Beschouwing Minimanota Gemeente Noordwijk (DEF)
Tekst van het document
Beschouwing nota minimabeleid gemeente Noordwijk 2021 - 2024 Een kwalitatieve beschouwing
Lectoraat Armoede Interventies / Amsterdams Kenniscentrum voor Maatschappelijke innovatie 2021
Auteurs Jonathan Broekhuizen, MSc (Onderzoeker) Dr. Roeland van Geuns (Lector)
Afdeling Lectoraat Armoede Interventies / Amsterdams Kenniscentrum voor Maatschappelijke innovatie
Date 19 maart 2021
Projecttype Kwalitatieve beschouwing
Versie Definitieve versie
© 2021 Copyright Hogeschool van Amsterdam Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door print-outs, kopieën, of op welke manier dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de Hogeschool Amsterdam.
Aanleiding en opdracht De Gemeente Noordwijk streeft naar een volwaardige deelname aan de samenleving van al haar inwoners. Maar allerlei redenen – economische en sociale – kunnen ertoe leiden dat voor mensen uitdagend kan zijn. Effectief armoedebeleid is een essentieel onderdeel van breed beleid dat burgers helpt te participeren in de samenleving. Armoedebeleid is echter een toolbox, het is een verzameling van diensten en middelen die samen impact creëren. Een doordachte keuze van gereedschappen is daarom essentieel. Het lectoraat Armoede Interventies van de Hogeschool van Amsterdam bestaat sinds 2012, met de primaire taak om op basis van wetenschappelijke inzichten overheden en maatschappelijke organisaties te ondersteunen bij het ontwikkelen, implementeren en evalueren van armoede-interventies. Daarmee draagt het Lectoraat ook bij aan het kennisbestand van bewezen-effectieve programma’s en methodieken in eerste instantie voor uitvoerders, maar ook voor beleidsmakers. In recente jaren vervult het Lectoraat daarom ook steeds vaker een adviesrol aan o.a. gemeenten, maatschappelijke organisaties en goede doelen in de vertaling van beleid naar praktijk. De Gemeente Noordwijk heeft het Lectoraat Armoede Interventies van de Hogeschool van Amsterdam gevraagd mee te denken in de formulering van haar nieuwe nota over minimabeleid.
Na verkennende gesprekken is er besloten dit in te vullen via een beknopte handreiking bestaande uit twee delen: 1. Een kwalitatieve beschouwing, waarbij de nota wordt afgezet tegen meest recente wetenschappelijke inzichten op het gebied van armoedebestrijding; 2. Aanbevelingen voor doorontwikkeling.
3
Managementsamenvatting De vier speerpunten zoals beschreven in de huidige nota hebben over het geheel bekeken een solide wetenschappelijke onderbouwing. Met de vertaling hiervan naar de praktijk zet de gemeente Noordwijk een duidelijke stap voorwaarts in haar armoedebeleid. -
Speerpunt 1 ‘Volwaardig deelnemen’ stelt een verhoging in toelagen van enkele componenten binnen de regeling voor, evenals een veruiming van toelatingscriteria. Daarnaast worden ouders keuzevrijheid gegeven voor welke schoolkosten de schoolkostenregeling wordt ingezet. Deze acties hangen samen met een verhoogde mate van effectiviteit, zoals beschreven in de wetenschappelijke literatuur. Het bereik van de regeling is tot nog toe relatief laag. De nota beschrijft een aantal actielijnen ter vergroting van het bereik. Hierbij kan de gemeente gebruik maken van de MAST-principes om communicatie effectiever te maken, zoals beschreven in onderdeel 3.1.2 van deze beschouwing.
-
Speerpunt 2 ‘Ontwikkelen’ biedt een noodzakelijk maar niet per definitie voldoende aanpak, omdat de huidige arbeidsmarkt vaak niet voorziet in het bieden van fulltime werk voor minima. Aanbeveling 2 formuleert tevens handvatten ten aanzien van interventies gericht op de vroege ontwikkeling van kinderen in minimahuishoudens, een belangrijk onderdeel van het doorbreken van intergenerationele armoede.
