Bijlage 6 Quickscan Wet natuurbescherming
Tekst van het document
Quickscan Wet natuurbescherming Maarten Kruytstraat, Noordwijk
Rapport
Quickscan Wet natuurbescherming
Locatie Kenmerk Datum
: : :
Maarten Kruytstraat, Noordwijk 19021834/JGR/rap1 5 oktober 2020
Veldecoloog Vrijgave Email Telefoon
: : : :
dhr. J.T. Groeneveld Mevr. J. Weijers jweijers@idds.nl 06 – 3066 9764
Opdrachtgever
:
Hoorne Vastgoed Ontwikkeling Dhr. P. Bruinhard Loet 2 1911 BR Uitgeest
© IDDS b.v. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de uitgever.
Samenvatting In opdracht van Hoornes Vastgoed Ontwikkeling is op 23-09-2020 een ecologische quickscan uitgevoerd aan de Maarten Kruytstraat te Noordwijk. Deze samenvatting beschrijft de belangrijkste resultaten en conclusies van het onderzoek. Voor de volledigheid verwijzen wij u ook naar hoofdstuk 6 Conclusie en aanbevelingen. Soortbescherming Uit bureaustudie en biotooptoets komt naar voren dat binnen het plangebied geen beschermde soorten aanwezig zijn die door de ontwikkeling worden bedreigd. Uit bureaustudie en biotooptoets komt naar voren dat binnen de invloedsfeer van het plangebied meerdere geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig zijn. Deze blijven echter behouden tijdens en na uitvoering van de werkzaamheden. Om een negatief effect op gebouw bewonende vleermuizen tijdens de werkzaamheden te voorkomen dient er geen fel licht tussen zonsondergang en zonsopgang te worden geschenen in de richting van de omliggende bebouwing. Indien dit wordt nageleefd is nader onderzoek naar gebouw bewonende vleermuissoorten niet noodzakelijk.
Tabel 1: Overzicht van soorten waarvoor nader onderzoek nodig is of maatregelen voor genomen moet worden Soortgroep
Vleermuizen
Soort (wetenschappelijke soortnaam)
Nader onderzoek
Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)
Maatregelen
Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)
Maatregelen
Kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus)
Maatregelen
Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus)
Maatregelen
Laatvlieger (Eptesicus serotinus)
Maatregelen
Meervleermuis (Myotis dasycneme)
Maatregelen
Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op soorten. Deze Quickscan doet geen uitspraken over stikstofdepositie. Om zeker te zijn dat het planvoornemen geen stikstofdepositie veroorzaakt op (stikstofgevoelig) Natura 2000-gebied dient apart stikstofonderzoek uitgevoerd te worden.
Inhoudsopgave
1.1 1.2 1.3
Inleiding ........................................................................................................................ 5 Aanleiding ...................................................................................................................... 5 Doel van het onderzoek ................................................................................................. 5 Leeswijzer ...................................................................................................................... 5
2.1 2.2 2.3
Opzet van het onderzoek ............................................................................................ 6 Bureauonderzoek ........................................................................................................... 6 Veldonderzoek ............................................................................................................... 6 Effectenbeoordeling ....................................................................................................... 6
3.1 3.2
Beschrijving van het plangebied ................................................................................ 7 Algemene beschrijving van het plangebied ................................................................... 7 Ligging plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden .............................. 9 Bureauonderzoek ....................................................................................................... 11
5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7
Veldonderzoek ........................................................................................................... 12 Vogels .......................................................................................................................... 12 Vleermuizen ................................................................................................................. 12 Grondgebonden zoogdieren ........................................................................................ 14 Amfibieën en reptielen ................................................................................................. 14 Vissen .......................................................................................................................... 14 Overige fauna .............................................................................................................. 14 Flora ............................................................................................................................. 14
6.1 6.2
Conclusie en advies .................................................................................................. 15 Gebiedsbescherming ................................................................................................... 15 Soortbescherming ........................................................................................................ 15 Literatuur en bronvermelding ................................................................................... 17
Bijlage I Wet natuurbescherming ............................................................................................ 18 Bijlage II Aanbevelingen natuurvriendelijk bouwen ............................................................... 20
Inleiding 1.1
Aanleiding
Hoornes Vastgoed Ontwikkeling is voornemens het plangebied aan de Maarten Kruytstraat te Noordwijk, dat momenteel gebruikt wordt voor parkeergelegenheid, in te richten als supermarkt, parkeerkelder en appartementencomplex. Voorafgaand aan deze ruimtelijke ingreep dient onderzoek verricht te worden naar de aanwezigheid van beschermde gebieden, flora en fauna, om te voorkomen dat de Wet natuurbescherming wordt overtreden. In dat kader is door IDDS een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. Dit rapport presenteert de bevindingen van dat onderzoek.
