B. Bijlage 3 Quick scan flora en fauna Landschapspark - AVG
Tekst van het document
Quick scan flora en fauna
Landschapspark Bloemenzee, Noordwijk
In opdracht van: Gemeente Noordwijk 11 april 2019
Colofon © 2019 Laneco / Gemeente Noordwijk Tekst en samenstelling: Tweede lezer: Met medewerking van: Projectnummer:
11.18.04
In opdracht van:
Gemeente Noordwijk
Wijze van citeren:
Eversteijn, R., 2019. Quick scan flora en fauna, Landschapspark Bloemenzee, Noordwijk, Laneco, Ede.
Contact:
Laneco Mastbos 25 6718 HA Ede www.laneco.nl
Laneco is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus, brancheorganisatie voor kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging.
Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd, gewijzigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, internet, druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever hierboven aangegeven en Laneco noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Laneco is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Laneco. De opdrachtgever vrijwaart Laneco voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing.
INHOUD 1
INLEIDING .................................................................................................... 5
1.1 1.2 2
NATUURNETWERK NEDERLAND ........................................................................................................ 8 WET NATUURBESCHERMING ............................................................................................................ 8
TOETSING .................................................................................................... 11
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 4
GEBIEDSBESCHRIJVING EN BEOOGDE INGREPEN ................................................................................... 6
WETTELIJK KADER ......................................................................................... 8
2.1 2.2 3
AANLEIDING ................................................................................................................................. 5
ONDERZOEKSMETHODIEK .............................................................................................................. 11 NATUURNETWERK NEDERLAND ...................................................................................................... 11 WET NATUURBESCHERMING –ONDERDEEL GEBIEDSBESCHERMING......................................................... 11 WET NATUURBESCHERMING – ONDERDEEL HOUTOPSTANDEN .............................................................. 12 WET NATUURBESCHERMING – ONDERDEEL SOORTEN .......................................................................... 12
CONCLUSIE .................................................................................................. 19
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6
NATUURNETWERK NEDERLAND ...................................................................................................... 19 WET NATUURBESCHERMING – ONDERDEEL GEBIEDSBESCHERMING ........................................................ 19
WET NATUURBESCHERMING – ONDERDEEL HOUTOPSTANDEN.............................................................. 19 WET NATUURBESCHERMING – ONDERDEEL SOORTENBESCHERMING ...................................................... 19 CONSEQUENTIES ......................................................................................................................... 20 AANBEVELINGEN......................................................................................................................... 21
BIJLAGE 1
LITERATUURLIJST....................................................................... 23
1
INLEIDING 1.1 AANLEIDING Aan de Bloemenzee te Noordwijk bereidt de gemeente Noordwijk de herinrichting van het terrein naast het nieuwe zwembad “Binnenzee” aan de Nieuwe Zeeweg 165 voor. Naast de nieuwbouw van nieuwe woningen wordt het deel waar voorheen volkstuintjes en bollenvelden gevestigd waren, ontwikkelt tot een landschapspark toevoegen waar dit is binnen het plangebied? Noord oost zuid of westkant? Midden?. Om dit laatste te realiseren moet deze ontwikkeling worden getoetst aan de natuurwet- en regelgeving.
Globale ligging plangebied. (ondergrond Google maps). Voorliggend onderzoek is een quick scan waarin op basis van een gebiedsanalyse (ruimtelijk ecologisch), beschikbare soortgegevens en een eenmalige veldverkenning, uitspraken worden gedaan over de geschiktheid voor beschermde plant- en diersoorten en de verwachte effecten op deze soorten. Dit resulteert in conclusies en aanbevelingen. Deze quick scan is uitgevoerd op basis van de momenteel geldende uitwerking en interpretatie van beleid en wetgeving.
