CConstaterende datNoordwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2. Rapport Quickscan Wnb

Gemeenteraadsvergadering 5 juni 2024, gemeente NoordwijkBij agendapunt: Ontwerp-omgevingsvergunning en ontwerpverklaring van geen bedenkingen Randweg 6 Noordwijk9.825 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan Wet natuurbescherming Duinrust 1A, Noordwijk

Rapport

Quickscan Wet natuurbescherming

Locatie Kenmerk Datum

: : :

Duinrust 1A, Noordwijk A2273-03/JHO/qs1 30 maart 2023

Auteur Vrijgave Email Telefoon

: : : :

Dhr. J. den Houdijker Ir. J. van Kolck jdhoudijker@idds.nl 06 511 344 48

Opdrachtgever

:

Vakantiepark Duinrust Mevr. F van den Burg

© IDDS b.v. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de uitgever.

Samenvatting In opdracht van Vakantiepark Duinrust is op 24 maart 2023 een ecologische quickscan uitgevoerd aan de Duinrust 1A te Noordwijk. Deze samenvatting beschrijft de belangrijkste resultaten en conclusies van het onderzoek. Voor de volledigheid verwijzen wij u ook naar Hoofdstuk 8 Conclusie en advies. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000gebied of het NNN. De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op aangewezen habitatsoorten. Effecten van stikstof op de Natura 2000-gebieden Kennemerland-Zuid, Coepelduynen en Meijendel & Berkheide zijn op voorhand niet uitgesloten. Door IDDS wordt reeds een stikstofberekening uitgevoerd. De resultaten zijn ten tijde van deze rapportage nog niet bekend. Soortbescherming Uit de bureaustudie en biotooptoets komt naar voren dat in het plangebied en binnen de verstorende invloedsfeer van de werkzaamheden vogels zonder jaarrond beschermd nest kunnen broeden. Algemene vogelsoorten die broeden zijn gedurende deze tijd beschermd (grofweg van 15 februari tot 15 augustus, in gebruik zijnde nesten zijn ook buiten deze periode beschermd). Het advies luidt om de werkzaamheden buiten dit broedseizoen te laten plaatsvinden.

Indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten, dient een broedvogelinventarisatie uitgevoerd te worden door een deskundig ecoloog. Indien broedende vogels aanwezig zijn, moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest verlaten is. Tabel 1: Overzicht van soorten waarmee in het vervolg van het project rekening gehouden moet worden. Soortgroep

Soort (wetenschappelijke soortnaam)

Vervolgtraject

Broedvogels waarvan het nest niet jaarrond beschermd is

Diverse algemene vogelsoorten

Mitigerende maatregelen

Inhoudsopgave

1.1 1.2 1.3

Inleiding ........................................................................................................................ 6 Aanleiding ...................................................................................................................... 6 Doel van het onderzoek ................................................................................................. 6 Leeswijzer ...................................................................................................................... 6

2.1 2.2 2.3

Opzet van het onderzoek ............................................................................................ 7 Bureauonderzoek ........................................................................................................... 7 Veldonderzoek ............................................................................................................... 7 Effectenbeoordeling ....................................................................................................... 7

3.1 3.2

Beschrijving van het plangebied en planvoornemen .............................................. 9 Ligging en algemene beschrijving van het plangebied .................................................. 9 Planvoornemen ............................................................................................................ 11

4.1 4.2 4.3

Gebiedsbescherming ................................................................................................ 12 Ligging plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden ............................ 12 Effectbeoordeling gebiedsbescherming ....................................................................... 14 Deelconclusie gebiedsbescherming ............................................................................ 15

5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.10

Soortbescherming ..................................................................................................... 16 Amfibieën ..................................................................................................................... 16 Broedvogels ................................................................................................................. 17 Flora ............................................................................................................................. 19 Libellen ......................................................................................................................... 20 Reptielen ...................................................................................................................... 20 Vleermuizen ................................................................................................................. 21 Vlinders ........................................................................................................................ 21 Zoogdieren ................................................................................................................... 22 Geen beschermde soorten waargenomen in de omgeving van het plangebied ......... 22 Vrijgestelde soorten ..................................................................................................... 22

6.1 6.2

Effectbeoordeling ...................................................................................................... 23 Beschermde soorten waar een effect op verwacht wordt ............................................ 23 Beschermde soorten waar geen effect op verwacht wordt .......................................... 23

7.1 7.2

Advies en vervolg soortbescherming ...................................................................... 27 Nader onderzoek ......................................................................................................... 27 Mitigerende maatregelen ............................................................................................. 27

8.1 8.2

Conclusie en advies .................................................................................................. 28 Gebiedsbescherming ................................................................................................... 28 Soortbescherming ........................................................................................................ 28 Literatuur en bronvermelding ................................................................................... 30

Bijlage I Wet natuurbescherming ............................................................................................ 31 Bijlage II Aanbevelingen natuurvriendelijk bouwen ............................................................... 36

Inleiding Hoofdstuk 1 bestaat uit een korte uitleg waarom dit onderzoek noodzakelijk is. Tevens wordt het doel van het onderzoek toegelicht en als laatste volgt de leeswijzer van deze rapportage. 1.1

Aanleiding

De opdrachtgever is voornemens drie chalets te bouwen op een braakliggend terrein aan de Duinrust 1A te Noordwijk. Voorafgaand aan deze ruimtelijke ingreep dient onderzocht te worden of de werkzaamheden leiden tot negatieve effecten op beschermde soorten, kwalificerende waarden van Natura 2000-gebieden in het kader van de Wet natuurbescherming (hierna Wnb) en/of effecten op wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland (hierna NNN). De opdrachtgever heeft IDDS gevraagd hiervoor een quickscan op te stellen om eventuele negatieve effecten op beschermde soorten en gebieden en benodigde vervolgstappen in het kader van de Wnb in beeld te brengen. Dit rapport presenteert de bevindingen van dat onderzoek. 1.2

Doel van het onderzoek

Het doel van de quickscan is te onderzoeken of: • In het plangebied beschermde plant- en diersoorten kunnen voorkomen; • Het plangebied een belangrijke functie voor beschermde plant- en diersoorten kan vervullen (bijvoorbeeld als essentieel foerageergebied, vliegroute, nest- of verblijfplaats); • De ingreep mogelijk een effect heeft op deze beschermde soorten; • De ingreep mogelijk een effect heeft op beschermde natuurgebieden (zoals Natura 2000-gebieden en NNN); • Door het treffen van mitigerende maatregelen negatieve effecten op beschermde planten diersoorten kunnen worden voorkomen; • Op basis van bovenstaande bevindingen nader onderzoek nodig is; en • Op basis van bovenstaande bevindingen mogelijk een ontheffing en/of vergunning nodig is. 1.3

Leeswijzer

In Hoofdstuk 2 wordt de opzet van het onderzoek toegelicht. Hoofdstuk 3 beschrijft de kenmerken van het plangebied en het planvoornemen. In Hoofdstuk 4 wordt dieper ingegaan op het onderdeel gebiedsbescherming van de Wnb. De resultaten van het bureau- en veldonderzoek in het kader van de soortbescherming worden in Hoofdstuk 5 beschreven. In Hoofdstuk 6 wordt de effectbeoordeling van de soortberscherming uiteen gezet en in Hoofdstuk 7 volgt het advies en mogelijke vervolgstappen in het kader van de soortbescherming. Ten slotte worden in Hoofdstuk 8 conclusies getrokken. Een overzicht van de gebruikte literatuur is terug te vinden in Hoofdstuk 9. De belangrijkste (verbods)bepalingen uit de Wnb staan in Bijlage I. Bijlage II geeft een aantal aanbevelingen weer voor natuurinclusief bouwen.