-
In speerpunt 3 ‘Ruimte en grip’ geeft de nota een gedegen overzicht van relevantie theorieën en methodieken, met name ten aanzien van recente wetenschappelijke inzichten rondom de psychologie van armoede. Aanbeveling 1 formuleert handvatten voor een effectieve vertaling hiervan naar de praktijk.
-
Speerpunt 4 ‘Met elkaar’ is een welkome toevoeging aan deze nota, daar armoede sterk interacteert met sociale exclusie terwijl dit in de praktijk soms onderbelicht blijft. Naast participatie en vertegenwoordiging in besluitvormingsprocessen is het ook relevant hierbij actie te nemen binnen de leefgebieden van minima, zoals door ‘kwartiermaken’.
De beschouwing geeft twee aanbelevingen voor doorontwikkeling: Aanbeveling 1 stelt een doorontwikkeling voor op meer laagdrempelig contact met de burger. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van outreachend werken. Aanbeveling 2 stelt een doorontwikkeling voor op het doorbreken van intergenerationele armoede door te investeren in methoden ter bevordering van de ouder-kind-relatie en vroege ontwikkeling van kinderen. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van mobility mentoring.
4
Beschouwing Het toetsingskader voor deze beschouwing is gebaseerd op de OESO-DAC criteria.1 1. Zijn de voorzieningen bewezen-effectief? (Effectiviteit) 2. Bereiken de voorzieningen de doelgroep? (Bereik/ Relevantie) 3. Hoe goed passen de voorzieningen? (Coherentie)2 De voorstellen in de nota zijn afgezet tegen meest recente wetenschappelijke inzichten. De beschouwing volgt de opzet van de vier speerpunten in de nota.
3.1
Speerpunt 1. Volwaardig deelnemen
Onder het speerpunt ‘volwaardig deelnemen’ vallen de volgende acties: - De Doe Mee Regeling, een scala aan tegemoetkomingen, financieel of in natura, voor huishoudens met kinderen evenals volwassenen vanaf 18 jaar. - Communicatie over de Doe Mee Regeling middels geadresseerde mailing - Inzetten van sleutelfiguren en organisaties voor het bereiken van inwoners met een nietWesterse achtergrond. 3.1.1 Effectiviteit Aanvullende inkomensregelingen vormen de basis van het palet aan armoedebestrijdingsvoorzieningen. Op basis van de vele onderzoeken die de afgelopen jaren zijn uitgevoerd op dit terrein is veel inzicht verworven in de werkzame bestanddelen van deze regelingen. Uit deze studies komen met name drie onderdelen die sterk samenhangen met effectiviteit: (i) hoogte van de toelagen, (ii) in geld of natura en (iii) (on)voorwaardelijkheid van besteding.3 Het komt veel voor dat nieuwe regelingen starten met een relatief lage toelage en vrij afgebakende toelatingscriteria waar deze over tijd worden uitgebreid. Dit is consistent met de huidige nota. Het voorstel de regelingen niet te indexeren is daar niet consistent mee.
Daarnaast vindt er een langzame verschuiving plaats in het armoedediscours, gesteund door wetenschappelijk onderzoek, van toelagen in natura of in geld onder voorwaarden, naar toelagen in geld zonder voorwaarden.4 Hoewel hier nog belangrijke vragen onbeantwoord zijn, zijn er steeds meer gemeenten die hybride instrumenten creëren. Dit is consistent met het voorstel in de nota om ouders keuzevrijheid te geven voor welke schoolkosten de schoolkosten-regeling wordt ingezet. 3.1.2 Bereik Uit de analyses van de Armoedemonitor 2019 blijkt dat de Doe Mee Regeling een bereik heeft van 17% bij de doelgroep, dat zijn 161 huishoudens (ref). In vergelijkbare gemeenten ligt dit rond de 40%. De monitor biedt als mogelijke verklaring dat de regeling niet breed gecommuniceerd is. In de huidige nota zijn daarom acties voorgesteld om het bereik te vergroten. Verscheidene recente publicaties laten echter zien dat kennis zich niet direct vertaalt naar handelen.5 Hieronder liggen verscheidene bewuste en onbewuste psychologische factoren, waarvan motivatie, zelfbeeld en schaarste de belangrijkste zijn.6 Om rekening houdend met deze factoren toch effectief te (kunnen) zijn heeft het Britse Behavioural Insights Team vier principes gedestilleerd uit veel effectiviteitsonderzoek, in het Nederlands aangeduid met het acroniem MAST: Makkelijk, Aantrekkelijk, Sociaal en Tijdgebonden.
