Beantwoording Technische vragen (PUUR) inzake Politiebureau
Tekst van het document
Technische vragen – inzake Verwerving Politiebureau
A. In de Nota van Toelichting van het college op Verwerving Politiebureau staat dat: 1. het pand volgens het Kadaster eigendom is van de gemeente Noordwijk 2. het pand niet juridisch overgedragen is aan de politie 3. het pand op grond van de invoeringswet Politiewet 1993 in dat jaar onder algemene titel overgedragen is aan de politie 4. het gevolg van het onder algemene titel overdragen van een pand is dat degene die het goed verkrijgt zijn rechtsvoorganger opvolgt in zijn gehele vermogen of een evenredig deel daarvan. Conclusie: het pand is onder algemene titel overgedragen aan de politie, maar niet juridisch. B. Wat niet in uw Nota staat is dat de Invoeringswet Politiewet 1993 op grond van artikel 1.1b en artikel 3 lid 1 en 2 stelt dat:
De bedoelde vermogensbestanddelen vermeld behoren te worden op een lijst. Dat het niet per definitie zo is dat de eigendom van het pand is overgegaan, maar dat dit ook een gebruiksrecht geweest kan zijn. Dit zou uit voormelde lijst moeten blijken. De registergoederen op deze lijst zodanig staan omschreven dat de lijst voldoet aan de vereisten van de Kadasterwet. De grootte van de vordering aan de hand van de lijst voldoende bepaald kan worden.
Conclusie: Uit de lijst moet blijken welk vermogensbestanddeel is overgegaan. Eigendom, opstalrecht of gebruiksrecht. Indien er sprake is van een opstalrecht, dient uit voormelde lijst ook te blijken onder welke voorwaarden dat opstalrecht is gevestigd (met name over de duur). Conform de Invoeringswet Politiewet 1993 moet de grootte van de vordering destijds bepaald zijn aan de hand van een vermogensbestanddelenlijst. U stelt in uw Nota dat “Overeengekomen was dat de politie een bedrag van f 968.177,-aan de gemeente betaalt”. Vraag 1. a) Op grond van welke informatie (document) bent u te weten gekomen dat “Overeengekomen was dat de politie een bedrag van f 968.177,-- aan de gemeente betaalt”? Graag ontvangen wij een afschrift van het document.
Antwoord: In het archief is een brief aanwezig die destijds aan de politie is gezonden. In deze brief zijn de afspraken tussen partijen vastgelegd. Zie bijlage. b) Baseert u dit op bovengenoemde vermogensbestanddelen-lijst? Zo ja in wiens bezit is deze lijst? Graag ontvangen wij een kopie van deze lijst. Antwoord: Nee, deze hebben wij (gemeente als politie) niet. We weten ook niet of deze er wel geweest is. c) In de Invoeringswet staat vermeld dat er een vordering ontstaat. Is deze vordering door de Politie betaald? Antwoord: Normaliter gebeurt betaling bij de notariële overdracht. Deze heeft niet plaatsgevonden. Het onroerend goed is bij algemene titel overdragen. Mogelijk is het overeengekomen bedrag door de politie rechtstreeks aan de gemeente betaald. Echter is het door beide partijen niet gelukt te achterhalen of een betaling daadwekelijk heeft plaatsgevonden. Partijen zijn te goeder trouw met elkaar in gesprek c.q. onderhandeling gegaan. Vraag 2. Indien u antwoord op 1b) ja is, wat is de reden(en) dat deze lijst niet bekend is bij het Kadaster? Antwoord: Het antwoord luidt nee, maar in casu is dat onterecht achterwege gebleven. De wet geldt en die heeft bepaald dat de eigendom onder algemene titel is overgegaan op de politie. Een afzonderlijke leveringshandeling was niet vereist om de eigendom van de onroerende zaak over te laten gaan.
De openbare registers kennen een negatief stelsel en het kadaster is lijdelijk, zodat de gegevens in de basisregistratie kadaster en de openbare registers niet altijd juist zijn. Vraag 3 Is het niet logischer dat er geen sprake is geweest van een opstalrecht, maar dat de gemeente een huurrecht (=gebruiksrecht) heeft verleend, aangezien een huurrecht niet bij het kadaster wordt ingeschreven? In geval van neen, waarom niet? Antwoord: Nee de wet zegt dat onder algemene titel is overgedragen en we spreken daarmee over de overdracht van de eigendom. Dit staat dus geenszins gelijk aan een huurrecht of ander gebruiksrecht.
