Bijlage 7 Ecologische voortoets
Tekst van het document
Ecologische voortoets, Maarten Kruytstraat Noordwijk Toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming
Rapport Ecologische voortoets Maarten Kruytstraat Noordwijk,
Datum Locatie Kenmerk
: : :
19 mei 2020 Maarten Kruytstraat te Noordwijk R&O20012475/REI/rap1
Contactpersoon Email Telefoon
: : :
Dhr. J.R. Mossel MSc bmossel@idds.nl 06 - 3062 6330 R. Eisenga r.eisenga@gmail.com 06 - 4182 6415
Opdrachtgever
:
PdW Vastgoed B.V. Dhr. P. de Winter Ambachtsweg 19 2181 RC, Hillegom
© IDDS b.v. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de uitgever.
Rapport ecologische voortoets Maarten Kruytstraat, Noordwijk
R&O20012475/REI/rap1
2/22
Inhoud 1. 1.1
Inleiding ........................................................................................................................ 4 Aanleiding ...................................................................................................................... 4
2. 2.1 2.2 2.3
Wettelijke kader ............................................................................................................ 6 Wettelijk kader stikstofdepositie ..................................................................................... 6 Toestemming verlening stikstofdepositie bij nieuwe activiteiten .................................... 6 Wet natuurbescherming (Wnb) ...................................................................................... 7
3. 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
Bouwstenen voor ecologische toetsing .................................................................... 9 Algemene beschrijving bouwstenen voor ecologische toetsing .................................... 9 Bouwsteen 1: ............................................................................................................... 10 Bouwsteen 2: ............................................................................................................... 10 Bouwsteen 4: ............................................................................................................... 10 Conclusie ..................................................................................................................... 11
4. 4.1 4.2
Ecologische toetsing, gebiedsanalyse .................................................................... 12 Beoordeling overschrijding kritische drempelwaarde .................................................. 12 Beschrijving getroffen Natura 2000 gebied Coepelduynen ......................................... 12
5. 5.1 5.2 5.3 5.4
Effectbeoordeling ...................................................................................................... 14 Inleiding ........................................................................................................................ 14 Opzet veldbezoek ........................................................................................................ 14 Habitattypen binnen de invloedsfeer van tijdelijke stikstofdepositie ............................ 15 Richtlijnsoorten ............................................................................................................ 19
6.
Samenvatting.............................................................................................................. 20
7.
Conclusie .................................................................................................................... 21
Referentielijst ............................................................................................................................. 22
Rapport ecologische voortoets Maarten Kruytstraat, Noordwijk
R&O20012475/REI/rap1
3/22
1.
Inleiding
1.1
Aanleiding
Ter onderbouwing van de uitvoerbaarheid van voorgenomen werkzaamheden aan de Maarten Kruytstraat te Noordwijk te weten de ontwikkeling van 29 huurwoningen vrije sector, 13 huurwoningen sociale huur en 2329 m2 commerciële dienstverlening (supermarkt) is gevraagd een ecologische voortoets uit te voeren in Natura 2000 gebieden die onder de berekende stiksofdepositie te lijden hebben. Dit rapport bevat een ecologische voortoets die is uitgevoerd in opdracht van de PdW Vastgoed B.V. Middels deze ecologische voortoets wordt het onderdeel stikstofdepositie beoordeeld.
Het plangebied Maarten Kruytstraat Noordwijk
Geconcludeerd is dat het voornemen in de aanlegfase leidt tot stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied Coepelduynen. Dit duingebied ligt tussen te kustplaatsen Katwijk en Noordwijk met een totale oppervlakte van 188ha. Aan Noordwijkse zijde is er een uitloper van het Natura 2000 gebied dat als binnenduinrand de overgang van landbouwgebied en villawijk ‘De Zuid’ begrensd. Juist dit deel valt binnen de invloedsfeer van de berekende stikstofdepositie door het plangebied. Het betreft één habitattypen H2180C Duinbossen (binnenduinrand) met stikstofstatus gevoelig. Dit is af te lezen in figuur 2 waar de donker paarse kleur de stikstofgevoeligheid weergeeft. Omdat het hier het ontwikkelen van een supermarkt met bovenliggende woningen betreft, die de oude supermarkt vervangt, is er louter in de aanlegfase sprake van stikstofdepositie, uit de AERIUS-calculatie komt een maximale depositie van 0,01 mol N/ha/jr. De aanlegfase duurt maximaal 15 maanden. Er is géén sprake van depositie in de gebruiksfase. Gezien de stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied ten gevolge van de ontwikkeling is een
Rapport ecologische voortoets Maarten Kruytstraat, Noordwijk
R&O20012475/REI/rap1
4/22
ecologische voortoets uitgevoerd om te onderzoeken of significant negatieve effecten op de beschermde habitattypen vooraf kunnen worden uitgesloten. Hierbij is rekening gehouden met de staat van instandhouding van de betrokken habitattypen. Ook zijn de bevindingen van het rapport: Natura 2000 gebieden rond de Amsterdamse haven. Documentatie over gevoeligheid van natuurgebieden voor stikstofdepositie van februari 2020 meegenomen.