7 Het lectoraat Armoede Interventies heeft een publicatie geschreven waarin alle bovenstaande inzichten, aangevuld met good practices staan beschreven.8 Tot slot kan het bereik worden vergroot door regelingen aan elkaar te koppelen. De
1 (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, z.d.) 2 Deze vraag is overkoepelend en wordt thans beschreven na het doorlopen van de speerpunten. 3 (Samson, 2010) 4 Zie bijvoorbeeld (Haushofer, 2016) en (Baird, 2011) 5
Zie bijvoorbeeld (Jungmann, 2016) waarin op p.21 een model van gezond financieel gedrag wordt beschreven, waarin (financieel gezond) gedrag een optelsom is van weten, kunnen en handelen. Dit sluit aan bij (WRR, 2017). 6 (van der Laan, 2017) 7 (Service, 2014), zie ook (Thaler, 2008) 8 (van der Laan, 2017)
5
gemeente Amsterdam heeft een relatief hoog bereik met haar Stadspas, een soortgelijk instrument als de Noordwijkpas, met een bereik van 68%.9 Dit is onder andere te danken aan een jaarlijkse, grootschalige ambtshalve toekenning van Stadspassen aan minima die al andere voorzieningen ontvingen en aan bijstandsgerechtigden.
3.2
Speerpunt 2: Ontwikkelen
Onder dit traject valt de volgende actie: - Bemiddeling naar werk door individuele begeleiding, leerwerkervaringsplekken, stages, jobcoaching en arbeidsmarktgerichte cursussen. - Een campagne ter vermindering van stigma over mensen met een psychische beperking. - Toeleiding van mensen die werkloos raken naar sectoren met veel vraag (zorg, ICT, onderwijs, techniek). 3.2.1 Effectiviteit Toeleiding naar werk is een belangrijk onderdeel van armoedebeleid en de huidige nota verwijst naar een breed palette aan acties. De relatie tussen werk en armoedebestrijding is echter onderhevig aan erosie en het is belangrijk voor gemeenten om hierop in te spelen. Een verscheidenheid aan macroeconomische factoren heeft geleid tot een polarisering op de arbeidsmarkt. 10 Werkenden vormen ongeveer een derde van de totale groep arme volwassenen in Nederland.11 Toeleiding naar werk is daarmee een essentieel maar niet per definitie voldoende onderdeel van armoedebestrijding. Hoewel beleidsoplossingen hierop een sterk landelijk karakter hebben – denk aan wetgeving omtrent arbeidsvoorwaarden en het minimumloon, evenals mogelijkheden tot omscholing – kunnen gemeenten minima op verschillende manieren ondersteunen.
Zo experimenteert de gemeente Amsterdam sinds dit jaar met een premie als werklozen parttime gaan werken, met als doel de armoedeval van betaald werk onder bestaansminimum te helpen doorbreken.12 Een uitloopregeling, waarbij huishoudens een regeling nog voor een bepaalde periode blijven ontvangen kan dit ook ondervangen. 3.2.2 Bereik Onderzoek laat in toenemende mate een relatie zien tussen participatie en levensloop. Achterstanden in participatie ontstaan in sterke mate al in de eerste vijf jaar. 13 Dit gebeurt dus grotendeels in de huiselijke sfeer. Vroegtijdige ontwikkeling van kinderen is daarmee wat steeds vaker onderdeel wordt van de armoedebestrijding van gemeenten en maatschappelijke organisaties. In aanbeveling 2 is dit verder uiteengezet.