LANECO Quick scan flora en fauna landschapspark Bloemenzee, Noordwijk
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
5
1.2 GEBIEDSBESCHRIJVING EN BEOOGDE INGREPEN Het plangebied, de Bloemenzee, ligt binnen de bebouwde kom van Noordwijk (gemeente Noordwijk, provincie Zuid Holland), in het tussengebied tussen Noordwijk en Noordwijk-aan-Zee. De locatie wordt grofweg begrensd door in het noorden de Prins Henrikweg, ten oosten de nieuwbouw naast het zwembad “Binnenzee”, ten westen door een met bos begroeide steilrand, met richting het zuiden lopend het Dompad en zuidoostelijk
door
agrarische
gronden.
Het
plangebied
wordt
omgeven
door
infrastructuur, woonwijken, sportvelden en agrarische gronden. Ten noorden van het plangebied langs de Prins Henrikweg loopt een steile rand met opgaande begroeiing van diverse bomen, variërend in soort en afmetingen. Een groot deel van de bomen is getopt en met klimop begroeid. Tussen de bomen staan struiken en jonge opgeschoten bomen. De bebouwing langs de Prins Henrikweg bestaat uit vrijstaande woningen in een groene omgeving. De agrarische gronden aan de zuidzijdezijn voor de bollenteelt gebruikt. Het Dompad aan de westzijde zorgt voor de afscheiding tussen het plangebied en de achterliggende woonwijk. Ten oosten van het plangebied worden de nieuwe woningen gerealiseerd met aansluitend het zwembad. Tussen het zwembad en het plangebied ligt een watergang. Het zwembad en de nieuwbouw maken geen onderdeel uit van het onderzoek. Het plangebied zelf bestaat uit een deel met oude volkstuintjes en een stuk grond richting de opgaande steilrand naar de Prins Henrikweg. Langs de voormalige volkstuintjes en het agrarische gebied staan enkele middelgrote fruitbomen. De grond bestaat uit gras en her en der zijn er overblijfselen van wat er verbouwd werd in de volkstuintjes. Het deel naar de steilrand bestaat voornamelijk uit rietsoorten en gras met hoge braamstruiken (Fructus spec.) en andere doornachtige struiken als meidoorn (Crataegus spec.).
Verspreid over dit gebied staan enkele geïsoleerde krulhazelaars (Corylus avellana). De begroeiing naar de steilrand bestaat uit een dichte bomengroep die in het westen uit een grotere groep elzen (Alnus glutinosa) bestaat. Richting het oosten staan in deze bomengroep meerdere soorten, zoals populier (Populus nigra), eik (Quercus) en wilg (Salix alba). Langs de rand van de Prins Henrikweg staan afwisselend taxus (Taxus bacatta) en hulst (Ilex aquifolium) als afscheiding naar de weg. Men is voornemens om het plangebied in te richten als parklandschap.
LANECO 6
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Quick scan flora en fauna landschapspark Bloemenzee, Noordwijk
Ontwerp parklandschap
Indrukken plangebied (foto’s: Laneco)
LANECO Quick scan flora en fauna landschapspark Bloemenzee, Noordwijk
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
7
2
WETTELIJK KADER 2.1 NATUURNETWERK NEDERLAND Een vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN). Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot frustratie van de natuurdoelen. Anders dan bij gebieds- en soortenbescherming is de status als NNN niet verankerd in de natuurwetgeving, maar dient het belang in de planologische afweging een rol te spelen. Dit valt onder de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag.
2.2 WET NATUURBESCHERMING 2.2.1 Onderdeel gebiedsbescherming – Natura 2000 Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen op basis van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn worden aangemerkt als speciale beschermingszones (SBZ’s) in het kader van Natura 2000. De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming die per 1 januari 2017 van kracht is geworden. Het is verboden projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten kunnen verslechteren, of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. 2.2.2 Onderdeel houtopstanden Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte bos- en houtopstanden in Nederland in stand te houden. Kort gezegd, alles wat bos is, moet bos blijven. Indien een houtopstand onder de Wet natuurbescherming valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan. Ook verplicht de Wet natuurbescherming om de betreffende grond binnen 3 jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als bos definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden.