Projectlocatie (1 ) met toevoerweg (2) ten noorden van het Natura 2000 gebied Coepelduynen, met daar de drie hexagonen in de uiterste punt van de uitloper in de wijk ‘De Zuid’. (zwart omlijnde paars en geel gekleurde gebieden) (bron: AERIUS Calculator 2019A)
Rapport ecologische voortoets Maarten Kruytstraat, Noordwijk
R&O20012475/REI/rap1
5/22
2.
Wettelijke kader
2.1
Wettelijk kader stikstofdepositie
Voorheen diende op grond van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) – dat juli 2015 van kracht werd – berekend te worden of een nieuwe (bouw)activiteit leidde tot een significante toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Onder het PAS golden enkele drempel- en grenswaarden die bepaalden of een toename van stikstofdepositie significant was en zo ja, of er dan een meldingsplicht of een vergunningplicht gold. Door te rekenen met het voorgeschreven rekenprogramma AERIUS Calculator werd automatisch met die drempelwaarden rekening gehouden. In het geval van de meldingsplicht kon de planontwikkeling aanspraak kan maken op benutting van de ontwikkelingsruimte die voor een Natura 2000-gebied gold, totdat deze niet meer voorradig was. Als gevolg van de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 mag het PAS niet meer gebruikt worden als toestemmingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen die leiden tot een toename van stikstofdepositie op (stikstofgevoelige habitattypen in) Natura 2000-gebieden. De drempel- en grenswaarden uit het PAS zijn daarmee ook niet meer van toepassing. Hierdoor kan een project met een geringe depositietoename van 0,01 mol N/ha/jaar al vergunningplichtig zijn (artikel 2.7 en 2.8 Wnb).
Oftewel, ook relatief kleinschalige projecten dienen zorgvuldig op hun stikstofdepositie getoetst te worden om aan Europese regelgeving te kunnen voldoen (en stand te houden bij de Raad van State in geval van een beroep). Sinds de vernieuwing van AERIUS Calculator op 16 september 2019 kan correct berekend worden of er überhaupt sprake is van stikstofdepositie op relevant Natura 2000-gebied. Daarbij dient zowel de bouw/aanlegfase als de gebruiksfase doorgerekend te worden. 2.2
Toestemming verlening stikstofdepositie bij nieuwe activiteiten
Met behulp van onderstaande stappenplan kan vastgesteld worden of een ontwikkeling vergunningplichtig is onder de Wet natuurbescherming en welke instrumenten ingezet kunnen worden om in aanmerking te komen voor een natuurvergunning.
Rapport ecologische voortoets Maarten Kruytstraat, Noordwijk
R&O20012475/REI/rap1
6/22
Beslisboom voor toestemmingverlening bij nieuwe activiteiten
2.3
Wet natuurbescherming (Wnb)
Bescherming van Natura 2000-gebieden vindt plaats op grond van de Wet natuurbescherming. Onder Natura 2000-gebieden vallen gebieden die op grond van de Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn zijn aangewezen. De kern van de bescherming van de Natura 2000-gebieden is dat de duurzame instandhouding van soorten en habitattypen binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd. De begrenzing van de Natura 2000-gebieden en de instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgelegd in de (ontwerp-)aanwijzingsbesluiten voor de betreffende gebieden. De instandhoudingsdoelstellingen beschrijven voor de aangewezen habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en vogelrichtlijnsoorten in het gebied of een bepaalde ontwikkeling ervan gewenst is, of dat het behoud er van op het aanwezige niveau moet worden nagestreefd. Projecten of handelingen die negatieve effecten kunnen hebben op Natura 2000-gebieden en bijbehorende instandhoudingsdoelen zijn conform artikel 2.7 van de Wnb in beginsel niet toegestaan. Een voortoets in de oriëntatiefase kan uitsluitsel geven of het plan geen negatieve
Rapport ecologische voortoets Maarten Kruytstraat, Noordwijk
R&O20012475/REI/rap1
7/22
effecten heeft (geen vervolg) of dat er een verslechteringstoets of passende beoordeling vereist is (stap 4 uit de boven beschreven beslisboom). De afweging hierbij is of het extra effect van een dergelijk project, in de vorm van een bepaalde toename van stikstofdepositie, leidt tot een aantasting die op zichzelf significante betekenis heeft. Deze beoordeling dient in beginsel los te staan van de bestaande situatie (lees bestaande depositie) in het gebied, en alleen betrekking te hebben op de vraag of het extra effect van het project een significante betekenis heeft. Dit moet uiteraard wel gezien worden in het licht van de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen voor de gebieden, waarvoor de provincie verantwoordelijk is via het treffen van instandhoudingsmaatregelen en passende maatregelen. Wanneer een project leidt tot een toename van de depositie van stikstof in Natura 2000-gebied (tot een niveau waarbij de totale depositie de KDW overschrijdt), kan op grond van de definitie van de KDW niet op voorhand uitgesloten worden dat de kwaliteit van natuurlijke habitats verslechtert. Volgens art. 2.7, lid 2, Wnb is in dat geval een vergunning nodig en zal een passende beoordeling gemaakt moeten worden.