3.3
Speerpunt 3: Ruimte en grip
Onder het speerpunt ‘Ruimte en grip’ vallen een viertal acties: - Inzet van een maatschappelijk werker gericht op financiële redzaamheid (structureel) - Training voor uitvoerend professionals: persoonlijke benadering (eenmalig) - Training voor uitvoerend professionals: stress-sensitieve hulpverlening (eenmalig) - Faciliteren van leefstijlinterventies voor kwetsbare personen, waaronder minima 3.3.1 Effectiviteit Hulpverlening sorteert meer effect als het integraal, persoonlijk, maatwerk, stress-verminderend, en gericht op verandering van binnenuit is.14 Daarnaast is een organisatiestructuur die deze werkwijzen faciliteert belangrijk voor een duurzaam effect.15 De huidige nota geeft een gedegen overzicht van relevante theorieën en methodieken. De borging van deze methodieken binnen de reguliere hulpverlening is voor veel gemeenten een belangrijk vraagstuk. Borging door training laat gemengde
9 (Hees, 2017) 10 (Van den Berge, 2015) 11 (Sociaal en Cultureel Planbureau, 2019) 12 (Gemeente Amsterdam, z.d.) 13 Zie bijvoorbeeld een serie artikelen van (The Lancet, 2016) 14 (Vijlbrief, 2020) 15 (Van Geuns, 2019)
6
resultaten zien.16 Er is anekdotisch bewijs dat borging door inzet van een maatschappelijk werker met ervaring in relevante werkwijzen een effectieve aanpak kan zijn. Met name als deze een coachingsfunctie kan vervullen naar andere hulpverleners. 3.3.2 Bereik Onderzoek laat zien dat minima en schuldenaren vaak niet in zicht zijn. 17 Zo laat een rapport van de Nationale Ombudsman uit 2018 over de toegang tot de schuldhulpverlening zien dat gemeenten burgers niet altijd een laagdrempelige en brede toegang tot hulpverlening bieden. 18 Als reactie hierop zijn verschillende gemeenten aan het experimenteren met het naar voren plaatsen van hun loketten, bijvoorbeeld door samen te werken met buurthuizen, evenals het trainen van hun hulpverleners om outreachend te werken (zie aanbeveling 1).
3.4
Speerpunt 4: Met elkaar
Onder het speerpunt ‘met elkaar’ vallen de volgende acties: - Meer burgerlijk(e) inspraak en advies middels opzetten informele klankbordgroep(en) 3.4.1 Effectiviteit De relatie tussen maatschappelijk kapitaal en armoedebestrijding volgt een meer indirecte lijn. Het inzetten op dit kapitaal versterkt sociale inclusie en maatschappelijke participatie van minima. Zo zorgt vertegenwoordiging van minima in belangengroepen en cliëntenraden ervoor dat maatschappelijke obstakels uniek voor deze doelgroep sneller worden geagendeerd en opgepakt. 19 Deze actielijn wordt ook voorgesteld in de huidige nota. 3.4.2 Bereik Armoede interacteert sterk met sociale exclusie. Het betrekken van minima bij maatschappelijke initiatieven is daardoor niet eenvoudig. Maatschappelijk kapitaal heeft tot doel sociale inclusie te bevorderen, maar voor minima betekent dit dat de gemeente naar hun leefgebied moet toestappen. In de huidige nota wordt niet duidelijk hoe dit wordt vormgegeven. Een aanpak waarmee in een toenemend aantal gemeenten wordt geëxperimenteerd is het ‘kwartiermaken’. 20 Deze aanpak is onder andere gestaafd op de vermaatschappelijking van de zorg, wat consistent is met de Participatiewet.
3.5
Coherentie
In de huidige nota zijn actielijnen beschreven aan de hand van de kapitalen van Bourdieu. 21 Dit is gestaafd op een aanpak van empowerment, waarbij in minima via verscheidene kapitalen wordt geïnvesteerd. Deze focus op de samenhang tussen armoedevoorzieningen helpt om vanuit beleid een zo holistisch mogelijk pakket aan te bieden aan minima in Noordwijk. Daarnaast biedt het een actief kader, waarin burgers worden geholpen door de gemeente om te participeren en niet enkel om te overleven. De vertaling van de coherentie naar de praktijk vraagt om een diepgaande afstemming tussen uitvoerders.