De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel. Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die: •
buiten de bebouwde kom-boswet liggen
•
een oppervlakte hebben van 10 are of meer
•
rijbeplantingen die meer dan twintig bomen omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen
LANECO 8
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Quick scan flora en fauna landschapspark Bloemenzee, Noordwijk
2.2.3 Onderdeel soortbescherming Wettelijk kader Soortenbescherming is altijd aan de orde. Hiervoor is de Wet natuurbescherming bepalend. De Wet natuurbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. Deze wet heeft de beschermingsregels, zoals die ook in de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn opgenomen, overgenomen en voor de Nederlandse situatie toegepast. Deze bescherming is, afhankelijk van het beschermingsregime (zie paragraaf 2.2.2), als volgt in de Wet natuurbescherming opgenomen: Vogelrichtlijn •
Artikel 3.1 lid 1: Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen
•
Artikel 3.1 lid 2: Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen
•
Artikel 3.1 lid 3: Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben
•
Artikel 3.1 lid 4 en 5: Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort
Habitatrichtlijn, Bern bijlage II, Bonn bijlage 1 •
Artikel 3.5 lid 1: Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen
•
Artikel 3.5 lid 2: Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren
•
Artikel 3.5 lid 3: Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen
•
Artikel 3.5 lid 4: Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen
•
Artikel
3.5
lid
5:
Het
is
verboden
plantensoorten
in
hun
natuurlijke
verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen Nationaal beschermde soorten •
Artikel 3.10 lid 1a: Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen
•
Artikel 3.10 lid 1b: Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen
•
Artikel
3.10
lid
1c:
Het
is
verboden
plantensoorten
in
hun
natuurlijke
verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
LANECO Quick scan flora en fauna landschapspark Bloemenzee, Noordwijk
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
9
Procedurele gevolgen De procedurele consequenties zijn afhankelijk van de soorten die door de ingreep worden
beïnvloed.
Kortweg
kunnen
er
drie
beschermingsregimes
worden
onderscheiden: •
Soorten van de Vogelrichtlijn: Dit betreffen alle vogelsoorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten en verwilderde soorten, zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.
•
Soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn: Dit zijn alle soorten van bijlage IV onderdeel a van de Habitatrichtlijn inclusief het verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd.
•
Nationaal beschermde soorten: Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.
Als een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet natuurbescherming. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn. Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd. Wettelijke belangen Voor soorten van Bijlage IV van de Habitatrichtlijn: •
Ter bescherming van de wilde flora en fauna en instandhouding van natuurlijke habitats;
•
De volksgezondheid, de openbare veiligheid in het geding is;
•
Andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.
Voor vogels gelden voorwaarden uit de Vogelrichtlijn: •
De volksgezondheid en de openbare veiligheid in het geding is;
•
Veiligheid van het luchtverkeer in het geding is;
•
Ter bescherming van flora en fauna.
Voor nationaal beschermde soorten: •
Er is sprake van een bij de wet genoemd belang.
Zorgplicht Naast beschermde dier- en plantensoorten, moet iedereen voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.
LANECO 10
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Quick scan flora en fauna landschapspark Bloemenzee, Noordwijk
3
TOETSING 3.1 ONDERZOEKSMETHODIEK Via de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) kan een indicatie worden verkregen van de beschikbaarheid van soortengegevens. De gegevens geven echter alleen een indicatie. Daarom is besloten geen aanvullende gegevens op te vragen maar het onderzoek vooral te baseren op een biotoopinschatting door een ecoloog. Bij het opstellen van de quick scan flora en fauna is verder gebruik gemaakt van bestaande atlasgegevens zoals uit de Atlas van Nederlandse vleermuizen (Limpens et al., 1997), de Atlas van de Nederlandse zoogdieren (Broekhuizen et al., 2016), Amfibieën en reptielen van Nederland (Creemers en Van Delft, 2009) en andere beschikbare bronnen voor verspreidingsgegevens. De meeste gegevens zijn globale verspreidingsgegevens. Bijlage 1 vermeldt de geraadpleegde bronnen. Op 11 maart 2018 heeft de ecoloog R. Eversteijn van Laneco het plangebied en de directe omgeving verkend. Doel van deze veldverkenning was om een indruk te krijgen van de biotopen ter plaatse en de geschiktheid voor de verschillende soortgroepen te beoordelen. Het veldbezoek heeft nadrukkelijk niet de status van een volledige veldinventarisatie; het eenmalige veldbezoek geeft slechts een globaal beeld van aanwezige soorten en habitats op basis van een momentopname.
