CConstaterende datNoordwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Quickscan Natuurwet - AVG

Gemeenteraadsvergadering 13 april 2021, gemeente NoordwijkBij agendapunt: Raadsvoorstel Ontwerpbestemmingsplan Julianastraat 50A4.209 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

2387 Quickscan Wet natuurbescherming – Julianastraat 50A, Noordwijk

RAPPORT Datum Kenmerk Auteur Vrijgave

: : : :

21-1-2020 19122387/REI/rap1

Opdrachtgever

:

Van Reisen Bouwmanagement & Advies 's-Gravendijckseweg 39 2201 CZ Noordwijk

Inhoud 1. 1.1 1.2 1.3

Inleiding ........................................................................................................................ 3 Aanleiding ...................................................................................................................... 3 Doel van het onderzoek ................................................................................................. 3 Leeswijzer ...................................................................................................................... 3

2. 2.1 2.2 2.3

Opzet en uitvoering van het onderzoek ..................................................................... 4 Bureaustudie .................................................................................................................. 4 Veldonderzoek ............................................................................................................... 4 Effectenbeoordeling ....................................................................................................... 4

3. 3.1 3.2

Beschrijving van het plangebied ................................................................................ 6 Ligging plangebied ten opzichte van beschermde gebieden en omgeving ................... 6 Algemene beschrijving van het plangebied ................................................................... 7

4. 4.1 4.2

Wettelijk kader .............................................................................................................. 8 Wet natuurbescherming, onderdeel soorten .................................................................. 8 Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland ...................................... 9

5. 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

Resultaten en effectenbeoordeling .......................................................................... 10 Vleermuizen ................................................................................................................. 10 Grondgebonden zoogdieren ........................................................................................ 11 Vaatplanten .................................................................................................................. 11 Vogels .......................................................................................................................... 12 Amfibieën en reptielen ................................................................................................. 13 Overige beschermde soorten....................................................................................... 14

6. 6.1 6.2 6.3 6.4

Effecten, verplichtingen en aanbevelingen ............................................................. 15 De zorgplicht zoals weergegeven in artikel 1.11 ......................................................... 15 De zorgplicht specifiek voor vogels in artikel 3.1 ......................................................... 15 Overzicht van onderzochte soortgroepen en onderzoeksresultaten ........................... 16 Aanbevelingen ............................................................................................................. 17

Literatuur en bronvermelding .................................................................................................. 19

1.

Inleiding

1.1

Aanleiding

In opdracht van Van Reisen Bouwmanagement & Advies is een flora- en faunaonderzoek uitgevoerd op de locatie Julianastraat 50A, te Noordwijk aan Zee. De voorgenomen plannen betreffen de sloop van alle opstallen in het plangebied en de realisering van nieuwbouw.

1.2

Doel van het onderzoek

Deze quickscan flora en fauna heeft ten doel de voorgenomen plannen te toetsen aan de huidige natuurwetgeving zodat duidelijk wordt welke maatregelen moeten worden getroffen om overtreding van deze wet te voorkomen. Het plangebied is onderzocht en beoordeeld op de aanwezigheid van en betekenis voor door de Wet natuurbescherming beschermde plant- en diersoorten. Indien overtreding niet kan worden vermeden, is in het onderhavige rapport aangegeven voor welke soorten en met welke onderbouwing ontheffing dient te worden aangevraagd. Indien aanvullend onderzoek noodzakelijk blijkt, kan op basis van de quickscan een gedegen planning daarvan worden gemaakt.

1.3

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 is de opzet van het onderzoek besproken en in hoofdstuk 3 wordt nader ingegaan op het plangebied. In hoofdstuk 4 is de reikwijdte en de doelstelling uit de Wet natuurbescherming beschreven. In hoofdstuk 5 worden conclusies getrokken uit de resultaten van het bureauonderzoek en het veldbezoek, waarna in hoofdstuk 6 de conclusies zijn samengevat. Tot slot worden in §6.4 aanbevelingen gedaan om de ecologische structuur in het gebied te verbeteren en staat in de bijlage een overzicht van de geraadpleegde literatuur.