16 (Wereldbank, 2018) 17 (NVVK, 2018) 18 (De Nationale Ombudsman, 2018) 19 (Van Regenmortel, 2009) 20 (Fountain-Hardick, 2011) 21 (Bourdieu, 1986)
7
Aanbevelingen 4.1
Aanbeveling 1. Doorontwikkeling op laagdrempelig contact met de burger
In de afgelopen vijf jaar zijn er grote veranderingen geweest binnen het sociaal domein met daarin een steeds belangrijker rol voor gemeenten. Een van de grote knelpunten is dat kwetsbare burgers te weinig in beeld zijn bij gemeenten. Hoewel wijkteams hierin een belangrijke rol spelen, komen mensen hier in veel gemeenten onvoldoende terecht.22 Een conclusie die wordt getrokken door onderzoekers van het Sociaal en Cultureel Planbureau is dat wijkteams nog onvoldoende toekomen aan outreachend (ofwel proactief) werken. Hierop aanhakend geeft deze beschouwing als aanbeveling om gemeentemedewerkers en eerstelijnshulpverleners die het eerste contactpunt zijn tussen minima en gemeente dichter bij de doelgroep te positioneren en er vaker letterlijk ‘op uit te gaan’. Een aanpak die dit nastreeft is ‘outreachend werken’. Meer dan nog een methodiek gaat het hierbij om een manier van kijken naar hulpverlening en de rol van de overheid. Zoals bekend werd beleid lange tijd vormgegeven vanuit een homo economicus-perspectief, waarbij de burger rationeel handelt, overzicht heeft op al zijn levensgebieden en kan aangeven in welke levensgebieden hij hulp nodig heeft. Vervolgens weet hij naar welk gemeenteloket hij moet, neemt eventuele benodigde formulieren mee en kan zijn situatie uitdrukken in een hulpvraag, waardoor de gemeentemedewerker weet waar hij de persoon naartoe moet verwijzen.
Al deze handelingen vragen initiatief vanuit de burger. Als deze constant brandjes moet blussen in zijn leven komt hij niet toe aan deze stappen en blijft hulp uit. Om in contact te treden met de potentiële doelgroep kunnen outreachende professionals verschillende methoden toepassen: - Huisbezoek (ongevraagd) op basis van signalen van formele en informele netwerkpartners. - Huisbezoek (ongevraagd, aangekondigd, op afspraak of zelfs op verzoek van de cliënt zelf) aan alle wijkbewoners waarbij de professional alert is op signalen. - Aanwezig zijn op parken, pleinen, straten en in buurthuizen, scholen etc. Vindplaatsen waar de potentiële doelgroep is. 23 Maar zoals hierboven al beschreven gaat het verder dan enkel ‘eropaf’ gaan. Outreachende professionals zijn getraind om oplossingen te zoeken die besloten liggen in de leefwereld van de persoon. Daarvoor is het nodig contact met hen te maken, hun vertrouwen te winnen en present te blijven. Dit sluit nauw aan bij twee andere steeds meer toegepaste methodieken: motiverende gespreksvoering en stress-sensitief werken. Een ander belangrijk aspect van outreachend werken is dat de professional de burger kan begeleiden in het vinden van de juiste hulpverlening en regelingen waar deze recht op heeft, maar de persoon daarbij niet loslaat.
In deze rol hebben outreachende professionals vaak een regisserende functie naar collega’s en instanties die ook met de persoon werken. Ze helpen de burger zich aan te melden en houden contact gedurende deze trajecten. Op die manier worden burgers ook geholpen een weg te vinden door de vaak complexe wereld van de hulpverlening. Deze aanpak kan op deze manier leiden tot een verbeterd bereik van de Doe Mee Regeling. Een aanhaakpunt in de huidige nota is de inzet van een maatschappelijk werker, evenals de voorgestelde trainingen. Er kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het aantrekken van een professional die ervaring heeft met outreachend werken. Daarnaast kan hij/zij als expliciete taakbeschrijving krijgen om contact te leggen met minima in hun leefomgeving, evenals het betrekken van vrijwilligersorganisaties en lokale initiatieven. Hiermee wordt ook meteen verder vormgegeven aan het speerpunt ‘Met elkaar’.