3.2 NATUURNETWERK NEDERLAND Het plangebied ligt niet in of direct nabij het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland ligt op ca. 240 meter afstand bij de Coepelduinen. Door het uitvoeren van de werkzaamheden gaat geen oppervlakte aan NNN verloren. Gezien de afstand en de lokale aard van de ingreep kunnen negatieve effecten op de NNN worden uitgesloten.
3.3 WET NATUURBESCHERMING –ONDERDEEL GEBIEDSBESCHERMING Het plangebied ligt op ca. 1,2 kilometer meter afstand van het Natura 2000-gebied “Kennemerland-Zuid” en op 240 meter afstand van het Natura 2000-gebied “Coepelduinen”. Deze gebieden maken onderdeel uit van de duinen langs de Noordzeekust. Het plangebied heeft geen relatie met deze Natura 2000- gebieden. De werkzaamheden zullen slechts een lokaal effect hebben. Externe effecten van de werkzaamheden, zoals geluid, licht, menselijke aanwezigheid en trilling op de omliggende Natura 2000-gebieden kunnen gezien de ligging tegen de bebouwde kom, de afstand en de tussenliggende elementen worden uitgesloten. Ook is er ten opzichte van de uitgangssituatie geen toename in verkeersintensiteit of andere activiteiten te verwachten.
LANECO Quick scan flora en fauna landschapspark Bloemenzee, Noordwijk
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
11
3.4 WET NATUURBESCHERMING – ONDERDEEL HOUTOPSTANDEN Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom Boswet. Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming is hier niet van toepassing. Voor het verwijderen van bomen gelden wel de gemeentelijke voorschriften.
3.5 WET NATUURBESCHERMING – ONDERDEEL SOORTEN In het kader van de Wet natuurbescherming onderdeel soorten moet worden getoetst of er ter plaatse van de ruimtelijke ingrepen sprake is/kan zijn van negatieve effecten op beschermde planten en dieren. De beoogde ontwikkeling kan (indirecte) aantasting of verstoring van verblijfplaatsen en leefgebied tot gevolg hebben. 3.5.1 Vaatplanten Het plangebied bestaat grotendeels uit oude volkstuinen en verruigd voedselrijk gebied. Tijdens het veldbezoek in de winter zijn overblijfselen van bijvoet (Artemisia vulgaris), gewone
melkdistel
(Sonchus
oleraceus)
en
grote
brandnetel
(Urtica
dioica)
aangetroffen. Dit zijn soorten van een voedselrijke bodem. Beschermde soorten vaatplanten zijn over het algemeen gebonden aan specifieke standplaatsen in natuurgebieden, natuurlijke bermen en randen of op niet intensief beheerde (graan)akkers; dergelijke habitats zijn binnen het volledig door mensen ingerichte plangebied niet aanwezig. Strikt beschermde plantensoorten worden dan ook niet verwacht
binnen
het
plangebied.