Wanneer de vergunning betrekking heeft op een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied (art. 2.7, lid 3, Wnb), mag een vergunning alleen worden verleend als uit de PB blijkt dat het zeker is dat de natuurlijke kenmerken niet worden aangetast (art. 2.8 lid 3, Wnb). Op grond van deze systematiek kan ten aanzien van een project dat stikstofdepositie veroorzaakt een onderscheid gemaakt worden tussen de vragen of (1) het project de kwaliteit van habitats kan verslechteren en of (2) zeker is dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast. Deze ecologische voortoets is uitgevoerd met dit onderscheid. Een verhoging van de depositie van stikstof als gevolg van een project wordt beschouwd als een ontwikkeling die de kwaliteit van habitats kan verslechteren, maar op zichzelf niet als een ontwikkeling waarbij het zeker is dat de natuurlijke kenmerken van het gebied ook worden aangetast.
Deze aantasting treedt op wanneer er als gevolg van de toevoeging van stikstof aan het gebied door dat project (en eventueel in cumulatie met andere projecten) een zodanige verslechtering van de kwaliteit van habitats op kan treden, dat de realisatie van de instandhoudingsdoelen voor dat habitattype niet kan worden gewaarborgd. Wanneer een toename van de depositie in Natura 2000-gebieden niet kan worden voorkomen, moet in een vervolgstap, een zogenaamde ecologische toets, worden beoordeeld of deze verhoging ook daadwerkelijk leidt tot significante verslechtering van de natuurlijke kenmerken van de habitats. Daarbij gaat het alleen om de vraag of de additionele effecten van de depositie van het project (eventueel in cumulatie) tot een significante verslechtering leiden, en niet om het significante effect van de totale depositie die in het gebied plaatsvindt. Wel moet dit effect bezien worden tegen de achtergrond van de huidige ecologische situatie in het gebied.
Rapport ecologische voortoets Maarten Kruytstraat, Noordwijk
R&O20012475/REI/rap1
8/22
3.
Bouwstenen voor ecologische toetsing
In dit hoofdstuk wordt aan de hand van het rapport ‘Handreiking kleine en tijdelijke deposities. Bouwstenen voor redeneerlijnen bij toestemmingsverlening voor tijdelijke projecten en activiteiten’ (Kleijberg, 2019) beoordeeld of de voorgenomen werkzaamheden in Heemstede hieraan voldoen. 3.1
Algemene beschrijving bouwstenen voor ecologische toetsing
In het rapport ´Natura 2000 gebieden rond de Amsterdamse haven (2020), worden twee redeneerlijnen omschreven die een conclusie van een ecologische toetsing kunnen onderbouwen. 1. Een generieke redeneerlijn, waarbij op basis van algemene beschrijvingen over de invloed van stikstof in daarvoor gevoelige habitattypen wordt aangetoond dat de depositietoename niet kan leiden tot meetbare veranderingen in de kwaliteit. Een generieke redeneerlijn kan alleen worden toegepast voor tijdelijke depositieverhogingen van een niet al te grote omvang (maximaal 1 mol/ha) of voor zeer kleine permanente depositieverhogingen (bijvoorbeeld maximaal 0,05 mo/ha/jaar). 2. Een gebiedspecifieke redeneerlijn, waarbij op grond van inzicht in de verschillende kenmerken van de habitattypen zoals die zich voordoen in de specifieke Natura 2000gebieden, onderzocht wordt óf en in welke mate de berekende depositietoename kan leiden tot verslechtering van de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden, mede gelet op de bestaande staat van instandhouding en instandhoudingsdoelen die van toepassing zijn in het gebied. Voor dit rapport wordt in eerste instantie de generieke redeneerlijn gevolgd omdat het ontwikkelplan Maarten Kruytstraat Noordwijk voldoet aan de daaraan gestelde voorwaarden.
Het betreft een tijdelijke (15 maanden) depositieverhoging en de omvang van maximaal 0,01 mol/N/ha/jaar blijft ruim binnen de marge van maximaal 1 mol/N/ha/jaar. Kleijberg (2019) onderscheidt verder een aantal bouwstenen specifiek ontwikkeld voor projecten met een tijdelijk karakter binnen de generieke redeneerlijn.
Bouwsteen 1: kleine en tijdelijke deposities leiden nooit tot directe schade aan planten; Bouwsteen 2: niet alle stikstof komt altijd ter beschikking aan de vegetatie; Bouwsteen 3: kleine en tijdelijke deposities leiden niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid en vegetatiesamenstelling; Bouwsteen 4: kleine en tijdelijke deposities vormen een verwaarloosbare bijdrage aan de totale depositie; Bouwsteen 5: kleine en tijdelijke deposities zijn verwaarloosbaar ten opzichte van bestaande aanvoer en afvoer van stikstof uit ecosystemen; Bouwsteen 6: effecten van kleine en tijdelijke deposities kunnen worden uitgesloten op grond van ecologische systeemanalyse.
Voor het plangebied Maarten Kruytstraat Noordwijk gelden onder meer de bouwstenen 1, 2 en 4. De essentie van deze bouwstenen wordt hieronder samengevat. Voor een meer uitgebreide behandeling, wordt verwezen naar de handreiking.