2.

Opzet en uitvoering van het onderzoek

Het onderhavige flora- en faunaonderzoek bestaat uit twee onderdelen, te weten: een bronnenen literatuuronderzoek (bureaustudie) en een biotooptoets (veldbezoek). De biotooptoets is door een ecoloog uitgevoerd op 16 januari in de ochtend, bij windkracht zuidzuidoost 2, zonnig weer en 6°C.

2.1

Bureaustudie

Het bronnen- en literatuuronderzoek omvat een bureaustudie, waarbij kaarten zijn geraadpleegd (kenmerken van het landschap waarin het plangebied zich bevindt) en de reeds bekende verspreidingsgegevens van voorkomende beschermde soorten in de regio zijn geraadpleegd. In het bronnen- en literatuuronderzoek zijn het plangebied en het omliggende gebied in een straal van ongeveer 1,5 kilometer onderzocht. Er zijn diverse bronnen geraadpleegd om een beeld te krijgen van de verspreiding en mogelijk voorkomen van beschermde soorten in en rond het plangebied. Aan de hand van deze informatie is een inschatting gemaakt of de betreffende soorten in het plangebied voor zouden kunnen komen, gezien de habitatvoorkeur van de betreffende soorten. Een overzicht van de gebruikte literatuur is opgenomen in de literatuurlijst, die is opgenomen in de bijlage van deze briefrapportage.

2.2

Veldonderzoek

Naast een bureaustudie is een biotooptoets uitgevoerd. Dit betreft een veldbezoek met als doel een inschatting te maken van de ecologische kwaliteiten van het plangebied. De bevindingen van het bronnen- en literatuuronderzoek worden in het veld getoetst en indien nodig aangevuld. Op het moment dat een biotooptoets wordt uitgevoerd, zijn niet alle soorten zichtbaar aanwezig. Diersoorten zijn bijvoorbeeld alleen nachtactief of in een bepaalde periode van het jaar afwezig. Daarom zijn de eisen die soorten/soortgroepen aan hun leefomgeving stellen met betrekking tot vaste rust- en verblijfplaatsen, voedselgebieden en migratierouten vergeleken en getoetst met de situatie in het veld. Op deze manier is ook het belang van het plangebied beoordeeld voor flora en fauna die niet zijn waargenomen gedurende de biotooptoets, maar desondanks toch mogelijk kunnen voorkomen ter plaatse van het plangebied. De resultaten van de biotooptoets betreffen uitsluitend waarnemingen binnen het plangebied.

2.3

Effectenbeoordeling

Op basis van de veldkenmerken van het plangebied en de verspreiding van beschermde soorten, is beoordeeld voor welke beschermde soorten het plangebied van betekenis kan zijn. Bij deze toetsing is alleen gekeken naar de beschermde soorten uit de Wet Natuurbescherming. Deze soorten hebben een Nederlandse of Europese bescherming en moeten worden getoetst op voorkomen en effect. Wanneer effecten optreden of verbodsbepalingen worden overtreden, dan zijn er mogelijk maatregelen nodig om de effecten te voorkomen, verzachten of te compenseren om te voldoen aan de Wet Natuurbescherming.

Algemene soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing. Deze soorten zijn zodanig algemeen in Nederland dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt door de meeste projecten. Bovendien geldt voor deze soorten een vrijstelling van de verbodsbepalingen zoals weergegeven in artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet Natuurbescherming. Wel geldt de zorgplicht ex artikel 1.11.

3.

