CConstaterende datNoordwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage_4a._Archeologisch_onderzoek_Douzastraat 2

Gemeenteraadsvergadering 25 april 2024, gemeente NoordwijkBij agendapunt: Ontwerpverklaring van geen bedenkingen en ontwerp-omgevingsvergunning bouw twee woningen Douzastraat 2 te Noordwijk9.696 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Archeologisch bureauonderzoek & Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase

Douzastraat 2, Noordwijk Gemeente Noordwijk IDDS Archeologie rapport 2641

Colofon Projectnummer OM-nummer In opdracht van Auteurs Redactie Versie Status

A1200-01 5122678100 dhr. M. Zwart A.W.E. Wilbers / J. Irving S. Moerman 1.3 eindversie

Goedkeuring dhr. R.J.N. Daniels

Gemeente Noordwijk

© IDDS Archeologie Noordwijk, augustus 2023 ISSN 2212-9650 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever

IDDS Archeologie rapport 2641 Versie 1.3 (eindversie)

SAMENVATTING: In opdracht van dhr. M. Zwart heeft IDDS Archeologie in november 2021 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO), verkennende fase, uitgevoerd aan de Douzastraat 2 in Noordwijk, gemeente Noordwijk. De noodzaak tot het archeologisch onderzoek komt voort uit het bestemmingsplan. De doelstelling van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en zo nodig aanvullen van de gespecificeerde verwachting. Omdat het plangebied ligt op een strandwal geldt voor het plangebied een hoge archeologische verwachtingswaarde voor resten vanaf het Laat Neolithicum. Vanwege archeologische onderzoeken in de omgeving is de verwachting het grootst voor archeologische resten uit de IJzertijd-Romeinse tijd en uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Deze resten zijn te verwachten vanaf het maaiveld tot in de top van het onverstoorde strandwalzand op een diepte van ongeveer 1,2 m -mv ofwel ongeveer 0,8 m NAP. De archeologische resten die reeds zijn aangetroffen in de omgeving van het plangebied bestaan uit grondsporen van voornamelijk kuilen en vondsten van aardewerk, bot en houtskool. Waarschijnlijk zullen de resten uit de IJzertijd-Romeinse tijd gerelateerd zijn aan bewoning.

De archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd zullen gerelateerd zijn aan het erf achter de bebouwing die langs de Douzastraat voorkwam. Vermoedelijk betreft dit o.a. waterputten, afvalkuilen of funderingsresten van bijgebouwen. Het veldonderzoek onderschrijft de specifieke archeologische verwachting uit het bureauonderzoek, maar op basis van het veldonderzoek kunnen de verwachtingen op verschillende niveaus verder worden gespecificeerd. Het plangebied heeft een hoge archeologische verwachting vanaf het maaiveld tot een diepte van 2,1 m -mv ofwel -0,1 m NAP. Daarbij worden tussen het maaiveld en een diepte van 1,1 m mv ofwel 0,9 m NAP (dit is het ophoogpakket) voornamelijk archeologische resten verwacht die dateren uit de periode 17e tot en met de 20e eeuw. Het betreft waarschijnlijk resten van (bij)gebouwen en een boerenerf, die bestaan uit funderingen, waterputten, afvalkuilen en dergelijke en vondsten zoals aardewerk, metaal, bot, glas, bouwmaterialen en dergelijke.

Tussen ongeveer 1,1 m -mv (0,9 m NAP) en 1,6 m -mv (0,5 m NAP), dit is de oude bouwvoor, worden voornamelijk archeologische resten verwacht uit de periode Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd (17e eeuw), maar hier kunnen ook oudere archeologische resten aanwezig zijn, indien de ontginning van de strandwal eerder dan de Late Middeleeuwen plaatsvond, of jongere, indien deze dieper zijn ingegraven vanaf het maaiveld. De resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd zullen waarschijnlijk vooral gerelateerd zijn aan de landbouw, alhoewel bewoning niet kan worden uitgesloten omdat het ook onderdeel kan zijn geweest van een erf. Het gaat waarschijnlijk om resten van sloten, greppels, waterputten of -kuilen, afvalkuilen, resten van houtbouw en dergelijke, en de vondsten zullen bestaan uit aardewerk, bot, metaal, glas en dergelijke. In de top van het niet humeuze strandwalzand, op ongeveer 1,6 m -mv ofwel 0,5 m NAP, worden vooral archeologische sporen verwacht uit de periode IJzertijd-Romeinse tijd. Hier kunnen ook oudere sporen en resten aanwezig zijn uit het Laat Neolithicum of de Bronstijd, of jongere sporen uit de Vroege en Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd, vooral daar waar deze sporen diep zijn ingegraven.

Uit de periode IJzertijd en Romeinse tijd kan het gaan om archeologische waarden van landbouw, bewoning, begraving en dergelijke, met sporen van sloten, greppels, kuilen, waterputten en -kuilen, paalkuilen en dergelijke. Op dit niveau kunnen vondsten voorkomen van bewerkt vuursteen, aardewerk, metaal en dergelijke. Bot, hout en andere organische materialen zijn minder waarschijnlijk omdat de conserveringsomstandigheden in het strandwalzand slecht zijn. Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek adviseert IDDS Archeologie om vervolgonderzoek uit te laten voeren voor alle werkzaamheden waarbij gegraven wordt dieper dan 50

IDDS Archeologie rapport 2641 Versie 1.3 (eindversie)

cm -mv1. Dit advies geldt ook bij sloopwerkzaamheden waarbij funderingen verwijderd worden die dieper reiken dan 50 cm -mv. Gezien de kleine omvang van het plangebied, de geplande sloopwerkzaamheden en de onzekerheid van de diepte van de nieuwbouw adviseert IDDS Archeologie om zowel de sloopwerkzaamheden van de bestaande funderingen, als het graafwerk voor de nieuwe funderingen archeologisch te begeleiden.

1

Op basis van het archeologische beleid in het bestemmingsplan worden de resten in de bovenste 50 cm buiten beschouwing gelaten.

IDDS Archeologie rapport 2641 Versie 1.3 (eindversie)

INHOUDSOPGAVE: ADMINISTRATIEVE GEGEVENS VAN HET PLANGEBIED ................................................................. 5 1. INLEIDING ....................................................................................................................................... 6 1.1. Onderzoekskader ......................................................................................................................... 6 1.2. Doel- en vraagstellingen van het onderzoek ................................................................................ 6 1.3. Ligging van het plangebied ........................................................................................................... 7 2. BUREAUONDERZOEK ................................................................................................................... 8 2.1. Werkwijze ..................................................................................................................................... 8 2.2. Geologie, geomorfologie en bodem ............................................................................................. 9 2.3. Archeologische en ondergrondse bouwhistorische waarden ..................................................... 13 2.4. Historische situatie en mogelijke verstoringen ........................................................................... 15 2.5.

Huidig landgebruik en mogelijke verstoringen ............................................................................ 17 2.6. Gespecificeerd verwachtingsmodel ............................................................................................ 17 3. VELDONDERZOEK ....................................................................................................................... 19 3.1. Onderzoekshypothese en onderzoeksopzet .............................................................................. 19 3.2. Werkwijze ................................................................................................................................... 19 3.3. Resultaten ................................................................................................................................... 19 3.4. Interpretatie ................................................................................................................................. 20 4. CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN ............................................................................................ 22 4.1. Aanbevelingen ............................................................................................................................ 23 LITERATUUR EN KAARTEN ...............................................................................................................

25 LIJST VAN AFKORTINGEN EN BEGRIPPEN .................................................................................... 27 BIJLAGEN 1. Topografische kaart 2. Archis-informatie 3. Boorlocatie- en vondstenkaart 4. Boorbeschrijvingen 5. Periodentabel 6. Vondstenlijst

IDDS Archeologie rapport 2641 Versie 1.3 (eindversie)

Administratieve gegevens van het plangebied Toponiem

Douzastraat 2

Onderzoekmeldingsnummer

5122678100

Plaats

Noordwijk

Gemeente

Noordwijk

Kadastrale aanduiding

Noordwijk F 6544

Provincie

Zuid-Holland

Coördinaten Centrum Hoekpunten

90.687 / 471.996 90.689 / 472.011 (N) 90.697 / 472.006 (O) 90.691 / 471.980 (Z) 90.675 / 471.995 (W)

CMA/AMK-status

Geen

Archis-monumentnummer

n.v.t.

