CConstaterende datNoordwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage A. Ruimtelijke onderbouwing Shortstay Huygensstraat 40 Noordwijk

Gemeenteraadsvergadering 17 juli 2025, gemeente NoordwijkBij agendapunt: Aanvraag buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor het realiseren van een Shortstay gebouw aan de Huygensstraat 4031.392 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Onderbouwing bij BOPA Huygensstraat 40 Noordwijk

2/57

DATUM KENMERK

1 mei 2025 20240702/159634/DJGre

PROJECT PROJECTLEIDER

20240702 Noordwijk | Huygensstraat | BOPA ir. R.A. Sips

OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER

Burgland Real Estate BV 20240702

STATUS

definitief

INHOUDSOPGAVE 1.

2.

3.

4.

5.

3/57

Inleiding

5

1.1 1.2 1.3 1.4

5 5 6 6

Aanleiding Ligging projectgebied Te doorlopen vergunningprocedure Leeswijzer

Beschrijving van het project en zijn omgeving

7

2.1

Huidige situatie 2.1.1 Feitelijk situatie 2.1.2 Relevante regels omgevingsplan

7 7 7

2.2

Toekomstige situatie 2.2.1 Ontwikkeling

8 8

2.3

Juridische activiteiten 11 2.3.1 Inleiding 11 2.3.2. Welke juridische activiteiten zijn nodig voor het project? 11 2.3.3. Welke omgevingsplanactiviteiten kunnen worden vergund met een omgevingsvergunning voor de BOPA? 11

2.4

Milieueffectrapportage

11

Participatie

13

3.1 3.2

13 13

Algemeen aanvraagvereiste participatie Vooroverleg, participatie en aanvraag

Beleidskader en toetsing daaraan

14

4.1 4.2

Inleiding Rijk 4.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

14 14 14

4.3

Provincie 4.3.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland

14 14

4.4 4.5

Regio Duin- en Bollenstreek Gemeente Noordwijk 4.5.1 Omgevingsvisie 1.0 Samen maken we de toekomst voor Noordwijk! (2022) 4.5.2 Woonvisie 2020-2030

17 17 17 18

4.6

Hoogheemraadschap

19

Beoordelingsregels waaronder instructieregels

20

5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

20 20 23 27 27 30

Inleiding Waarborgen van de veiligheid Beschermen van de waterbelangen Kwaliteit van de buitenlucht Geluid door activiteiten Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

5.7 5.8 5.9 5.10 5.11 5.12

Bodemkwaliteit Ladder voor duurzame verstedelijking Cultureel erfgoed en werelderfgoed Mobiliteit en parkeren Ecologie: soortenbescherming Ecologie: gebiedsbescherming

6. Economische uitvoerbaarheid 7. Evenwichtige toedeling van functies aan locaties Bijlage 1 Tabel Analyse Instructieregels Bijlage 2 Aanmeldnotitie mer-beoordeling Bijlage 3 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 4 Verkennend bodemonderzoek Bijlage 5 Quickscan ecologie Bijlage 6 Berekening stikstofdepositie

4/57

33 35 39 41 45 46

49 50 51 57 58 59 60 61

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens aan Huygensstraat 40 in Noordwijk een appartementencomplex te realiseren waar ruimte is voor 69 appartementen ten behoeve van logiesgewijze huisvesting van werknemers en studenten op de nieuwe ESTEC space campus. De gronden zijn in de huidige situatie onbebouwd en bouwrijp ten behoeve van kennisintensieve bedrijven. Het initiatief is in strijd met het bestemmingsplan ‘Estec en de Noordwijkse bedrijvenparken’. Dit bestemmingsplan maakt sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel uit van het tijdelijk omgevingsplan van de gemeente Noordwijk. De ontwikkeling kan mogelijk worden gemaakt door middel van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Voor een aanvraag van een omgevingsvergunning voor een BOPA is een motivering nodig waarin moet worden aangetoond dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit document voorziet in zo'n onderbouwing.

1.2 Ligging projectgebied Het projectgebied is gelegen langs de gemeentegrens tussen Noordwijk en Katwijk en grenst ten noorden aan een bedrijfsgebouw, ten oosten aan een 60 km/h-weg, ten zuiden aan braakliggend terrein en ten westen aan een woonwijk. Op zo’n 900 m afstand ligt het Natura-2000-gebied ‘Coepelduinen’.

Figuur 1-1 Luchtfoto projectgebied (omkaderd)

5/57

1.3 Te doorlopen vergunningprocedure Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is een activiteit, inhoudende: a. een activiteit waarvoor het in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan; b. een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan. Voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit gelden de beoordelingsregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Dat betekent dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend: a. met het oog op een evenwichtige toedeling van functies (artikel 8.0a, tweede lid van het Bkl); b. als daarbij voldaan wordt aan de beoordelingsregels uit artikel 8.0b en 8.0e van het Bkl. Die beoordelingsregels komen overeen met de regels die gelden voor het opstellen van een omgevingsplan. Dat betekent dat ook (onder andere) de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl gelden. In beginsel is de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing op een aanvraag omgevingsvergunning. Dit betekent dat op een aanvraag omgevingsvergunning binnen acht weken moet worden beslist.

1.4 Leeswijzer ● ● ● ● ● ●

6/57

In hoofdstuk 1 en 2 wordt het project ingeleid en de huidige en toekomstige situatie beschreven. Hoofdstuk 3 beschrijft hoe vooroverleg en participatie heeft plaatsgevonden en hoe deze heeft bijgedragen aan het ontwerp van het project op de locatie. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 het project getoetst aan relevant beleidskader. In hoofdstuk 5 wordt het project getoetst aan de relevante beoordelingsregels. Hoofdstuk 6 bevat de financiële aspecten van het project. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 ingegaan op de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ook wel afgekort als ETFAL).

2. BESCHRIJVING VAN HET PROJECT EN ZIJN OMGEVING 2.1 Huidige situatie 2.1.1 Feitelijk situatie Het projectgebied bevindt zich aan de Huygensstraat op het Space Business Park in de gemeente Noordwijk. Dit bedrijvenpark is bedoeld voor hoogwaardige bedrijven in de ruimtevaartsector en andere hoogwaardige (kennisintensieve) bedrijven. Het bedrijvenpark is gelieerd aan het naastgelegen terrein voor het European Space Research and Technology Centre (ESTEC). Dit is het centrum voor ruimtevaartonderzoek van de Europese Ruimtevaartorganisatie (ESA). Het projectgebied betreft een braakliggend terrein dat bestemd is voor bedrijven tussen categorie 2 en 3.2. Zowel ten noorden als ten zuiden van het projectgebied zijn bedrijven tot en met categorie 2 toegestaan en gerealiseerd. Verder kent het projectgebied een maatvoering van een maximum bebouwingspercentage van 70% en een maximum bouwhoogte van 12 m.

Figuur 2-1 Projectgebied vanaf de Huygensstraat (bron: Cyclomedia)

2.1.2 Relevante regels omgevingsplan Het omgevingsplan gemeente Noordwijk bevat regels in het tijdelijk deel. De regels voor de onderhavige locatie zijn opgenomen in de volgende onderdelen (artikel 22.1 Omgevingswet): De besluiten genoemd in artikel 4.6, eerste lid van de Invoeringswet Omgevingswet, waaronder een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening en tevens de volgende verordeningen en: ● regel als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet; ● een verordening als bedoeld in artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij; ● een verordening als bedoeld in artikel 10.32a van de Wet milieubeheer en een besluit tot aanwijzing van een gebied op grond van die verordening; ● De kaarten, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet, en de besluiten, bedoeld in artikel 3.5, derde lid, van die wet; de Bruidsschat.