Beschrijving van het plangebied

3.1

Ligging plangebied ten opzichte van beschermde gebieden en omgeving

Het plangebied ligt in het centrum van Noordwijk aan Zee. Op de onderstaande kaart is te zien dat het plangebied geen deel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland. Het gebied maakt eveneens geen onderdeel uit van een ander beschermd gebied, zoals Natura 2000, belangrijk weidevogelgebied of strategische reservering natuur. Binnen een straal van 10 kilometer liggen de volgende Natura 2000-gebieden:

Tabel 1: Natura 2000-gebieden binnen een straal van 10 km van het plangebied

Natura 2000-gebied

Afstand tot plangebied [km]

Status stikstofgevoeligheid

Coepelduynen

0,7

Gevoelig tot zeer gevoelig

Kennemerland-Zuid

0,9

Gevoelig tot zeer gevoelig

Meijendel & Berkheide

6,0

Gevoelig tot zeer gevoelig

3.2

Algemene beschrijving van het plangebied

In het plangebied staan drie geschakelde opstallen, het bestaat uit twee garages en een schuur. De beide garages hebben een eerste verdieping en een niet afgetimmerde zolder. De dakpannen liggen op pannenlatten en zijn van binnenuit zichtbaar. Aan de achterzijde zijn in de loop der jaren schuren en zomerhuizen van daar gesitueerde woningen tegen de muur van beide garages aangebouwd. Deze muur blijft hierdoor behouden.

4.

Wettelijk kader

4.1

Wet natuurbescherming, onderdeel soorten

Voor soortenbescherming geldt voor deze wet dat deze gericht is op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van deze soorten. De wet maakt hiervoor een programmatische aanpak mogelijk. Binnen deze wet wordt de soortbescherming opgedeeld in drie categorieën: 1. De bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogels van soorten die voorkomen in de EU als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten (art. 3.1 – 3.4). 2. De bescherming van in het wild levende dieren en planten van soorten die voorkomen in de EU op grond van de Habitatrichtlijn (bijlagen I, II, IV, V) en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5 - 3.9). 3. De bescherming van niet onder de bovenstaande twee categorieën vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland, vermeld in de bijlage van de Wet natuurbescherming (art. 3.10 - 3.11). Voor de zoogdier- amfibie- en reptielsoorten opgenomen in deze bijlage geldt geen Europese verplichting tot bescherming. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren een bescherming behoeven. De andere in de bijlage opgenomen soorten worden om ecologische redenen beschermd.

Hiermee geeft Nederland uitvoering aan de algemene verplichting van het Biodiversiteitsverdrag om kwetsbare en bedreigde dier- en plantsoorten te beschermen. Verbodsbepalingen: Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Uitbreiding verbodsbepalingen en mogelijkheid tot ontheffing of vrijstelling: Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a.

in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet,

in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielend. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. t/m h. (niet van toepassing, zie wettekst). 3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.

4.2

Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland

Artikel 8.1 vrijstelling ten behoeve van bestendig beheer of onderhoud en de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. 1. De verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de wet, gelden niet bij de uitvoering van handelingen in het kader van: a. de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; (b,c,d niet van toepassing, zie wettekst) 2. De vrijstellingen, bedoeld in het eerste lid, gelden ten aanzien van de in bijlage 6 genoemde andere beschermde soorten: Aardmuis, Bastaardkikker, Bosmuis, Bruine kikker, Bunzing, Dwergmuis, Dwergspitsmuis, Egel, Gewone bosspitsmuis, Gewone pad, Haas, Hermelijn, Huisspitsmuis, Kleine watersalamander , Konijn, Meerkikker, Ree, Rosse woelmuis, Veldmuis, Vos, Wezel en Woelrat. Bovenstaande soorten zijn derhalve niet beschermd bij de voorgenomen werkzaamheden, wel geldt de zorgplicht.

5.

Resultaten en effectenbeoordeling

5.1

Vleermuizen

Resultaten bureauonderzoek Het plangebied heeft meerdere geschakelde opstallen waarin vleermuizen kunnen verblijven. De meest voorkomende gebouwbewonende vleermuissoort is de gewone dwergvleermuis (Pipistrelllus pipistrelllus). Andere soorten die voorkomen in Noordwijk zijn de ruige dwergvleermuis (Pipistrelllus nathusii), laatvlieger (Eptesicus serotinus), gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus), watervleermuis (Myotis daubentonii) en meervleermuis (Myotis dasycneme). Er zijn geen bomen in het plangebied aanwezig, waardoor de aanwezigheid van boombewonende soorten kan worden uitgesloten. Resultaten veldbezoek De opstallen zijn geïnspecteerd op plaatsen waar vleermuizen in kunnen verblijven. Enkele openingen zijn aanwezig. Al deze openingen zijn niet geschikt voor vleermuizen. Zie onderstaande foto’s.