Oppervlakte plangebied

330 m2

Maaiveldhoogte

2,0 m NAP

Grondwatertrap/-stand

2 m -mv

Onderzoekskader

Omgevingsvergunning

Uitvoerder

IDDS Archeologie Contactpersoon: dhr. A.W.E. Wilbers Postbus 126 2200 AC Noordwijk (ZH) Tel: 071-4028586 E-mail: awilbers@idds.nl

Bevoegde overheid

Gemeente Noordwijk Ruimtelijk Beleid en Regie Contactpersoon: dhr. R.J.N. Daniels Postbus 298 2200 AG Noordwijk Tel: 06-38679191 E-mail: r.daniels@noordwijk.nl

Adviseur van de bevoegde overheid

Erfgoed Leiden e.o. Contactpersoon: mevr. dr. C. Brandenburgh Postbus 16113 2301 GC Leiden Tel: 071-5167959 E-mail: c.brandenburgh@leiden.nl

Beheer en plaats van documentatie en vondsten

Provinciaal Depot voor Bodemvondsten Zuid-Holland Kalkovenweg 23 2401 LJ Alphen aan den Rijn

Uitvoeringsdatum veldwerk

12 oktober 2021

5

IDDS Archeologie rapport 2641 Versie 1.3 (eindversie)

1.

Inleiding

1.1.

Onderzoekskader

In opdracht van dhr. M. Zwart heeft IDDS Archeologie in november 2021 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO), verkennende fase, uitgevoerd aan de Douzastraat 2 in Noordwijk, gemeente Noordwijk. De aanleiding voor dit onderzoek is de geplande sloop van de bestaande gebouwen binnen het perceel en de bouw van twee nieuwe woningen. Vooralsnog zijn bij deze woningen geen kelders voorzien en zullen de woningen op staal gefundeerd worden. De diepte van de bodemverstoring die door de sloop en de nieuwbouw optreedt is waarschijnlijk ongeveer 0,8 m -mv. Omdat echter geen duidelijke tekeningen beschikbaar zijn van de graafwerkzaamheden of de funderingswijze wordt in dit onderzoek uitgegaan van een maximale verstoringsdiepte van ongeveer 2,0 m -mv. De kans bestaat dat eventueel aanwezige archeologische waarden door de werkzaamheden verstoord dan wel vernietigd zullen worden. Op het vigerende bestemmingsplan (Noordwijk Binnen, vastgesteld 2103) ligt het plangebied in een zone met Waarde – Archeologie – 1. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij werkzaamheden dieper dan 50 cm -mv. Deze vrijstellingsgrenzen worden met de geplande nieuwbouw overschreden. 1.2.

Doel- en vraagstellingen van het onderzoek

De doelstelling van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Dit gebeurt aan de hand van bestaande bronnen over bekende en verwachte archeologische waarden binnen het plangebied. Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en zo nodig aanvullen van de gespecificeerde verwachting. Daarnaast wordt inzicht verkregen in de vormeenheden van het landschap in het plangebied, voor zover deze vormeenheden van invloed kunnen zijn geweest op de bruikbaarheid van de locatie door de mens in het verleden. Op basis van de resultaten van het onderzoek kunnen kansarme zones van het plangebied worden uitgesloten en kansrijke zones worden geselecteerd voor behoud of voor vervolgonderzoek. Om deze doelstelling te kunnen realiseren, wordt op de volgende vragen een antwoord gegeven: • • • • •

•

Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de locatie? Hoe is de bodemopbouw in het plangebied en in welke mate is deze nog als intact te beschouwen? Bevinden zich archeologisch relevante afzettingen in het plangebied? Zo ja, op welke diepte ten opzichte van het maaiveld en het NAP? Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied en wordt deze bij het veldonderzoek bevestigd? Hoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, kunnen er toch archeologische indicatoren worden aangetroffen. Indien deze worden aangetroffen, dan gelden tevens de volgende vragen: wat is de verticale en horizontale ligging van de aangetroffen indicatoren, wat is de datering en wat is de invloed van deze vondsten op de archeologische verwachting van het plangebied? In hoeverre worden eventueel aanwezige archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen bodemverstorende werkzaamheden?

Het archeologisch bureauonderzoek en het inventariserend veldonderzoek zijn uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1 (Centraal College van Deskundigen 2018) en het door de gemeente goedgekeurde Plan van Aanpak (PvA; Irving / Wilbers 2021). Voor de in dit rapport gebruikte geologische en archeologische tijdsaanduidingen wordt verwezen naar Bijlage 5. Afkortingen en enkele vaktermen worden achterin dit rapport uitgelegd (zie lijst van afkortingen en begrippen).

6

IDDS Archeologie rapport 2641 Versie 1.3 (eindversie)

1.3.

Ligging van het plangebied

De ligging van het (her) in te richten gebied, ofwel het plangebied, is weergegeven in Bijlage 1. Het plangebied ligt in het centrum van Noordwijk-Binnen aan de Douzastraat, bij het kruispunt met de Voorstraat. Het betreft het perceel Noordwijk F6544 met als adres Douzastraat 2. Het plangebied wordt aan de zuidzijde begrensd door de Douzastraat en aan de andere zijden door voornamelijk gebouwen op belendende percelen aan de Douzastraat en de Voorstraat. Het plangebied heeft een oppervlakte van ongeveer 330 m2 en een gemiddelde maaiveldhoogte van ongeveer 2,0 m NAP. De exacte ligging en contouren van het plangebied zijn nader weergegeven in Bijlage 3 en Figuur 1. Om tot een gespecificeerde verwachting voor het plangebied te komen, is niet alleen gekeken naar bekende gegevens over het plangebied zelf maar ook naar de omgeving. Voor het totale onderzochte gebied, oftewel het onderzoeksgebied, is als begrenzing een straal van 200 m rondom het plangebied gekozen. De straal van 200 m is dusdanig gekozen dat alleen onderzoeken binnen de historische kern van Noordwijk-Binnen worden meegenomen.

Figuur 1: Het plangebied op een recente luchtfoto (bron: PDOK.nl).

7

IDDS Archeologie rapport 2641 Versie 1.3 (eindversie)

2.

Bureauonderzoek

2.1.

Werkwijze

Bij het bureauonderzoek zijn gegevens verzameld over bekende of verwachte archeologische en bouwhistorische waarden binnen het onderzoeksgebied. Onderstaande bronnen zijn geraadpleegd: Bron

Opmerkingen

Huidige en toekomstige situatie Actuele topografische kaart Recente luchtfoto (PDOK) Opdrachtgever KLIC (Rijks)monumenten (via Archis)

Geen (Rijks)monumenten aanwezig

Historische situatie en mogelijke verstoringen Kaart van het Hoogheemraadschap van Rijnland uit 1615 (www.rijnland.net) Kadastraal minuutplan 1811-1832 (beeldbank.cultureelerfgoed.nl; hisgis.nl) Diverse topografische kaarten uit het einde van de 19e en de 20e eeuw (topotijdreis.nl) Bouw-/constructietekeningen van de te slopen bouwwerken Bodemloket (www.bodemloket.nl) voor informatie over tanks, saneringen, ontgrondingen Milieukundig bodemonderzoek

is gelijktijdig met dit onderzoek uitgevoerd

Militair erfgoed Militaire landschapskaart (rce.webgispublisher.nl) Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (ikme.nl) Archeologie en bouwhistorie Archeologisch Informatie Systeem (Archis; archis.cultureelerfgoed.nl) Archeologische Monumenten Kaart (AMK; via Archis) Verwachtingskaart van de gemeente Noordwijk (Brandenburgh 2020) Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie ZuidHolland Bodemkaarten, geomorfologische kaarten en hoogtekaarten Geologische kaart van Nederland (TNO-NITG 2010) Bodemkaart van Nederland (BRO; via Archis) Grondwatertrappenkaart (maps.bodemdata.nl) Geomorfologische kaart van Nederland (BRO; via Archis) Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN4; www.ahn.nl) DINOloket (www.dinoloket.nl) Archieven, heemkundekringen, amateurarcheologen, overige informatie Archieven Amateurarcheologen, gebiedsgerichte specialisten, depots

Niet geraadpleegd

Onderzoeksrapporten en achtergrondliteratuur

Zie literatuurlijst

8

IDDS Archeologie rapport 2641 Versie 1.3 (eindversie)

2.2.