Negatieve
effecten
op
strikt
beschermde
plantensoorten zijn uit te sluiten. 3.5.2 Grondgebonden zoogdieren In en in de directe omgeving van het plangebied kunnen verschillende nationaal beschermde zoogdiersoorten voorkomen, zoals egel (Erinaceus europaeus), haas (Lepus eurpaeus), konijn (Oryctolagus cuniculus), vos (Vulpus vulpus), kleine marterachtigen
en
verschillende
algemeen
voorkomende
soorten
muizen
en
spitsmuizen. (Broekhuizen et al., 1992; Mostert & Willemsen, 2008). Voor deze soorten geldt in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling een vrijstelling voor het aantasten van vaste rust- en verblijfplaatsen. Nationaal beschermd Van de niet-vrijgestelde nationaal beschermde zoogdiersoorten is uit de ruime omgeving van het plangebied het voorkomen bekend van boommarter (Martes martes), damhert (Dama dama), eekhoorn (Sciurus vulgaris), noordse woelmuis (Microtus oeconomus)
en
waterspitsmuis
(Neomys
fodiens)
(Broekhuizen
et
al.,
2016;
www.verspreidingsatlas.nl/zoogdieren). Van de boommarter en de eekhoorn zijn waarnemingen bekend in het duingebied bij Noordwijk. In de bomen zijn geen geschikte holtes voor boommarter of nesten van eekhoorn aangetroffen. De bomen in het plangebied vormen ook niet een dermate groot
LANECO 12
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Quick scan flora en fauna landschapspark Bloemenzee, Noordwijk
aaneengesloten element dat het een belangrijke verbinding of onderdeel van het leefgebied van deze soorten zal zijn. De aanwezigheid van boommarter en eekhoorn wordt niet verwacht. Van damhert is bekend dat deze zich ophoudt in de duinen en in enkele bosgebiedjes in het agrarische gebied. Het plangebied ligt tegen de bebouwde kom aan en wordt volledig omsloten door infrastructuur en bebouwing. Het plangebied vormt geen essentieel onderdeel van het leefgebied van deze soort. Effecten op damhert kunnen worden uitgesloten. De waterspitsmuis en de noordse woelmuis leven beide in natte biotopen en zijn zeer kritisch als het om hun leefgebied gaat. De noordse woelmuis wordt voornamelijk aangetroffen in rietland, drassige hooilanden, moeras en vochtige duinvalleien. De waterspitsmuis leeft in structuurrijke oevers langs schoon, niet te voedselrijk water met een goed ontwikkelde watervegetatie. Vanwege het ontbreken van dergelijke habitats, kan het voorkomen van deze soorten in en nabij het plangebied worden uitgesloten. Op basis van de archiefgegevens en biotoopinschattingen tijdens het veldbezoek wordt het voorkomen van nationaal en niet-vrijgestelde Europees beschermde grondgebonden zoogdiersoorten binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde zoogdieren zijn daarom uit te sluiten.
Van de algemeen voorkomende zoogdiersoorten mogen de verblijfplaatsen bij ruimtelijke ingrepen op basis van een provinciale vrijstelling worden aangetast. 3.5.3 Vleermuizen Vleermuizen zijn globaal in te delen in gebouwbewonende soorten en boombewonende soorten. Er zijn echter ook soorten die van beide elementen gebruik maken. Ook is er onderscheid te maken in zomer- en winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Sommige soorten verblijven het gehele jaar in gebouwen (spouwmuren, achter gevelbetimmeringen en dergelijke) of bomen (in holten, achter de bast). Een groot aantal soorten, ook soorten die ’s zomers in boomholten verblijven, overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders. Alle vleermuizen zijn opgenomen in de Habitatrichtlijn en daarom strikt beschermd in de Wet natuurbescherming. Volgens verspreidingsgegevens (Broekhuizen et al., 2016; www.verspreidingsatlas.nl /zoogdieren), komen in de omgeving van het plangebied verschillende soorten vleermuizen
voor
zoals
de
baardvleermuis
(Myotis
mystacinus),
gewone
dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), franjestaart (Myotis nattereri), gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus), laatvlieger (Eptesicus serotinus), meervleermuis (Myotis dasycneme), rosse vleermuis (Nyctalus noctula), ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii), tweekleurige vleermuis (Vespertilo murinis) en watervleermuis (Myotis daubentonii).
