechtvaardigen. Er komen in of nabij het plangebied geen categorie 5 soorten voor waarvoor zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden gelden die jaarrond bescherming rechtvaardigen.
Voor soorten die in het plangebied worden verwacht, zoals ekster, blijven in (de omgeving van) het plangebied voldoende broedlocaties aanwezig. Tijdens het broedseizoen beschermde vogels De nesten van deze soorten zijn beschermd als ze als broedlocatie in gebruik zijn. Tijdens het veldbezoek zijn diverse soorten vogels waargenomen zoals houtduif, ekster, zilvermeeuw, boerenzwaluw, putter en tjiftjaf. De bosschages, watergangen, losstaande bomen en het grasland bieden geschikte broedlocaties voor algemene broedvogels. Vogels kunnen gedurende het gehele jaar tot broeden komen. Het is daarom zaak om hier voorafgaand aan het werk rekening mee te houden. De kans op een broedgeval is het grootst in de periode maart tot en met augustus. Een (periodieke) controle op nesten van broedvogels is voorafgaand aan de werkzaamheden noodzakelijk om overtreding van de wet te voorkomen. Indien een broedgeval aanwezig is, dient een verstoringsvrije zone te worden aangehouden, waarbinnen gedurende de periode van broeden niet wordt gewerkt. De breedte van deze zone dient door een ter zake kundige te worden bepaald. 3.5.5 Amfibieën De rugstreeppad komt voor op braakliggende terreinen, groeven, zand- en kleiafgravingen, duinen en uiterwaarden. Ook bieden vennen in heideterrein en sloten in akker- en grasland geschikt leefgebied. Hierbij is een vergraafbare zanderige bodem een vereiste.
Voortplantingswateren betreffen ondiepe, tijdelijke wateren met hoogstens pioniersvegetatie. De (droogstaande) watergangen aan de randen van het plangebied in combinatie met het vergraafbaar en zanderig braakliggend terrein bieden geschikt voortplantingshabitat voor de rugstreeppad (zie figuur 3.4). Het foerageergebied van rugstreeppadden bevindt zich binnen een straal van circa 500 meter van het gebied waar deze soort overdag aanwezig is (BIJ12, 2017). Het hele plangebied bevat daardoor potentieel leefgebied van de rugstreeppad zoals weergegeven in figuur 3.6.
15/22
Kenmerk
R001-1282423MTR-V03-sal-NL
Binnen een kilometer afstand van het plangebied zijn in de afgelopen zes jaar meerdere waarnemingen van rugstreeppad bekend in de omgeving (NDFF, 2021). Tijdens het door TAUW uitgevoerde nader onderzoek naar rugstreeppad in 2017 zijn geen rugstreeppadden in het plangebied waargenomen. Echter is vestiging van deze soort in het plangebied in de opvolgende jaren niet uitgesloten. Tijdens het veldbezoek op 19 juli zijn geen rugstreeppadden waargenomen, maar soortgericht onderzoek is in de avond nodig om rugstreeppadden al dan niet uit te sluiten in de daarvoor geschikte periode. De werkzaamheden hebben mogelijk tot gevolg: het vernietigen van leefgebied/verblijfplaatsen en het verstoren en/of doden van individuen (Wnb, hoofdstuk 3, artikel 3.5, lid 1, 2 en 4). Soortgericht onderzoek naar rugstreeppad is nodig. Het nader onderzoek wordt uitgevoerd op basis van kooractiviteit. De meest geschikte periode voor dit onderzoek is vanaf half april tot en met mei en in juli. Twee avondbezoeken zijn nodig in april tot en met mei en in juli nog een avondbezoek om de soort met zekerheid uit te sluiten. Als uit nader onderzoek blijkt dat de beoogde ontwikkeling negatieve effecten heeft op de rugstreeppad, zijn mitigerende maatregelen en/of compenserende maatregelen nodig. Naar verwachting zijn dit soort maatregelen goed te realiseren in de directe omgeving zoals ten zuiden van het plangebied.
Mogelijk dient een ontheffing aangevraagd te worden naar aanleiding van het nader onderzoek. Bij het treffen van afdoende mitigerende en/of compenserende maatregelen is het verkrijgen van een ontheffing en de realisatie van een woonwijk redelijkerwijs haalbaar. Indien rugstreeppad is uitgesloten in het plangebied, dienen amfibieschermen om het plangebied geplaatst te worden. Dit om te voorkomen dat geschikte voortplantingswateren in gebruik genomen worden.