Geologie, geomorfologie en bodem

2.2.1. Ontstaansgeschiedenis landschap Het plangebied is gelegen in het Hollands duingebied. Dit duingebied omvat het huidige strand, alle strandwallen, -vlakten en de duinen die aan de oostzijde van het strand voorkomen in Noord- en ZuidHolland (Berendsen 2005). Aan de zeezijde komen de buitenduinen voor, die ook wel de jonge duinen worden genoemd. Verder landinwaarts liggen de lagere en minder reliëfrijke oude duinen. Het ontstaan van het duingebied, schematisch weergegeven in Figuur 2, is sterk gerelateerd aan de zeespiegelstijging gedurende het Holoceen (vanaf circa 9500 voor Chr.). Tijdens een periode van relatief snelle zeespiegelstijging die tot circa 4500-4000 voor Chr. duurde, bestond de kust van Nederland uit een uitgebreid waddengebied met zandbanken en -platen die gescheiden werden door grote getijdegeulen. Dit waddengebied werd gedeeltelijk afgeschermd van de open zee door een reeks eilanden. Deze eilanden en het waddengebied werden als gevolg van de alsmaar stijgende zeespiegel geleidelijk omgewerkt en steeds verder naar het oosten verplaatst (Figuur 2a en Figuur 2b). Vanaf 4500-4000 voor Chr. nam de stijging van de zeespiegelstand sterk af en kwam de oostwaartse verplaatsing van de eilanden tot stilstand.

Vanuit de Noordzee en de grote rivieren werden grote hoeveelheden zand aangevoerd, waardoor de getijdengeulen geleidelijk verzandden en de reeks eilanden aan elkaar groeide tot een strandwal. Achter de strandwallen had grootschalige veenvorming plaats, waarbij het Hollandveen Laagpakket werd gevormd (de Mulder et al. 2003). Tot ongeveer 0-100 na Chr. bleef de grote aanvoer van zand in stand, waardoor de kustlijn steeds verder westwaarts uitbreidde (Figuur 2c). Bij die uitbreiding werden afwisselend strandvlaktes en strandwallen gevormd. Strandvlakten werden gevormd gedurende perioden (van tientallen tot honderden jaren) met gemiddeld een kleiner aantal of minder hevige stormen. Het strand werd langzaam breder en op de hogere delen die alleen tijdens springvloed en zware storm onder water stonden, kon zich vegetatie (gras en struiken) vestigen en vormden zich kleine solitaire duinen. In perioden met meer en/of hevigere stormen werd het door de zee aangevoerde zand boven de vloedlijn op het strand hoog opgeworpen in een rug, een strandwal. Deze strandwallen sloten de strandvlakten af voor overstromingen door de zee. Op de strandwallen kwam nauwelijks begroeiing voor waardoor de wind vrij spel had. Door verstuivingen konden er bovenop de strandwallen (oude) duinen ontstaan (van der Valk 1996).

Door de voortgaande zeespiegelstijging lagen de strandwallen in westelijke richting steeds hoger ten opzichte van NAP dan oudere strandwallen. Ook het grondwaterniveau steeg als gevolg van de zeespiegelstijging, waardoor de strandvlaktes (de gebieden tussen de strandwallen) natter werden en er veenvorming kon optreden. Vanaf ongeveer 200-300 na Chr. nam de snelheid van de zeespiegelstijging nog verder af, werd er minder zand aangevoerd uit de Noordzee en werden verschillende riviermondingen inactief. Door golfwerking en in mindere mate het getij werden een deel van de strandwallen en de buiten de kustlijn uitstekende delta’s van de Maas, Rijn en Oude Rijn geërodeerd (Figuur 2d). Het bij deze erosie vrijkomende zand werd door de wind opgeblazen in een brede zone met jonge duinen die voor een groot deel de oudere strandwallen en strandvlaktes bedekken.

9

IDDS Archeologie rapport 2641 Versie 1.3 (eindversie)

Figuur 2: Verband tussen de zeespiegelstijging en de vorming en ligging van strandwallen en duinen voor de Hollandse kust (Berendsen 2005). De verschillende geologische formaties in de figuur zijn terug te vinden in De Mulder et al. 2003.

10

IDDS Archeologie rapport 2641 Versie 1.3 (eindversie)

2.2.2. Geomorfologie Op de geomorfologische kaart ligt het plangebied binnen bebouwd gebied, waardoor geen geomorfologische eenheid is aangegeven. Op basis van de omliggende geomorfologische eenheden ligt het plangebied vermoedelijk op een strandwal (kaartcode 3K28; Figuur 3). Op basis van landschappelijke reconstructies van de strandwallen langs de Hollandse kust zou deze strandwal ontstaan zijn tussen 2250-1950 voor Chr. (Van der Valk 1996, Vos et al. 2018; Figuur 4). Op het Actueel Hoogebestand Nederland (AHN) is de strandwal alleen nog als lokale verhogingen zichtbaar (Figuur 5).

Figuur 3. Het plangebied op de geomorfologische kaart (bron: PDOK).

11

IDDS Archeologie rapport 2641 Versie 1.3 (eindversie)

Figuur 4. De ligging van het plangebied op de strandwal (bron: Van Dalen et al. 2008., Vos/ Rieffe/ Bulten 2007)

Figuur 5. Het plangebied op het AHN4 (bron: AHN.nl).

12

IDDS Archeologie rapport 2641 Versie 1.3 (eindversie)

2.2.3. Bodem Op de bodemkaart ligt het plangebied binnen bebouwd gebied, waardoor geen bodemkundige eenheid is aangegeven. Op basis van de ligging in de historische kern, worden antropogene gronden verwacht. De gronden in de omgeving zijn allemaal het resultaat van bollenteelt, en die heeft in het plangebied niet plaatsgevonden.

Figuur 6. Het plangebied op de bodemkaart (bron: PDOK). 2.3.

Archeologische en ondergrondse bouwhistorische waarden

Binnen het plangebied zijn geen terreinen aanwezig die op de Archeologische Monumentenkaart (AMK) als waardevol staan aangegeven. Ook zijn er geen waarnemingen en vondsten gemeld en geen eerdere onderzoeken uitgevoerd. In het plangebied zijn ondergrondse bouwhistorische waarden aanwezig in de vorm van de funderingen van de bestaande gebouwen, die rond 1900 zijn gebouwd (zie hieronder). Op de archeologische verwachtings- en beleidskaarten van de gemeente Noordwijk ligt het plangebied in een zone met een hoge verwachting op archeologische resten vanaf het Neolithicum vanwege de ligging op duinen en strandwallen (Figuur 7). Daarnaast ligt het plangebied binnen de historische kern van Noordwijk.

13

IDDS Archeologie rapport 2641 Versie 1.3 (eindversie)

Figuur 7. Het plangebied op de gemeentelijke verwachtingenkaart. Het plangebied ligt op de verwachtingenkaart in een zone met duinen en strandwallen met een hoge archeologische verwachting vanaf het Neolithicum (roze). Uit de omgeving van het plangebied (binnen de historische kern en in een straal van 200 m) zijn verschillende eerdere onderzoeken bekend. Ongeveer 50 m ten zuidoosten van het plangebied is een verkennend booronderzoek uitgevoerd op een bouwlocatie aan de Voorstraat-Offemweg (OM-nummer 2014675100). De bodem bestaat uit oude duinen (Tol 2001). De top van deze duinafzettingen is verstoord, op een diepte van 1,7-1,9 m -mv is een humeuze zandlaag aangetroffen met, in één van de drie boringen, een houtskoolfragment, een mogelijke aanwijzing voor archeologische resten op of direct onder deze laag. Circa 140 m ten noordoosten van het plangebied Hof van Holland is een booronderzoek en een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd (OM-nummers 2392013100 & 2481657100). De ondergrond op deze locatie bestaat uit strandwalafzettingen waarop een ophoogpakket is waargenomen (Meijer 2015). In het ophoogpakket zijn sporen uit de Nieuwe tijd waargenomen. Het zand van de strandwal werd op sommige delen al op 1,3 m NAP waargenomen. Op dit niveau heeft de ophooglaag echter nog de overhand.