Opzet van het onderzoek In dit hoofdstuk wordt uiteengezet hoe het onderzoek is opgezet. Hierbij wordt het bureauonderzoek, het veldbezoek en de effectbeoordeling toegelicht. 2.1

Bureauonderzoek

Door middel van bronnen- en literatuuronderzoek wordt onderzocht welke beschermde flora en fauna in de omgeving van het plangebied recent zijn waargenomen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (hierna NDFF) van de afgelopen vijf jaar. Daarnaast wordt (vrij beschikbare) informatie geraadpleegd, zoals relevante verspreidingsatlassen en actuele websites (zie Hoofdstuk 9 voor de literatuurlijst). Hierbij wordt in een straal van drie kilometer rond het plangebied gekeken welke beschermde soorten voorkomen. Ook wordt de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden in kaart gebracht. Indien nodig worden gebiedsspecifieke documenten geraadpleegd om beschermde natuurwaarden in de directe omgeving van het plangebied in kaart te brengen. 2.2

Veldonderzoek

Tevens wordt een biotooptoets uitgevoerd. Dit betreft een veldbezoek met als doel een inschatting te maken van de ecologische kwaliteiten van het plangebied. De bevindingen van het bronnen- en literatuuronderzoek worden in het veld getoetst en indien nodig aangevuld. Op basis van de uitkomsten van het bureauonderzoek en de fysieke kenmerken van het plangebied, wordt een indicatie gegeven van het mogelijk voorkomen van beschermde flora en fauna en (beschermd) habitattype. Tijdens het veldbezoek wordt globaal geïnventariseerd welke biotopen, (beschermd) habitattype en welke (beschermde) soorten (mogelijk) in en in de directe omgeving van het gebied aanwezig zijn. Het kan zijn dat op het moment dat een biotooptoets wordt uitgevoerd, niet alle soorten zichtbaar zijn. Soorten zijn bijvoorbeeld alleen nachtactief of in een bepaalde periode van het jaar aanwezig. Daarom worden de eisen die soorten/soortgroepen aan hun leefomgeving stellen met betrekking tot vaste rust- en verblijfplaatsen, foerageergebieden en migratieroutes vergeleken en getoetst met de situatie in het veld. Op deze manier wordt het belang van het plangebied beoordeeld voor (beschermde) flora en fauna die niet zijn waargenomen gedurende de biotooptoets, maar desondanks toch kunnen voorkomen ter plaatse van het plangebied.

De resultaten van de biotooptoets betreffen uitsluitend waarnemingen binnen het plangebied en de invloedsfeer van de werkzaamheden. 2.3

Effectenbeoordeling

Gebiedsbescherming Op basis van de voorgenomen werkzaamheden, de resultaten van het veldbezoek en de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden, zoals Natura 2000-gebieden en NNN, wordt bepaald of mogelijk sprake is van negatieve effecten op beschermde gebieden. Indien negatieve effecten op voorhand niet uitgesloten kunnen worden, wordt aangegeven welke vervolgstappen (zoals aanvullende toetsing en/of vergunningsaanvraag) noodzakelijk zijn. Een stikstofberekening is geen onderdeel van dit rapport. Indien stikstofeffecten niet op voorhand uitgesloten kunnen worden, kan wel geadviseerd worden om een stikstofberekening op te (laten) stellen. Soortbescherming Op basis van de veldkenmerken van het plangebied en de verspreidingsgegevens van beschermde soorten, wordt beoordeeld voor welke beschermde soorten het plangebied van

betekenis kan zijn. Vervolgens wordt getoetst of de voorgenomen werkzaamheden kunnen leiden tot (negatieve) effecten op de potentieel aanwezige soorten. Bij deze toetsing wordt alleen gekeken naar de beschermde soorten uit de Wnb. Deze soorten hebben een Nederlandse of Europese bescherming. Indien (negatieve) effecten niet op voorhand uitgesloten kunnen worden, wordt in kaart gebracht welke verbodsbepalingen worden overtreden. Indien mogelijk worden mitigerende maatregelen benoemd om de effecten te voorkomen of te verzachten om te voldoen aan de Wnb. Indien mitigerende maatregelen niet mogelijk zijn, wordt aangegeven welke vervolgstappen (zoals nader onderzoek en/of ontheffingstraject) noodzakelijk zijn. Soorten die geen strikte bescherming genieten, worden dus niet meegenomen in deze toetsing. Deze soorten zijn zodanig algemeen in Nederland dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt door de meeste projecten. Bovendien geldt voor deze soorten, bij een ruimtelijke ontwikkeling, een vrijstelling van de verbodsbepalingen zoals weergegeven in artikel 3.10 van de Wnb. Wel geldt ten alle tijden de Zorgplicht op grond van artikel 1.11 van de Wnb.

Beschrijving van het plangebied en planvoornemen Hoofdstuk 3 bestaat uit een gedetailleerde beschrijving van het plangebied, evenals een omschrijving in wat voor omgeving het plangebied ligt. Tevens wordt een beschrijving van de voorgenomen plannen weergegeven. 3.1

Ligging en algemene beschrijving van het plangebied

In onderstaand figuur is een luchtfoto te zien van de ligging van het plangebied. Hierop is te zien dat het plangebied in een bungalowpark tegen de duinbossen aan ligt. De omgeving van het plangebied bestaat uit vakantieparken, wegen, straten, duinbossen, weilanden en bollenvelden.

Figuur 1: Onderzoeksgebied quickscan binnen het blauwe kader.

Het plangebied bestaat uit een perceel wat gebruikt wordt als opslag van materialen en deels braak ligt (Figuur 2). Op het terrein ligt een hoop grond en stapels met stenen. Binnen het plangebied staat het receptiegebouw met links daarvan een kleine speeltuin (Figuur 3). Aan het noordwesten grenst het plangebied aan een weg die twee meter hoger ligt. Het plangebied wordt aan de noordwest- en zuidwestzijde begrenst door een coniferenhaag.

Figuur 2: Het deels braakliggende terrein wat gebruikt wordt als opslag voor materialen.

Figuur 3: De receptie gezien vanaf het park.

3.2

Planvoornemen

De opdrachtgever is voornemens drie chalets te bouwen op een vakantiepark. Hiervoor worden geen bomen gekapt, maar wordt mogelijk wel aanwezig groen verwijderd. De omliggende hagen blijven behouden. De aanwezige speelplaats komt te vervallen en het perceel wordt voorzien van nieuwe aan te planten bomen en struiken. Daarnaast vinden geen werkzaamheden plaats aan waterlichamen. Figuur 4 geeft een impressie van de beoogde toekomstige situatie.

Figuur 4: Ontwerpschets van de beoogde toekomstige situatie.