In de bedrijfsgebouwen zijn geen voor vleermuizen geschikte openingen gevonden. Het gebouw heeft geen open stootvoegen. In het plangebied is nauwelijks groen aanwezig, waardoor het waarschijnlijk geen essentiële functie als foerageergebied heeft. Bovendien wordt de footprint hetzelfde als nu en blijft het mogelijk voor vleermuizen om het gebied als foerageergebied te gebruiken in de toekomst. De gebouwen maken geen onderdeel uit van een lijnvormig element. Conclusie vleermuizen Geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen zijn in het plangebied niet aanwezig. Het gebied maakt geen deel uit van een lijnelement en wordt daardoor niet gebruikt als vaste vliegroute van vleermuizen. Als foerageergebied heeft het plangebied nauwelijks een functie, welke bovendien blijft behouden. Op basis van het bovenstaande is het uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten hebben op vaste rust- en/of verblijfplaatsen en vaste vliegroutes van vleermuizen.

5.2

Grondgebonden zoogdieren

Resultaten bureauonderzoek Op basis van verspreidingsgegevens kunnen bunzing (Mustela putorius), wezel (Mustela nivalis), hermelijn (Mustela erminea) en steenmarter (Martes foina) voorkomen in het plangebied. Ze zijn niet gebonden aan een bepaald landschapstype maar hebben een voorkeur voor een kleinschalig (cultuur-) landschap. Een vereiste is wel dat er voldoende dekking aanwezig is, bijvoorbeeld in de vorm van bosschages, houtstapels of heggen. De soorten komen ook wel voor in een groene bebouwde omgeving. Als verblijfplaats gebruiken ze onder meer houtstapels, oude holen van muizen, ratten en konijnen. Voor bunzing, hermelijn en wezel hoeft in Zuid-Holland geen ontheffing te worden aangevraagd. De steenmarter (Martes foina) is bezig met een opmars naar het westen van Nederland. Tijdens het veldbezoek moet worden vastgesteld of het biotoop in het plangebied geschikt is voor deze soort. Resultaten veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen zoogdieren of sporen van beschermde zoogdieren waargenomen. Er is geen mogelijke schuilplaats voor een steenmarter waargenomen. Verblijfplaatsen van beschermde grondgebonden zoogdieren zijn niet waargenomen. Foerageergebied en dekking zijn in het plangebied niet aanwezig. Conclusie grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten zoogdieren aangetroffen. Er is geen verblijfplaats voor een steenmarter gevonden.

Foerageergebied en dekking zijn in het plangebied niet aanwezig. Het plangebied biedt geen geschikt biotoop voor beschermde zoogdieren. Voor eventueel aanwezige algemene zoogdieren geldt de zorgplicht (zie §6.1).

5.3

Vaatplanten

Resultaten bureauonderzoek Noordwijk is uitstekend onderzocht op planten. Van de beschermde soorten in de Wet Natuurbescherming zijn slechts 4 soorten ooit in de regio van Noordwijk aangetroffen. Stofzaad, voor het jaar 2000 op enkele plaatsen in de Noordduinen. Glad biggenkruid, eenmaal gevonden

bij De Zilk en eenmaal in het Langeveld. Ruw parelzaad, rond 1990 bij de Nieuweweg (Hillegom) en Kluwenklokje enkele keren in een wegberm, verwilderd vanuit een tuin. Op basis van de meest recente verspreidingsgegevens kan de aanwezigheid van beschermde soorten vaatplanten worden uitgesloten. Resultaten veldbezoek Beschermde vaatplanten zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. Geconstateerd is dat het biotoop, dat geheel verhard en bebouwd is, hiervoor ongeschikt is. Conclusie vaatplanten Geconcludeerd kan worden dat de aanwezige vaatplanten geen beschermde status hebben en ontwikkelingen niet in de weg staan.