Vanaf 0,8 m NAP is vooral het zand van de strandwal aanwezig en tekenen de diepere delen van de ophooglaag en de sporen zich duidelijk af. Tijdens het proefsleuvenonderzoek is, naast sporen en vondsten uit de Nieuwe tijd, één kuil aangetroffen met fragmenten inheems Romeins aardewerk en één fragment importaardewerk. Direct grenzend aan bovengenoemde onderzoekslocaties, circa 190 m ten noordoosten van het huidige plangebied, is tussen de Voorstraat en de Offemweg een booronderzoek en een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd (OM-nummers 4776947100 & 4872859100). Op basis van de resultaten van het booronderzoek werden twee archeologische niveaus verwacht: een niveau uit de IJzertijd-Romeinse tijd en een uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd (Wilbers 2020). Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn voornamelijk puinkuilen uit de Nieuwe tijd aangetroffen (Slotemaker/ Moerman 2020). Door de gegraven puinkuilen is het prehistorische niveau grotendeels verstoord. Op

14

IDDS Archeologie rapport 2641 Versie 1.3 (eindversie)

het prehistorische niveau is een waterkuil aangetroffen. Uit de waterkuil kwamen fragmenten aardewerk met een datering in de Late IJzertijd. Circa 170 m ten noordoosten van het plangebied is een verkennend onderzoek en een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd (OM-nummers 2315185100 & 4607494100). Het verkennende onderzoek bestond uit grondradar- en booronderzoek. Het doel van deze onderzoeken was het opsporen van een muur die bij graafwerkzaamheden in 1921 was aangetroffen en waarvan werd vermoed dat het een kasteelmuur betrof (Moerman/ van Dam 2018). In de proefsleuf is een muurfundering, een laag 19e- of 20e-eeuwse bakstenen en een ondervloer van 14e- of 15e-eeuwse baksteen aangetroffen. De ondervloer kwam overeen met de melding uit 1921. Het gaat echter niet om een muur van het kasteel van Noordwijk maar om een ondervloer van hergebruikte bakstenen.

Figuur 8: Historische kaart van Noordwijk uit ca. 1566 met detail van de dorpskern rondom het plangebied (bron: Kloos 1928). Het plangebied is met de rode cirkel, bij benadering aangegeven. 2.4.

Historische situatie en mogelijke verstoringen

Er zijn voor het plangebied verschillende historische kaarten beschikbaar, maar omdat het plangebied alleen een achtertuin omvat is het vaak te klein om duidelijke informatie te krijgen op basis van deze kaarten. De oudste kaart van Noordwijk dateert ongeveer uit 1566 en daarop zijn de Douzastraat en Voorstraat duidelijk aangegeven (Figuur 8). Het doel van deze kaart was niet een exacte weergave van de gebouwen en daarom staan langs de Voorstraat aaneengesloten dezelfde huizen getekend. Aangegeven is daarmee dat er langs de Voorstraat bebouwing voorkwam, terwijl langs de Douzastraat, ongeveer waar het plangebied ligt, slechts één gebouw is aangegeven.

15

IDDS Archeologie rapport 2641 Versie 1.3 (eindversie)

De kaart van het Hoogheemraadschap Rijnland uit 1615 is niet getailleerd genoeg om het plangebied binnen de dorpskern goed te onderscheiden en is daarom niet afgebeeld. Op het Minuutplan van Noordwijk uit 1811-1832 is het plangebied onderdeel van een perceel dat in gebruik is als “huis en erf met schuur” (Figuur 9). Het perceel is ter hoogte van het plangebied verder onbebouwd. Het woonhuis, de stal en de melkschuur, die volgens het Planboek voor de Douzastraat 2, Noordwijk-Binnen uit 20202 voorkomen in het huidige plangebied (Figuur 10), dateren volgens de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) uit 1900. Latere topografische kaarten zijn wederom niet gedetailleerd genoeg om te bepalen of er in het plangebied mogelijk meer bebouwing heeft gestaan. Uit het Planboek blijkt dat er binnen het plangebied ook sprake was van een hooiberg en verschillende (houten) opslagschuren (Figuur 10). Het plangebied is tot en met 2001 in gebruik geweest als agrarisch bedrijf, eerst als een bollenbedrijf (zonder bollenvelden) en later als een melkveebedrijf (bollenerfgoed.nl).

Figuur 9: Het plangebied op het Minuutplan uit 1811 (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl).

2

Gemaakt voor de geplande ontwikkeling

16

IDDS Archeologie rapport 2641 Versie 1.3 (eindversie)

Figuur 10: Uitsnede uit de bestaande situatietekening opgenomen in het Planboek voor de Douzastraat 2, Noordwijk-Binnen uit 2020. 2.4.1. Tweede Wereldoorlog Geen van de bronnen ten aanzien van de Twee Wereldoorlog (ikme.nl; militaire-landschapskaart) geeft aanleiding aan te nemen dat er mogelijk archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog aanwezig zijn in het plangebied. 2.5.

Huidig landgebruik en mogelijke verstoringen

Ten tijde van het veldonderzoek was het plangebied bebouwd met enkele vervallen bakstenen gebouwen en houten schuren. Het plangebied was verder niet in gebruik. Het is mogelijk dat met de bouw van de huidige gebouwen, de bouw en sloop van meer tijdelijke (houten) gebouwen, het aanleggen of vervangen van bestrating of het aanleggen van (niet op de Klic voorkomende) perceelsgebonden kabels en leidingen, de eventuele onderliggende, oudere archeologische resten verstoord zijn. 2.6.

Gespecificeerd verwachtingsmodel

Omdat het plangebied ligt op een strandwal geldt voor het plangebied een hoge archeologische verwachtingswaarde voor resten vanaf het Laat Neolithicum. Vanwege archeologische onderzoeken in de omgeving is de verwachting het grootst voor archeologische resten uit de IJzertijd-Romeinse tijd en uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Deze resten zijn te verwachten vanaf het maaiveld tot in de top van het onverstoorde strandwalzand op een diepte van ongeveer 1,2 m -mv ofwel ongeveer 0,8 m NAP. De archeologische resten die reeds zijn aangetroffen in de omgeving van het plangebied bestaan uit grondsporen van voornamelijk kuilen en vondsten van aardewerk, bot en houtskool. Waarschijnlijk

17

IDDS Archeologie rapport 2641 Versie 1.3 (eindversie)

zullen de resten uit de IJzertijd-Romeinse tijd gerelateerd zijn aan bewoning. De archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd zullen gerelateerd zijn aan het erf achter de bebouwing die langs de Douzastraat voorkwam. Vermoedelijk betreft dit o.a. waterputten, afvalkuilen of funderingsresten van bijgebouwen. Om het verwachtingsmodel te toetsen en waar nodig aan te vullen en om te controleren in hoeverre de bodemopbouw in het plangebied nog intact is, is er een Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase, uitgevoerd.

18

IDDS Archeologie rapport 2641 Versie 1.3 (eindversie)

3.

Veldonderzoek

3.1.

Onderzoekshypothese en onderzoeksopzet

Het doel van het Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase, is om de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting te toetsen en waar nodig aan te passen. Tijdens het veldonderzoek wordt vastgesteld waar de oorspronkelijke bodemopbouw intact is gebleven en waar niet. Daarnaast wordt inzicht verkregen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Kansarme zones worden uitgesloten en kansrijke zones worden geselecteerd voor de volgende fasen. Het veldonderzoek bestond uit een booronderzoek. 3.2.