LANECO Quick scan flora en fauna landschapspark Bloemenzee, Noordwijk
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
13
Van deze soorten zijn de franjestaart, rosse vleermuis en de watervleermuis overwegend boombewonende soorten, baardvleermuis, gewone grootoorvleermuis en ruige dwergvleermuis verblijven in zowel gebouwen als bomen en de gewone dwergvleermuis,
laatvlieger
en
meervleermuis
en
tweekleurige
vleermuis
zijn
overwegend gebouwbewonend. Foerageergebied, vliegroute Het plangebied en de directe omgeving vormen voor de meeste van de genoemde soorten vleermuizen geschikt foerageergebied. De steilwand is in combinatie met voldoende hoge bomen hoog genoeg om als vliegroute te kunnen functioneren. Dergelijke vliegroutes vormen een verbinding tussen verblijfplaatsen en foergeergebied. Bovendien functioneert de steilwand als beschutting voor het foergeergebied zelf. Omdat het opgaande groen in de steilwand behouden blijft, zal er geen aantasting van de vliegroute plaatsvinden. Er moet rekening worden gehouden met verlichting indien deze wordt geplaatst in het park. Deze mag niet naar de steilrand of de vliegroute naar de ingerichte kraamplaats bij het nieuwe zwembad gericht worden en dient te worden afgeschermd zodat geen sprake is van lichtverstrooiing. Indien hieraan wordt voldaan kunnen effecten op foerageergebied en vliegroutes worden uitgesloten. Het in te richten landschapspark zal als nieuw foergeergebied door vleermuizen gebruikt kunnen worden. Verblijfplaatsen In
het
plangebied
zijn
geen
gebouwen
aanwezig.
Verblijfplaatsen
van
gebouwbewonende soorten kunnen daardoor worden uitgesloten. De geïsoleerde hazelaars (Corylus avellana) en bomen in het ruigtegebied bij het zwembad zijn te klein en hebben geen geschikte holtes voor boombewonende soorten vleermuizen. De bomen in en langs de steilwand zijn goed onderhouden en gesnoeid. Een overgroot deel van deze bomen is begroeid met klimop waardoor eventueel aanwezige holtes geen vrije aanvliegroute hebben en niet toegankelijk zijn voor vleermuizen. Er zijn geen geschikte holtes voor boombewonende soorten vleermuizen geconstateerd. Er is in deze quick scan uit gegaan van de situatie dat voor de parkaanleg geen bomen gekapt hoeven te worden. Mochten er bij het kappen van de bomen toch holtes worden ontdekt, dan dienen deze voorafgaand aan de kap door een deskundig ecoloog te worden geïnspecteerd. Kraamkolonie gewone dwergvleermuizen zwembad Voorafgaand aan de bouw van het nieuwe zwembad aan de Bloemenzee is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen in het oude zwembad (Mertens 2016). Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat in het oude zwembad aan de Binnenzee, een kraamkolonie gewone dwergvleermuizen gevestigd zat. Deze is middels een mobiele constructie verplaatst naar een nieuwe kraamkolonie-voorziening in het nieuwe zwembad.
Er is echter geen monitoring uitgevoerd of de kraamkolonie de nieuwe huisvesting ook daadwerkelijk als kraamverblijfplaats gebruikt. Voor de eventueel aanwezige kraamkolonie in het nieuwe zwembad ontbreekt nu een vlieggroute van en naar de steilrand met bos. Met de komst van de nieuwbouwwoningen en het verwijderen van het groen, wat oorspronkelijk een onderdeel van een essentiele vliegroute was, is
LANECO 14
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Quick scan flora en fauna landschapspark Bloemenzee, Noordwijk
het nu moeilijk voor vleermuizen om vanaf het zwembad het foerageergebied langs de steilrand te bereiken. Nader onderzoek zal moeten uitsluiten of de locatie van de kraamkolonie in gebruik wordt genomen door gewone dwergvleermuizen. Indien dit het geval is zal er gekeken moeten worden welke maatregelen genomen kunnen worden om deze essentiële vliegroute voor deze kraamkolonie te herstellen. De nog te bouwen twee flatgebouwen tussen het zwembad en de steilwand zullen daar ook nog invloed op hebben. 3.5.4 Vogels Tijdens het veldbezoek zijn in en om het plangebied onder andere de vogelsoorten, ekster (Pica pica), kauw (Coloeus monedula), koolmees (Parus major), kokmeeuw (Chroicocephalus ridibundus) en winterkoning (Troglodytes troglodytes) gehoord en gezien. In de bomen langs de steilrand bij de Prins Henrikweg is een nest van een kraai (Corvus corone) aangetroffen. Tijdens het veldbezoek zijn er geen activiteiten in en rond het nest waargenomen. Alle vogels en dan specifiek hun verblijfplaatsen (nesten) zijn strikt beschermd in de Wet natuurbescherming. Aantasting van actief gebruikte nesten is niet toegestaan Daarnaast is van een aantal vogelsoorten de nesten en nestlocaties (verblijfplaatsen en leefgebied) het gehele jaar door beschermd. Deze jaarrond beschermde vogelsoorten zijn onderverdeeld in vier categorieën: 1.
Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil (Athene noctua)). 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden (voorbeeld: huismus). 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders (voorbeeld kerkuil (Tyto alba) en slechtvalk (Falco peregrinus)). 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: buizerd). De vogels uit deze categorieën zijn meestal zeer honkvast of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. Ook is er een lijst vogels aangewezen waarvan alleen bij effecten op populatieniveau maatregelen nodig zijn; de zogenaamde categorie 5. In de bomen langs de steilrand van het plangebied is een nest van een kraai gevonden. Nesten van kraai kunnen ook door buizerd gebruikt worden. Het nest bevindt zich net buiten de rand van plangebied. De bomen in het ruigtegebied bij het zwembad en de fruitbomen langs de oude volkstuintjes zijn te klein en te laag om geschikt te zijn als nestlocatie voor deze soorten. Het plangebied vormt mogelijk een heel klein onderdeel van het foerageergebied van de sperwer (Accipiter nisus) die ook wel in de bebouwde kom wordt aangetroffen.
Door de geringe grootte is het echter geen essentieel onderdeel. Effecten op roofvogels kunnen worden uitgesloten.
LANECO Quick scan flora en fauna landschapspark Bloemenzee, Noordwijk
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
15
Er is geen bebouwing in het plangebied aanwezig. Voor gebouwbewonende vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd als de gierzwaluw (Apus apus) en de huismus (Passer domesticus) zijn er dus geen nestmogelijkheden. Deze worden dan ook hier niet verwacht. In de omgeving van het plangebied is het voorkomen bekend van kerkuil (Tyto alba), steenuil (Athene noctua) en ransuil (Asio otus) (www.vogelatlas.nl). Ransuil broedt in bomen, met een voorkeur voor naaldbomen. Het kraaiennest aan de rand van het plangebied, kan behalve door buizerd ook door ransuil worden gebruikt. Ransuil heeft echter de voorkeur voor naaldbomen. Dit nest is daardoor minder geschikt voor ransuil. In het plangebied zelf zijn geen nesten van ransuil aangetroffen. Ook zijn er geen sporen (braakballen, kalksporen) aangetroffen die op de aanwezigheid van ransuil duiden. Steenuil en kerkuil zijn soorten die afhankelijk zijn van bebouwing of door de mens gemaakte uilenkasten. Deze zijn niet in het plangebied aanwezig. Effecten op uilen kunnen worden uitgesloten. In de toekomst wordt het gebied door de parkinrichting alleen maar geschikter voor deze soorten als foerageergebied. De directe omgeving van het plangebied biedt geschikt leefgebied en nestlocaties voor diverse categorie 5-soorten, zoals ekster en pimpelmees (Cynastus caereoleus).
Het mogelijk kappen van de bomen in het plangebied en het verwijderen van het groen heeft geen invloed voor de categorie-5 vogels. Er zijn voldoende alternatieve nestel mogelijkheden in de omgeving aanwezig en er komt een nieuw parklandschap terug met in de toekomst nieuwe nestelmogelijkheden. Negatieve effecten op deze soort kunnen worden uitgesloten. Wel geldt dat actieve nesten beschermd zijn in de Wet natuurbescherming. Het verwijderen van het groen dient buiten het broedseizoen plaats te vinden of indien binnen het broedseizoen wordt gewerkt, na controle van een ter zake kundige ecoloog. Er zijn geen andere vaste rust- en verblijfplaatsen of andere essentiële onderdelen van het leefgebied van vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd aangetroffen in het plangebied en deze worden hier ook niet verwacht.