Gebiedsbescherming In dit hoofdstuk wordt weergegeven welke beschermde natuurgebieden in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Op basis van de bureaustudie en het veldbezoek wordt bepaald of (negatieve) effecten op deze beschermde natuurgebieden op voorhand uitgesloten kunnen worden of vervolgonderzoek noodzakelijk is. 4.1

Ligging plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden

Het plangebied maakt geen deel uit van beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000gebieden, NNN, belangrijk weidevogelgebied of strategische reservering natuur. In onderstaande tabel zijn de afstanden tot de dichtstbijzijnde beschermde gebieden vermeld, dit wordt tevens weergegeven in Figuur 5. Aangezien de afstand tussen het plangebied en beschermde gebieden zeer klein is, wordt in Figuur 6 ingezoomd de afstand weergegeven. Het Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid kent de beschermde habitattypen duinheiden met struikhei, duindoornstruwelen, kruipwilgstruwelen, duinbossen, vochtige duinvalleien en galigaanmoerassen en habitatsoorten nauwe korfslak, kleine modderkruiper, meervleermuis en groenknolorchis. Deze habitattypen en -soorten zijn gevoelig voor de volgende effecten (Synbiosys, Alterra): verstoring door mechanische effecten, verandering dynamiek substraat, verdroging, verontreiniging en oppervlakteverlies. In Figuur 7 is een overzicht weergegeven van stikstof gevoelige habitattypen ten opzichte van het plangebied. Tabel 2: Afstanden tussen plangebied en beschermde gebieden. Beschermd gebied Natura-2000 gebied

Afstand tot het plangebied in meters 50 - Kennemerland-Zuid (zeer gevoelig voor stikstof) 4.650 - Coepelduynen (zeer gevoelig voor stikstof)

Natuur Netwerk Nederland (NNN)

80

Belangrijk weidevogelgebied

3.770

Strategische reservering natuur

750

Figuur 5: Ligging plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden.

Figuur 6: Ligging plangebied ingezoomd op de naastgelegen beschermde natuurgebieden.

Figuur 7: Ligging plangebied (rode cirkel) ten opzichte van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Bron: Aerius Calculator.

4.2

Effectbeoordeling gebiedsbescherming

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000gebied of het NNN. De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op aangewezen habitatsoorten. Daarnaast zijn verstorende effecten op habitattypen en -soorten, zoals trillingen, verdroging, verlichting en/of optische verstoring, door de ligging tussen bestaande bebouwing en de afstand tot het beschermd gebied uitgesloten. Binnen het plangebied is geen beschermde habitattype aanwezig. Wel ligt op korte afstand van het plangebied het beschermde habitattype duinbossen. Deze habitattypen en -soorten zijn gevoelig voor de volgende effecten (Synbiosys, Alterra): verstoring door mechanische effecten, verandering dynamiek substraat, verdroging, verontreiniging en oppervlakteverlies. Figuur 6 toont de gevoeligheid van de verschillende habitattypen en -soorten op de werkzaamheid ‘Woningbouw’. Gezien de kleinschaligheid van de werkzaamheden en dat het plangebied buiten het Natura 2000-gebied ligt, kunnen (negatieve) effecten op beschermde habitattypen en -soorten op voorhand worden uitgesloten. Effecten van stikstof op de Natura 2000-gebieden Kennemerland-Zuid, Coepelduynen en Meijendel & Berkheide zijn op voorhand niet uitgesloten.

Door IDDS wordt reeds een stikstofberekening uitgevoerd. De resultaten zijn ten tijde van deze rapportage nog niet bekend.

Figuur 8: De effecten op beschermde habitattypen en -soorten van Natura 2000-gebied ‘Kennemerland-Zuid’ op de werkzaamheid ‘Woningbouw’.

4.3

Deelconclusie gebiedsbescherming

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000gebied of het NNN. De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op aangewezen habitatsoorten. Effecten van stikstof op de Natura 2000-gebieden Kennemerland-Zuid, Coepelduynen en Meijendel & Berkheide zijn op voorhand niet uitgesloten. Door IDDS wordt reeds een stikstofberekening uitgevoerd. De resultaten zijn ten tijde van deze rapportage nog niet bekend.

Soortbescherming In dit hoofdstuk wordt per soortgroep weergegeven of en zo, ja, welke beschermde soorten mogelijk voorkomen binnen het plangebied, op basis van zowel het bureauonderzoek als het veldbezoek. Het veldonderzoek is op 24 maart 2023 uitgevoerd door deskundig ecoloog J. den Houdijker. In onderstaande tabel is een overzicht weergegeven van de weersomstandigheden tijdens het veldbezoek. Tabel 3: Weersomstandigheden tijdens veldbezoek (bron: Weeronline). Datum

Temperatuur (℃)

Overheersende windrichting (Bft)

Bewolking

Neerslag (mm)

24-03-2023

12

ZW 5

Overwegend zonnig

Geen

5.1 Amfibieën Bureauonderzoek Uit de bureaustudie is gebleken dat onderstaande soort in de directe omgeving van het plangebied voorkomen. Tabel 4: Waargenomen amfibieënsoort in de omgeving van het plangebied (Bron: NDFF). Soort (wetenschappelijke soortnaam) Rugstreeppad (Epidalea calamita)

Veldbezoek Binnen het plangebied is vergraafbare grond aanwezig (Figuur 9), welke de rugstreeppad kan gebruiken als winterhabitat. Echter ontbreekt in het plangebied en in de directe omgeving aan geschikt voortplantingswater of zomerbiotoop. Daarom kan de aanwezigheid van de rugstreeppad worden uitgesloten. Daarnaast liggen intensieve landbouwgrond, sloten en wegen tussen het plangebied en bekende waarnemingen, waardoor de soort ook niet wordt verwacht.

Figuur 9: Binnen het plangebied is vergraafbaar zand aanwezig wat de rugstreeppad als winterverblijfplaats zou kunnen gebruiken.

5.2 Broedvogels Bureauonderzoek Uit de bureaustudie is gebleken dat in de directe omgeving van het plangebied waarnemingen zijn gedaan van verschillende vogels met jaarrond beschermd nest (categorie 1 t/m 4). In de tabel hieronder wordt weergegeven om welke soorten het gaat. Tabel 5: Waargenomen vogelsoorten met jaarrond beschermd nest (categorie 1 t/m 4) in de omgeving van het plangebied (Bron: NDFF). Soort (Wetenschappelijke soortnaam)

Beschermingscategorie

Boomvalk (Falco subbuteo)

4

Buizerd (Buteo buteo)

4

Gierzwaluw (Apus apus)

2

Havik (Accipiter gentilis)

4

Huismus (Passer domesticus)

2

Ransuil (Asio otus)

4

Slechtvalk (Falco peregrinus)

3

Sperwer (Accipiter nisus)

4

Veldbezoek Binnen het plangebied is geen bebouwing aanwezig waar werkzaamheden aan plaatsvinden. De receptie heeft stalen dakshingles die ongeschikt zijn voor huismussen en gierzwaluwen om onder te broeden (Figuur 10). De shingles zitten direct op het dak gemonteerd, waardoor geen ruimte is voor vogels om onder te broeden. Wel zijn tijdens het veldbezoek huismussen ten noorden van het plangebied zingend waargenomen in meerder hagen (Figuur 11). Op het park zijn veel conifeerhagen aanwezig die afscheidingen vormen tussen de chalets. Deze hagen zijn onderdeel van de functionele leefomgeving van de huismus. De hagen in liggen echter buiten het plangebied en buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden (Figuur 12). De hagen rondom het plangebied komen niet te vervallen. In de bomen, struiken en hagen rondom het plangebied kunnen vogels zonder jaarrond beschermd nest broeden.