1.2
Doel van het onderzoek
Het doel van de quickscan is te onderzoeken of: in het plangebied beschermde plant- en diersoorten kunnen voorkomen de ingreep mogelijk een effect heeft op deze beschermde soorten de ingreep mogelijk een effect heeft op beschermde natuurgebieden (Natura 2000 en NNN) het plangebied een belangrijke functie voor beschermde plant- en diersoorten kan vervullen (bijvoorbeeld als essentieel foerageergebied, vliegroute, nest- of verblijfplaats) op basis van bovenstaande bevindingen nader onderzoek nodig is
1.3
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt de opzet van het onderzoek toegelicht. Hoofdstuk 3 beschrijft de kenmerken van het plangebied en de ligging ten opzichte van beschermde natuurgebieden. Hoofdstukken 4 en 5 beschrijven de resultaten van het bureau- en veldonderzoek. In Hoodstuk 6 worden hieruit conclusies getrokken en advies gegeven, bijvoorbeeld ten aanzien van nader onderzoek. Een overzicht van de gebruikte literatuur staat in hoofdstuk 7. De belangrijkste (verbods)bepalingen uit de Wet natuurbescherming staan in bijlage I en bijlage II geeft een aantal aanbevelingen weer van natuur inclusief bouwen.
Opzet van het onderzoek 2.1
Bureauonderzoek
Door middel van bronnen- en literatuuronderzoek wordt onderzocht welke beschermde flora en fauna in de omgeving van het plangebied recent zijn waargenomen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van quickscanhulp dat op projectniveau de gegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna ontsluit. Daarnaast raadplegen we relevante verspreidingsatlassen en actuele websites. Ook brengen we de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden in kaart. Aan de hand van deze informatie maken we een inschatting of de betreffende soorten in het plangebied voor kunnen komen, gezien de habitatvoorkeur van de betreffende soorten. Ook maken we een inschatting of de voorgenomen ruimtelijke ingreep negatieve effecten heeft op de (potentieel) aanwezige beschermde soorten en gebiedsfuncties.
2.2
Veldonderzoek
Naast een bureaustudie wordt een biotooptoets uitgevoerd: een veldbezoek met als doel een inschatting te maken van de ecologische kwaliteiten van het plangebied. De bevindingen van het bronnen- en literatuuronderzoek worden in het veld getoetst en indien nodig aangevuld. Op het moment dat een biotooptoets wordt uitgevoerd, zijn niet alle soorten zichtbaar aanwezig. Diersoorten zijn bijvoorbeeld alleen nachtactief of in een bepaalde periode van het jaar afwezig. Daarom zijn de eisen die soorten/soortgroepen aan hun leefomgeving stellen met betrekking tot vaste rust- en verblijfplaatsen, voedselgebieden en migratierouten vergeleken en getoetst met de situatie in het veld. Op deze manier is ook het belang van het plangebied beoordeeld voor flora en fauna die niet zijn waargenomen gedurende de biotooptoets, maar desondanks toch kunnen voorkomen ter plaatse van het plangebied. De resultaten van de biotooptoets betreffen uitsluitend waarnemingen binnen het plangebied en de invloedsfeer van de werkzaamheden.
2.3
Effectenbeoordeling
Op basis van de veldkenmerken van het plangebied en de verspreiding van beschermde soorten, wordt beoordeeld voor welke beschermde soorten het plangebied van betekenis kan zijn. Bij deze toetsing wordt alleen gekeken naar de beschermde soorten uit de Wet natuurbescherming. Deze soorten hebben een Nederlandse of Europese bescherming en moeten worden getoetst op voorkomen en effect. Wanneer effecten optreden of verbodsbepalingen worden overtreden, dan zijn er mogelijk maatregelen nodig om de effecten te voorkomen, verzachten of te compenseren om te voldoen aan de Wet natuurbescherming. Algemene soorten worden dus niet meegenomen in deze toetsing. Deze soorten zijn zodanig algemeen in Nederland dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt door de meeste projecten. Bovendien geldt voor deze soorten een vrijstelling van de verbodsbepalingen zoals weergegeven in artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming. Wel geldt de zorgplicht op grond van artikel 1.11.