5.4

Vogels

Resultaten bureauonderzoek In de verspreidingsgegevens worden over de afgelopen drie jaar meerdere vogelsoorten genoemd. Huismus (Passer domesticus), gierzwaluw (Apus apus) en andere soorten waarvan het nest jaarrond beschermd is, worden gemeld in Noordwijk. Bebouwing is aanwezig waardoor geschikte invliegopeningen aanwezig kunnen zijn voor gierzwaluw of huismus. Huismussen en gierzwaluwen zijn in tellingen die in Noordwijk aan Zee hebben plaatsgevonden nooit waargenomen in het plangebied. Resultaten veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen vogels waargenomen. Jaarrond beschermde nesten zijn niet gevonden in het plangebied en binnen de verstorende invloed van de werkzaamheden. Er is voor beide soorten geen ruimte achter de dakpannen. Conclusie vogels Het plangebied heeft geen functie voor broedvogels waarvan het nest jaarrond beschermd is. In het gebied zijn geen (overblijfselen van) jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Huismussen zijn in het gebied of binnen de verstorende invloedsfeer daarvan, niet gesignaleerd. Daarom doet het plangebied geen dienst als (essentiële) foerageerplaats of schuilplaats voor huismussen. Voor gierzwaluw zijn, net als voor huismus, geen invliegopeningen aanwezig. Het plangebied heeft wellicht wel een functie voor algemene broedvogels, middels de heg van klimop.

Geadviseerd wordt om voor het broedseizoen het groen op de binnenplaats van het plangebied te verwijderen. Indien het plangebied op deze manier voor het broedseizoen (half maart 2020) ongeschikt is gemaakt voor broedvogels, zullen geen vogels meer in het plangebied gaan broeden en kunnen de werkzaamheden in het broedseizoen worden aangevangen. Indien geen maatregelen worden genomen en er wordt gestart in het broedseizoen, dan moet door een ecoloog voorafgaand aan de werkzaamheden worden nagegaan of verstoring van broedvogels plaatsvindt.

5.5

Amfibieën en reptielen

Resultaten bureauonderzoek Wat betreft in Zuid-Holland beschermde amfibieën komt in Noordwijk alleen de rugstreeppad (Epidalea calamita) voor. Rugstreeppadden zijn warmteminnend en komen daarom vooral voor in gebieden waarvan de bodem vaak sterk opwarmt en waarin ze kunnen graven. Water dat snel opwarmt moet eveneens in de buurt zijn. De aanwezigheid van deze soort kan daarom op basis van biotoop op voorhand worden uitgesloten. De aanwezigheid van reptielen, in Noordwijk komt zandhagedis voor, kan op basis van biotoop op voorhand worden uitgesloten. Resultaten veldbezoek Amfibieën zijn niet waargenomen. Het plangebied beschikt niet over watergang. Poeltjes of plaatsen waar regenwater kan blijven staan wat dienst kan doen als voortplantingswater zijn niet aanwezig in of nabij het plangebied. Los zand voor rugstreeppad om zich in te graven voor de winter is niet aanwezig, want het gehele plangebied is verhard. Geconstateerd is dat het plangebied geen geschikt biotoop voor rugstreeppad vormt. Conclusie amfibieën en reptielen Beschermde amfibieën en reptielen kunnen op basis van biotoop worden uitgesloten. Algemene soorten kikkers worden gezien het biotoop, geen water, eveneens niet verwacht aanwezig te zijn.

Vanwege de afwezigheid van de beschermde rugstreeppad en andere amfibieën en reptielen zijn nader onderzoek naar het voorkomen van rugstreeppad en maatregelen met betrekking tot rugstreeppad en andere amfibieën en reptielen niet noodzakelijk.