Figuur 10: De receptie heeft metalen shingles die ongeschikt zijn voor vogels om onder te broeden.

Figuur 11: In enkele hagen waren huismussen zingend aanwezig.

Figuur 12: De locatie van de hagen waarin huismussen zijn aangetroffen.

Boomvalk, buizerd, sperwer en havik worden niet binnen het plangebied verwacht door het ontbreken van kraaien- en eksternesten. Binnen het plangebied zijn geen hoge masten, gebouwen of kerktorens aanwezig waar de slechtvalk op kan broeden. Ten slotte wordt de ransuil uitgesloten door het ontbreken van geschikte bomen die als winterroestplaats kunnen dienen en het ontbreken van oude kraaien- en eksternesten die de ransuil gebruikt als nest. Tevens zijn er geen sporen (braakballen) aangetroffen van uilen. 5.3

Flora

Bureaustudie Uit de bureaustudie is gebleken dat onderstaande soorten in de directe omgeving van het plangebied voorkomen. Tabel 6: Waargenomen soorten beschermde flora in de omgeving van het plangebied (Bron: NDFF). Soort (Wetenschappelijke soortnaam) Bokkenorchis (Himantoglossum hircinum) Dreps (Bromus secalinus) Glad biggenkruid (Hypochaeris glabra) Kleine vlotvaren (alvinia natans) Stofzaad (Monotropa hypopitys)

Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn plantensoorten aangetroffen al grote ereprijs, ridderzuring, paarse dovenetel, zachte ooievaarsbek en winterpostelein (Figuur 13). Dit duidt op een matig voedselrijke bodem. Planten als bokkenorchis, glad biggenkruid en stofzaad komen allen op arme bodems voor en worden zodoende niet verwacht. Kleine vlotvaren wordt niet verwacht, aangezien binnen het plangebied geen waterlichaam aanwezig is. Dreps wordt niet verwacht, aangezien binnen het plangebied geen lichte grond (löss, leem of zavel) aanwezig is. Strikt beschermde plantensoorten worden zodoende niet verwacht.

Figuur 13: Tijdens het veldbezoek zijn plantensoorten aangetroffen al grote ereprijs, ridderzuring, paarse dovenetel, zachte ooievaarsbek en winterpostelein. Dit duidt op een matig voedselrijke bodem.

5.4

Libellen

Bureaustudie Uit de bureaustudie is gebleken dat in de directe omgeving van het plangebied onderstaande libellensoort voorkomt. Tabel 7: Waargenomen beschermde libellensoort in de omgeving van het plangebied (Bron: NDFF). Soort (Wetenschappelijke soortnaam) Gevlekte witsnuitlibel (Leucorrhinia pectoralis)

Veldbezoek Binnen het plangebied en de verstorende invloedsfeer van de werkzaamheden zijn geen waterlichamen aanwezig. Daarom kan de aanwezigheid van beschermde libellensoorten worden uitgesloten. 5.5

Reptielen

Bureaustudie Uit de bureaustudie is gebleken dat onderstaande reptielen in de directe omgeving van het plangebied voorkomen. Tabel 8: Waargenomen beschermde reptielensoorten in de omgeving van het plangebied (Bron: NDFF). Soort (Wetenschappelijke soortnaam) Hazelworm (Anguis fragilis) Zandhagedis (Lacerta agilis)

Veldbezoek Binnen het plangebied is geen geschikt biotoop aanwezig voor de hazelworm, namelijk

bosgebied op zandgrond. Binnen het plangebied is ook geen geschikt biotoop aanwezig voor de zandhagedis, namelijk heidegebied en duinstruwelen. Reptielen worden zodoende niet verwacht binnen het plangebied. 5.6

Vleermuizen

Bureaustudie Uit de bureaustudie is gebleken dat in de directe omgeving van het plangebied onderstaande vleermuissoorten voorkomen. Tabel 9: Waargenomen beschermde vleermuissoorten in de omgeving van het plangebied (Bron: NDFF). Soort (Wetenschappelijke soortnaam) Baardvleermuis (Myotis mystacinus) Brandts vleermuis (Myotis brandtii) Franjestaart (Myotis nattereri) Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus) Kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus) Laatvlieger (Eptesicus serotinus) Meervleermuis (Myotis dasycneme) Rosse vleermuis (Nyctalus noctula) Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Watervleermuis (Myotis daubentonii)

Veldbezoek Binnen het plangebied zijn geen geschikte opstallen of holtebomen aanwezig waar vleermuizen een verblijfplaats in kunnen hebben. De naastgelegen receptie heeft geen geschikte openingen in het dak of in de gevel, waardoor hier eveneens geen verblijfplaatsen worden verwacht. Verdere omliggende bebouwing is allemaal afgeschermd door middel van grote hagen, waardoor vrije aanvliegroute voor vleermuizen ontbreekt? Binnen het plangebied zijn geen uitgesproken lijnvormige landschapselementen aanwezig welke als vliegroute voor vleermuizen kunnen fungeren. De vegetatie in het plangebied kan een functie als foerageergebied voor vleermuizen vervullen. Echter wordt dit niet als essentieel gezien vanwege de geringe omvang en hoeveelheid alternatief in de directe omgeving. 5.7

Vlinders

Bureaustudie Uit de bureaustudie is gebleken dat onderstaande soorten in de directe omgeving van het plangebied voorkomen. Tabel 10: Waargenomen beschermde vlindersoorten in de omgeving van het plangebied (Bron: NDFF). Soort (Wetenschappelijke soortnaam) Aardbeivlinder (Pyrgus malvae) Bruine eikenpage (Satyrium ilicis) Duinparelmoervlinder (Argynnis niobe) Grote vos (Nymphalis polychloros)

Veldbezoek De aardbeivlinder heeft als waardplant tormentil en dauwbraam en komt voor in bloemrijke graslanden. Dit biotoop is niet aanwezig binnen het plangebied. De bruine eikenpage komt voor in eikenbossen op zandgrond. Dit biotoop is niet aanwezig binnen het plangebied. De duinparelmoervlinder heeft als waardplant diverse viooltjes in het duingebied. Dit biotoop komt niet voor binnen het plangebied. De grote vos heeft als waardplant hoge vrijstaande iepen, zoete kersen en wilgensoorten. Deze boomsoorten ontbreken binnen het plangebied. Daarnaast ontbreekt het in de directe omgeving aan geschikt biotoop, namelijk vochtige, open bossen, bosranden en boomgaarden met hoge vrijstaande bomen. Strikt beschermde vlindersoorten worden binnen het plangebied niet verwacht. 5.8

Zoogdieren

Bureaustudie Uit de bureaustudie is gebleken dat onderstaande soorten de directe omgeving van het plangebied voorkomen. Tabel 11: Waargenomen beschermde grondgebonden zoogdiersoorten in de omgeving van het plangebied (Bron: NDFF). Soort (Wetenschappelijke soortnaam) Boommarter (Martes martes) Damhert (Dama dama) Eekhoorn (Sciurus vulgaris)

Veldbezoek In het plangebied is geen geschikt habitat voor de boommarter, damhert en eekhoorn aanwezig. Binnen het plangebied ontbreekt bos, houtwallen en parkachtig landschap. Ook ontbreken holtebomen en eekhoornnesten. De aanwezigheid van strikt beschermde grondgebonden zoogdieren is daarmee uitgesloten. 5.9

Geen beschermde soorten waargenomen in de omgeving van het plangebied

Bureaustudie en veldbezoek Uit de bureaustudie is gebleken dat van de soortgroepen vissen en weekdieren, binnen een straal van 3 kilometer, geen beschermde soorten zijn waargenomen. Geschikt habitat voor deze soorten ontbreekt ook binnen het plangebied. Beschermde soorten van deze soortgroepen worden daarom binnen het plangebied niet verwacht. 5.10

Vrijgestelde soorten

In de omgeving van het plangebied zijn enkele soorten waargenomen waarvoor binnen de provincie Zuid-Holland een vrijstelling geldt. Het gaat hier om de volgende zoogdieren en amfibieën; bosmuis, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, woelrat, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Voor deze soorten geldt ten alle tijden de zorgplicht in het kader van de Wnb.