Beschrijving van het plangebied Onderstaand (figuur 1) is het onderzoeksgebied weergegeven in relatie tot de directe omgeving. Tabel twee geeft in aanvulling op figuur 1 een overzicht van de locatie en omvang van het plangebied. Het planvoornemen is de woning aan de Sint Jeroensweg 10 uit te bouwen. De Quickscan heeft betrekking op het gehele perceel.
Tabel 2: Gegevens plangebied Plaats
Noordwijk
Locatie
Maarten Kruytstraat
Perceel
NWK02-E-2719
Oppervlakte onderzoeksgebied
Ca 5.000 m2
3.1
Algemene beschrijving van het plangebied
Het plangebied is grotendeels bestraat met parkeergelegenheid (figuur 2). Binnen het plangebied is in beperkte mate groen aanwezig in de vorm van enkele plantsoenen (figuur 3). Het plangebied wordt omringd door bebouwing (figuur 2 en 3).
3.2
Ligging plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden
Op onderstaande kaart (figuur 4) is te zien dat het plangebied geen deel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland. Het gebied maakt eveneens geen onderdeel uit van een ander beschermd gebied, zoals Natura 2000, belangrijk weidevogelgebied of strategische reservering natuur. Het dichtstbijzijnde belangrijke weidevogelgebied ligt op 2,6km afstand van het plangebied. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op 300m afstand van het plangebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied zijn de Coepelduynen, dat ligt op 600m afstand van het plangebied.
In figuur 5 is een overzicht weergegeven van stikstof gevoelige habitattypen ten opzichte van het plangebied. Deze quickscan doet geen uitspraken over stikstofdepositie. Om zeker te zijn dat het planvoornemen geen stikstofdepositie veroorzaakt op (stikstofgevoelig) Natura 2000gebied dient apart stikstofonderzoek uitgevoerd te worden.
Bureauonderzoek Uit recente verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) blijkt dat in of nabij het plangebied (binnen een straal van 5 kilometer) diverse beschermde soorten zijn waargenomen. Afgaand op de te verwachten biotopen in het plangebied, is een selectie gemaakt van soorten die in het plangebied kunnen voorkomen. Deze beschermde soorten zijn weergegeven in onderstaande tabel.
Tabel 3: Verwachte beschermde flora- en faunasoorten in het projectgebied (Bron: NDFF) Soortgroep
Vogels waarvan het nest jaarrond beschermd is
Vleermuizen
Grondgebonden zoogdieren
Soort (wetenschappelijke soortnaam)
Afstand tot locatie [km]
Gierzwaluw (Apus apus)
0-1
Huismus (Passer domesticus)
0-1
Slechtvalk (Falco peregrinus)
0-1
Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)
0-1
Rosse vleermuis (Nyctalus noctula)
0-1
Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)
1-5
Kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus)
1-5
Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus)
1-5
Laatvlieger (Eptesicus serotinus)
1-5
Meervleermuis (Myotis dasycneme)
1-5
Watervleermuis (Myotis daubentonii)
1-5
Franjestaart (Myotis nattereri)
1-5
Geen beschermde soorten verwacht
-
Rugstreeppad (Epidalea calamita)
0-1
Zandhagedis (Lacerta agilis)
0-1
Overige fauna
Geen beschermde soorten verwacht
-
Flora
Geen beschermde soorten verwacht
-
Amfibieën en reptielen
Veldonderzoek Het veldonderzoek is op 23 september 2020 uitgevoerd door J.T. Groeneveld. In tabel 4 is een overzicht weergegeven van de weersomstandigheden tijdens het veldbezoek. Tabel 4: Weersomstandigheden tijdens veldbezoek van weerstation Voorschoten (bron: KNMI) Datum 23-09-2020
Temperatuur (℃) Min.
Max.