7/57

Hierna wordt kort ingegaan op deze onderdelen uit het omgevingsplan die van belang zijn voor het voorliggende initiatief. In paragraaf 2.2 wordt getoetst aan dit toetsingskader en wordt ingegaan op de strijdigheden die ontstaan met het omgevingsplan.

Bestemmingsplan Estec en de Noordwijkse bedrijvenparken Op basis van de geldende planologische regeling, het omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Noordwijk waarvan het bestemmingsplan ‘Estec en de Noordwijkse bedrijvenparken’. onderdeel uitmaakt, geldt ter plaatse van het projectgebied de bestemming ‘Bedrijventerrein - 2’. Binnen deze bestemming zijn bedrijfsactiviteiten tot en met categorie 2 toegestaan. Bruidsschat Op grond van artikel 22.1 sub c van de Omgevingswet maken de regels als bedoeld in artikel 22.2 Omgevingswet ook onderdeel uit van het tijdelijke deel van het Omgevingsplan. Het gaat hier om de zogenoemde Bruidsschat. Daarbij gaat het om een set regels die voorheen op rijksniveau werden gesteld. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet en gedurende de overgangsfase hebben gemeenten de tijd om deze regels op te nemen in het Omgevingsplan. Om te voorkomen dat bepaalde onderwerpen bij inwerkingtreding van de Omgevingswet nog ongeregeld zijn, zijn deze regels onderdeel van de Bruidsschat en dus onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Bodemkwaliteitskaart De omgevingsdienst Midden-Holland heeft een Bodemfunctieklassenkaart en bodemkwaliteitskaart opgesteld voor haar grondgebied (BODEMFUNCTIEKLASSENKAART EN BODEMKWALITEITSKAART 2 mei 2023), het projectgebied ligt in de bodemkwaliteitszone 'B7: Bedrijventerreinen'.

2.2 Toekomstige situatie De toekomstige situatie beschrijft de ontwikkeling op de locatie, de omgeving van de locatie, de invloed van ontwikkeling op de omgeving en de invloed van de omgeving op de ontwikkeling. Dit is relevant voor het toetsen van de activiteiten aan de beoordelingsregels. Daarbij komen aan de orde: de activiteiten die nodig zijn om de ontwikkeling mogelijk te maken, welke van deze activiteiten vergund worden met de BOPA en welke van de niet via de BOPA te vergunnen activiteiten relevant zijn. 2.2.1 Ontwikkeling De ontwikkeling bestaat uit de realisatie van het (permanente) appartementengebouw ‘Giotto’, waar 69 appartementen voor hoofdzakelijk (internationale) werknemers en studenten van de nieuwe Space Campus bij ESTEC op logiesgewijze worden verhuurd. Partijen verstaan onder logies: het tijdelijk verblijven in een woning door maximaal één huishouden voor een aansluitende periode van minimaal zeven dagen en maximaal één jaar, niet zijnde toeristische verhuur. Direct ten zuiden van het appartementengebouw is de ontwikkeling van het kantoorgebouw ‘Gaia’ beoogd. De ontwerpfase van de ontwikkeling van het kantoorgebouw vindt gelijktijdig plaats, maar maakt geen onderdeel uit van deze onderbouwing.

Buitenruimte De ontwikkeling kan worden bereikt via een centrale entree voor auto- en fietsverkeer. Deze entree wordt gedeeld door de ontwikkeling ‘Giotto’ en het ten zuiden naastgelegen beoogd kantoorgebouw ‘Gaia’. De ontwikkeling ‘Giotto’ heeft ook een aparte entree voor voetgangers vanaf de Huygensstraat. De verdere buitenruimte wordt groen ingevuld met beplanting passen bij het oorspronkelijke landschap in de omgeving. De ruimte rondom het gebouw wordt ingevuld met buitenruimten voor de appartementen op de begane grond, aangevuld met half verharde paden en beplanting zoals deze voor komt in de duinen. Op het dak is een gezamenlijk dakterras voorzien met een oppervlak van ongeveer 125 vierkante meter.

8/57

Figuur 2-2 Moodboard inrichting buitenruimte

Gebouw Het appartementengebouw bestaat uit vier bouwlagen. Het gebouw heeft een bouwhoogte van 12 meter. Op de begane grond bevindt zich de entree van het gebouw. De entree is aangesloten op een centrale lobby in het gebouw. De lobby biedt toegang tot vijftien omliggende studioappartementen en de verdiepingen van het gebouw. Op één hoek van de begane grond bevindt zich een ontmoetingsruimte voor bewoners en bezoekers van het gebouw. Op de drie verdiepingen van het gebouw bevinden zich ieder 18 studioappartementen., die alle bereikbaar zijn via een centrale lobby. In deze lobby bevindt zich ook een vide vanaf de bovenzijde van het gebouw tot aan de begane grond. Door de realisatie van dakramen vindt natuurlijke lichtinval plaats tot aan de begane grond. Op het dak van het gebouw bevindt zich een daktuin, die is ontsloten via een lift- en trapopbouw op het gebouw. Het overige deel van het dak wordt ingezet voor energieopwekking door middel van zonnepanelen.

Programma De ontwikkeling bestaat uit het volgende programma: ● ontmoetingsruimte 90 m2; ● 24 studioappartementen type 1 (27 m2 GO); ● 15 studioappartementen type 2 (41 m2 GO); ● 30 studioappartementen type 3 (41 m2 GO); ● daktuin circa 125 m2.

9/57

Figuur 2-3 Impressie ontwikkeling vanaf de Huygensstraat (bron: RoosRos)

Figuur 2-4 Impressie ontwikkeling in vogelvlucht richting het westen (bron: RoosRos)

10/57

2.3

Juridische activiteiten

2.3.1 Inleiding Een project bestaat uit juridische activiteiten. De juridische activiteiten zijn onder te verdelen in drie categorieën: I. activiteiten die niet in strijd zijn met het omgevingsplan; (voorbeeld: het gebouw is 6 meter en dat is toegestaan in het omgevingsplan) II. activiteiten die in strijd zijn met het omgevingsplan, omgevingsplanactiviteiten waarvoor de aanvraag voor de BOPA wordt ingediend; (voorbeeld: woningbouw waar bedrijven zijn toegestaan én de hoogte van een gebouw mag 6 meter zijn, 10 meter is gewenst) III. activiteiten die niet in het omgevingsplan worden geregeld en geen omgevingsplanactiviteit zijn; (voorbeeld: de natura 2000-activiteit of de technische bouwactiviteit) De juridische activiteiten van het project worden in paragraaf 2.3.2. beschreven. 2.3.2. Welke juridische activiteiten zijn nodig voor het project? Het project bevat de volgende juridische activiteiten: 1. Omgevingsplanactiviteit voor het gebruiken van gronden en bouwwerken. Deze activiteit valt in categorie II, is niet in overeenstemming met het omgevingsplan en wordt aangevraagd als BOPA; 2. Omgevingsplanactiviteit voor het bouwen van bouwwerken. Deze activiteit valt in categorie II, is niet in overeenstemming met het omgevingsplan en wordt aangevraagd als BOPA. 3. Technische bouwactiviteit.