Rapport ecologische voortoets Maarten Kruytstraat, Noordwijk
R&O20012475/REI/rap1
9/22
3.2
Bouwsteen 1:
Kleine en tijdelijke deposities leiden nooit tot directe schade aan planten Hoge concentraties van gasvormige stikstofverbindingen en hoge concentraties van ammonium (NH4+) in de bodem, kunnen directe toxische effecten veroorzaken op planten. Dit betekent dat deze hoge concentraties een directe schadelijke werking uitoefenen op de (cel)fysiologie van planten. De huidige concentraties van NH3, NOx en SO2 zijn in Nederland zo laag dat directe toxische schade aan planten (bijna) niet meer voorkomt. Dit effectmechanisme speelt daarom in Nederland t.a.v. atmosferische depositie van stikstof geen rol. Hieruit volgt ook de conclusie dat kleine toenames van depositie van stikstof nooit kunnen leiden tot meetbare directe schade aan planten (Kleijberg 2019). Aangezien het plangebied een maximale tijdelijke stikstofdepositie kent van maximaal 0,01 mol/ha/jaar, blijft het ver binnen de grens die hier gesteld wordt van maximaal 1,0 mol/ha/jaar voor tijdelijke projecten. Significante schade aan planten en daarmee aan het habitattype is niet meetbaar. De hoeveelheid tijdelijke stikstofdepositie staat de ontwikkelingen niet in de weg.
3.3
Bouwsteen 2:
Niet alle stikstof komt altijd ter beschikking aan de vegetatie Kort samengevat kan worden gesteld dat van stikstofdepositie niet alles door planten wordt opgenomen. Een deel zal worden uitgespoeld omdat het zich niet kan binden. Uitspoeling is afhankelijk van het soort bodem, waarbij in zandgronden de meeste stikstof uitspoelt, en in veengrond het minste. In volgorde van meeste naar minste uitspoeling is het zand, klei en veen. Daarbij geldt voor zandgronden dat hoe droger de bodem, hoe groter de concentratie uitspoeling is. In specifieke gevallen (drogere omstandigheden in zandgronden) verdwijnt een deel van de depositie (tot meer dan 50%) weer uit het systeem voordat het opgenomen wordt door planten. Het habitattype H2180C die binnen de invloed van het plangebied ligt voor wat betreft stikstofdepositie, bestaat allemaal uit (meestal droge) zandgrond. Hierdoor zal hier het meeste stikstof uitspoelen. Dit gegeven en de geringe hoeveelheid stikstofdepositie maakt dat de extra tijdelijke stikstofdepositie de ontwikkelingen niet in de weg staat.
3.4
Bouwsteen 4:
Kleine en tijdelijke deposities vormen een verwaarloosbare bijdrage aan de totale depositie Om een beeld te geven van de omvang van een mogelijk effect van kleine en eventueel tijdelijke depositietoenames kunnen deze worden gerelateerd aan de totale depositie in een gebied, de gevoeligheid van de habitattypen en leefgebieden en de nauwkeurigheid waarmee effecten kunnen worden vastgesteld. De uitwerking hieronder vormt geen bewijslast voor het niet optreden van aantasting van natuurlijke kenmerken, maar geeft wel ondersteuning voor een eventuele conclusie dat de
Rapport ecologische voortoets Maarten Kruytstraat, Noordwijk
R&O20012475/REI/rap1
10/22
kleine en tijdelijke depositie ecologisch gezien niet of in beperkte mate relevant is. Voor het habitattype binnen de invloedsfeer van de ontwikkelplannen geldt een KDW van 1.786 mol/ha/jr. (figuur 4 en 5). De achtergronddepositie van stikstof varieert in de drie hexagonen tussen maximaal 1.967 en minimaal 1.662 mol/ha/jr. Alleen het hexagoon met de maximale achtergronddepositie overschrijdt de KDW (figuur 4). Het percentage van de maximale tijdelijke bijdrage van het ontwikkelplan met 0,01 mol/ha/ja. is nauwelijks uit te rekenen.
Hexagonen A, B en C met de achtergronddepositie en stikstofdepositie uit het plangebied (1) en toevoerweg (2) (bron: AERIUS Calculator 2019A)
3.5
Conclusie
Uit de analyse van bovenstaande bouwstenen blijkt dat door de 0,01 mol/N/ha/jaar depositie veroorzaakt door de tijdelijke werkzaamheden ten behoeve van de ontwikkeling Maarten Kruytstraat Noordwijk, significante negatieve effecten op het beschermde habitattype kunnen worden uitgesloten.
Rapport ecologische voortoets Maarten Kruytstraat, Noordwijk
R&O20012475/REI/rap1
11/22
4.