5.6

Overige beschermde soorten

Resultaten bureauonderzoek De soortgroep vissen is niet onderzocht, omdat watergang ontbreekt. De verschillende soorten libellen, vlinders, insecten en andere ongewervelden die vermeld worden in de Wet natuurbescherming zijn aanwezig in een ander verspreidingsgebied en biotoop dan het plangebied. Meldingen van deze soorten in het plangebied zijn er niet, het verspreidingsgebied ligt buiten het plangebied. Uitzondering hierop vormt de nauwe korfslak, die in deze regio is waargenomen in specifiek biotoop in de Amsterdamse Waterleiding Duinen. Resultaten veldbezoek Tijdens het veldbezoek is vastgesteld dat het biotoop ongeschikt is voor beschermde soorten libellen en vlinders, vanwege het ontbreken van poeltjes of specifieke waardplanten. Voor nauwe korfslak is het gebied ongeschikt, vanwege het ontbreken van het juiste biotoop. Conclusie overige beschermde soorten Met beschermde ongewervelde diersoorten hoeft op grond van biotoop en verspreidingsgegevens geen rekening gehouden te worden.

6.

Effecten, verplichtingen en aanbevelingen

Uit bureaustudie en biotooptoets is naar voren gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen worden aangetast van in de Wet natuurbescherming beschermde soorten. Eveneens is het plangebied ongeschikt biotoop voor beschermde soorten. Het is mogelijk dat vogels in het plangebied gaan broeden wanneer de klimop niet tijdig wordt verwijderd. Zie dan §6.2. De zorgplicht van de Wet natuurbescherming is altijd van toepassing. Hieronder wordt geadviseerd hoe aan deze zorgplicht invulling kan worden gegeven.

6.1

De zorgplicht zoals weergegeven in artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.

Zodra een in het wild levend dier wordt aangetroffen tijdens de werkzaamheden kan deze worden gevangen en direct worden overgeplaatst naar een geschikte habitat in de nabijheid van het plangebied.

6.2

De zorgplicht specifiek voor vogels in artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Wanneer de klimop niet is verwijderd voor aanvang van de werkzaamheden en wanneer deze

starten binnen het broedseizoen, mogen deze pas uitgevoerd worden indien vooraf door een deskundig ecoloog is vastgesteld dat geen verstoring van broedvogels zal plaatsvinden. Tot de mogelijkheden behoort aanvangen voor het broedseizoen en doorwerken met continue verstoring tijdens het broedseizoen, zodat vogels niet tot broeden komen. Eveneens is het mogelijk in het broedseizoen te starten als het gehele gebied ongeschikt is gemaakt voor broedvogels, middels verwijderen van de klimop (zie boven). 6.3

Overzicht van onderzochte soortgroepen en onderzoeksresultaten

Tabel 2: Onderzoeksresultaten naar soortgroep

Soort(groep)

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Ontheffing

Bijzonderheden / opmerkingen

Vleermuizen

Nee

Nee

Nee

Geen verblijfplaatsen aanwezig, het plangebied heeft geen essentiële functie voor vleermuizen.

Grondgebonden zoogdieren

Nee

Nee

Nee

Geen beschermde soorten aanwezig.

Vogels

Nee*

Nee

Nee

Indien de klimop wordt verwijderd, dan dient dit voor aanvang broedseizoen te gebeuren. Anders dient vastgesteld te worden dat hier geen broedvogels inzitten, voorafgaand aan de werkzaamheden.

Amfibieën en reptielen

Nee

Nee

Nee

Geen beschermde soorten aanwezig.

Vaatplanten

Nee

Nee

Nee

Geen beschermde soorten aanwezig.

Overige soorten

Nee

Nee

Nee

Geen beschermde soorten aanwezig.

Geadviseerd wordt om de onderzoeksresultaten voor te leggen aan het bevoegd gezag om na te gaan of zij kunnen instemmen met de onderzoeksresultaten en bovengenoemde conclusies.