Deze activiteit valt in categorie III, wordt niet geregeld in het omgevingsplan en wordt niet aangevraagd als BOPA.

2.3.3. Welke omgevingsplanactiviteiten kunnen worden vergund met een omgevingsvergunning voor de BOPA? Deze paragraaf bevat het overzicht van de omgevingsplanactiviteiten in strijd met het omgevingsplan waarvoor een BOPA wordt aangevraagd. Het betreft de volgende activiteiten:

Omgevingsplanactiviteit voor het bouwen van bouwwerken en in stand houden van bouwwerken Met de ontwikkeling wordt een gebouw van vier verdiepingen met een bouwhoogte van 12 meter gebouwd. Daarbovenop wordt een lift- en trapopbouw gebouwd. Deze bouwhoogte is in strijd met de bouwregels van bestemming ‘Bedrijventerrein – 2’ (artikel 4.2 van het bestemmingsplan ‘Estec en de Noordwijkse bedrijvenparken’). Binnen deze bouwregels is namelijk een maximale bouwhoogte van 12 meter toegestaan. Omgevingsplanactiviteit voor het gebruiken van gronden en bouwwerken Met de ontwikkeling worden 69 appartementen voor de logiesgewijze huisvesting (maximaal één jaar) van werknemers en studenten van het nabijgelegen ESTEC-terrein en de Space Campus mogelijk gemaakt. Het gebruik van de gronden ten behoeve van logiesgewijze huisvesting is in strijd met de bestemming ‘Bedrijventerrein – 2’ (artikel 4 van het bestemmingsplan ‘Estec en de Noordwijkse bedrijvenparken’).

2.4

Milieueffectrapportage

Onder de Omgevingswet geldt een plan-m.e.r.-plicht wanneer een besluit wordt voorbereid dat het kader schept voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit of wanneer een besluit wordt voorbereid waarvoor een zogenaamde passende beoordeling is vereist. Het planMER brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over is genomen en onderzoekt verschillende alternatieve oplossingen en maatregelen met het oog op het beperken van effecten op de leefomgeving. Hiermee draagt het planMER ook bij aan de onderbouwing en transparantie van de effecten van een besluit en kan het als hulpmiddel worden gebruikt bij de participatie.

11/57

In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke activiteiten mer-(beoordelings)plichtig zijn. Activiteiten die zijn genoemd in kolom 1 zijn mer-plichtig als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 en mer-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. In kolom 4 staat aangegeven bij welk besluit de mer-(beoordelings)plicht geldt. Voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een plan, de locatie van een plan en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten. De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W (artikel 16.45, lid 1 van de Omgevingswet). In die mededeling (de aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen (artikel 11.10 Ob). Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die beoordeling op in de omgevingsvergunning (artikel 11.11 Ob).

2.4.2 Toetsing en conclusie De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal 69 appartementen. Een dergelijke ontwikkeling valt onder categorie J11 ‘Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen’. Hiervoor is een project mer-beoordeling noodzakelijk. Deze aanmeldnotitie is opgenomen in bijlage 2. Uit de mer-beoordeling blijkt dat het projectgebied niet is gelegen in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. Verder leiden de aard en omvang van het project niet tot aanzienlijke milieueffecten. Voor de ontwikkeling zijn geen mitigerende maatregelen benodigd om aanzienlijke milieueffecten uit te sluiten. Het doorlopen van een volledige mer-procedure is niet noodzakelijk.

12/57

3. PARTICIPATIE 3.1

Algemeen aanvraagvereiste participatie

De gemeenteraad van Noordwijk heeft vastgesteld dat in bepaalde gevallen participatie verplicht is. Dit is opgenomen in het besluit ‘Bindend adviesrecht, participatieplicht en uitgebreide procedure’, zoals vastgesteld op 25 januari 2022. Een van deze gevallen is de realisatie van 3 woningen (nieuwbouw) of meer in bestaand stedelijk gebied, die conform de segmentering worden gerealiseerd zoals opgenomen in de vastgestelde woonvisie. De ontwikkeling betreft huisvesting en sluit daarom hier op aan.

3.2

Vooroverleg, participatie en aanvraag

Participatie is volgens de Omgevingswet vormvrij en een omgevingsvergunning mag niet worden geweigerd op basis van de wijze van participatie. Alleen indien participatie ontbreekt kan een aanvraag buiten behandeling worden gelaten. Op 10 februari heeft de initiatiefnemer een participatiebijeenkomst georganiseerd waarin omwonenden, belangstellenden en belanghebbenden zijn geïnformeerd over de voorgenomen ontwikkeling en waar ruimte was om feedback in te brengen op de ontwikkeling. Van deze participatiebijeenkomst is een verslag gemaakt, die als separaat bestand bij de omgevingsvergunningaanvraag wordt ingediend.

13/57

4. BELEIDSKADER EN TOETSING DAARAAN 4.1

Inleiding

Door de verschillende overheden is beleid geformuleerd ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen. Paragraaf 4.2 behandelt het rijksbeleid. Het provinciaal beleid is opgenomen in paragraaf 4.3. Tot slot wordt in paragraaf 4.4 de beoogde ontwikkeling getoetst aan het gemeentelijk beleid.

4.2

Rijk

4.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Met de NOVI wordt richting gegeven aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende 30 jaar ingrijpend zullen veranderen. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. Duurzaam economisch groeipotentieel; 3. Sterke en gezonde steden en regio's; 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2.

Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Toetsing en conclusie De beoogde ontwikkeling ligt niet in een gebied dat deel uitmaakt van een NOVI-gebied. De voorgenomen ontwikkeling raakt geen rijksbelangen als opgenomen in de NOVI.

4.3

Provincie

4.3.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De Omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie Zuid-Holland. Het beleid beschrijft hoe de provincie werkt aan een goede leefomgeving, welke plannen daarvoor zijn, welke regels daarbij gelden en welke inspanningen de provincie daarvoor levert. De provincie heeft zeven vernieuwingsambities vastgelegd. Met deze zeven ambities maakt de provincie ruimte voor belangrijke ontwikkelingen rond participatie, bereikbaarheid, energie, economie, natuur, woningbouw en gezondheid en veiligheid. De zeven ambities zijn: 1. Samen werken aan Zuid-Holland 2. Bereikbaar Zuid-Holland

14/57

3. Schone energie voor iedereen 4. Een concurrerend Zuid-Holland 5. Versterken natuur in Zuid-Holland 6. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland 7. Gezond en veilig Zuid-Holland Voor voorliggende ontwikkeling is vooral de uitwerking van de ambities 4. ‘Een concurrerend Zuid-Holland’ en 6. 'sterke steden en dorpen in Zuid-Holland' van toepassing. Hieronder wordt beschreven hoe de provincie invulling geeft aan deze ambities. Een concurrerend Zuid-Holland Zuid-Holland herbergt het grootste Haven Industrieel Complex van Europa, met een sterk proces- en petrochemisch, logistiek en maritiem cluster. In de directe nabijheid van dit complex bevindt zich het grootste glastuinbouwcluster van de wereld: een belangrijke speler in de wereldwijde voedingsketen. Alle negen nationale economische topsectoren zijn in Zuid-Holland aanwezig. Verder herbergt onze provincie talrijke excellente kennis- en onderzoeksinstellingen die tot de top in hun vakgebied behoren. De campussen van nationaal belang, zoals het Bioscience Park te Leiden, TU Delft Science Park en Space Campus Noordwijk, herbergen talrijke startups en innovatieve bedrijven. De economische kracht van de provincie Zuid-Holland ligt in deze diversiteit. Zuid-Holland wil de meest innovatieve regio van Nederland zijn, met kruisbestuiving tussen de verschillende sectoren.