Werkwijze

In het plangebied zijn 5 boringen gezet, waarvan 4 boringen met een diepte van ongeveer 2,0 m en 1 met een diepte van ongeveer 4,0 m beneden het maaiveld (bijlage 3 en 4). Deze boringen zijn evenredig verdeeld over het plangebied, maar nergens inpandig vanwege de slechte staat van de gebouwen. Er is gebruik gemaakt van een Edelmanboor met een diameter van 12 cm en beneden de grondwaterstand van een zuigerboor met een diameter van 4 cm. Het veldonderzoek is uitgevoerd door D.F.A.M. van den Biggelaar (Senior KNA Prospector). De boringen zijn beschreven volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB; SIKB 2008) met behulp van een veldcomputer en het programma TerraIndex van I.T. Works. De locaties van de boringen (x- en y-waarden) zijn ingemeten vanuit de bebouwing. De hoogtes van de boringen (z-waarden) zijn bepaald aan de hand van het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN4; PDOK). De opgeboorde monsters zijn door middel van verbrokkelen in het veld onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren zoals aardewerk, baksteen, vuursteen, huttenleem en bot. 3.3.

Resultaten

3.3.1. Bodemopbouw, lithologie en geologie De bodemopbouw in het plangebied bestaat in alle boringen alleen uit matig fijn, zwak siltig zand. Er is alleen onderscheid te maken op basis van kalk- en humusgehalte en op basis van antropogene bijmengingen of omwerkingen. In de boringen worden drie afzonderlijke pakketten onderscheiden. Dat zijn van onder naar boven: het strandwalzand, een oude bouwvoor en een ophoogpakket. Het strandwalzand is in alle boringen onderin aangetroffen. Het bestaat uit matig fijn, zwak siltig en niet humeus zand. Dieper dan 3,0 m -mv (-1,1 m NAP) in boring 3 is dit zand kalkrijk, daarboven is dit zand kalkloos. De top van dit pakket is aangetroffen tussen 1,3 en 2,1 m -mv ofwel -0,1 tot 0,6 m NAP. Dit is niet de oorspronkelijke top van de strandwal, maar de top van het nog niet aangetaste zandpakket. Daarboven komen een oude bouwvoor en een ophoogpakket voor. De oude bouwvoor is vooral duidelijk zichtbaar bij boringen 1 en 3 waar tussen de humeuze zandlaag aan het maaiveld en een humeuze zandlaag in de ondergrond een beige gekleurde, maar geroerde zandlaag aanwezig is. Bij de andere boringen is de grens tussen de oude bouwvoor en het ophoogpakket minder duidelijk. De oude bouwvoor bestaat uit matig fijn, zwak siltig, zwak humeus zand. Het zand is over het algemeen kalkloos, tenzij de laag nog sporen van metselpuin of schelpen bevat.

De laag bevat ook sporen van baksteen, bot, aardewerk en houtskool (zie volgende paragraaf). De laag varieert in dikte van enkele centimeters in boring 2 (waar de laag ernstig vergraven is) tot 0,9 m in boring 1, maar heeft een gemiddelde dikte van 30-40 cm. De top van deze oude bouwvoor ligt, met uitzondering van boring 2, tussen 0,9 en 1,3 m -mv ofwel tussen 0,8 en 1,0 m NAP.

19

IDDS Archeologie rapport 2641 Versie 1.3 (eindversie)

Boven de oude bouwvoor is een ophoogpakket aanwezig. Dit ophoogpakket bestaat uit zowel humeuze als niet humeuze zandlagen (meestal met de humeuze laag aan het maaiveld) en kent veel bijmengingen van baksteen en ander bouwpuin, maar ook recent aardewerk (19 e-20e eeuw). Dit ophoogpakket heeft een gemiddelde dikte van 1,1 m, maar bij boring 2 reikt dit pakket tot diep in de oude bouwvoor (daarvan is nog slechts 3 cm waargenomen) en heeft daar een dikte van ongeveer 2 m. 3.3.2. Archeologische indicatoren In verschillende boringen en in verschillende lagen zijn archeologische indicatoren waargenomen (Bijlage 4 en Bijlage 6). Veelal bestaan die indicatoren uit kleine fragmenten van baksteen en ander bouwpuin en zijn deze afkomstig uit het ophoogpakket. Deze indicatoren zijn niet verzameld of beschreven omdat deze geen informatiewaarde bevatten. Dat geldt ook voor de resten van houtskool en strandschelpen die ook zijn waargenomen in het ophoogpakket. Bij boringen 4 en 5 zijn in het ophoogpakket ook fragmenten aardewerk aangetroffen. Dit betrof echter recent (19 e-20e eeuw) aardewerk en is daarom niet verzameld. Ook in de oude bouwvoor zijn archeologische indicatoren waargenomen. Hier is veel minder baksteen en bouwpuin aanwezig, maar dit is, evenals het aangetroffen houtskool en de botfragmenten, niet verzameld3.

Alleen in boring 1 is rond ongeveer 1,4 m -mv (0,6 m NAP) een kleine wandscherf gevonden. Het betreft roodbakkend aardewerk met loodglazuur aan beide zijden. Het glazuur aan de buitenzijde is daarbij sterk verweerd. Deze scherf is moeilijk nauwkeurig te dateren, waarschijnlijk Nieuwe tijd Midden tot Nieuwe tijd Laat (17e-19e eeuw). 3.4.

Interpretatie

Uit de boringen blijkt dat het plangebied inderdaad ligt op de strandwal van Noordwijk, waarbij het zand boven de -1,1 m NAP ontkalkt is. In de top van het strandwalzand is onder menselijke invloed (waarschijnlijk landbouwactiviteiten) een bouwvoor ontwikkeld die tegenwoordig begraven ligt onder een ophoogpakket van gemiddeld 1,1 m dik. De top van deze oude bouwvoor ligt tussen 0,9 en 1,3 m -mv ofwel tussen 0,8 en 1,0 m NAP (gemiddeld op 0,9 m NAP) en deze oude bouwvoor was oorspronkelijk ongeveer 30-40 cm dik. In het plangebied is deze oude bouwvoor bij boring 2 grotendeels verstoord en is de oude bouwvoor bij boring 1 veel dikker dan elders. Deze oude bouwvoor is ontwikkeld in de top van de strandwal en direct onder deze oude bouwvoor kunnen archeologische sporen zichtbaar zijn in het niet humeuze strandwalzand. De oude bouwvoor bevat een aardewerkfragment uit de Nieuwe tijd en deze oude bouwvoor wordt bedekt door een ophoogpakket waarop rond 1900 de bestaande gebouwen zijn aangebracht. De funderingen van die gebouwen zullen aanwezig zijn in het ophoogpakket (en reiken waarschijnlijk niet tot in de oude bouwvoor) en het ophoogpakket is daarmee niet later aangebracht dan ongeveer 1900.

Wanneer het ophoogpakket wel is aangebracht is niet met zekerheid vast te stellen, maar de oude bouwvoor dateert waarschijnlijk uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd (ongeveer de 17e eeuw) en op grond daarvan dateert het ophoogpakket waarschijnlijk uit ongeveer de 17e eeuw tot ongeveer 1900. De oude bouwvoor is waarschijnlijk ontstaan na de ontginning van de strandwal en de aangetroffen aardewerkscherf dateert de oude bouwvoor maximaal in ongeveer de 17e eeuw. In het strandwalzand onder de oude bouwvoor kunnen archeologische sporen voorkomen vanaf het Laat Neolithicum, maar vooral sporen uit de IJzertijd en Romeinse tijd worden op dit niveau verwacht. Het plangebied heeft daarmee een hoge archeologische verwachting vanaf het maaiveld 4 tot een diepte van 2,1 m -mv ofwel -0,1 m NAP. Daarbij worden tussen het maaiveld en een diepte van 1,1 m -mv ofwel 0,9 m NAP (dit is het ophoogpakket) voornamelijk archeologische resten verwacht die dateren uit de periode 17e tot en met de 20e eeuw. Tussen ongeveer 1,1 m -mv (0,9 m NAP) en 1,6 m -mv (0,5 m NAP), dit is de oude bouwvoor, worden voornamelijk archeologische resten verwacht uit de periode 3

Het houtskool en de botfragmenten zijn niet verzameld omdat deze te klein waren en niet direct een datering opleveren. Maar op basis van het archeologische beleid in het bestemmingsplan worden de resten in de bovenste 50 cm buiten beschouwing gelaten. 4

20

IDDS Archeologie rapport 2641 Versie 1.3 (eindversie)

Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd (17e eeuw), maar hier kunnen ook oudere archeologische resten aanwezig zijn, indien de ontginning van de strandwal eerder dan de Late Middeleeuwen plaatsvond, of jongere, indien deze dieper zijn ingegraven vanaf het maaiveld. In de top van het niet humeuze strandwalzand, op ongeveer 1,6 m -mv ofwel 0,5 m NAP, worden vooral archeologische sporen verwacht uit de periode IJzertijd-Romeinse tijd. Hier kunnen ook oudere sporen en resten aanwezig zijn uit het Laat Neolithicum of de Bronstijd, of jongere sporen uit de Vroege en Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd, vooral daar waar deze sporen diep zijn ingegraven.