Overheersende windrichting (bft)
Bewolking
Neerslag (mm)
11,3
20,6
Z3
Vrijwel geheel bewolkt
0.0 mm
De in tabel 3 genoemde soorten kunnen op basis van verspreidingsgegevens voorkomen in het plangebied. Tijdens het veldbezoek is vervolgens nagegaan of het plangebied een functie vervult voor (onder andere) deze soorten. Deze bevindingen worden hieronder per soortgroep uiteengezet.
5.1
Vogels
Tijdens het veldbezoek zijn meerdere algemene vogelsoorten gehoord en gezien. Het plangebied heeft als broedlocatie geen functie voor algemene vogelsoorten. Soorten waarvan het nest jaarrond beschermd is, zijn binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden waargenomen. Het groen in de achtertuin van de Abraham van Royenstraat 40 werd door huismussen kortstondig gebruikt om in te zitten, niet veel later vlogen deze richting het oosten, vermoedelijk verblijven de mussen ergens ten oosten van het plangebied. Jaarrond beschermde nesten (of overblijfselen daarvan) zijn niet waargenomen. De waarnemingen van de slechtvalk in de omgeving komen hoogst waarschijnlijk van het broedgeval op de Nora zendmast. Er zijn geen hoge gebouwen binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden met geschikte nestgelegenheid, hiermee heeft het plangebied geen functie voor de slechtvalk. 5.2
Vleermuizen
Er bevinden zich geen opstallen in het plangebied, hiermee zijn verblijfplaatsen van gebouw bewonende vleermuizen in het plangebied uitgesloten. Binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden zijn echter meerdere opstallen die geschikte openingen hebben waar gebouw bewonende vleermuissoorten in kunnen verblijven. Zo is er ruimte tussen een gevel en het houtwerk tussen de kantpannen (figuur 6), is er ruimte bij nokpannen en zijn er op meerdere plekken gevels waar open stootvoegen toegang bieden tot de spouw (figuur 7). Bomen van voldoende dikte zijn binnen de invloedsfeer van het plangebied niet aanwezig, derhalve zijn deze ook niet onderzocht op holtes, ingerotte boomdelen, ingescheurde takken en loshangend schors. Als foerageergebied heeft het plangebied mogelijk een functie (niet essentieel) in verband met de aanwezigheid van groen. Lijnvormige elementen die als vliegroute voor vleermuizen kunnen dienen zijn binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden niet aanwezig.
5.3
Grondgebonden zoogdieren
Tijdens het veldbezoek zijn geen (beschermde) zoogdieren of sporen daarvan waargenomen. Ook zijn er geen geschikte openingen waargenomen die geschikt zijn als verblijfplaats voor beschermde zoogdieren. Volgens de verspreidingsgegevens deze ook niet voor binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. 5.4
Amfibieën en reptielen
Tijdens het veldbezoek zijn geen (beschermde) amfibieën en reptielen waargenomen. Volgens de verspreidingsgegevens komen de rugstreeppad en de zandhagedis binnen een kilometer van het plangebied voor. Deze waarnemingen komen hoogst waarschijnlijk uit de Coepelduynen en Hollands Duin. Het plangebied is volledig verhard en voldoet daarmee niet aan de habitatseisen van deze soorten. Ook liggen er tussen het plangebied en de gebieden waar de waarnemingen van afkomstig zijn meerdere drukke wegen. Plaatsen waar voortplantingswater kan ontstaan voor de rugstreeppad zijn ook niet aanwezig binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. 5.5
Vissen
Watergangen ontbreken binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden, hiermee is een negatief effect op (beschermde) vissen uitgesloten. De soortgroep is derhalve ook niet onderzocht. 5.6
Overige fauna
Volgens verspreidingsgegevens komen er geen overige beschermde diersoorten voor binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Overigens ontbreekt het in het plangebied aan de specifieke habitatseisen voor beschermde soorten ongewervelde diersoorten. 5.7
Flora
Volgens de verspreidingsgegevens komen beschermde soorten vaatplanten niet voor in het plangebied. Ook zijn deze niet aangetroffen tijdens het veldbezoek.