De provincie zet in op diensten en producten die veel waarde toevoegen richting duurzaam en digitaal en streeft naar passend werk voor iedereen. Zuid-Holland denkt daarbij aan alle niveaus, van ongeschoold, mbo tot en met universitair. Daarnaast blijft de provincie met haar partners bouwen aan een aantrekkelijk vestigingsklimaat door te zorgen voor voldoende en kwalitatief goede werklocaties (kantoren, bedrijventerreinen, woon/werklocaties), woonruimte, woon-werkverbindingen, een goede beroepsbevolking, een gezonde leefomgeving, goede biodiversiteit, recreatieve voorzieningen en cultureel erfgoed.

Beleidsdoel 4-2 Creëren van een rijk ves gingsklimaat ● Concurrerende en toekomstbestendige bedrijventerreinen Bedrijventerreinen zijn zeer belangrijk voor de Zuid-Hollandse economie. De schaarse ruimte moet zo efficiënt mogelijk worden benut met aandacht voor kwaliteit. Kwalitatief goede bedrijventerreinen zijn nodig voor een optimaal vestigingsklimaat voor het gehele Zuid-Hollandse bedrijfsleven. Met het bedrijventerreinenbeleid wordt een bijdrage geleverd om te komen tot een economisch concurrerend Zuid-Holland. De provincie streeft naar een kwantitatief en kwalitatief evenwicht in vraag en aanbod van bedrijventerreinen op regionaal en bovenregionaal schaalniveau en een optimale benutting van bedrijventerreinen. Daarbij wordt ingezet op beter benutten en duurzaam functioneren van bestaande bedrijventerreinen en op het behoud van voldoende ruimte voor bedrijven in hogere milieucategorieën / milieuzones en watergebonden bedrijven. De Provincie Zuid-Holland versterkt samen met andere overheden, ondernemers en kennisinstellingen Zuid-Holland als economische topregio. ● Human Capital, een beroepsbevolking met de juiste vaardigheden en kennis De aanwezigheid van voldoende Human Capital, zowel in kwantitatieve als in kwalitatieve zin, is een belangrijke randvoorwaarde voor een goed functionerende regionale economie.

Een adaptief, adequaat en goed opgeleid arbeidspotentieel, goed onderwijs om nieuwe instroom te realiseren en om bestaande werknemers bij en om te scholen alsmede een goed werkende arbeidsmarkt zijn daarmee essentieel voor een slimmer, schoner, sterker Zuid-Holland. Daarnaast is er een persoonlijk belang voor de mensen die het ‘menselijk kapitaal’ vormen. Werk is tenslotte meer dan inkomen. Het vervult een belangrijke sociale en maatschappelijk functie en voorziet in de mogelijkheid om je te kunnen ontplooien, deel te kunnen nemen en bij te kunnen dragen aan de maatschappij. ● Juiste kantoor op de juiste plek

15/57

De Provincie Zuid-Holland versterkt samen met andere overheden, ondernemers en kennisinstellingen Zuid-Holland als economische topregio. Dit doet zij door de kennisinfrastructuur en innovatiekracht te versterken, groei en vernieuwing van het bedrijfsleven te stimuleren en een transitie vorm te geven naar een duurzame en digitale economie. De provincie hanteert bijzondere locaties. Deze maken geen onderdeel uit van de reguliere kantorenmarkt zoals science locaties (Bio Science Park (Leiden), TU Delft Campus Zuid (Delft), Estec en Space Business Park (Noordwijk)) of locaties zoals Erasmus Hoboken (Rotterdam), Internationale Zone en (Oude) Waalsdorperweg (Den Haag). Hier wordt geadviseerd vooral te kijken naar de groeiontwikkeling in combinatie met de specifieke bestemming/doelgroepen voor deze locaties. Ze opereren veelal op (inter)nationale schaal en passen daarmee in de top van de kantorenstructuur.

Toetsing De Space Campus Noordwijk is van nationaal belang. Door logiesgewijze huisvesting mogelijk te maken in de nabijheid van de Space Campus wordt het vestigingsklimaat van de Space Campus verbeterd. Verder bevordert de aanwezigheid van extra human capital de regionale economie doordat er meer hoogopgeleide werknemers in de regio gaan wonen en winkelen. Tot slot vervult dit human capital in de nabijheid van de Space Campus een belangrijke rol op sociaal en maatschappelijk vlak door meer culturen en achtergronden bij elkaar te brengen. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland Zuid-Holland staat voor de opgave om in het komende decennium een fors aantal betaalbare woningen te realiseren en de bestaande woonvoorraad te verduurzamen. De uitdaging is om een gezonde, sociale, groene en duurzame leefomgeving in te richten. Het leef- en vestigingsklimaat kan versterkt worden door stad en land goed te verbinden, door ruimte te bieden voor groen en water in de stad, door een evenwichtige woningvoorraad en passende werklocaties. In Zuid-Holland moet iedereen zich thuis kunnen voelen in sterke steden en dorpen. Daarvoor moeten er voldoende woningen van de juiste kwaliteit op de juiste locatie zijn.

De provincie geeft doelstellingen aan om op regionaal niveau -en een enkele keer op gemeentelijk niveau- samen met gemeenten, marktpartijen en woningcorporaties, te voorzien in voldoende passende en betaalbare woningen op de juiste plekken en in het bijzonder voor de doelgroepen van woningcorporaties, aandachtsgroepen en ouderen. Een van de aandachtsgroepen zijn woonwagenbewoners. Beleidsdoel 6-1 Voldoende juiste woningen op de juiste plek De provincie acht het voorzien in voldoende passende en betaalbare woningen op de juiste plekken voor de verschillende doelgroepen in Zuid-Holland van provinciaal belang. De voorkeur van de provincie gaat uit naar nieuwe woningbouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied. Om in voldoende en passende woningen op de juiste plekken voor de verschillende doelgroepen te voorzien, wordt de regionale behoefteraming door de provincie vastgesteld. Op basis van deze behoefteberaming maken de gemeenten in samenspraak met de provincie regionale woonzorgvisies en regionale woningbouwprogramma's.

Toetsing Door nieuwe logiesgewijze huisvesting toe te voegen op de Space Campus voor hoofdzakelijk medewerkers en studenten van de ESA ESTEC en andere bedrijven op de campus, kan de campus groeien en wordt de druk op de reeds bestaande woningvoorraad niet nog hoger. Daarnaast zorgt de locatie van de appartementen ervoor dat medewerkers en studenten op loopafstand van de Space Campus kunnen verblijven. Hierdoor is evenmin sprake van verkeersbewegingen van en naar de Space Campus. Conclusie Met de beoogde ontwikkeling worden twee ambities van de provincie Zuid-Holland uitgewerkt. Door appartementen op de Space Campus te ontwikkelen, wordt bijgedragen aan diverse beleidsdoelen van de provincie Zuid-Holland. De ontwikkeling is daardoor in lijn met het provinciaal beleid.