Figuur 3.5 Potentieel geschikt leefgebied rugstreeppad
16/22
Kenmerk
R001-1282423MTR-V03-sal-NL
Figuur 3.6 Geschikt leefgebied voor rugstreeppad in het plangebied
3.5.6
Reptielen
Zandhagedissen komen met name voor in duin- en heidegebieden. Dichtstbijzijnde bekende waarnemingen van de afgelopen tien jaar van zandhagedis liggen op circa 1,5 kilometer afstand van het plangebied (NDFF, 2021). Deze zandhagedissen zijn waargenomen in het duingebied van Noordwijk. Vestiging van zandhagedis is op basis van habitatkenmerken en onbereikbaarheid door tussenliggende infrastructuur uitgesloten in het plangebied. Een ontheffing is niet nodig. 3.5.7 Libellen, vlinders en overige ongewervelden De aardbeivlinder komt voor in droge gebieden zoals droog grasland, zeeduinen, heide, lage pioniersvegetatie, kapvlakten en schrale zomen langs bosranden. Waardplanten van deze soort zijn tormentil en dauwbraam. Dergelijke waardplanten zijn niet aanwezig in het plangebied. Het voorkomen van aardbeivlinder is uitgesloten in het plangebied. Een ontheffing is niet nodig. Platte schijfhoren is op circa 400 meter afstand van het plangebied waargenomen in 2013 (NDFF, 2021). Deze soort prefereert schoon, helder en zoet water met een rijke vegetatie. Meestal wordt de platte schijfhoren gevonden in draadalgvegetatie, maar ook in krabbescheer en wortels van lisdodde en dergelijke oeverplanten. Dit type habitat is niet aanwezig in het plangebied. Het voorkomen van platte schijfhoren is uitgesloten en een ontheffing is niet nodig.
3.5.8 Zorgplicht Bij het verwijderen van de aanwezige vegetatie in het plangebied dient in één richting gewerkt te worden zodat eventueel aanwezige fauna kan vluchten weg van de werkzaamheden.
17/22
Kenmerk
R001-1282423MTR-V03-sal-NL
4 Conclusies en aanbevelingen In opdracht van Campri Vastgoed B.V. heeft TAUW onderzoek gedaan naar de consequenties van de Wet Natuurbescherming voor de ontwikkeling van een woonwijk te Noordwijk. De ontwikkeling kan alleen doorgaan als deze niet in strijd is met de bepalingen als opgenomen in de Wnb, of als de benodigde vergunningen en/of ontheffingen worden verleend. Welke onderdelen van de Wet natuurbescherming (hierna te noemen Wnb) zijn van belang? Het is van belang te toetsen op beschermde soorten. Een toetsing op beschermde gebieden en houtopstanden is niet van toepassing. In hoeverre is de beoogde ontwikkeling (mogelijk) strijdig met de Wnb? De beoogde ontwikkeling is mogelijk strijdig met de Wnb vanwege het mogelijk voorkomen van beschermde soorten en/of beschermde functies. Het gaat hierbij om: • Beschermde flora: ruw parelzaad en wilde averuit • Verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen • •
Leefgebied van rugstreeppad Tijdens het broedseizoen beschermde vogelnesten
Zijn maatregelen en/of een ontheffing nodig? Flora Nader onderzoek naar ruw parelzaad en wilde averuit dient plaats te vinden in het bloeiseizoen van deze plantensoorten. Van ruw parelzaad is de bloeitijd april – juni. De bloeitijd van wilde averuit is augustus – herfst. Het nader onderzoek naar ruw parelzaad en wilde averuit kan gecombineerd uitgevoerd worden, aangezien wilde averuit een overblijvende plant is. Het onderzoek dient uitgevoerd te worden in de bloeiperiode van ruw parelzaad. Als uit nader onderzoek blijkt dat de beoogde ontwikkeling negatieve effecten heeft op beschermde flora, zijn mitigerende en/of compenserende maatregelen nodig. Ook is het mogelijk dat een ontheffing aangevraagd dient te worden naar aanleiding van het nader onderzoek. Dit staat de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling niet in de weg. Vleermuizen De boom met holtes buiten het plangebied (zie figuur 3.1 en 3.2) en de naastgelegen bomen dienen onaangetast te blijven. Ook dient de boom met holte onverlicht te blijven tussen zonsondergang en zonsopkomst in de actieve periode van april tot en met oktober. In de periode van november tot en met maart, dient uitstralende verlichting tussen 20:00 – 7:00 te worden voorkomen. Deze maanden liggen buiten de actieve periode, waardoor de kans op foeragerende vleermuizen minimaal is.