Effectbeoordeling In dit hoofdstuk wordt bepaald of de voorgenomen werkzaamheden een (negatief) effect kunnen hebben op de beschermde soorten die volgens het (bureau- en veld)onderzoek in de omgeving van het plangebied voor kunnen komen. Allereerst komen de soorten aan bod waarop een negatief effect niet uitgesloten kan worden. Vervolgens komen de soorten aan bod waar geen effect op verwacht wordt. 6.1

Beschermde soorten waar een effect op verwacht wordt

Onderstaande tabel geeft per soort(groep) weer of naar aanleiding van de voorgenomen werkzaamheden een effect te verwachten is. Tevens wordt weergegeven welk artikel en lid uit de Wnb potentieel overtreden wordt. Tabel 12: Onderstaande tabel geeft weer op welke soorten een negatief effect verwacht wordt naar aanleiding van de voorgenomen werkzaamheden en welk artikel en lid uit de Wnb potentieel overtreden wordt. Soort(groep)

Reden optreden mogelijke effecten

Artikel en lid Wnb

Vogels kunnen broeden in de bomen en struiken binnen en rondom het plangebied. De bomen staan binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Wanneer de werkzaamheden binnen het broedseizoen uitgevoerd worden en broedende vogels aanwezig zijn, worden broedende vogels verstoord. Negatieve effecten op broedende vogels kunnen daarom niet uitgesloten worden.

§3.1, lid 2 en 4

Broedvogels

Algemene broedvogels

6.2

Beschermde soorten waar geen effect op verwacht wordt

Onderstaande tabel geeft per soort(groep) weer welke soorten niet verwacht worden en/of op welke soorten geen negatief effect verwacht worden. Tabel 13: Onderstaande tabel geeft weer op welke soorten geen negatief effect verwacht wordt naar aanleiding van de voorgenomen werkzaamheden. Soort(groep) Reden van uitsluiten negatieve effecten Amfibieën

Rugstreeppad

Binnen het plangebied is geen geschikte combinatie aanwezig van zomerhabitat, winterhabitat en voortplantingswater. Ook in de directe omgeving ontbreekt het aan geschikt voortplantingswater. De rugstreeppad is binnen vijf kilometer van het plangebied waargenomen. Echter zijn onoverbrugbare barrières aanwezig, namelijk doorgaande wegen en het gehele vakantiepark zelf, tussen de bekende waarnemingen en het plangebied.

Broedvogels Boomvalk, buizerd, sperwer, havik

Horsten ontbreken binnen het plangebied. Ook zijn geen oude kraaien- of eksternesten aangetroffen in het plangebied. De directe omgeving is ook te druk bezocht door verkeer en voetgangers waardoor er bij het broeden te veel verstoring zou optreden.

Gierzwaluw

Binnen het plangebied zijn geen geschikte broedlocaties aanwezig, zoals ruimten onder dakgoten, losliggend dakpannen, gaten bij regenpijpen, gaten in muren en neststenen.

Huismus

Binnen het plangebied zijn geen geschikte broedlocaties aanwezig, zoals een toegankelijke dakrand, losliggende dakpannen en overige gaten en kieren in daken en schuren. Rondom het plangebied is wel functioneel leefgebied aanwezig in de vorm van coniferenhagen. Aan deze hagen vinden geen werkzaamheden plaats.

Ransuil

Binnen het plangebied zijn geen geschikte bomen (zeer dichte coniferen) die als winterroestplaats kunnen dienen. Tevens zijn geen sporen (braakballen) aangetroffen van uilen. Ook zijn geen oude kraai- of eksternesten aangetroffen in het plangebied.

Soort(groep)

Reden van uitsluiten negatieve effecten

Slechtvalk

Binnen het plangebied is geen geschikt broedbiotoop aanwezig, namelijk hoogspanningsmasten, hoge gebouwen of torens. Ook zijn geen oude kraaien- of eksternesten (op zeer hoge plaatsen) aangetroffen.

Flora

Bokkenorchis

Bokkenorchis groeit op zonnige tot half beschaduwde plaatsen op matig droge tot vochtige, voedselarme, kalkrijke, humushoudende grond (zand en mergel). In zeeduinen (laag duinstruweel en duin grasland), grasland (kalkgrasland en hooiland), bosranden, dijken en bermen. Deze biotoopeisen zijn binnen het plangebied niet aanwezig.

Dreps

Dreps groeit op zonnige, open plaatsen op matig droge, vrij kalkarme, matig voedselrijke, lichte grond (löss, leem en zavel), akkers (wintergraanakkers en speltakkers), langs spoorwegen (spoorwegterreinen), braakliggende grond, wegranden (open plekken in bermen van grote verkeerswegen), ruigten, ruderale plaatsen en stortterreinen. Deze biotoopeisen zijn binnen het plangebied niet aanwezig.

Glad biggenkruid

Glad biggenkruid groeit op zonnige, warme, open plaatsen, op droge, voedselarme, met name stikstofarme, zwak zure, kalkarme grond in akkers (graanakkers en akkerranden), zeeduinen (laag blijvend duingrasland), bermen (open plekken en pas ingezaaide bermen) en grasland (gazons). Deze biotoopeisen zijn binnen het plangebied niet aanwezig.

Kleine vlotvaren

Kleine vlotvaren groeit op zonnige, warme plaatsen in stilstaand of langzaam stromend, matig voedselrijk zoet water. Deze biotoopeisen zijn binnen het plangebied niet aanwezig.

Stofzaad

Stofzaad groeit op beschaduwde plaatsen op vrij vochtige tot droge, voedselarme, kalkhoudende grond. Vaak op plekken met nauwelijks andere ondergroei (zand, soms leem of mergel). Stofzaad parasiteert op de wortels van houtige planten. Deze biotoopeisen zijn binnen het plangebied niet aanwezig.

Libellen Gevlekte witsnuitlibel

Er vinden geen werkzaamheden plaats aan waterlichamen, waardoor negatieve effecten zijn uitgesloten.

Reptielen

Hazelworm

De hazelworm leeft in open bossen, bosranden, heide, houtwallen, struwelen, spoor- en wegbermen, kalkgraslanden, vestingwerken, steenhopen, ruderale plaatsen en tuinen in voornamelijk bos en heidegebied. Dit biotoop is aanwezig binnen het plangebied. Echter zijn tussen locaties met bekende waarnemingen en het plangebied barrières aanwezig in de vorm van meerdere doorgaande wegen, waardoor het plangebied niet te bereiken is voor de hazelworm. De hazelworm wordt daarom niet binnen het plangebied verwacht.