16/57

4.4

Regio Duin- en Bollenstreek

Beleidsregel Ruimtelijke randvoorwaarden logiesgewijze huisvesting tijdelijke arbeidsmigranten 2022 Duin- en Bollenstreek (2023) Deze beleidsregel is een gedeeltelijke uitwerking van het “Convenant huisvesting arbeidsmigranten Holland Rijnland” inclusief de “richtlijnen huisvesting arbeidsmigranten Holland Rijnland”, die d.d. 27 juni 2014 ook zijn ondertekend namens alle deelnemende gemeenten. In deze richtlijnen wordt een onderscheid gemaakt in drie groepen arbeidsmigranten: 1. Arbeidsmigranten die enkele maanden naar Nederland komen om hier geld te verdienen en vervolgens weer teruggaan naar huis. (kortverblijvers) 2. Arbeidsmigranten die hier voor een periode van enkele maanden tot enkele jaren verblijven om hier te werken maar met de bedoeling om weer terug te gaan naar huis. (langverblijvers) 3. Arbeidsmigranten die zich hier permanent willen vestigen (vestigers) Deze beleidsregel is van toepassing op de logiesgewijze huisvesting van de eerste twee groepen, de tijdelijke groep arbeidsmigranten (kortverblijvers en langverblijvers). Deze beleidsregel is bedoeld om met een eenvoudige procedure, via een omgevingsvergunning, het gebruik van een pand als logiesfunctie mogelijk te maken, om zo arbeidsmigranten, die hier tijdelijk zijn om te werken, in bestaande panden te kunnen huisvesten.

Hierbij wordt gedacht aan panden met een kantoorbestemming, maatschappelijke bestemming, een bestemming detailhandel buiten de hiervoor aangegeven gebieden of dienstverlening, maar ook solitaire bedrijfspanden (zie artikel 5). Huisvesting op (reguliere) bedrijventerreinen is niet toegestaan. Het college van burgemeester en wethouders heeft de bevoegdheid om, ingevallen die naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leiden, ten gunste van de initiatiefnemer af te wijken van de beleidsregels (artikel 6). Toetsing In dit geval is sprake van een nieuw pand op de nieuwe Space Campus. De provincie en regio hebben voor de realisatie van de nieuwe space campus een regiodeal gesloten. De provincie Zuid-Holland wil zich inzetten voor de ontwikkeling van de Space Campus Noordwijk om het ruimtevaartcluster in Zuid-Holland en (nieuwe) ruimtevaart gerelateerde bedrijvigheid rondom ESTEC verder te versterken. Het bieden van huisvesting voor werknemers en studenten is noodzakelijk voor het functioneren van deze nieuwe internationale campus. Huisvesting op een (regulier) bedrijventerrein is niet toegestaan. Het betreft echter geen regulier bedrijventerrein maar een bedrijventerrein specifiek gelabeld voor kennisintensieve bedrijven. In dit geval kan worden afgeweken door middel van toepassing van de hardheidsclausule uit artikel 6 van de beleidsregel.

4.5

Gemeente Noordwijk

4.5.1 Omgevingsvisie 1.0 Samen maken we de toekomst voor Noordwijk! (2022) De gemeente Noordwijk heeft in 2022 de Omgevingsvisie 1.0 vastgesteld. Momenteel wordt er gewerkt aan een Omgevingsvisie 2.0. De Omgevingsvisie is een complete visie op de leefomgeving, voor de lange termijn en voor de hele gemeente Noordwijk. De Omgevingsvisie komt in de plaats van de huidige gemeentelijke structuurvisies, verkeers-en vervoerplannen, delen van de natuurvisie en milieubeleidsplannen. Deze Omgevingsvisie is aan de ene kant een uitnodiging aan alle inwoners van de gemeente om met ideeën en initiatieven te komen. Aan de andere kant is het een afwegingskader dat het college en de raad zullen gebruiken om alle ingediende initiatieven aan te toetsen. Het uitgangspunt van deze Omgevingsvisie is dat alle initiatieven binnen de gemeente Noordwijk worden getoetst aan een gebiedsgericht afwegingskader (hoofdstuk 3), aansluiten op de identiteit (hoofdstuk 4) en bijdragen aan de gewenste koers (hoofdstuk 5). In hoofdstuk 3 worden deelgebieden onderscheiden, waarbij voor het project deelgebied Buitengebied van toepassing is. De Omgevingsvisie stelt hier voort te bouwen op een grote diversiteit aan punten, waaronder:

17/57

●

●

belangrijk voor de werkgelegenheid in Noordwijk is de ESTEC en het aangehaakte Space Business Park met high-tech bedrijven. In deze sector liggen kansen voor innovatie: ruimtevaart en kennisinstellingen versterken elkaar. De Space Campus Noordwijk met de omliggende bedrijven kan uitgroeien tot een internationale high tech hub. ESTEC, in combinatie met de conferentievoorzieningen gericht op ruimtevaart/telecommunicatie, geeft de gemeente eigentijdse allure.

De realisatie van appartementen voor de tijdelijke huisvesting van (internationale) werknemers en studenten draagt bij aan de verdere ontwikkelingen op het ESTEC terrein en de Space Campus. In hoofdstuk 4 staan voornamelijk het landschap, cultuur en erfgoed, de natuur en het DNA van Noordwijk centraal, wat vooral raakt aan grotere (landschapsstructuren). Op projectlocatie, binnen bestaand stedelijk gebied, kan hier op beperkte schaal aansluiting bij worden gezocht. Dit wordt vooral bereikt doordat bij de terreininrichting (zie paragraaf 2.2) wordt aangesloten bij enkele ambities uit de Omgevingsvisie ten aanzien van natuur, te weten: ● Beplanting die aansluit bij het oorspronkelijke landschapstype. ● Bij elke ontwikkeling wordt het verhogen van de biodiversiteit meegenomen. In hoofdstuk 5 worden de vijf voornaamste opgaven voor de gehele gemeente gepositioneerd. Dit zijn: 1. een ondernemende gemeente met voldoende welvaart voor iedereen; 2. prettig wonen met voldoende woningen voor iedereen; 3. een betrokken gemeenschap; een plek waar we prettig samenleven en gelukkig oud worden; 4. goede bereikbaarheid en minder (parkeer)overlast op topdagen; 5. een duurzame gemeente Noordwijk; klimaatneutraal en -bestendig. Het project heeft met name aansluiting bij de punten 2, 4 en 5.

De toevoeging van huisvesting voor werknemers en studenten van ESTEC en van de bedrijven op de NL Space Campus sluit aan bij punt 2, de realisatie nabij het ESTEC-terrein sluit aan bij punt 4 en de uitwerking van het gebouw en het terrein draagt bij aan een duurzame gemeente. 4.5.2 Woonvisie 2020-2030 De gemeenteraad heeft op 26 januari 2021 de woonvisie ‘Alle zeilen bij voor voldoende en juiste woningen’ vastgesteld. In de woonvisie staan twee prioriteiten voorop: 'zorg voor het toevoegen van voldoende woningen in de gemeente Noordwijk én zorg voor de juiste woningen in het bijzonder voor mensen die zonder onze aandacht geen huis kunnen krijgen'. Daarnaast wordt ingezet op prettig zelfstandig thuis wonen en verduurzaming. De Woonvisie kent dan ook 4 belangrijke opgaven: Volle inzet voor meer nieuwbouw In de woonvisie worden maatregelen voorgesteld om volop op de bouw van voldoende woningen voor minimaal de lokale woningbehoefte in te zetten, te zoeken naar meer bouwmogelijkheden én om de druk op de woningmarkt te verlichten het toevoegen van tijdelijke woningen. Juiste woningen toevoegen In de woonvisie worden maatregelen voorgesteld om te zorgen dat groepen die nu moeilijk aan bod komen in Noordwijk extra huisvestingsmogelijkheden krijgen én om actief te sturen op meer passend woningaanbod voor lage en middeninkomens: en dan in het bijzonder jongeren en jonge gezinnen.