Ecologische toetsing, gebiedsanalyse
Voor de volledigheid van dit rapport wordt de conclusie uit hoofdstuk 3 verder onderbouwd door middels bouwsteen 6, een gebiedsanalyse, deze conclusie meer kracht bij te zetten. 4.1
Beoordeling overschrijding kritische drempelwaarde
Het habitattype H2180C dat binnen de stikstofdepositie van het plangebied valt heeft een KDW van 1.786 mol/ha/jr. Uit AERIUS calculator komt naar voren dat voor één van de drie hexagonen waarin het habitattype zich bevindt de huidige achtergronddepositie reeds hoger is dan de KDW (figuur 4). Voor de andere twee hexagonen geldt de overschrijding bijna. Voor deze twee hexagonen geldt dat de stikstofdepositie door het voorgenomen ontwikkelplan wellicht effecten heeft op de kwaliteit van het aanwezige habitattype. Habitattype KDW Stikstofdepositie H2180C (mol aanlegfase Duinbossen N/h/j) Hoogste bijdrage (binnenduinrand) H0000 Habitattypen afwezig Hexagoon A 1.786 0,01 Hexagoon B 1.786 0,01 Hexagoon C 1.786 0,01 Zeer gevoelig: <1400 mol N/ha/jr (paars) Gevoelig: 1400 - <2400 mol N/ha/jr (oranje) Minder/niet gevoelig: ≥ 2400 mol N/ha/jr (groen)
(Bijna) overbelasting op hexagonen door achtergronddepositie
Achtergronddepositie (molN/ha/jr)
Totale oppervlakte binnen de invloedsfeer < 2,6ha
1.687 1.662 1.967
< 0,0ha 0,4ha < 0,0ha
Ja (bijna) Ja (bijna) Ja
KDW en achtergronddepositie ten gevolge van de ontwikkeling per hexagoon
4.2
Beschrijving getroffen Natura 2000 gebied Coepelduynen
Coepelduynen Het Natura 2000-gebied Coepelduynen is een smalle strook van kustduinen tussen Katwijk en Noordwijk van 188ha groot. Het behoort tot de kalkrijke jonge duinen. De Coepelduynen zijn een gevarieerd duinlandschap; reliëfrijk en landschappelijk zeer afwisselend. De Coepelduynen worden in het westen begrensd door een zeereep, die gelegen is langs een redelijk stabiel strand. De actuele stabiele eerste duinenrij wordt landinwaarts gevolgd door een tweede duinenrij. Deze is door windkuilen en geulen gedeformeerd, wat wil zeggen dat de duinenrij niet meer aaneengesloten is. Verder landinwaarts volgt een zone met duinen en vrij kleine uitblazingsvalleien. Deze zone kan worden omschreven als een microparaboollandschap. De duinvormen zijn hier zeer fraai ontwikkeld en sterk geprononceerd. Er bevindt zich een aantal lange, diep uitgestoven paraboolduinen. De valleien hebben vrijwel allen een oriëntatie van zuidwest naar noordoost. Dit is het gevolg van de overwegend zuidwestelijke windrichting. Er is geen duidelijke binnenduinrand aanwezig, waardoor de overgang naar het polderlandschap vrij abrupt is. Kenmerkend voor de Coepelduynen is dat naast de steile noordhellingen ook de zuidhellingen steil zijn. Daarnaast is er een uitgesproken verschil aanwezig tussen noord- en zuidhellingen.
Zuidhellingen ontvangen gemiddeld een hogere straling, wat resulteert in een hogere verdamping en drogere condities dan op noordhellingen. De vegetatie op zuidhellingen is vaker droogteminnend, heeft een lagere bovengrondse biomassa en bedekking, en is meer gefragmenteerd. Door deze factoren
Rapport ecologische voortoets Maarten Kruytstraat, Noordwijk
R&O20012475/REI/rap1
12/22
reageren de zuidhellingen ook weer anders op erosie en dynamiek dan de noordhellingen. Delen zijn in het verleden door de mens beïnvloed en gebruikt voor het drogen van netten, het weiden van vee en als duinakkers. Hierdoor is een specifiek open duinlandschap ontstaan met een afwisseling van duingraslanden, struwelen en bos waarin waardevolle flora en fauna voorkomt. Zo zijn er twee duinvalleien, Guytendel en Spijkerdel. Van 1890 tot 1965 werden deze duinpannen gebruikt als aardappelveld. Recent zijn hier natuurherstelmaatregelen getroffen door de valleien uit te graven tot op het grondwaterniveau. Er komen op grote schaal goed ontwikkelde, kalkrijke duingraslanden voor die kenmerkend zijn voor het zeedorpenlandschap, met daarin veel zeldzame plantensoorten. Het voorkomen van jonge successiestadia en de hoge dynamiek hebben ertoe geleid dat het gebied is aangewezen als Natura 2000-gebied.
ligging plangebied (gele stip) ten opzichte van het te onderzoeken Natura 2000 gebied Coepelduynen (paars), specifiek groen omkaderd (tevens in de uitsnede meer gedetailleerd). Bron: https://geocontent.rvo.nl/Natura2000/Gebiedskaart
Rapport ecologische voortoets Maarten Kruytstraat, Noordwijk
R&O20012475/REI/rap1
13/22
5.