Conclusie en advies 6.1
Gebiedsbescherming
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op soorten. Deze Quickscan doet geen uitspraken over stikstofdepositie. Om zeker te zijn dat het planvoornemen geen stikstofdepositie veroorzaakt op (stikstofgevoelig) Natura 2000-gebied dient apart stikstofonderzoek uitgevoerd te worden.
6.2
Soortbescherming
Vogels Het groen rondom het plangebied heeft geen functie voor algemene broedvogels. De achtertuin van de Abraham van Royenstraat 40 dient als (niet essentieel) leefgebied voor huismussen die in de omgeving verblijven. Vermoedelijk verblijven deze mussen ten oosten van de Abraham van Royenstraat 40 (buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden). Nader onderzoek naar beschermde soorten vogels is niet noodzakelijk. Voor algemene vogels geldt de zorgplicht. Vleermuizen De opstallen in het plangebied beschikken over meerdere geschikte openingen waarin vleermuizen kunnen verblijven. Deze blijven echter behouden tijdens en na uitvoering van de werkzaamheden. Om een negatief effect op gebouw bewonende vleermuizen tijdens de werkzaamheden te voorkomen dient er geen fel licht tussen zonsondergang en zonsopgang te worden geschenen in de richting van de omliggende bebouwing. Indien deze maatregelen nageleefd wordt is nader onderzoek naar gebouw bewonende vleermuissoorten niet noodzakelijk. Geschikte openingen in de bomen rondom het plangebied zijn niet gevonden, hiermee kunnen verblijfplaatsen van boom bewonende vleermuissoorten worden uitgesloten. Niet essentieel foerageergebied is in het plangebied mogelijk aanwezig. Vanwege het ontbreken van een lijnelement zijn vliegroutes van vleermuizen uitgesloten.
Nader onderzoek naar boom bewonende vleermuissoorten, foerageergebied of vliegroutes is niet noodzakelijk. Grondgebonden zoogdieren Volgens de verspreidingsgegevens komen geen beschermde zoogdieren voor in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Tijdens het veldbezoek zijn ook geen (beschermde) zoogdieren, sporen daarvan of mogelijke verblijfplaatsen waargenomen. Hiermee is een negatief effect op beschermde grondgebonden zoogdieren uitgesloten. De zorgplicht voor grondgebonden zoogdieren is uiteraard wel van toepassing. Amfibieën en reptielen Binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden zijn geen geschikte plekken die kunnen dienen als leefgebied voor de rugstreeppad en zandhagedis. Mogelijk ontstaat er tijdens de werkzaamheden vergraafbaar zand wat kan dienen als geschikt leefgebied voor de rugstreeppad. Echter zijn de Coepelduynen en Hollands Duin waar deze soorten waarschijnlijk zijn waargenomen vele malen geschikter leefgebied en moet deze soorten meerdere drukke wegen trotseren om het plangebied te kunnen betreden. Dit maakt het zeer onwaarschijnlijk dat de rugstreeppad en de zandhagedis in gebruik zullen nemen tijdens het mogelijk ontstaan van
vergraafbaar zand tijdens de werkzaamheden. Ook worden algemene amfibieën en reptielen niet verwacht in het plangebied. Vissen Met (beschermde soorten) vissen hoeft op grond van biotoop en verspreidingsgegevens geen rekening gehouden te worden. Overige fauna Met beschermde ongewervelde diersoorten hoeft op grond van biotoop geen rekening gehouden te worden. Voor algemene overige diersoorten geldt de zorgplicht. Flora Met beschermde flora hoeft op grond van verspreidingsgegevens en waarnemingen tijdens het veldbezoek geen rekening gehouden te worden. Nader onderzoek Naar aanleiding van de uitgevoerde quickscan kunnen een aantal soorten die volgens verspreidingsgegevens voor kunnen komen in het plangebied uitgesloten worden. Voor een aantal soorten geldt dat er maatregelen genomen moet worden om een negatief effect te voorkomen. Een overzicht hiervan is weergegeven in tabel 5. Tabel 5: Overzicht van de onderzochte soortgroepen en onderzoeksresultaten Soortgroep
Soort (wetenschappelijke soortnaam)
Nader onderzoek
Gierzwaluw (Apus apus)
Nee
Huismus (Passer domesticus)
Nee
Slechtvalk (Falco peregrinus)
Nee
Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)
Maatregelen
Rosse vleermuis (Nyctalus noctula)
Nee
Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)
Maatregelen
Kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus)
Maatregelen
Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus)
Maatregelen
Laatvlieger (Eptesicus serotinus)
Maatregelen
Meervleermuis (Myotis dasycneme)
Maatregelen
Watervleermuis (Myotis daubentonii)
Nee
Franjestaart (Myotis nattereri)
Nee
Geen beschermde soorten verwacht
Nee
Rugstreeppad (Epidalea calamita)