Mogelijkheden voor prettig thuis wonen In de woonvisie worden maatregelen voorgesteld om ouderen en andere mensen met een ondersteuningsbehoefte of zorgvraag passende huisvesting te kunnen bieden én voor leefbare buurten met een sluitende woonzorginfrastructuur in onze kernen, waardoor mensen langer thuis kunnen wonen. Op naar een klimaatneutraal Noordwijk

18/57

De gemeente wil in 2050 klimaatneutraal zijn. Hieraan levert een energiezuinige woningvoorraad een belangrijke bijdrage. Daarom worden in de woonvisie maatregelen voorgesteld om de energetische verbeteringen van bestaande huur- en koopwoningen te bevorderen én een klimaatbestendige woonomgeving. De maatregelen, prioriteitsstelling en actiehouders zijn gevat in een bijhorend uitvoeringsprogramma. Toetsing De woonvisie zet in op de realisatie van voldoende huisvestingsmogelijkheden voor internationale werknemers. Daarbij gaat de voorkeur uit naar de realisatie van logiesgewijze huisvestingsmogelijkheden, waardoor reguliere woningen gebruikt kunnen worden voor mensen met een permanente huisvesting. Met de realisatie van 69 appartementen voor logiesgewijze huisvesting met een verblijfsduur van 7 dagen tot maximaal 1 jaar wordt hierop aangesloten.

4.6

Hoogheemraadschap

4.5.1 Waterbeheerprogramma 6 (WBP6) 2022 – 2028 Het hoogheemraadschap van Rijnland beschikt over het waterbeheerprogramma 6 2022-2028 In het Waterbeheerprogramma 6 (WBP6) beschrijft het hoogheemraadschap de doelen die zij tijdens de planperiode 2022-2028 wil bereiken voor de primaire taken waterveiligheid, watersysteem en waterketen. Het waterschap zet in op toekomstbestendig waterbeheer. Het zet zich in om verdere klimaatverandering tegen te gaan en de omgeving tijdig aan te passen aan nieuwe omstandigheden. Dit doet het hoogheemraadschap door zelf haar eigen werkzaamheden zoveel mogelijk klimaatneutraal uit te voeren, gebieden klimaatbestendig en waterrobuust in te richten en door vergroening en biodiversiteit te stimuleren.

19/57

5. BEOORDELINGSREGELS WAARONDER INSTRUCTIEREGELS 5.1

Inleiding

Voor het beoordelen van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de bopa gelden verschillende beoordelingsregels. In dit hoofdstuk worden (onder andere) de instructieregels van het Rijk en de provincie behandeld. De instructieregels van het Rijk staan in het Bkl. De instructieregels van de provincie staan in de omgevingsverordening. In de tabel in Bijlage 1 zijn alle instructieregels geanalyseerd en is aangegeven welke artikelen voor de ontwikkeling relevant zijn. In de paragrafen 5.2 tot en met 5.10 en paragraaf 5.14 zijn de relevante instructieregels en de daarbij behorende omgevingsaspecten en andere thema's uitgewerkt. Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat geen instructieregels met betrekking tot een aantal (ruimtelijk) relevante aspecten. Echter, bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling dient met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, tweede lid van het Bkl) wel aandacht aan deze aspecten te worden besteed. Dit zijn de aspecten mobiliteit, ecologie (soorten- en gebiedsbescherming). In de paragrafen 5.11 tot en met 5.13 wordt ingegaan op deze aspecten in relatie tot de ontwikkeling.

5.2

Waarborgen van de veiligheid

Toetsingskader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het plaatsgebonden risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in de artikelen 5.6 tot en met 5.11a Bkl. Deze zijn van toepassing als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (artikel 5.7 lid 1 Bkl) worden in een BOPA of omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een BOPA of omgevingsplan rekening gehouden (artikel 5.11 Bkl). Voor het PR gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Aandachtsgebieden In artikel 5.12 Bkl zijn er brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebieden voor het groepsrisico bepaald. Deze zijn niet van toepassing als het gaat om een activiteit als bedoeld in bijlage VII, onder C, waarvoor een locatie bij ministeriële regeling als brandvoorschriftengebied is aangewezen. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl). Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (artikel 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit

20/57

bouwwerken leefomgeving (artikelen 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (artikel 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het GR is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het GR te berekenen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. De provincie Zuid-Holland benoemt in haar Omgevingsverordening een aantal provinciale milieubelangen. Binnen deze verordening is de volgende instructieregel relevant: Ar kel 7.18 (groepsrisicobenadering aandachtsgebieden met verhoogd groepsrisico) In aanvulling op artikel 5.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden voor een aandachtsgebied met verhoogd groepsrisico de volgende overwegingen betrokken in het omgevingsplan.

Ar kel 7.22 (aandachtsgebieden langs niet-Basisnet transportroutes in verband met groepsrisico) ● Langs de niet-Basisnet transportroutes, bedoeld in artikel 7.21, strekt het effectgebied voor incidenten met brand bij het vervoer van gevaarlijke stoffen zich uit tot een afstand van 30 meter, gemeten vanaf de kant van de weg en strekt het effectgebied voor incidenten met explosies zich uit tot een afstand van 200 meter gemeten vanaf de kant van de weg. ● In een omgevingsplan wordt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen de effectgebieden, bedoeld in het eerste lid, rekening gehouden met de effecten van mogelijke incidenten met het vervoer van gevaarlijk stoffen. Toetsing De beoogde ontwikkeling maakt huisvesting mogelijk. Deze appartementen zijn op grond van in Bijlage VI. bij artikel 5.3, tweede en derde lid van het Bkl, aangewezen als kwetsbare gebouwen. De beoogde ontwikkeling voorziet niet in activiteiten met externe veiligheidsrisico’s. Aan de hand van kaarten en data van het Register Externe Veiligheidsrisico's is onderzocht of bij de projectlocatie externe veiligheid gerelateerde aandachtsgebieden of PR-contouren zijn geprojecteerd. Zie de uitsnede in figuur 5-1.

21/57

Figuur 5-1 Uitsnede risicokaart, projectgebied in zwart aangegeven. (Atlas leefomgeving)

Van deze kaart valt af te lezen dat er geen externe veiligheid gerelateerde aandachtsgebieden of PR-contouren in of nabij de projectlocatie zijn gelegen. Nader onderzoek is niet benodigd en het groepsrisico ter plaatse hoeft niet te worden verantwoord. Instruc eregels vanuit de Provinciale Omgevingsverordening 

Beschermen van grote groepen mensen (artikel 7.18 omgevingsverordening). De voorgenomen ontwikkeling ligt niet in een aandachtsgebied van een externe veiligheid relevante risicobron.

(aanvullende) aandachtsgebieden langs niet-basisnet wegen De voorgenomen ontwikkeling ligt niet in een aandachtsgebied van de aangewezen wegen.