Zandhagedis

De zandhagedis leeft in open struikheideterreinen, open struweelduin en heidegebieden. Deze biotopen zijn niet aanwezig binnen het plangebied.

Vleermuizen

Bosvleermuis

Negatieve effecten op de bosvleermuis worden uitgesloten vanwege het ontbreken van potentiële verblijfplaatsen (zowel in gebouwen als in boomholtes). Verder zijn de twee bekende kolonies van de bosvleermuis in Nederland enkel bekend in boomholtes (enkele malen is een solitair mannetje in een gebouw aangetroffen) en in het oosten van het land.

Baardvleermuis, Brandts vleermuis

Negatieve effecten op baardvleermuis kunnen worden uitgesloten wegens het ontbreken van potentiële verblijfplaatsen. Zomerverblijfplaats: boomholtes, nest- of vleermuiskasten, zolders, de ruimte achtergevelbetimmering en vensterluiken van gebouwen. Winterverblijfplaats: voornamelijk ondergrondse ruimten als mergelgroeven, bunkers, forten, vestingwerken, oude steenfabrieken, ijskelders en (kasteel)kelders. Foerageergebied: bossen, bosranden en in kleinschalig gesloten landschappen.

Franjestaart

Negatieve effecten op de franjestaart kunnen worden uitgesloten wegens het ontbreken van potentiële verblijfplaatsen en wegens het ontbreken van bosrijkgebied met waterpartijen in de omgeving van het plangebied. Zomerverblijfplaats: boomholten en gebouwen (spleetvormige ruimte, zolders van kerken en boerderijen.

Soort(groep)

Reden van uitsluiten negatieve effecten Winterverblijfplaats: ondergrondse ruimten als forten, groeven, ijskelders en bunkers. Foerageergebied: bosrijkgebied met waterpartijen of waterrijke gedeelten. Langs en boven kleinschalige weilanden en akkers en in open veestallen.

Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger

Binnen het plangebied vinden geen werkzaamheden plaats aan gebouwen. Daarnaast worden geen holtebomen gekapt. Ook worden geen effecten op essentieel foerageergebied verwacht, omdat geen (groot) oppervlakte aan houtige begroeiing verwijderd wordt of waterpartij gedempt wordt. Negatieve effecten zijn daarom uitgesloten. Zomerverblijfplaats: boomholtes (met uitzondering van laatvlieger), onder dakpannen, onder dakranden, spouwmuren, gaten in muren en vleermuiskasten. Winterverblijfplaats: spouwmuren, spleten in gebouwen, zolders, onder dakpannen en dakranden. Foerageergebied: bosranden, heggen, lanen en waterlichamen.

Gewone grootoorvleermuis

Negatieve effecten op gewone grootoorvleermuis worden niet verwacht wegens het ontbreken van potentiële verblijfplaatsen. Tevens zorgt de aanwezigheid van straatverlichting en andere felle lichtbronnen voor teveel lichtverstoring voor deze zeer lichtgevoelige soort. Zomerverblijfplaats: zolders, achter betimmeringen, daklijsten, vensterluiken, spouwmuren, onder dakpannen, vleermuiskasten, boomholten en spleten. Winterverblijfplaats: overwinterd in de nabijheid van de zomerverblijfplaats. Foerageergebied: in de directe omgeving van de verblijfplaats op beschutte plekken in bos, langs bosranden, lanen en kleinschalig parkachtig landschap waarbij ze lijnvormige structuren als hagen, rietkragen en houtwallen volgen. Vanwege de beperkte reikwijdte van de echolocatie en gevoeligheid voor wind mogen de onderbrekingen in lijnvormige structuren niet te groot zijn.

Grijze grootoorvleermuis

De grijze grootoorvleermuis heeft een voorkeur voor droge, open gebieden en warme valleien. Zuid-Nederland vormt de noordelijke grens van het verspreidingsgebied. Deze biotopen zijn niet aanwezig en daarnaast ontbreken potentiële verblijfplaatsen binnen het plangebied. Tevens zorgt de aanwezigheid van straatverlichting en andere felle lichtbronnen voor teveel lichtverstoring voor deze zeer lichtgevoelige soort. Zomerverblijfplaats: zolders, achter betimmeringen, daklijsten, vensterluiken, spouwmuren, onder dakpannen, vleermuiskasten, boomholten en spleten. Kraamkolonies voornamelijk op (kerk)zolders. Winterverblijfplaats: overwinterd in de nabijheid van de zomerverblijfplaats. Foerageergebied: kleinschalig parkachtig landschap.

Meervleermuis

Negatieve effecten op de meervleermuis worden niet verwacht, aangezien in het plangebied geen geschikte verblijfplaatsen aanwezig zijn. Tevens zijn in de directe omgeving van het plangebied geen onverlichte waterlichamen aanwezig. Zomerverblijfplaats: vleermuiskasten en woonhuizen. Winterverblijfplaats: mergelgroeven, bunkers, forten, vestingwerken, oude steenfabrieken en kelders. Foerageergebied: groot open water en langs oevers van plassen, meren, kanalen, rivieren en vaarten. Boven vochtige weilanden binnen een straal van 500 meter van water.

Rosse vleermuis

Negatieve effecten op de rosse vleermuis worden niet verwacht, aangezien holtebomen ontbreken binnen het plangebied. Zomer- en winterverblijfplaats: boomholten. Foerageergebied: open terrein, boven water en moerassige gebieden.

Tweekleurige vleermuis

Negatieve effecten op de tweekleurige vleermuis worden niet verwacht wegen het ontbreken van hoge gebouwen binnen het plangebied. Winterverblijfplaats: grotten, kelders en spleten in hoge gebouwen. Foerageergebied: half open agrarisch gebied, boven water en open plaatsen in het bos (zowel tussen als boven de boomkruinen).

Vale vleermuis

Negatieve effecten op de vale vleermuis worden niet verwacht, aangezien een warme zolder ontbreekt binnen het plangebied. En holtebomen afwezig zijn binnen het plangebied. Zomerverblijfplaats: Kraamverblijven in warme (kerk)zolders, groeven en grotten. Solitair ook in kasten en boomholten.

Soort(groep)

Reden van uitsluiten negatieve effecten Winterverblijfplaats: grotten, groeven en kelders. In de winter vaak in grote groepen. Foerageergebied: open landschap met bomen, zoals parken, boven velden en weilanden, ook bij bebouwing. Prooi bestaat ook vooral uit bodemdieren.

Watervleermuis

Negatieve effecten op de watervleermuis worden niet verwacht, aangezien geen holtebomen aanwezig zijn binnen het plangebied. Zomerverblijfplaats: boomholten en spleten, maar ook kerkzolders, vleermuiskasten, bunkers en oude forten. Winterverblijfplaats: grotten, kalksteengroeven, oude steenfabrieken, bunkers, forten, vestingwerken en kelders. Foerageergebied: beschutte waterpartijen, of aan de beschutte kant van vijvers in landgoederen en parken, kastelen en visvijvers, smalle vaarten, langzaam stromende rivieren en beken.