Effectbeoordeling
5.1
Inleiding
In hoofdstuk 5 wordt van het Natura 2000 gebied Coepelduynen, het habitattype dat binnen de invloedsfeer ligt van de ontwikkelingen, omschreven. Het hoofdstuk wordt afgesloten met de observaties en bevindingen van het veldbezoek aan het Natura 2000 gebied. 5.2
Opzet veldbezoek
Het veldbezoek is uitgevoerd volgens de Methodiek Veldbezoek van Bij12 op 13 mei 2020. Veldbezoek: Coepelduynen 13 mei 2020, rond het middaguur Door: R. Eisenga (ecoloog) Weersomstandigheden: temperatuur 9°, wind noord kracht 5bft, licht bewolkt Tijdens het veldbezoek is het gebied lopend bezocht. Het habitattype is in alle drie de hexagonen onderzocht en op hun huidige staat beoordeeld.
Omschrijving onderzoeksgebied n.a.v. het veldbezoek. Het onderzoeksgebied begint vanaf de stoep van een drukke verkeersader naar Noordwijk aan Zee.
Het onderzoeksgebied met habitattype H2180C start bij de bomen met rechts ervan, na het zebrapad, een wandelpad.
Rapport ecologische voortoets Maarten Kruytstraat, Noordwijk
R&O20012475/REI/rap1
14/22
Links het wandelpad met rechts op de foto het onderzoeksgebied wat wordt onderbroken door bebouwing met tuinen. Op de rechter foto de Emmaweg die het onderzoeksgebied begrensd, het onderzoeksgebied ligt links op de foto
5.3
Habitattypen binnen de invloedsfeer van tijdelijke stikstofdepositie
H2180C Duinbossen (binnenduinrand) Instandhoudingsdoelstelling Opvallend is dat over het habitattype H2180C in geen van de op BIJ12 verzamelde beheerplannen gesproken wordt. De focus ligt voor wat betreft de Coepelduynen op witte duinen, grijze duinen en vochtige duinvalleien. Ook kan het een rol spelen dat vrijwel de hele strook Duinbossen (binnenduinrand) in particulier bezit is en dat daarmee de verantwoordelijkheid voor onderhoud en beheer ook in particuliere handen is. Voor dit specifieke gebied is er derhalve geen instandhoudingsdoelstelling. Om die reden is voor algemene informatie geput uit andere bronnen De landelijke staat van instandhouding voor habitattype H2180C is matig ongunstig. Omschrijving habitattype De tot dit subtype behorende bossen zijn over het algemeen sterk door de mens beïnvloede (park)bossen die overwegend voorkomen op wat jongere, kalkhoudende bodems. Vaak maken ze onderdeel uit van landgoederen of buitenplaatsen die in de 17e/18e eeuw aan de binnenduinrand werden aangelegd op afgegraven duingronden. Daarbij heeft het historisch beheer van deze bossen, waarbij onder andere werd bemest, bekalkt en gewoeld, de bodems sterk beïnvloed en de buffercapaciteit vergroot. De grondwaterstanden zijn hier te diep voor de vestiging van ‘natte’ soorten, maar vaak wel zo ondiep dat capillaire opstijging vanuit het
Rapport ecologische voortoets Maarten Kruytstraat, Noordwijk
R&O20012475/REI/rap1
15/22
grondwater zorgt voor een goede vochtvoorziening en zuurbuffering. De standplaatscondities (goed gedraineerde, iets vochthoudende, kalkrijke, rulle en humeuze bodems in combinatie met een open bosstructuur die zorgt voor voldoende licht) zijn zeer geschikt voor de groei van allerlei van oorsprong uitheemse bolgewassen die hier in het verleden op grote schaal zijn aangeplant en nu deel uitmaken van de zogenoemde ‘stinzenflora’. In tegenstelling tot wat de naam van het subtype suggereert, worden niet alle bossen van de binnenduinen tot dit subtype gerekend: het betreft alleen de bossen op matig voedselrijke, vochtige bodems. Op andere standplaatsen komen ook subtype A (droger, voedselarmer) en in veel mindere mate B (natter, voedselrijker) voor. Typische soorten voor dit habitattype zijn onder andere de Wilde hyacint, de Grote bonte specht en de Houtsnip. Actuele verspreiding en kwaliteit In Coepelduynen komen het Duinbossen (binnenduinrand) met name voor in de noordelijke uitloper van het gebied (figuur 10). Het betreft een smalle strook die de abrupte scheiding weergeeft tussen de lager gelegen landbouwgrond een particuliere tuin en de hoger gelegen villawijk ‘De Zuid’ aan de Noordwijkse zijde. Over de kwaliteit in het verleden en de trend daarin wordt in geen één beheerplan geschreven.
Het habitattype rijst op achter de particulier tuin die langs het gehele te onderzoeken gebied ligt
Stikstofdepositie in relatie tot KDW Een matige overschrijding van de KDW voor stikstofdepositie is in de referentiesituatie aan de orde in 14% (46,9 ha) van het huidige areaal. Deze oppervlakte neemt in de komende jaren nog verder af; in 2030 is het oppervlak met een overschrijding van de KDW 16,8 ha.