Risico's anders dan gevaarlijke stoffen Voor deze wijziging van het omgevingsplan zijn wel de algemene bepalingen in § 5.1.2.1 van het Bkl van belang. Op basis van artikel 5.2 van het Bkl wordt in een omgevingsplan voor risico's van branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio's, rekening gehouden met het belang van: 

het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan;

de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; en

de geneeskundige hulpverlening, bedoeld in ar kel 1 van die wet.

Deze instructieregel is 'vertaald' in de artikelen 22.13 tot en met 22.15 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van rechtswege (de bruidsschat). Deze artikelen bevatten regels met het oog op het waarborgen van de veiligheid die een toereikende bluswatervoorziening, de bereikbaarheid van bouwwerken voor hulpverleningsdiensten en opstelplaatsen voor brandweervoertuigen waarborgen. Daarnaast blijkt aan de hand van de kaarten en data van het Interprovinciaal Overleg (IPO) 2023, dat er in de projectlocatie geen kwetsbare (natuur)gebieden voor natuurbrand aanwezig zijn. Ten noorden van de projectlocatie bevindt zich duingebied welke is aangewezen als kwetsbare (natuur)gebieden voor natuurbrand. Gezien de afstand tussen de projectlocatie en dit natuurgebied (circa 850 m) is er geen aanleiding tot nader onderzoek en wordt de veiligheid ter plaatse als aanvaardbaar geacht. Uit kaarten van het Landelijk informatiesysteem water en overstromingen (LIWO) blijkt dat er ter plaatse van het

22/57

projectgebied en de directe omgeving sprake is van een zeer kleine kans tot overstroming: 1 op de 1.000.000 jaar. Gezien deze kleine kans is nader onderzoek niet benodigd en wordt het risico aanvaardbaar geacht. Overige risico's van branden, rampen en crisis zijn niet relevant voor deze ontwikkeling. Conclusie De ontwikkeling is in overeenstemming met instructieregels voor het waarborgen van de veiligheid omdat de veiligheid ter plaatse van de ontwikkeling aanvaardbaar is. De ontwikkeling ligt niet in of nabij aandachtsgebieden of pr-contouren van milieubelastende activiteiten of vervoer van gevaarlijke stoffen. Er is geen aanleiding tot nader onderzoek of een verantwoording van het groepsrisico. In het kader van branden, rampen en crisissen bestaat er geen aanleiding tot nader onderzoek. De ontwikkeling draagt voor het aspect (externe) veiligheid bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties omdat er geen veiligheidsrisico’s zijn in of nabij de omgeving en de ontwikkeling niet voorziet in een activiteit met externe veiligheidsrisico’s. Er zijn geen voorschriften nodig om te voldoen aan etfal en instructieregels.

5.3

Beschermen van de waterbelangen

Toetsingskader Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met de weging van het waterbelang. Dit komt erop neer dat in een vroeg stadium de opvattingen van de waterbeheerder moeten worden betrokken. Dit volgt uit artikel 5.37 van het Bkl. Deze instructieregel is van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning voor een BOPA via artikel 8.0b Bkl. Een BOPA moet ook worden getoetst aan de instructieregels uit de waterschapsverordening en de provinciale omgevingsverordening. De waterbeheerder voor deze locatie is Hoogheemraadschap van Rijnland. De gemeente of initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het opstellen van de uitwerking, mogelijke effecten en de te nemen maatregelen om aan te tonen dat wordt voldaan aan de normen. De gemeente kan strengere normen opnemen in het omgevingsplan. Dit is altijd maatwerk en gebiedsafhankelijk. Voor deze BOPA geldt: Bebouwing in werkingsgebieden van keringen en andere waterstaatswerken;  Waterketen, relatie met de afvoer van afvalwater.  Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hieraan zelf invulling te geven. Waterschapsbeleid Voor de planperiode 2022-2028 is het Waterbeheerprogramma 6 van het hoogheemraadschap van Rijnland van toepassing.

In dit plan geeft het hoogheemraadschap aan wat haar visie is voor de komende planperiode en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen.

Omgevingsverordening Zuid-Holland De omgevingsverordening bevat de volgende instructieregel voor het aspect water; § 7.3.5.1 Toelaten van een bouwactiviteit op een grondwatergevoelige locatie. Deze regels gaan in op het voorkomen en waar nodig beperken van de verspreiding van verontreinigd grondwater; het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en het vervullen van de maatschappelijke functies die op grond van de Omgevingswet aan watersystemen zijn toegekend.

23/57

Toetsing Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.3 instructieregels voor het beschermen van de waterbelangen. Op grond van artikel 5.37 Bkl dient in een BOPA rekening gehouden te worden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Hierbij worden de opvattingen van de waterbeheerder(s) betrokken. De projectlocatie ligt binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Het waterschap is verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van deze BOPA wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkeling. Huidige situa e Het projectgebied betreft een braakliggend terrein en is volledig onbebouwd en onverhard. Bodem en grondwater De originele bodem bestaat, volgens de bodemkaart van Nederland, uit een lage enkeerdgrond (EZg21/EZ50A), die volgens de Stichting voor Bodemkartering voornamelijk is opgebouwd uit leemarm en zwak lemig fijn zand. Op basis van een op locatie uitgevoerd verkennend bodemonderzoek1 blijkt de bovengrond tot een diepte van ca. 0,5 m-mv hoofdzakelijk bestaat uit matig fijn zand, zwak humeus met sporen schelpen. De ondergrond bestaat tot de geboorde einddiepte uit matig tot zeer grof zand soms afwisselend met zwak zandige klei.

Voor beleid, vergunningen en ontwateringsdieptes is het belangrijk om te weten wat de actuele karakteristieken zijn, zoals de GHG en de GLG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand en Gemiddelde Laagste Grondwaterstand). Op basis van een nabij gelegen grondwaterpeilput wordt voor het projectgebied ingeschat dat de GHG is gelegen op ca. 0,1 m +NAP. Op basis van kaarten uit de KlimaatEffectAtlas (KEA) wordt voor het projectgebied uitgegaan van ene GHG op 1,0 tot 1,5 m -mv en een GLG op 1,5 m -mv tot 2,0 m -mv. Uitgaande van een huidig maaiveldniveau van 1,1 tot 1,2 m +NAP (bron: AHN) is de GHG gelegen op ca. 1,0 tot 1,1 m -mv. In het verleden is op locatie (d.d. 28 juli 2021) ene grondwaterstand gemeten op 1,30 m mv. De stromingsrichting van het freatische grondwater wordt beïnvloed door lokale factoren, zoals oppervlaktewateren, de ligging van rioleringen, de aanwezigheid van zandlichamen (bijvoorbeeld kabel- en leidingtracés, funderingen) en drainage. Het projectgebied ligt niet in een grondwaterbeschermings- of grondwaterwingebied. Oppervlaktewater Voor het hoogheemraadschap is de legger, samen met de waterschapsverordening, hèt instrument om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten, voldoende en schoon water. De legger bestaat uit een set van kaarten.