Deze maatregelen zijn niet nodig wanneer uit nader onderzoek blijkt dat in de boom met holtes geen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Met een endoscoop kan door een ter zake kundige ecoloog worden onderzocht of de holte geschikt is als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen.
18/22
Kenmerk
R001-1282423MTR-V03-sal-NL
De grote bosschage met naastgelegen plas buiten het plangebied ten oosten daarvan en de bomen langs de Hogeweg dienen ook zoveel mogelijk onverlicht te blijven in de bovengenoemde periodes zodat negatieve effecten op potentieel foerageergebied en potentiële vliegroutes worden voorkomen. Langs de noordoostzijde van het plangebied (langs de Hogeweg) worden woningen gerealiseerd en is het gebruik van verlichting onvermijdelijk. Op deze locatie dient amberkleurige verlichting gebruikt te worden waarvan de armaturen naar beneden zijn gericht. Door de toepassing van dergelijke aangepaste verlichting worden negatieve effecten op potentieel foerageergebied en potentiële vliegroutes van vleermuizen uitgesloten. Een ontheffing is bij het nemen van deze maatregelen niet nodig. Deze maatregel is niet nodig wanneer uit nader onderzoek blijkt dat geen essentieel foerageergebied en/of essentiële vliegroutes aanwezig zijn. Wanneer het onvermijdelijk is om deze mogelijke foerageergebieden en vliegroutes onverlicht te laten in deze periodes, is nader onderzoek naar essentieel foerageergebied en essentiële vliegroutes nodig. Het nader onderzoek bestaat uit twee veldbezoeken, één in de kraamperiode (1 juni – 15 juli) en één bezoek minstens acht weken na het eerste veldbezoek (uiterlijk tot 15 september).
Rugstreeppad Soortgericht onderzoek naar rugstreeppad is nodig (onafhankelijk van de periode van uitvoering) om een effectbepaling te kunnen doen. Het nader onderzoek wordt uitgevoerd op basis van kooractiviteit. De meest geschikte periode voor dit onderzoek is vanaf half april tot en met mei en in juli. Twee avondbezoeken zijn nodig in april tot en met mei en in juli nog een avondbezoek om de soort met zekerheid uit te sluiten. Als uit nader onderzoek blijkt dat de beoogde ontwikkeling negatieve effecten heeft op de rugstreeppad, zijn mitigerende maatregelen en/of compenserende maatregelen nodig. Naar verwachting zijn dit soort maatregelen goed te realiseren in de directe omgeving zoals ten zuiden van het plangebied. Mogelijk dient een ontheffing aangevraagd te worden naar aanleiding van het nader onderzoek. Bij het treffen van afdoende mitigerende en/of compenserende maatregelen is het verkrijgen van een ontheffing en de realisatie van een woonwijk redelijkerwijs haalbaar. Indien rugstreeppad is uitgesloten in het plangebied, dienen amfibieschermen om het plangebied geplaatst te worden. Dit om te voorkomen dat geschikte voortplantingswateren in gebruik genomen worden. Algemene broedvogels Verspreid over het plangebied zijn geschikte nestplaatsen voor algemene broedvogels aangetroffen. Vogels kunnen gedurende het gehele jaar tot broeden komen.
Het is daarom zaak om hier voorafgaand aan het werk rekening mee te houden. De kans op een broedgeval is het grootst in de periode maart tot en met augustus. Een (periodieke) controle op nesten van broedvogels is voorafgaand aan de werkzaamheden noodzakelijk om overtreding van de wet te voorkomen. Indien een broedgeval aanwezig is, dient een verstoringsvrije zone te worden aangehouden, waarbinnen gedurende de periode van broeden niet wordt gewerkt. De breedte van deze zone dient door een ter zake kundige te worden bepaald.