Rapport ecologische voortoets Maarten Kruytstraat, Noordwijk
R&O20012475/REI/rap1
16/22
Habitattype H2180C in donkergroen met in het uiterst noordelijke puntje de drie hexagonen van het onderzoeksgebied. Het plangebied bij 1. (Bron: AERIUS-calculator)
Bevindingen veldbezoek 13 mei 2020 Het habitattype is aan de noordelijke zijde, dicht bij de weg, nauwelijks herkenbaar als H2180C. De bodem en een deel van de bomen is overgroeid met klimop (hedera), een niet gebiedseigen soort. Hierdoor krijgen typische stinzenplanten in dit deel geen kans. Ook veroorzaakt de overvloedige aanwezigheid van hedera een stagnatie in verjonging van het bos. Zaailingen van bomen kunnen zich niet ontwikkelen. Het tweede, smallere deel laat een ander beeld zien. Open plekken ontbreken, maar omdat de strook zo smal is komt er toch voldoende licht op de bosbodem om typische stinzenplanten een kans te geven. Ook vindt er hier wel verjonging van het bos plaats, waarbij opgemerkt wordt dat esdoorn daarin domineert. Een trend die zich langs de gehele kuststrook voor dit habitattype voordoet. Aan bomen is de abeel veelvuldig aanwezig, ook meidoorn en aangeplante grove dennen staan in het gebied. Typisch stikstofminnende planten die een indicatie kunnen zijn van een teveel aan stikstof zoals braam en brandnetel zijn niet of nauwelijks aanwezig. Het hek om het gebied is niet volledig gesloten waardoor vermesting door de uitwerpselen van honden een rol kan spelen wanneer er sprake is van verhoogde depositie. Door het ontbreken van achtergrondinformatie is een vergelijking van de huidige situatie met een andere periode niet mogelijk.
De staat van het gebiedje (het beslaat slechts iets meer dan 0,4ha) is wisselend. Het deel waar hedera woekert staat onder druk. Het deel langs de
Rapport ecologische voortoets Maarten Kruytstraat, Noordwijk
R&O20012475/REI/rap1
17/22
Emmaweg heeft de typische stinzenbeplanting en oogt daardoor vitaler. Conclusie De minimale tijdelijke stikstofdepositie van het ontwikkelplan Maarten Kruytstraat Noordwijk zal geen significante schade toebrengen aan dit habitattype.
Links het noordelijke deel met woekerende hedera, rechts het veel vitaal ogende tweede deel
Stinzenplanten: Links Fluitekruid, midden Witte dovenetel, rechts Gewone vogelmelk (Anthriscus sylvestris) - (Lamium album) - (Ornithogalum umbellatum)
Rapport ecologische voortoets Maarten Kruytstraat, Noordwijk
R&O20012475/REI/rap1
18/22
5.4
Richtlijnsoorten
In deze paragraaf wordt ingegaan op een tweetal richtlijnsoorten. Die in Coepelduynen voorkomen. Het gaat hierbij om de rugstreeppad en zandhagedis. De rugstreeppad is warmteminnend en heeft losse, vers omgewoelde grond nodig om een hol te graven. De rugstreeppad zou in de oostelijke rand van het smalle deel een plek kunnen vinden, ook omdat in de particuliere tuin een toegankelijke waterpartij is. De zandhagedis is een soort van open duinen met open plekken met lage stuiken om onder te schuilen. Het habitattype voldoet voor de zanghagedis niet aan de deze voorwaarden. Conclusie De zandhagedis komt in dit habitattype hier niet voor. Op eventuele aanwezigheid van de rugstreeppad binnen het meest vitale deel van het onderzoeksgebied heeft de tijdelijke extra stikstofdepositie geen invloed omdat de flora het habitattype niet wordt aangetast. De eventueel aanwezige habitatsoort rugstreeppad staat de ontwikkelingen aan de Maarten Kruytstraat niet in de weg.
Figu ur 1
Rapport ecologische voortoets Maarten Kruytstraat, Noordwijk
R&O20012475/REI/rap1
19/22
6.
Samenvatting
Van het habitattype H2160C Duinbossen (binnenduinrand) wordt voor een deel van 0,4ha de kritische drempelwaarde (bijna) bereikt door de reeds aanwezige achtergronddepositie, de tijdelijke bijdrage door de voorgenomen ontwikkeling aan de Maarten Kruytstraat in Noordwijk dragen daar met 0,01 molN/ha/jr. nauwelijks aan bij. In hoofdstuk 3 worden diverse bouwstenen uit het rapport ‘‘Handreiking kleine en tijdelijke deposities. Bouwstenen voor redeneerlijnen bij toestemmingsverlening voor tijdelijke projecten en activiteiten’ (Kleijberg, 2019) nader belicht, waaruit blijkt dat de bijdrage van de voorgenomen werkzaamheden zo marginaal is dat significante aantasting van beschermde habitattypen niet te meten en daarmee uit te sluiten is. In hoofdstuk 4 en 5 wordt het veldwerk nader toegelicht. Het habitattype is bezocht en typische soorten stinzenplanten zijn op diverse plekken aangetroffen. Wellicht verklaart de beperkte omvang, de ligging en het gegeven dat het onderzoeksgebied in particuliere handen is, het feit dat er voor dit habitattype in de beheerplannen geen melding wordt gemaakt. De bevindingen van het veldbezoek geven aan dat het gebied deels te lijden heeft van de woekerende niet gebied specifieke soort hedera (klimop). Het andere deel laat voor het habitat specifieke begroeiing zien in de vorm van stinzenplanten.