C. Uw Nota stelt dat de gemeente het recht van 1e koop heeft. Uw Nota vermeldt niet dat de Invoeringswet Politiewet 1993 in artikel 1 lid 6 stelt dat de politieregio indien zijn van plan is het onroerend goed te verkopen het aan de gemeente te koop moet aan bieden tegen een redelijke prijs. Vraag 4 Wat is de grondslag van de taxatie, is dit de waarde van het opstalrecht? Antwoord: In het taxatierapport is het volgende hierover opgenomen: “Het doel van de taxatie is het verkrijgen van inzicht in de marktwaarde van het object ten behoeve van een mogelijke verkoopbeslissing. Het veronderstelde volle eigendom is aangepast naar een appartementsrecht. De gemeente heeft na toezending van het concept taxatierapport een concept akte aangeleverd waaruit blijkt dat in het verleden het voornemen bestond om een appartementsplitsing te verzorgen, dit vormt het uitgangspunt voor deze taxatie.” Vraag 5 Is de waarde van het overgegane vermogensbestanddeel wel te bepalen, aangezien thans niet duidelijk is wat de Politie verkregen heeft en zo ja hoe? Antwoord: Het feit is dat we moeten uitgaan van een eigendomsoverdracht aan de politie. Zie het antwoord bij vraag 4 over de waarde bepaling. Vraag 6 Is de taxatiewaarde een redelijke prijs en waarom? Antwoord: De door partijen overeengekomen prijs is redelijk.
In het taxatierapport spreekt de taxateur over een ‘gangbare’ prijs, dit wordt veelal vertaalt als ‘marktwaarde’. In een ander dossier is door de Politie aan de Landsadvocaat een vraag gesteld over wat een redelijke prijs is. De gemeente volgt dit antwoord in wat een redelijke prijs is. Dat antwoord werd als volgt uitgelegd: “In het vervolg van de Akte wordt vermeld dat bij een voorgenomen vervreemding in het tijdvak tot één april negentienhonderdnegenennegentig de redelijke prijs gelijk is aan de boekwaarde van het betreffende registergoed. Voor vervreemdingen na één april negentienhonderdnegenennegentig dient het registergoed (met uitzondering van het sportterrein en de manage) te worden aangeboden tegen een redelijke prijs als bedoeld in artikel 1 leden 6 en 7 van de Invoeringswet Politiewet 1993, luidende als volgt:
"6. Een politieregio waarop ingevolge het eerste lid een onroerende zaak of een beperkt gebruiksrecht daarop van een gemeente is overgegaan, is verplicht die zaak of dat recht bij een voorgenomen vervreemding eerst aan de desbetreffende gemeente te koop aan te bieden tegen een redelijke prijs.”
Gezien het ontbreken van nadere maatstaven waarmee een redelijke prijs wordt bepaald, is het aannemelijk dat hier sinds de inwerkingtreding van de Politiewet 1993 eerder vragen over zijn gesteld. Dit heeft echter niet geresulteerd in jurisprudentie: eventuele meningsverschillen zullen onderling zijn opgelost. Nu specifieke informatie voor de Politiewet ontbreekt, kan aansluiting gezocht worden bij de algemene regels voor het tot stand komen van verbintenissen. Conclusie De getaxeerde waarde geldt als uitgangspunt voor de redelijke prijs. Hoe vandaag de dag vastgesteld kan worden wat een redelijke prijs zou vormen voor het registergoed, blijft onduidelijk. Nu de toelichting op de Invoeringswet Politiewet 1993 niet ingaat op de uitleg van de term 'redelijke prijs' en specifieke jurisprudentie ontbreekt, kan aansluiting worden gezocht bij de regels uit het algemene verbintenissenrecht. Op grond hiervan kan als redelijke prijs worden gezien de prijs die gewoonlijk wordt bedongen, dan wel een gangbare prijs. Indien hierover geen overeenstemming wordt bereikt met de Gemeente, zal de redelijke prijs door deskundigen kunnen worden bepaald.¨ Vraag 7 Wat is de reden dat de Politie alleen op basis van de taxatie bereid is het pand voor de getaxeerde waarde te verkopen?? Antwoord: Beleidslijn binnen de Politie is dat er voor een marktconforme prijs verkocht wordt.
Om de prijs te kunnen bepalen moeten er volgens datzelfde beleid bij een verkoop 2 actuele (jonger dan 1 jaar) taxaties beschikbaar zijn. Naast dit beleid is het beschikken over een taxatie ook verplicht i.v.m. Europese Staatssteunregels. In casu is er eigenlijk maar 1 rapport omdat er door gemeente en Politie een gezamenlijke opdracht tot taxatie is gegeven. Hiermee wordt voor dat onderdeel afgeweken van het beleid. D. Wethouder Van den Berg spreekt in de commissievergadering van 30 maart jl. over een ‘strategische’ aankoop. De Nota Grondbeleid van de oude gemeente Noordwijk stelde dat “Wanneer het wenselijk is om over te gaan tot de aankoop en er is nog geen budget, dan beschikt de gemeente Noordwijk over een budget strategische aankopen. Het budget hiervan is € 2.000.000. Het is de bevoegdheid van het college om dit budget in te zetten waarbij de commissieleden in kennis moeten worden gesteld en hun opinie gepeild moet worden.” Vraag 8. Geldt het bovenstaande ook voor de huidige gemeente Noordwijk? Antwoord: Ja dit is ook de beleidslijn die voor de huidige gemeente wordt gehanteerd.