Nee
Zandhagedis (Lacerta agilis)
Nee
Overige fauna
Geen beschermde soorten verwacht
Nee
Flora
Geen beschermde soorten verwacht
Nee
Vogels waarvan het nest jaarrond beschermd is
Vleermuizen
Grondgebonden zoogdieren Amfibieën en reptielen
Literatuur en bronvermelding Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocumenten Soorten - Natuurbescherming, versie 1.0, 1 juli 2017, BIJ12, Utrecht Bijlsma, R.G., 2015. Handleiding veldonderzoek roofvogels. KNNV Uitgeverij, Zeist. Broekhuizen, S. e.a., 2016. Atlas van de Nederlandse Zoogdieren. Diets, C., Kiefer, A, 2017. Veldgids Vleermuizen van Europa. KNNV Uitgeverij, Zeist.
Internetbronnen www.quickscanhulp.nl www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/soortinventarisatieprotocollen www.ravon.nl www.sovon.nl www.floron.nl www.telmee.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vlinderstichting.nl www.zoogdiervereniging.nl www.bij12.nl www.calculator.aerius.nl www.waarneming.nl
Bijlage I
Wet natuurbescherming
Wet natuurbescherming, onderdeel soorten Voor soortenbescherming geldt voor deze wet dat deze gericht is op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van deze soorten. De wet maakt hiervoor een programmatische aanpak mogelijk. Binnen deze wet wordt de soortbescherming opgedeeld in drie categorieën: 1. De bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogels van soorten die voorkomen in de EU als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten (art. 3.1 – 3.4). 2. De bescherming van in het wild levende dieren en planten van soorten die voorkomen in de EU op grond van de Habitatrichtlijn (bijlagen I, II, IV, V) en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5 - 3.9). 3. De bescherming van niet onder de bovenstaande twee categorieën vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland, vermeld in de bijlage van de Wet natuurbescherming (art. 3.10 - 3.11). Voor de zoogdier- amfibie- en reptielsoorten opgenomen in deze bijlage geldt geen Europese verplichting tot bescherming. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren een bescherming behoeven. De andere in de bijlage opgenomen soorten worden om ecologische redenen beschermd.
Hiermee geeft Nederland uitvoering aan de algemene verplichting van het Biodiversiteitsverdrag om kwetsbare en bedreigde dier- en plantsoorten te beschermen. Verbodsbepalingen: Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Uitbreiding verbodsbepalingen en mogelijkheid tot ontheffing of vrijstelling: Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a.
in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen,
af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. t/m h. (niet van toepassing, zie wettekst). 3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Verordening vrijstelling soorten provincie Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland acht het wenselijk vrijstellingen te verlenen van verboden ter bescherming van soorten dieren op grond van de Wet natuurbescherming voor de volgende diersoorten: Aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Bovenstaande soorten zijn derhalve niet beschermd bij de voorgenomen werkzaamheden.
Voor bovengenoemde soorten blijft de zorgplicht echter van kracht.
Bijlage II
Aanbevelingen natuurvriendelijk bouwen
Naast de consequenties die voortkomen uit de Wet natuurbescherming geven wij in relatie tot de voorgenomen ontwikkelingen de volgende aanbevelingen met als doel de ecologische structuren in de omgeving te versterken. Vleermuizen Nieuwbouw Spouwmuren zijn uitermate geschikt voor vleermuizen. Geschikte permanente verblijfplaatsen kunnen worden gecreëerd door bij de nieuwbouw een spouwmuur te realiseren van ten minste 2 centimeter diep. Invliegopeningen in de vorm van open stootvoegen van 1,5 tot 2 cm breed geven dwergvleermuizen toegang tot de spouwmuur. Laatvliegers hebben wat meer ruimte nodig om in te vliegen, namelijk tussen de 1,8 en 2 centimeter. Bij het gebruik van isolatie aan de binnengevel is het noodzakelijk ervoor te zorgen dat er kunststof gaas wordt aangebracht met een maaswijdte van 3 tot 10 millimeter om vleermuizen de mogelijkheid te bieden te zich vast te klampen. De stootvoegen moeten zich op ten minste 3 meter hoogte bevinden en niet boven ramen of deuren geplaatst. Als het niet gewenst is dat vleermuizen zich vrij door de spouwmuur bewegen, is het inmetselen van vleermuisstenen een goed alternatief. De ruimte in een inmetselsteen is beperkt. Het is dan ook raadzaam inmetselstenen te koppelen zodat een grotere verblijfplaats ontstaat.