21

IDDS Archeologie rapport 2641 Versie 1.3 (eindversie)

4.

Conclusie en aanbevelingen

In opdracht van dhr. M. Zwart zijn in november 2021 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO), verkennende fase, uitgevoerd in verband met de geplande (her)ontwikkeling van het plangebied aan de Douzastraat 2 in Noordwijk, gemeente Noordwijk. Ten behoeve van het onderzoek is een aantal vragen gesteld die als volgt beantwoord kunnen worden: •

Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de locatie?

Het plangebied ligt op een strandwal. •

Hoe is de bodemopbouw in het plangebied en in welke mate is deze nog als intact te beschouwen?

De bodemopbouw in het plangebied bestaat uit strandwalzand met daarboven een oude bouwvoor van ongeveer 30-40 cm dik en daarboven een ophoogpakket van ongeveer 1,1 m dik. De natuurlijke bodemopbouw is niet meer intact, maar de het strandwalzand en de oude bouwvoor, die samen een antropogene bodem vormen, zijn wel intact aanwezig. •

Bevinden zich archeologisch relevante afzettingen in het plangebied? En zo ja, op welke diepte ten opzichte van het maaiveld en het NAP?

Alle lagen in het plangebied vanaf het maaiveld tot een diepte van 2,1 m -mv (-0,1 m NAP) hebben een hoge archeologische verwachting. Daarbij worden tussen het maaiveld en een diepte van 1,1 m -mv ofwel 0,9 m NAP (dit is het ophoogpakket) voornamelijk archeologische resten verwacht die dateren uit de periode 17e tot en met de 20e eeuw. Tussen ongeveer 1,1 m -mv (0,9 m NAP) en 1,6 m -mv (0,5 m NAP), dit is de oude bouwvoor, worden voornamelijk archeologische resten verwacht uit de periode Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd (17e eeuw), maar hier kunnen ook oudere archeologische resten aanwezig zijn, indien de ontginning van de strandwal eerder dan de Late Middeleeuwen plaatsvond, of jongere, indien deze dieper zijn ingegraven vanaf het maaiveld. In de top van het niet humeuze strandwalzand, op ongeveer 1,6 m -mv ofwel 0,5 m NAP, worden vooral archeologische sporen verwacht uit de periode IJzertijd-Romeinse tijd. Hier kunnen ook oudere sporen en resten aanwezig zijn uit het Laat Neolithicum of de Bronstijd, of jongere sporen uit de Vroege en Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd, vooral daar waar deze sporen diep zijn ingegraven. •

Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied en wordt deze bij het veldonderzoek bevestigd?

Omdat het plangebied ligt op een strandwal geldt voor het plangebied een hoge archeologische verwachtingswaarde voor resten vanaf het Laat Neolithicum. Vanwege archeologische onderzoeken in de omgeving is de verwachting het grootst voor archeologische resten uit de IJzertijd-Romeinse tijd en uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Deze resten zijn te verwachten vanaf het maaiveld tot in de top van het onverstoorde strandwalzand op een diepte van ongeveer 1,2 m -mv ofwel ongeveer 0,8 m NAP. De archeologische resten die reeds zijn aangetroffen in de omgeving van het plangebied bestaan uit grondsporen van voornamelijk kuilen en vondsten van aardewerk, bot en houtskool. Waarschijnlijk zullen de resten uit de IJzertijd-Romeinse tijd gerelateerd zijn aan bewoning. De archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd zullen gerelateerd zijn aan het erf achter de bebouwing die langs de Douzastraat voorkwam. Vermoedelijk betreft dit o.a. waterputten, afvalkuilen of funderingsresten van bijgebouwen. Het veldonderzoek onderschrijft de specifieke archeologische verwachting uit het bureauonderzoek, maar op basis van het veldonderzoek kunnen de verwachtingen op verschillende niveaus verder worden gespecificeerd. Het plangebied heeft een hoge archeologische verwachting vanaf het maaiveld tot een diepte van 2,1 m -mv ofwel -0,1 m NAP.

Daarbij worden tussen het maaiveld en een diepte van 1,1 m mv ofwel 0,9 m NAP (dit is het ophoogpakket) voornamelijk archeologische resten verwacht die dateren uit de periode 17e tot en met de 20e eeuw. Het betreft waarschijnlijk resten van (bij)gebouwen en een boerenerf, die bestaan uit funderingen, waterputten, afvalkuilen en dergelijke en vondsten zoals aardewerk, metaal, bot, glas, bouwmaterialen en dergelijke.

22

IDDS Archeologie rapport 2641 Versie 1.3 (eindversie)

Tussen ongeveer 1,1 m -mv (0,9 m NAP) en 1,6 m -mv (0,5 m NAP), dit is de oude bouwvoor, worden voornamelijk archeologische resten verwacht uit de periode Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd (17 e eeuw), maar hier kunnen ook oudere archeologische resten aanwezig zijn, indien de ontginning van de strandwal eerder dan de Late Middeleeuwen plaatsvond, of jongere, indien deze dieper zijn ingegraven vanaf het maaiveld. De resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd zullen waarschijnlijk vooral gerelateerd zijn aan de landbouw, alhoewel bewoning niet kan worden uitgesloten omdat het ook onderdeel kan zijn geweest van een erf. Het gaat waarschijnlijk om resten van sloten, greppels, waterputten of -kuilen, afvalkuilen, resten van houtbouw en dergelijke, en de vondsten zullen bestaan uit aardewerk, bot, metaal, glas en dergelijke. In de top van het niet humeuze strandwalzand, op ongeveer 1,6 m -mv ofwel 0,5 m NAP, worden vooral archeologische sporen verwacht uit de periode IJzertijd-Romeinse tijd. Hier kunnen ook oudere sporen en resten aanwezig zijn uit het Laat Neolithicum of de Bronstijd, of jongere sporen uit de Vroege en Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd, vooral daar waar deze sporen diep zijn ingegraven.

Uit de periode IJzertijd en Romeinse tijd kan het gaan om archeologische waarden van landbouw, bewoning, begraving en dergelijke, met sporen van sloten, greppels, kuilen, waterputten en -kuilen, paalkuilen en dergelijke. Op dit niveau kunnen vondsten voorkomen van bewerkt vuursteen, aardewerk, metaal en dergelijke. Bot, hout en andere organische materialen zijn minder waarschijnlijk omdat de conserveringsomstandigheden in het strandwalzand slecht zijn. •

Hoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, kunnen er toch archeologische indicatoren worden aangetroffen. Indien deze worden aangetroffen, dan gelden tevens de volgende vragen: wat is de verticale en horizontale ligging van de aangetroffen indicatoren, wat is de datering en wat is de invloed van deze vondsten op de archeologische verwachting van het plangebied?

De enige duidelijke archeologische indicator is een aardewerkscherf aangetroffen in boring 1 op ongeveer 1,4 m -mv. Het betreft een scherf roodbakkend geglazuurd aardewerk uit ongeveer de 17 e19e eeuw en geeft aan dat de oude bouwvoor na deze periode is afgedekt met een ophoogpakket. •

In hoeverre worden eventueel aanwezige archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen bodemverstorende werkzaamheden?