22 (Kromhout, 2020) 23 (Omlo, 2017)
8
4.2
Aanbeveling 2: Doorontwikkeling op breken van intergenerationele armoede
In de Armoedemonitor 2019 wordt beschreven dat de meerderheid van minima in Noordwijk langdurig in armoede verkeren. Deze groep heeft meer nodig dan inkomens- en tegemoetkomingsvoorzieningen om een duurzame stap uit de armoede te zetten. Onderzoek laat zien dat een belangrijk component in de bestrijding van intergenerationele armoede is om interventies in te zetten die inzetten op de vroege ontwikkeling van kinderen. Een bekende studie komt uit Jamaica waarin kinderen gedurende de eerste twee jaar van hun leven bezoek ontvingen van community workers. Deze kinderen hadden twintig jaar later een significant hoger inkomen, een indicator voor participatie, dan leeftijdgenoten die de interventie niet kregen.24 Een groot deel van deze verschillen kan worden verklaard in de breinontwikkeling van kinderen, met name tussen de prenatale fase en het vijfde levensjaar. Kinderen uit arme huishoudens laten een afwijkende hersenontwikkeling zien, met name in hun lerend vermogen. 25 Het gaat hierbij niet zozeer om het niet hebben van voldoende financiële middelen, maar om een structureel lagere kwaliteit en kwantiteit van aandacht van de ouder naar het kind.26 In arme gezinnen waarvan de ouders wél zorgzaam zijn, ontwikkelt het brein van kinderen zich net zoals bij kinderen die niet in armoede opgroeien.
Dit zijn belangrijke inzichten voor het vormgeven van interventies om intergenerationele armoede te doorbreken. Beleidsmakers en professionals die met gezinnen in armoede werken – een van de uitgangspunten van het coalieakkoord, zoals beschreven in de nota – kunnen deze inzichten toepassen in de praktijk. Als er weinig tijd is voor een kind binnen een gezin, dan is het belangrijk dat deze ouders ondersteuning krijgen. Het tegelijkertijd hebben van twee of meer banen, wat niet ongebruikelijk is bij arme gezinnen, moet worden ontmoedigd. Financiële en immateriële ondersteuning kan met name voor deze ouders effectief zijn, omdat het hen in staat kan stellen meer aandacht aan hun kind te besteden en zo hun kind helpen met het zetten van de juiste stappen naar een welvarender bestaan. Hierbij zijn ook laagdrempelige vormen van opvoedhulp belangrijk. Rijkere ouders hebben naast meer tijd om aandacht aan hun kind te besteden, ook vaak een beter begrip welke vaardigheden hun kind moeten leren om later succesvol te zijn.27 Momenteel hebben veel Nederlandse gemeenten warme belangstelling voor de in de Verenigde Staten ontwikkelde aanpak Mobility Mentoring.28 Bij deze methode werken professionals samen met inwoners (en hun gezinnen) aan een structurele verbetering van hun leefsituatie. Daarin krijgt de deelnemer steeds meer eigen regie.
De inwoner werkt bijvoorbeeld aan betaalbare huisvesting, stabiele zorg voor kinderen, voldoende opleiding en een goede gezondheid. In de begeleiding zet de professional de inwoner, hun leefsituatie, gedrag en vaardigheden, altijd centraal en er is specifiek aandacht voor de effecten van (ongezonde) stress. In de VS is de aanpak als effectief beoordeeld. Hoewel kostbaar in termen van in te zetten begeleiding, blijkt daar de aanpak op termijn ook kosteneffectief.