Renovatie Als een bestaande spouwmuur wordt geïsoleerd blijft er vaak te weinig ruimte over om nog te kunnen functioneren als potentiele verblijfplaats voor vleermuizen. Het is dan nog wel mogelijk inmetselstenen aan te brengen tussen het binnen- en buitenblad van de spouwmuur.
Boeiboorden of gevelbetimmering kan ook een verblijfplaats bieden aan vleermuizen. Door een opening van 2,5 centimeter vrij te houden tussen de gevel en de betimmering wordt een potentiele verblijfplaats gerealiseerd. Het is belangrijk dat de vleermuizen grip hebben, dus de wand moet ruw zijn.
Gierzwaluw Voor gierzwaluwen kan onder andere gebruik gemaakt worden van inmetselkasten in de gevel en nestpannen op het dak. De neststenen kunnen zowel zichtbaar als onzichtbaar in de gevel worden verwerkt.
Bij het aanbrengen van neststenen in de gevel is het van belang rekening te houden met de mate van opwarming van de neststenen. De neststenen moeten bij voorkeur in noordelijk of oostelijk gerichte gevels worden aangebracht of onder de schaduw van een overstek. Ook in nestpannen op het dak kan de temperatuur snel oplopen. Deze moeten onder geen beding op zuidelijk of westelijk gerichte daken worden gelegd. De kans is groot dat de jongen dit niet overleven. Zeker als de daken zijn geïsoleerd, kan warmte niet meer ontsnappen en is oververhitting een reëel gevaar. Gaten in overstekken en dakgootomlijstingen bieden goede mogelijkheden voor gierzwaluwen om te nestelen. De temperatuur is dit soort betimmeringen is beter gereguleerd en het is goed aan te vliegen door de soort.
Huismus Voor huismussen kan heel gemakkelijk nestruimte worden gerealiseerd door het (ver)plaatsen van vogelschroot tot onder de derde rij dakpannen. Op deze manier wordt voldaan aan het Bouwbesluit, maar blijft het dak beschikbaar voor de huismus. Bij huismussen moet rekening worden gehouden met de eisen die de soort stelt aan zijn omgeving. Om te kunnen functioneren als broedlocatie moet op zeer korte afstand voldoende dekking en voedsel aanwezig in de vorm van inheemse bomen en planten. Soorten als liguster, lijsterbes, sleedoorn, meidoorn en vlier zijn hier heel geschikt voor. Insectenhotels Door insectenhotels te plaatsen in een voedselrijke omgeving met veel inheemse bloemen kunnen insecten worden gelokt. Het is van belang om goed te letten op de grootte en diepte van het insectenhotel en deze te plaatsen op een zonnige plek om deze succesvol te laten zijn. Een insectenhotel kan de diversiteit lokaal vergroten en de insecten vormen een goede voedselbron voor vogels en vleermuizen. Checklist groen bouwen Verstedelijking draagt bij aan het verlies van biodiversiteit, maar de bouw biedt ook kansen. Voor sommige dieren zijn onze steden en dorpen zelfs het belangrijkste leefgebied. Daar kan iedereen een steentje aan bijdragen. Met de Checklist Groen Bouwen kan iedere bouwonderneming, architect of projectontwikkelaar zijn projecten en ontwerpen natuurvriendelijker maken.
Het beantwoorden van enkele simpele ja/nee vragen leidt tot eenvoudige soortbeschermingsmaatregelen. Kijk voor meer informatie op: www.checklistgroenbouwen.nl www.bouwnatuurinclusief.nl