De diepte van de verstoringen door de geplande werkzaamheden is nog onbekend. Waarschijnlijk zullen de nieuwe woningen op staal gebouwd worden en zullen de nieuwe funderingen daarmee reiken tot ongeveer 0,8 m -mv. In dat geval zullen de meeste werkzaamheden plaatsvinden binnen het ophoogpakket. Voor dit pakket geldt een hoge verwachting voor met name de periode 17 e tot 20e eeuw, en de archeologische resten uit die periode zullen worden bedreigd. Indien de werkzaamheden dieper zullen reiken dan worden ook andere waarden uit eerdere perioden bedreigd. 4.1.

Aanbevelingen

Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat het plangebied een hoge archeologische verwachting heeft vanaf het maaiveld tot een diepte van 2,1 m -mv ofwel -0,1 m NAP voor alle periodes vanaf het Laat Neolithicum. Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek adviseert IDDS Archeologie om vervolgonderzoek uit te laten voeren voor alle werkzaamheden waarbij gegraven wordt dieper dan 50 cm -mv5. Dit advies geldt ook bij sloopwerkzaamheden waarbij funderingen verwijderd worden die dieper reiken dan 50 cm -mv. Gezien de kleine omvang van het plangebied, de geplande sloopwerkzaamheden en de onzekerheid van de diepte van de nieuwbouw adviseert IDDS Archeologie om zowel de sloopwerkzaamheden van de bestaande funderingen, als het graafwerk voor de nieuwe funderingen archeologisch te begeleiden. Indien de graafwerkzaamheden dieper zullen reiken dan de onderzijde van de oude bouwvoor (dus dieper dan ongeveer 1,6 m -mv ofwel 0,5 m NAP) dan wordt geadviseerd een proefsleuvenonderzoek uit te voeren (na de begeleiding van de sloop) om daarmee 5

Op basis van het archeologische beleid in het bestemmingsplan worden de resten in de bovenste 50 cm buiten beschouwing gelaten.

23

IDDS Archeologie rapport 2641 Versie 1.3 (eindversie)

een beter beeld te kunnen verkrijgen van de archeologische grondsporen die onder de oude bouwvoor voor kunnen komen in het strandwalzand. Bovenstaand advies dient gecontroleerd en beoordeeld te worden door de bevoegde overheid, in dit geval de Gemeente Noordwijk. Deze zal vervolgens een besluit nemen inzake de te volgen procedure. IDDS Archeologie wil meegeven dat voordat dit besluit genomen is, er niet begonnen kan worden met bodemverstorende activiteiten of activiteiten die voorbereiden op bodemverstoringen. Voor alle gravende onderzoeken, waaronder begeleidingen en proefsleuven, dient voorafgaand aan de uitvoering van het onderzoek een Programma van Eisen geschreven te worden. Dit Programma van Eisen moet goedgekeurd worden door de bevoegde overheid (de Gemeente Noordwijk) alvorens met het onderzoek kan worden begonnen. Het uitgevoerde onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. Het archeologisch onderzoek is erop gericht om de kans op het onverwacht aantreffen dan wel het ongezien vernietigen van archeologische waarden bij bouwwerkzaamheden in het plangebied te verkleinen. Aangezien het onderzoek is uitgevoerd door middel van een steekproef kan echter, op basis van de onderzoeksresultaten, de aan- of afwezigheid van eventuele archeologische waarden niet gegarandeerd worden.

24

IDDS Archeologie rapport 2641 Versie 1.3 (eindversie)

Literatuur en kaarten Berendsen, H.J.A., 2005 (1997): Landschappelijk Nederland. De fysisch-geografische regio’s, Assen. Brandenburgh, C.R., 2020: Graven in archieven. Een niet-gravend verstoringenonderzoek in de bollengemeenten Hillegom, Lisse, Noordwijk en Teylingen, Leiden (Erfgoed Leiden en Omstreken). Centraal College van Deskundigen, 2018: Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1, Gouda. Dalen, J.H. van/J.H.C. Deeben/D.P. Hallewas/R. Koopstra/Th.J. Maarleveld/J.H.M. Peeters/R. Wiemer, 2008: Indicatieve kaart van Archeologische Waarden 3 e generatie, Amersfoort (RACM). Irving, J./ A.W.E. Wilbers, 2021: Plan van aanpak. Douzastraat 2 in Noordwijk, gemeente Noordwijk, Noordwijk (Intern rapport, IDDS Archeologie). Kloos, J., 1928: Noordwijk in den loop der eeuwen, Noordwijk. Meijer, Y., 2015: Inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven Hof van Holland, Noordwijk Gemeente Noordwijk, Noordwijk (IDDS Archeologie rapport 1991). Mulder, E.F.J. de/ M.C. Geluk/ I.L. Ritsema/ W.E. Westerhoff/ T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland, Groningen/Houten. SIKB, 2008: Archeologische standaard boorbeschrijving, Archeologie Leidraad, Gouda. Slotemaker, K./ S. Moerman, 2020: Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven Voorstraat 6971, Noordwijk Gemeente Noordwijk, Noordwijk (IDDS Archeologie rapport).

Tol, A.J., 2001: Locatie Voorstraat/Offemweg 121, gemeente Noordwijk; een verkennend archeologisch onderzoek, Amsterdam (RAAP briefrapport 2001-3655). Valk, L. van der, 1996: Coastal barrier deposits in the central Dutch coastal plain, Haarlem (Mededelingen van de Rijks Geologische Dienst 57). Valk, L. van der, 1996: Coastal barrier deposits in the central Dutch coastal plain, Haarlem (Mededelingen van de Rijks Geologische Dienst 57, p. 133-200). Vos, P. / M. van der Meulen / H. Weerts / J. Bazelmans, 2018: Atlas van Nederland in het Holoceen. Landschap en bewoning vanaf de laatste ijstijd tot nu, Amsterdam. Vos, P.C./E.C. Rieffe/E.E.B. Bulten, 2007: Nieuwe geologische kaart van Den Haag en Rijswijk, Den Haag. Wilbers, A.W.E., 2020: Archeologisch bureauonderzoek & inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase Voorstraat 69-71, Noordwijk Gemeente Noordwijk, Noordwijk (IDDS Archeologie rapport 2406).

Websites archis.cultureelerfgoed.nl beeldbank.cultureelerfgoed.nl hisgis.nl ikme.nl landschapinnederland.nl/militaire-landschapskaart www.bodemloket.nl www.dinoloket.nl

25

IDDS Archeologie rapport 2641 Versie 1.3 (eindversie)

www.pdok.nl www.rijnland.net/over-rijnland/erfgoed/archieven-en-collecties www.topotijdreis.nl

26

IDDS Archeologie rapport 2641 Versie 1.3 (eindversie)

Lijst van afkortingen en begrippen Afkortingen AHN AMK AMZ Archis ASB AWN BP GHG GLG GPS indet KNA mv NAP PvA PvE RCE SIKB

Actueel Hoogtebestand Nederland Archeologische Monumenten Kaart Archeologische Monumentenzorg Archeologisch Informatie Systeem Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland Before Present (Present = 1950) Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand Gemiddeld Laagste Grondwaterstand Global Positioning System ondetermineerbaar Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie maaiveld (het landoppervlak) Normaal Amsterdams Peil Plan van Aanpak Programma van Eisen Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer

Verklarende woordenlijst 14C-datering (ook wel C14-datering) Bepaling van gehalte aan radioactieve koolstof 14C van organisch materiaal (hout, houtskool, veen, schelpen e.d.) waaruit de 14Couderdom kan worden afgeleid. Deze ouderdom wordt opgegeven in jaren vóór 1950 na Chr. (jaren BP) met daaraan toegevoegd de aan de meting verbonden mogelijke afwijking (standaarddeviatie) Allerød tijd Korte, relatief warme periode uit de laatste ijstijd (Weichselien), ca. 11.80011.000 jaar geleden antropogeen Ten gevolge van menselijk handelen (door mensen veroorzaakt/gemaakt) Archis-melding Elke melding bij het centraal informatiesysteem (Archis) artefact Alle door de mens vervaardigde of gebruikte voorwerpen bioturbatie Verstoring van de oorspronkelijke bodemstructuur en/of transport van materiaal door plantengroei en dierenactiviteiten Bølling tijd Korte, relatief warme periode uit de laatste ijstijd (Weichselien), ca. 13.50012.000 jaar geleden Boreaal Tijdvak, onderafdeling van het Holoceen, gekarakteriseerd door een gematigd en continentaal klimaat en een bebost landschap gedomineerd door loofbomen (datering ca. 6800-5500 voor Chr.) buitendijks Gronden die aan de rivierzijde van een dijk liggen.