24 (Gertler, 2014) 25 (Luby, 2015) 26 (Stallen, 2019) 27 (Putnam, 2015) 28 (Jungmann N. &., 2017)
9
Bibliografie Baird, S. M. (2011). Cash or Condition? Evidence from a Cash Transfer Experiment. The Quarterly Journal of Economics, 126(4): 1709-1753. Bourdieu, P. (1986). The forms of capital. In J. Richardson, Handbook of Theory and Research for the Sociology of Education (pp. 241–258). Californië: ABC-CLIO. De Nationale Ombudsman. (2018). Een open deur? Een onderzoek naar de toegang tot de gemeentelijke schuldhulpverlening. Den Haag: De Nationale Ombudsman. Fountain-Hardick, C. &. (2011). Methodebeschrijving Kwartiermaken. Utrecht: Movisie. Gemeente Amsterdam. (z.d.). Bijverdienpremie met parttime werk. Opgehaald van https://www.amsterdam.nl/werk-inkomen/bijstandsuitkering/bijverdienpremie-parttime-werk/ Gemeente Rotterdam. (z.d.). Moeders van Rotterdam. Opgehaald van https://moedersvanrotterdam.nl/ Gertler, P. (2014). Labor market returns to an early childhood stimulation intervention in Jamaica. Science, 344(6187): 998-1001. Haushofer, J. &. (2016). The Short-term Impact of Unconditional Cash Transfers to the Poor: Experimental Evidence from Kenya. The Quarterly Journal of Economics, 131(4): 1973-2042. Hees, S. (2017). Benchmarkonderzoek bereik minimaregelingen. Gemeente Amsterdam. Jungmann, N. &. (2016). Duurzame verbetering van gezond financieel gedrag. Droom of werkelijkheid? Den Haag: Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Jungmann, N. &. (2017).
Mobility Mentoring. Hoe inzichten uit de hersenwetenschap leiden tot een betere aanpak van armoede en schulden. Den Haag: Platform 31. Kromhout, M. v. (2020). Sociaal domein op koers? Verwachtingen en resultaten van vijf jaar decentraal beleid. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Luby, J. L. (2015). Poverty's most insidious damage: The developing brain. JAMA Pedriatics, 1-2. NVVK. (2018). Jaarverslag 2018. Opgehaald van https://jaarverslag.nvvk.eu/2018/index.html Omlo, J. (2017). Wat werkt bij outreachend werken. Kansen en dilemma's voor sociale wijkteams. Utrecht: Movisie . Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling. (z.d.). Evaluation Criteria. Opgehaald van https://www.oecd.org/dac/evaluation/daccriteriaforevaluatingdevelopmentassistance.htm Putnam, R. (2015). Our kids: The American Dream in Crisis. New York: Simon & Schuster. Samson, M. v. (2010). Designing and Implementing Social Transfer Programmes. Second Edition. Cape Town: Economic Policy Research Institute. Service, O. (2014). EAST. Four simple ways to apply behavioural insights. London: Behavioural Insights Team. Sociaal en Cultureel Planbureau. (2019). Armoede in kaart 2019. Opgehaald van https://digitaal.scp.nl/armoedeinkaart2019/werkende-en-niet-werkende-armen/ Stallen, M. (2019). Het effect van armoede op de ontwikkeling van het kinderbrein. In R. D. Van Geuns, Hulp bij armoede.
Bouwstenen voor effectieve hulpverlening bij armoede en schulden (pp. 31-37). Houten: Bohn Stafleu van Loghum. Thaler, R. &. (2008). Nudge. Improving Decisions about Health, Wealth, and Happiness. London: Pinguin Books. The Lancet. (2016). Advancing Early Childhood Development: from Science to Scale. Opgehaald van https://www.thelancet.com/series/ECD2016 Van den Berge, W. &. (2015). Baanpolarisatie in Nederland. CBS Policy Brief 2015/13. Den Haag: Centraal Planbureau. van der Laan, J. v. (2017). Een gedragsgerichte benadering van armoede. Van beleid naar uitvoering. Hogeschool van Amsterdam. Van Geuns, R. D. (2019). Hulp bij armoede. Bouwstenen voor effectieve hulpverlening bij armoede en schulden. Houten: Bohn Stafleu van Loghum. Van Regenmortel, T. (2009). Empowerment als uitdagend kader voor sociale inclusie en moderne zorg. Journal of Social Intervention: Theory and Practice, 18(4): 22-42. Vijlbrief, A. &. (2020). Wat werkt bij de aanpak van armoede en schulden. Utrecht: Movisie. Wereldbank. (2018). World Developement Report 2018. Learning to realize education's promise. Washington, DC: World Bank Group. WRR. (2017). Weten is nog geen doen. Een realistisch perspectief op redzaamheid. Den Haag: Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. ZonMw. (z.d.). Handreiking actieonderzoek.
Opgehaald van https://publicaties.zonmw.nl/actieonderzoekvoor-lokale-netwerken-in-de-ouderenzorg/wat-is-actieonderzoek/
10
11