Rapport ecologische voortoets Maarten Kruytstraat, Noordwijk
R&O20012475/REI/rap1
20/22
7.
Conclusie
Het is door AERIUS berekeningen bekend dat een klein deel van Natura 2000 gebied Coepelduynen wordt getroffen door de verwachte stikstofdepositie door de werkzaamheden in Maarten Kruytstraat Noordwijk. Het betreft de meest noordelijke punt van de uitloper van het gebied die de smalle grens vormt tussen landbouwgebied met particuliere tuin en de villawijk ‘De Zuid’ in Noordwijk. Het onderzoeksgebied ligt in drie hexagonen en bestaat uit één habitattype, H2180C Duinbossen (binnenduinrand). Het habitattype beslaat slechts 0,4 ha. Voor het gebied is voor het habitattype de KDW reeds (bijna) bereikt door achtergronddepositie. De verwachte bijdrage van de werkzaamheden in het plangebied is 0,01 mol/N/ha/jaar. De conclusie van deze ecologische voortoets is dat de tijdelijke stikstofdepositie door de voorgenomen werkzaamheden t.b.v. een supermarkt met appartementen aan de Maarten Kruytstraat Noordwijk, geen significant negatieve invloed hebben op het beschermde habitattype en daarmee de uitvoering van de plannen aan de Maarten Kruytstraat Noordwijk niet in de weg staat. Hiervoor zijn een aantal argumenten: 1. In een recent gepubliceerde rapportage wordt uiteengezet dat een extra stikstofdepositie van tijdelijke aard van 1,0 mol/ha/jaar geen significante schade aan planten in een beschermd habitattype kan veroorzaken.
Voor de voorgenomen werkzaamheden is berekend dat er een verwachte maximale stikstofdepositie is van 0,01 mol/ha/jaar voor een tijdelijke periode van 15 maanden in de aanlegfase. Hier wordt daarnaast uiteengezet dat de tijdelijke stikstofdepositie nauwelijks een bijdrage levert aan de reeds aanwezige achtergronddepositie. Eerste argument is dat de verwachte tijdelijke stikstofdepositie geen significante verslechtering van het beschermde habitattype zal veroorzaken (zie hoofdstuk 3). 2. Deze beide argumenten worden kracht bijgezet door de gebiedsanalyse gebaseerd op een bureaustudie naar het habitattype en middels een veldbezoek naar de huidige staat van instandhouding. De in de hoofstukken 4 en 5 beschreven uitkomsten laten zien dat het onderzoeksgebied er wisselend van redelijk tot vitaal uitziet. Het meest noordelijke deel heeft te leiden van woekerende hedera, het twee deel ziet er vitaal uit met voor het habitattype typische stinzenplanten. Voor beide stukken geldt zijn er geen aanwijzingen zijn dat een teveel aan stikstof nu reeds voor significante schade aan het onderzoeksgebied zorgt. De minimale tijdelijke depositie zal aan dit beeld niets veranderen.
Rapport ecologische voortoets Maarten Kruytstraat, Noordwijk
R&O20012475/REI/rap1
21/22
Referentielijst Geraadpleegde rapporten en websites A: Bij 12 Natura 2000 Beheerplan Coepelduynen 2018-2024 B: LEESWIJZER bij Update effectenindicator Natura 2000 Onderwerp: aanpassing storende factoren vermesting en verzuring in verband met gegevens Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) Datum: mei 2014 Auteurs: Mirjam Broekmeyer, Fabrice Ottburg, Alex Schotman en Wieger Wamelink C: Handreiking kleine en tijdelijke deposities. Bouwstenen voor redeneerlijnen bij toestemmingsverlening voor tijdelijke projecten en activiteiten Datum: 2019 Auteur: Reinoud Kleijberg D: Natura 2000 | Definitief beheerplan | Coepelduynen In opdracht van: Ministerie van Economische Zaken Directie Natuur & Biodiversiteit Datum: Februari 2017 Dienst Landelijk Gebied (DLG)* Staatsbosbeheer (SBB) Auteurs: Renze Sleeking (DLG) Jackie Straathof (DLG) Jeroen Groenendijk (DLG) E: Gebiedsanalyse Coepelduynen (096) Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) Natura 2000 Datum: 15 december 2017 F: Natura 2000 gebieden rond de Amsterdamse haven, documentatie over de gevoeligheid van natuurgebieden voor stikstofdepositie Datum: 4 februari 2020 Auteur: Reinoud Kleijberg G: Bij12, Methodiek Veldbezoek Datum: 14 januari 2020 H: Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Factsheet Woningbouwplannen, stikstof en Natura 2000-gebieden Datum: 22-11-2019 I: Nationale databank flora en fauna Website: www.telmee.nl
J: Nederlandse oecologische flora, wilde planten en hun relaties I-V Datum: 2003 Auteurs: drs. E.J. Weeda, R. Westra, Ch. Westra en T. Westra L: www.bij12.nl Kennisdocument-Rugstreeppad Kennisdocument-Zandhagedis
Rapport ecologische voortoets Maarten Kruytstraat, Noordwijk
R&O20012475/REI/rap1
22/22