Vlinders

Aardbeivlinder

De aardbeivlinder heeft als waardplant tormentil en dauwbraam. Deze planten zijn niet aanwezig binnen het plangebied. De vlinder komt voor in droge als vochtige terreinen met een afwisseling van lage en hoge vegetaties. Deze biotopen zijn niet aanwezig binnen het plangebied.

Bruine eikenpage

De bruine eikenpage heeft als waardplant eik, met name zomereik. De vlinder komt voor in bosranden, open bospaden, eikenhakhout, kapvlakten in eikenbossen en jonge eikenaanplant. Dit biotoop is niet aanwezig binnen het plangebied.

Duinparelmoervlinder

De duinparelmoervlinder heeft als waardplant duinviooltje en hondsviootlje. De vlinder komt voor in open duingraslanden, vochtige duinvalleien en open, droge, schrale graslanden en droge kruidenrijke heide. Deze waardplanten en biotopen zijn niet aanwezig binnen het plangebied.

Grote vos

De grote vos komt voor in vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. De grote vos heeft als waardplant; iep, zoete kers en wilgensoorten. Binnen het plangebied zijn geen waardplanten aanwezig van de grote vos. De grote vos is een trekvlinder en kan daarom overal opduiken. Waarnemingen van deze soort betreffen vaak losse waarnemingen van vlinders die op trek zijn.

Zoogdieren Boommarter

Binnen het plangebied is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk bos. Ook ontbreken holtebomen binnen het plangebied.

Damhert

Binnen het plangebied is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk; lichte loofbossen en gemengde bossen met een dichte ondergroei waar voldoende gras aanwezig is.

Eekhoorn

Binnen het plangebied is geen geschikt biotoop aanwezig namelijk; loofbos, naaldbos en gemengd bos of tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos. Ook zijn geen bomen holtebomen en eekhoornnesten aangetroffen binnen het plangebied.

Advies en vervolg soortbescherming In dit hoofdstuk wordt een advies gegeven betreffende de soortbescherming welke voortvloeit uit de bevindingen van het vorige hoofdstuk. Het gaat hierbij om soortgericht nader onderzoek waar mogelijk maatregelen uit volgen, mitigerende maatregelen waarvan al bekend is dat deze genomen moeten worden en zorgplichtmaatregelen. 7.1

Nader onderzoek

Naar aanleiding van de uitgevoerde quickscan is gebleken dat het plangebied geen potentieel leefgebied vormt voor beschermde soorten. Derhalve is het uitvoeren van nader ecologisch onderzoek niet noodzakelijk. 7.2

Mitigerende maatregelen

Vogels zonder jaarrond beschermd nest: diverse algemene broedvogels kunnen broeden in de bomen en struiken binnen het plangebied en binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Algemene vogelsoorten die broeden zijn gedurende deze tijd beschermd (grofweg van 15 februari tot 15 augustus, in gebruik zijnde nesten zijn ook buiten deze periode beschermd). Het advies luidt om de werkzaamheden buiten dit broedseizoen te laten plaatsvinden. Indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten, dient een broedvogelinventarisatie gedaan te worden door een deskundig ecoloog. Indien tijdens een broedvogelinventarisatie broedende vogels aanwezig zijn, moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest verlaten is. Zorgplicht: de Wnb kent een algemene zorgplicht. Dit betekent dat zorgvuldig met aanwezige planten en dieren moet worden omgegaan. Dit geldt ook voor algemeen voorkomende en vrijgestelde soorten zoals de huisspitsmuis, egel, bruine kikker en gewone pad. Daarom moeten de volgende maatregelen genomen worden: • Maai voorafgaand aan de werkzaamheden de vegetatie in het werkgebied kort. Hierdoor wordt het voor grondgebonden zoogdieren minder aantrekkelijk om te verblijven in deze zone tijdens de werkzaamheden. • Voer de werkzaamheden uit tussen zonsopgang en zonsondergang zodat vleermuizen en andere nacht actieve dieren niet verstoord worden.

• Indien werkzaamheden na zonsondergang onvermijdelijk zijn, beperk dan zoveel mogelijk het gebruik van licht op het terrein en maak gebruik van gerichte lichtbronnen waarbij de boven- en achterzijde afgeschermd zijn. Hierdoor worden vleermuizen en andere nacht actieve dieren niet verstoord. • Wees tijdens de werkzaamheden alert op de aanwezigheid van (beschermde) soorten en geef deze de tijd en ruimte om te vluchten. • Schakel steeds een deskundige in bij het aantreffen van (beschermde) soorten.

Conclusie en advies Dit hoofdstuk geeft de conclusie van de uitgevoerde onderzoeken met betrekking tot gebiedsbescherming en soortbescherming weer. Voor zowel de gebiedsbescherming als de soortbescherming wordt beschreven of vervolgstappen en/of het treffen van maatregelen noodzakelijk zijn. 8.1

Gebiedsbescherming

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000gebied of het NNN. De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN. Het plangebied ligt naast gebied met als beschermd habitattype duinbossen. Op dit habitattype worden geen significant verstorende effecten verwacht. Effecten van stikstof op de Natura 2000-gebieden Kennemerland-Zuid, Coepelduynen en Meijendel & Berkheide zijn op voorhand niet uitgesloten. Door IDDS wordt reeds een stikstofberekening uitgevoerd. De resultaten zijn ten tijde van deze rapportage nog niet bekend. 8.2

Soortbescherming

Naar aanleiding van de uitgevoerde quickscan kunnen de meeste soorten, die volgens verspreidingsgegevens voor kunnen komen in het plangebied, uitgesloten worden. Voor een aantal soorten geldt dat mitigerende maatregelen noodzakelijk is. Een overzicht hiervan is weergegeven in onderstaande tabel. Voor een nadere toelichting van het nader onderzoek en de mitigerende maatregelen verwijzen wij naar Hoofdstuk 7. Tabel 14: Overzicht van de onderzochte soort(groepen) en onderzoeksresultaten in relatie tot het vervolgtraject. Soortgroep

Soort (wetenschappelijke soortnaam)

Vervolgtraject

Amfibieën

Rugstreeppad (Epidalea calamita)

Nee

Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest

Diverse algemene soorten

Mitigerende maatregelen

Boomvalk (Falco subbuteo)

Nee

Buizerd (Buteo buteo)

Nee

Gierzwaluw (Apus apus)

Nee

Havik (Accipiter gentilis)

Nee

Huismus (Passer domesticus)

Nee

Ransuil (Asio otus)

Nee

Slechtvalk (Falco peregrinus)

Nee

Sperwer (Accipiter nisus)

Nee

Bokkenorchis (Himantoglossum hircinum)

Nee

Dreps (Bromus secalinus)

Nee

Glad biggenkruid (Hypochaeris glabra)

Nee

Kleine vlotvaren (Salvinia natans)

Nee

Stofzaad (Monotropa hypopitys)

Nee

Gevlekte witsnuitlibel (Leucorrhinia pectoralis)

Nee

Hazelworm (Anguis fragilis)

Nee

Zandhagedis (Lacerta agilis)

Nee

Broedvogels waarvan het nest jaarrond beschermd is (categorie 1 t/m 4)

Flora

Libellen Reptielen

Soortgroep

Vleermuizen

Vlinders

Zoogdieren

Soort (wetenschappelijke soortnaam)