In het buitendijkse gebied liggen de uiterwaarden castellum Romeins legerkamp conservering Mate waarin grondsporen, anorganische en organische archeologische resten bewaard zijn couperen Het maken van één of meer verticale doorsneden door een spoor of laag om de aard, diepte, vullingen, vorm en relaties met andere fenomenen vast te stellen crematie Begraving met gecremeerd menselijk bot crevasse Doorbraakgeul door een oeverwal dagzomen Aan de oppervlakte komen, zichtbaar worden van gesteenten (met inbegrip van zand, klei, etc.)

27

IDDS Archeologie rapport 2641 Versie 1.3 (eindversie)

dekzand

Dryas Edelmanboor Eemien eerdgrond eolisch estuarien estuarium fluviatiel fluvioglaciaal gaafheid Hollandveen Holoceen horizont humeus ijzeroer in situ inhumatie interstadiaal kom kreek kronkelwaard kwel kwelder laag leem Limes lithologie löss lutum meander meanderen oeverwal

Fijnzandige afzettingen die onder periglaciale omstandigheden voornamelijk door windwerking ontstaan zijn; de dekzanden van het Weichselien vormen in grote delen van Nederland een ‘dek’ (Formatie van Boxtel) Laatste gedeelte van de laatste ijstijd (Weichselien), ca. 20.000-10.000 jaar geleden Een handboor voor bodemonderzoek Interglaciaal tussen de voorlaatste en laatste ijstijd (Saalien en Weichselien), ca. 130.000-120.000 jaar geleden Grond met een humushoudende minerale bovengrond van meer dan 50 cm, ontstaan door invloed van de mens Door de wind gevormd, afgezet Afgezet in een estuarium Inham aan de kust waarin met name het getijde grote invloed uitoefent op het landschap, bijvoorbeeld de Westerschelde Door rivieren gevormd, afgezet Door smeltwater (afkomstig van gletsjers) afgezet Mate van (fysieke) verstoring van de bodem, zowel in verticale zin (diepte) als in horizontale zin (omvang) Holocene formatie, ontstaan vanaf 3500 voor Chr. Jongste geologisch tijdvak dat nog steeds voortduurt (vanaf de laatste ijstijd: ca.

8800 jaar voor Chr.) Kenmerkende laag binnen de bodemvorming Organische stoffen bevattend; bestaande uit resten van planten en dieren in de bodem IJzeroxidenhydraat, een ijzererts dat vooral in vlakke landstreken, in dalen en moerassige gebieden op geringe diepte voorkomt Achtergebleven op exact de plaats waar de laatste gebruiker het heeft gedeponeerd, weggegooid of verloren Begraving met niet gecremeerd menselijk bot Een warmere periode tijdens een ijstijd (glaciaal) Laag gebied waar na overstroming van een rivier vaak water blijft staan en klei kan bezinken Waterweg waarbij het water vanuit zee of rivier onder invloed van het getijde inen uitstroomt Deel van een stroomgebied omgeven – en grotendeels opgebouwd – door een meander Door hydrostatische druk aan het oppervlakte treden van grondwater zie schor Een vervolgbare grondeenheid die op archeologische of geologische gronden als eenheid wordt onderscheiden Grondsoort die wordt gekenmerkt door een samenstelling van meer dan 50% silt, minder dan 50% zand en minder dan 25% klei de noordgrens van het Romeinse rijk Wetenschap die zich bezighoudt met de beschrijving en het ontstaan van de sedimentaire gesteenten Door de wind gevormde afzetting van zeer fijnkorrelig materiaal waarvan het overgrote deel van de korrels (60-85%) kleiner is dan 0,063 mm Kleideeltjes kleiner dan 0,002 mm Min of meer regelmatige lusvormige rivierbocht

(van rivieren of beken) Zich bochtig door het landschap slingeren Langgerekte rug langs een rivier of kreek, ontstaan doordat bij het buiten de oevers treden van de stroom het grovere materiaal het eerst bezinkt

28

IDDS Archeologie rapport 2641 Versie 1.3 (eindversie)

OSL-datering

oxidatie plaggendek plangebied Pleistoceen

podzol pollenanalyse

prehistorie rivierduin Saalien schor silt slak slik spieker strandvlakte strandwal

stratigrafie stroomgordel stroomrug

stuwwal terras (rivier-) vaaggronden vicus vindplaats Weichselien zavel zeldzaamheid

Dateringsmethode waarmee op grond van energieverval kan worden bepaald wanneer een fragment kwarts (zand) voor het laatst heeft blootgestaan aan direct zonlicht Reactie met zuurstof (roesten/corrosie bij metalen; ‘verbranding’ bij veen) Verhoogd bouwland, ontstaan door ophoging ten gevolge van bemesting. Voor de bemesting werden plaggen of met zand vermengde potstalmest opgebracht Gebied waarbinnen de realisering van de planvorming het bodemarchief kan bedreigen Geologisch tijdperk dat ca. 2,3 miljoen jaar geleden begon. Gedurende deze periode waren er sterke klimaatswisselingen van gematigd warm tot zeer koud (de vier bekende ijstijden). Na de laatste ijstijd begon het Holoceen (ca. 8800 voor Chr.) Goed ontwikkelde bodem in gebieden met veel neerslag De bestudering van fossiele stuifmeelkorrels en sporen waardoor een beeld van de vegetatiegeschiedenis gevormd kan worden. Uit de vegetatiegeschiedenis kan het klimaat worden gereconstrueerd Dat deel van de geschiedenis waarvan geen geschreven bronnen bewaard zijn gebleven Door verstuiving uit een riviervlakte hierlangs ontstaan duin (in Nederland meestal Weichselien of Vroeg Holoceen van ouderdom) Voorlaatste ijstijd, waarin het landijs tot in Nederland doordrong en de stuwwallen werden gevormd, ca.

200.000-130.000 jaar geleden Zandgrond in een getijdenwater; staat alleen onder water bij zeer hoog tij, begroeid Zeer fijn sediment met grootte 0,002-0,063 mm Steenachtig afval van metaal- of aardewerkproductie Zandgrond in een getijdenwater; staat onder water bij vloed en valt droog bij eb, kwelder onbegroeid; wad Op palen geplaatst opslaghuisje Groot vlak zandig gebied tussen twee strandwallen Langs de kust gevormde langgerekte zandrug die uitsteekt boven het gemiddelde hoogwaterniveau; geeft in Nederland de oude ligging van de kustlijn weer Opeenvolging van lagen in de bodem Het geheel van rivieroeverwal-, rivierbedding- en kronkelwaard-afzettingen, al dan niet met restgeul(en) Oude riviergeul die zodanig is opgehoogd met zandige afzettingen dat de rivier een nieuwe loop heeft gekregen; blijft door inklinking van de komgebieden als een rug in het landschap liggen Door de druk van het landijs in het Saalien opgedrukte rug van scheefgestelde preglaciale sedimenten Door een rivier verlaten en daarna versneden dalbodem Minerale gronden zonder duidelijke podzol-B-horizont, zonder briklaag en zonder minerale eerdlaag Een burgerlijke nederzetting uit de Romeinse tijd met een stedelijk karakter maar zonder stadsrechten Ruimtelijk begrensd gebied waarbinnen zich archeologische informatie bevindt Geologische periode (laatste ijstijd, waarin het landijs Nederland niet bereikte), ca.

120.000-10.000 jaar geleden Grondsoort die tussen 8 en 25% lutum (kleideeltjes kleiner dan 0,002 mm) bevat Mate waarin een bepaald type monument schaars is (of is geworden) voor een periode of in een gebied

29

Bijlage 1: Topografische kaart

Legenda plangebied

IDDS 's- Gravendijckseweg 37 2201 CZ Noordwijk IDDS.NL

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Noordwijk&id=ac6a0fb4-54f9-4c90-9173-57b212f1e378