Daarop staat welke rivieren, beken, vennen en regenwaterbuffers, lijnvormige elementen, waterkeringen en kunstwerken (stuwen, sluisdeuren en kademuren) het waterschap in beheer heeft en waar ze liggen. De legger bevat ook een register waarin staat wie waar en waarvoor het onderhoud moet doen. Tot slot bevat de legger zones (zoneringen) voor toekomstige ontwikkelingen en bescherming van het watersysteem. Op de leggerkaart van hoogheemraadschap van Rijnland zijn de in de directe omgeving van het projectgebied gelegen oppervlaktewateren weergegeven. Aan de westzijde van het projectgebied is een watergang met bijbehorende kern- en beschermingszone gelegen dat op de legger is aangeduid als overig water (415-058-00131). Er worden binnen de kern- of beschermingszone geen werkzaamheden verricht of activiteiten voorzien. In Figuur 5-2 is een uitsnede van de leggerkaart van het hoogheemraadschap weergegeven. Binnen het projectgebied is het oppervlaktewater peilbeheerst. Het projectgebied is gelegen in polder Vinkeveld, peilvak PBS_RL-004.3.1. In dit peilvak geldt een dynamisch peil van 0,10 m -NAP.

1 Arnicon: ‘Verkennend bodemonderzoek ter plaatse van een bouwlocatie aan de Huygensstraat tussennr 36 en 44 te Noordwijk’ (C21-368-O).

24/57

Figuur 5-2 Oppervlaktewaterlichamen en kunstwerken

Veiligheid en waterkeringen Korte, hevige buien zullen naar verwachting steeds vaker voorkomen. Dit klimaateffect kan een grote impact hebben. In dat kader heeft Hoogheemraadschap van Rijnland een klimaatatlas ingericht. Op basis van de uitkomsten van de klimaatatlas worden wordt binnen de projectlocatie niet direct wateroverlast ervaren. Om instroming van hemelwater vanuit de omgeving te voorkomen wordt ten aanzien van het toekomstige bouwpeil aangesloten op de peilen van de aanliggende bebouwde percelen die zijn gelegen op een hoogte van 1,6 tot 1,7 m +NAP. De Huygensstraat is eveneens op een hoogte van 1,6 tot 1,7 m +NAP gelegen (bron: ahn). De ontwikkeling heeft verder geen negatieve invloed op de waterveiligheid en waterkeringen. Afvalwaterketen en riolering In de Huygensstraat is een gescheiden rioolstelsel gelegen. Toekoms ge situa e Verhard oppervlak en waterbergingsopgave De ontwikkeling bestaat uit de realisatie van het appartementengebouw ‘Giotto’, met 69 appartementen voor (internationale) werknemers en studenten van de nieuwe Space Campus bij ESTEC. De toename van verharding bedraagt in geval van de beoogde ontwikkeling meer dan 500 m². Bij een toename van verharding met meer dan 500 m² hanteert hoogheemraadschap de eis dat binnen het betreffende peilgebied 15% van het extra verharde oppervlak als open water dient te worden gecompenseerd.

Voor de nog te realiseren kavels op de Space Campus geldt dat deze planologisch al mogelijk zijn en dat er planologisch al in compensatie is voorzien. Zo is in het bestemmingsplan rekening gehouden met watercompensatie vanwege het Space Business Park / Space Campus (circa 14 hectare).

25/57

Compensa e Water wordt bij de verdere planuitwerking expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing genomen en op een duurzame wijze verwerkt. In de toekomstige situatie wordt het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) gescheiden van het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) ingezameld en verwerkt. Hemelwater wordt daarbij afgevoerd naar het aangelegen oppervlaktewater of gescheiden rioolstelsel in de Huygensstraat. Hemelwater afkomstig van dakoppervlakken wordt daarbij als schoon beschouwd en mag direct afgevoerd worden. Hemelwater afkomstig van terreinverhardingen wordt eerst voorgezuiverd voordat afvoer plaatsvindt. De compensatie ten aanzien van de beoogde ontwikkeling binnen het projectgebied en de toename van het verhardoppervlak is planologisch al reeds voorzien en vastgelegd in het tijdelijke deel van het omgevingsplan ‘Estec en de Noordwijkse bedrijvenparken’. In het tijdelijke deel van het omgevingsplan ‘Estec en de Noordwijkse bedrijvenparken’ is rekening gehouden met watercompensatie vanwege het Space Business Park (circa 14 hectare). Deze compensatie is grotendeels voorzien aan de oostkant van bedrijvenpark ’s-Gravendijck. Dit water, een retentiebassin, heeft een oppervlak van circa 14.500 m². Met de aanleg van dit retentiebassin is aan een groot deel van de benodigde watercompensatie voor het in aanleg zijnde Space Business Park voldaan.

Het resterende benodigde wateroppervlak (3.000 m²) is deels gerealiseerd door de watergang bij de manege aan de Zwarteweg met circa 2.000 m² te verbreden. Ook is circa 1.000 m² extra water gerealiseerd nabij de kruising ’s-Gravendijckseweg-Keyserswey-Jonckerweg. Ontwatering en drooglegging Om grondwateroverlast te voorkomen wordt bij het ontwerp rekening gehouden met minimale ontwateringsdiepten en droogleggingseisen. Uitgangspunt hierbij is dat wordt aangesloten bij de huidige grond- en oppervlaktewaterpeilen, en dat er ten gevolge van de inrichting van het betreffende gebied geen negatieve effecten op de omgeving ontstaan (verdroging of vernatting). Met andere woorden bodem en water sturend. De ontwateringsdiepte is het verschil in hoogte tussen het maaiveld en de maximaal optredende grondwaterstand. Drooglegging is het verschil tussen het oppervlaktewaterpeil en de maaiveldhoogte. Op basis van het dynamisch peil en GHG van 0,1 m +NAP en een bouwpeil van 1,6 m +NAP, bedraagt de drooglegging en ontwatering 1,5 m -mv. Watersysteemkwaliteit en ecologie Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater ten opzichte van de huidige situatie niet mag verslechteren. Waar mogelijk wordt verbetering nagestreefd. De waterkwaliteit wordt beïnvloed door het (veranderende) ruimtegebruik en het gebruik van bouwmaterialen.

Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouwals de gebruiksfase. De emissies vanuit bouwmaterialen worden beperkt door gebruik te maken van producten die voorzien zijn van een keurmerk. Waterschapsverordening Voor alle handelingen aan of in de nabijheid van een watergang zoals dempen, graven, bouwen, onttrekken, lozen etc. is in het kader van de waterschapsverordening een omgevingsvergunning van het hoogheemraadschap benodigd of geldt conform de algemene regels een meldingsplicht. Indien nodig zal een eventuele vergunning in overleg met het hoogheemraadschap aangevraagd worden. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: 1. hemelwater vasthouden voor benutting; 2. (in-) filtratie van afstromend hemelwater; 3. afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; 4. afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI.

26/57

Conclusie In deze paragraaf zijn de waterhuishoudkundige consequenties van de omgevingsactiviteit in beeld gebracht en zijn de waterbelangen getoetst. Hiermee is het wateraspect en de weging van het waterbelang zoals dat in de Omgevingswet is opgenomen gewogen en is gegarandeerd dat het waterbelang en de specifieke eisen van de waterbeheerder op een goede wijze in het ontwerp worden verwerkt. Aan de hand van de beschreven randvoorwaarden, uitgangspunten en ontwerpgrondslagen, kan op eenduidige wijze, later het waterhuishoudingsplan of rioleringsplan worden opgesteld. Planologisch vormt het wateraspect daarmee verder geen belemmering voor de ontwikkeling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Noordwijk&id=2d9f5291-18a2-48cc-bf49-72375ef1d7eb