Vervolgtraject

Baardvleermuis (Myotis mystacinus)

Nee

Brandts vleermuis (Myotis brandtii)

Nee

Franjestaart (Myotis nattereri)

Nee

Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)

Nee

Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus)

Nee

Kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus)

Nee

Laatvlieger (Eptesicus serotinus)

Nee

Meervleermuis (Myotis dasycneme)

Nee

Rosse vleermuis (Nyctalus noctula)

Nee

Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)

Nee

Watervleermuis (Myotis daubentonii)

Nee

Aardbeivlinder (Pyrgus malvae)

Nee

Bruine eikenpage (Satyrium ilicis)

Nee

Duinparelmoervlinder (Argynnis niobe)

Nee

Grote vos (Nymphalis polychloros)

Nee

Boommarter (Martes martes)

Nee

Damhert (Dama dama)

Nee

Eekhoorn (Sciurus vulgaris)

Nee

Literatuur en bronvermelding Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocumenten Soorten - Natuurbescherming, versie 1.0, 1 juli 2017, BIJ12, Utrecht Sovon Vogelonderzoek Nederland, december 2012. Notitie deskundigen bericht verstoring vogels

Internetbronnen www.bij12.nl www.calculator.aerius.nl www.floron.nl https://www.floravannederland.nl https://www.verspreidingsatlas.nl/vaatplanten www.ndff-ecogrid.nl www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/soortinventarisatieprotocollen www.ravon.nl www.sovon.nl www.synbiosys.alterra.nl www.telmee.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vlinderstichting.nl www.waarneming.nl www.zoogdiervereniging.nl

Bijlage I

Wet natuurbescherming

Wet natuurbescherming, Natura 2000-gebieden Algemeen Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Onder Natura 2000gebieden vallen de gebieden die op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn aangewezen/aangemeld. De Europese Unie heeft deze twee richtlijnen vastgesteld die zorg moeten dragen voor de bescherming van de belangrijkste Europese natuurwaarden: de Vogelrichtlijn uit 1979 en de Habitatrichtlijn uit 1992. Hoewel het om twee afzonderlijke richtlijnen gaat, worden ze vanwege hun overeenkomsten vaak in één adem genoemd. Men spreekt dan over de ‘Vogel- en Habitatrichtlijn’. De Europese Unie heeft alle Vogel- en Habitatrichtlijngebieden ondergebracht in een samenhangend netwerk ‘Natura 2000’. Bij de bescherming van Natura 2000-gebieden staan de habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en kwalificerende vogelsoorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden centraal. De wet biedt verschillende instrumenten om deze instandhoudingsdoelstellingen te realiseren: • Het treffen van instandhoudingsmaatregelen. • Het treffen van passende maatregelen om te voorkomen dat de kwaliteit van habitats verslechterd of soorten verstoord worden. • Beoordelingsplicht voor plannen, projecten en andere handelingen die kunnen leiden tot (significante) verslechtering of significante verstoring van Natura 2000-gebieden.

Voor projecten en andere handelingen geldt daartoe een vergunningplicht. Het is verboden zonder vergunning een project uit te voeren dat, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats of habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (art 2.7 lid 2). Wanneer het een project betreft dat niet direct verband houdt met, of nodig is voor het beheer van een gebied, en dat afzonderlijk of in cumulatie significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt de vergunning verleend nadat uit een passende beoordeling is gebleken dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast (art 2.7 lid 3 onder a en art 2.8 lid 1). Een uitzondering is een project dat een herhaling of voortzetting is van een ander project, of deel uitmaakt van een ander plan, waarvoor al een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling geen nieuwe gegevens op inzichten op kan leveren (art 2.8 lid 2). De vergunning voor een project wordt alleen verleend wanneer zeker is dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast en de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar worden gebracht, dit geldt ook voor externe werking 1.

Hiervan mag alleen worden afgeweken wanneer alternatieve oplossingen voor het project ontbreken en wanneer sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang. Bovendien moet voorafgaande aan het toestaan van een afwijking zeker zijn dat alle schade gecompenseerd wordt (de ADC-toets) (art 2.8 lid 4). Habitatrichtlijn De Habitatrichtlijn heeft tot doel bij te dragen aan het waarborgen van de biologische diversiteit door het in stand houden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (uitgezonderd vogels) op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop de richtlijn van toepassing is. De 1 De nadelige invloed van activiteiten buiten een Natura 2000-gebied op natuurwaarden binnen het Natura 2000-gebied.

richtlijn onderscheidt daarbij te beschermen gebieden en te beschermen soorten. Vogelrichtlijn De Vogelrichtlijn bestaat uit een lijst van zeldzame of bedreigde vogelsoorten. De leefgebieden en belangrijke overwinteringsgebieden voor deze soorten worden aangewezen als speciale beschermingszones (Vogelrichtlijngebieden). Wet natuurbescherming, Soorten Voor de soortbescherming geldt voor deze wet dat deze gericht is op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van deze soorten. De wet maakt hiervoor een programmatische aanpak mogelijk. Binnen deze wet wordt de soortbescherming opgedeeld in drie categorieën: 1. De bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogels van soorten die voorkomen in de EU als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten (art. 3.1 – 3.4). 2. De bescherming van in het wild levende dieren en planten van soorten die voorkomen in de EU op grond van de Habitatrichtlijn (Bijlagen I, II, IV, V) en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5 - 3.9). 3. De bescherming van niet onder de bovenstaande twee categorieën vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland, vermeld in de bijlage van de Wet natuurbescherming (art. 3.10 - 3.11).

Voor de zoogdier- amfibie- en reptielsoorten opgenomen in deze bijlage geldt geen Europese verplichting tot bescherming. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren een bescherming behoeven. De andere in de bijlage opgenomen soorten worden om ecologische redenen beschermd. Hiermee geeft Nederland uitvoering aan de algemene verplichting van het Biodiversiteitsverdrag om kwetsbare en bedreigde dier- en plantsoorten te beschermen. Verbodsbepalingen: Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Verbodsbepalingen: Artikel 3.5 1.

Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in Bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, Bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het

eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of Bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Uitbreiding verbodsbepalingen en mogelijkheid tot ontheffing of vrijstelling: Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a.

in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. t/m h. (niet van toepassing, zie wettekst). 3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Gedragscodes, ontheffingen en vrijstellingen Gedragscode De in het voorgaande beschreven verbodsbepalingen zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd volgens een door de minister van LNV vastgestelde gedragscode (art. 3.31 lid 1). Het moet dan gaan om handelingen die plaatsvinden in het kader van: • een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; • een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; • een bestendig gebruik; • ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.

Ontheffing Voor soorten waarvoor (in de betreffende provincie) geen vrijstelling geldt, moet wanneer niet volgens een gedragscode wordt gewerkt een ontheffing worden aangevraagd wanneer er een handeling wordt uitgevoerd waardoor een verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 of 3.10 van de Wnb wordt overtreden (art 3.3 lid 1,3; 3.8 lid 1,3, 3.10 lid 2). Of deze ontheffing kan worden verleend, hangt af of voldaan wordt aan de voorwaarden. De voorwaarden waaraan moet worden voldaan, verschillen per categorie. De eerste eis die wordt gesteld, is dat er geen andere bevredigende oplossing mag zijn. Dat

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Noordwijk&id=1762ac24-7681-4913-9f91-5e0bea5d9678