19/22
Kenmerk
R001-1282423MTR-V03-sal-NL
Wat betekent dit voor de verdere planvorming en uitvoering? Een overtreding van de Wnb kan zonder nader onderzoek niet worden uitgesloten met betrekking tot beschermde flora en leefgebied van rugstreeppad. Tevens zijn maatregelen nodig ten behoeve van vleermuizen en algemene broedvogels. Het soortgericht onderzoek, een eventuele aanvraagprocedure voor een ontheffing en eventuele mitigerende en/of compenserende maatregelen kunnen van invloed zijn op de planning en uitvoeringswijze van de voorgenomen werkzaamheden. In tabel 4.1 is een samenvatting opgenomen van de toetsing aan de soortenbescherming. Tabel 4.1 Conclusies toetsing soortenbescherming Aanwezige soort(groep)en
Effect
Vervolgstappen
Flora
Mogelijk overtreding artikel
Nader onderzoek naar ruw parelzaad en wilde
3.10
averuit. Het nader onderzoek naar ruw parelzaad en wilde averuit kan gecombineerd uitgevoerd worden. Het onderzoek dient uitgevoerd te worden in de bloeiperiode van ruw parelzaad. Mogelijk zijn mitigerende/compenserende maatregelen nodig bij het aantreffen van deze soorten. Een ontheffing is dan nodig bij de aanwezigheid van deze beschermde flora.
Grondgebonden zoogdieren
Geen overtreding artikel
N.v.t.
3.5 of 3.10 Vleermuizen
Geen overtreding artikel
Boom met holte en naastgelegen bomen buiten
3.5 bij treffen van
plangebied niet aantasten en uitstralende
maatregelen
verlichting op deze boomholte voorkomen in genoemde periodes. Behalve als uit nader onderzoek blijkt dat geen verblijfplaats aanwezig is. Met een endoscoop kan door een ter zake kundige ecoloog worden onderzocht of de holte geschikt is als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen.
Potentieel foerageergebied en potentiële vliegroutes dienen onverlicht te blijven in genoemde periodes. Dit is niet nodig bij het niet aantreffen van essentieel foerageergebied en/of essentiële vliegroutes tijdens nader onderzoek. Het nader onderzoek bestaat uit twee veldbezoeken, één in de kraamperiode (1 juni – 15 juli) en één bezoek minstens acht weken na het eerste veldbezoek (uiterlijk tot 15 september). Vogels jaarrond beschermd
Geen overtreding artikel
N.v.t.
3.1 of 3.5
20/22
Kenmerk
R001-1282423MTR-V03-sal-NL
Aanwezige soort(groep)en
Effect
Vervolgstappen
Vogels
Geen overtreding artikel
Broedvogelcontrole
3.1 Amfibieën
Mogelijk overtreding artikel
Nader onderzoek naar rugstreeppad. Mogelijk
3.5
zijn mitigerende/compenserende maatregelen nodig bij het aantreffen van deze soort. Wanneer rugstreeppad wordt aangetroffen, dient een ontheffing aangevraagd te worden.
Reptielen
Geen overtreding artikel
N.v.t.
3.5 of 3.10 Vissen
Geen overtreding artikel
N.v.t.
3.5 of 3.10 Vlinders, libellen en overige
Geen overtreding artikel
ongewervelden
3.5 of 3.10
N.v.t.
5 Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocumenten beschermde soorten (rugstreeppad). Bos, F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff & de Vlinderstichting, 2006. De dagvlinders van Nederland. Verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea). Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Broekhuizen S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters, J.C. Buys, 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft, 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Dijkstra, K.B., Kalkman, V.J., Ketelaar, R., van der Wiede, M.J.T., 2002. De Nederlandse libellen (odonata). Nederlandse fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Herder J.E., A. van Diepenbeek & R.C.M. Creemers, 2013. Verspreidingsonderzoek reptielen en amfibieën 2013. Rapport 2013-010. Stichting RAVON, Nijmegen. Provincie Zuid-Holland, 2016. Verordening uitvoering Wet natuurbescherming, publicatienr. 6788. van Dijk A.J. & Boele A. 2011. Handleiding SOVON Broedvogelonderzoek. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen.
21/22
Kenmerk
R001-1282423MTR-V03-sal-NL
TAUW, 2017. Nader onderzoeken Offem-Zuid te Noordwijk. TAUW-rapport met kenmerk R0011239569XDD-ssc-V02-NL. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging en Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, Vleermuisprotocol 2021. Geraadpleegde internetwebsites: www.floron.nl www.libellennet.nl www.ravon.nl www.sovon.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuis.net www.vlindernet.nl www.zoogdiervereniging.nl
22/22