6.4

Aanbevelingen

Naast de consequenties die voortkomen uit de Wet natuurbescherming geven wij in relatie tot de voorgenomen nieuwbouw de volgende aanbevelingen met als doel de ecologische structuren in de omgeving te versterken. Voor vleermuizen zouden open stootvoegen aangebracht kunnen worden in muren, of vleermuiskasten kunnen worden geplaatst in de spouw of tegen de muur op >2,5 meter hoogte in nieuw te bouwen woningen. Eveneens kunnen vleermuisstenen worden ingemetseld (foto links boven). Zie literatuurlijst voor vermelding naar brochure vleermuisvriendelijk bouwen.

Er kunnen neststenen worden aangebracht ten behoeve van huismussen en gierzwaluwen (foto's rechtsboven en links midden). Deze beschermde soorten verliezen steeds meer nestmogelijkheden. Voor huismussen blijken uit onderzoek zogenaamde mussenvides (onderste foto's hierboven) uitstekend te functioneren als nestplaats. Deze zijn gemakkelijk en relatief goedkoop in te bouwen in nieuwe woningen. Huismussen hebben schuilplaatsen in de directe omgeving van het nest nodig. Hiervoor kunnen bomen en/of struiken worden aangeplant. Een kleine plaats waar een zandbad genomen kan worden door de huismus moet ook aanwezig zijn. Het planten van bomen en struwelen voor vogels en vleermuizen verdient aanbeveling. Het beste zijn, ecologisch gezien, inheemse bes- en bloemdragende struiken en planten. Een haag van meidoorn, lijsterbes en liguster langs de rand van het plangebied zorgt voor schuil- en foerageermogelijkheden voor vele soorten dieren. Checklist groen bouwen Verstedelijking draagt bij aan het verlies van biodiversiteit, maar de bouw biedt ook kansen. Voor sommige dieren zijn onze steden en dorpen zelfs het belangrijkste leefgebied. Daar kan iedereen een steentje aan bijdragen. Met de Checklist Groen Bouwen (https://www.checklistgroenbouwen.nl/) kan iedere bouwonderneming, architect of projectontwikkelaar zijn projecten en ontwerpen natuurvriendelijker maken.

Het beantwoorden van enkele simpele ja/nee vragen leidt tot eenvoudige soortbeschermingsmaatregelen.

Literatuur en bronvermelding

Atlas van de Nederlandse vleermuizen, Limpens e.a. KNNV 1997 Bats of Britain and Europe, C. Dietz en A. Kiefer, Bloomsbury 2016 www.vleermuis.net, voor up-to-date kennis van vleermuizen Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0, juli 2017, BIJ12 Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON)(Redactie) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland Kennisdocument Rugstreeppad, Bufo calamita, Versie 1.0, juli 2017, BIJ12 Kennisdocument Zandhagedis, Lacerta agilis, juli 2017, BIJ12 Stichting RAVON: www.ravon.nl Nederlandse Oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Weeda e.a. 1985-1994 Verspreidingsatlas planten. 13 mei 2014, http://www.verspreidingsatlas.nl/planten Natuurgids voor de Duin- en Bollenstreek, Vereniging voor Natuur- en Vogelbescherming Noordwijk, 2000 Tussen tulpen en de zee, Vereniging voor Natuur- en Vogelbescherming Noordwijk, 2011 Een nieuwe wet voor de natuur: Wet Natuurbescherming, artikel uit De Strandloper 48e jaargang nummer 3, juni 2016, J. van Dijk Van Aardakker tot Zwanenbloem, Flora van de Duin- en Bollenstreek, J. Van Dijk et al, 2018 Vereniging voor Natuur- en Vogelbescherming Noordwijk Twintig jaar Gierzwaluwen inventariseren in Noordwijk, H. Verkade, LIMOSA 88 (2015): 164172 Sovon Vogelonderzoek Nederland: www.sovon.nl Vereniging Vogelbescherming: www.

vogelbescherming.nl Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep, Ministerie van LNV, 2009 Atlas van de Nederlandse Zoogdieren, Zoogdiervereniging 2016, S. Broekhuizen et al. Stichting Anemoon: http://www.anemoon.org/projecten/natura2000/soortprofielen/nauwekorfslak

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Noordwijk&id=db396c96-dc7d-4e8b-983b-bcc94366dbaf