3.5.5 Amfibieën Algemeen De habitat van amfibieën is onder te verdelen in water- of voortplantingshabitat (vaak een poel, vijver of smalle watergang zonder grote vissen) en landhabitat (bosjes, struwelen e.d. en voor sommige soorten vergraafbaar zand). De aan de overzijde van de weg gelegen watergang kan een geschikte leefomgeving zijn voor de diverse algemene soorten amfibieën zoals bruine kikker (Rana temporaria), middelste groene kikker
(Pelophylax
klepton
esculentus),
gewone
pad
(Bufo
bufo)
en
kleine
watersalamander (Lissotriton vulgaris). In de struiken in de steilrand en langs de oude volkstuintjes zijn er voor deze soorten mogelijke overwinteringsmogelijkheden. Van
LANECO 16
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Quick scan flora en fauna landschapspark Bloemenzee, Noordwijk
deze algemeen voorkomende amfibieënsoorten mogen de verblijfplaatsen bij ruimtelijke ingrepen op basis van een provinciale vrijstelling worden aangetast. Nationaal en Europees beschermd Naast de algemeen voorkomende beschermde soorten is uit de omgeving van het plangebied ook het voorkomen bekend van de beschermde soorten boomkikker (Hyla arborea) en rugstreeppad (Epidalea calamita). (Van Delft & Schuitema, 2005; Creemers & Van Delft, 2009). Van boomkikker is bekend (www.ravon.nl) dat er niet natuurlijke populaties van uitgezette dieren voorkomen in het duingebied tussen Den Haag en Katwijk. Rugstreeppad heeft wel een natuurlijke verspreiding in de omgeving van het plangebied. Voor rugstreeppad zijn kleine snel opdrogende waterplasjes al voldoende om als voortplantingswater te kunnen dienen. De kleine watergangen in het plangebied zijn smal en ondiep en warmen snel op. Deze zijn net als de ondiepe delen van de watergang bij het zwembad geschikt voor rugstreeppad om als voortplantingswater te dienen. Gezien
de
aanwezigheid
van
voldoende
vergraafbaar
zand
en
geschikt
voortplantingswater kan het voorkomen van rugstreeppad niet op voorhand worden uitgesloten. In 2017 is er door bureau Mertens een onderzoek naar rugstreeppad uitgevoerd. Tijdens dit onderzoek is geen rugstreeppad aangetroffen. Het onderzoek is echter niet onder optimale omstandigheden uitgevoerd waardoor nieuw onderzoek naar de aanwezigheid van rugstreeppad noodzakelijk is. 3.5.6 Reptielen Uit de ruime omgeving van het plangebied is het voorkomen bekend van hazelworm (Anguis fragilis) en de zandhagedis (Lacerta agilis). Reptielen stellen strikte eisen aan hun omgeving. De meeste reptielensoorten houden zich voornamelijk op in geleidelijke overgangssituaties tussen natuurlijke biotopen in bos-, heide- en veengebieden (bijv. heide
en/of
heischrale
graslanden
in
combinatie
met
bossen
en/of
kleine
landschapselementen). Het plangebied bestaat uit een steilrand met bomen en een open veld zonder kleinschalige structuren. Door de omliggende infrastructuur is er ook geen verbinding met het duingebied of andere voor deze soorten geschikte leefgebieden, zoals schrale en structuurrijke vegetaties in woonwijken langs de duinrand. Binnen het plangebied worden geen reptielen verwacht. Daarnaast is het plangebied te vochtig voor een soort als zandhagedis. Effecten op reptielen kunnen worden uitgesloten. 3.5.7 Vissen De kleine geïsoleerde watergangen bij het zwembad zijn te ondiep en een geschikte onderwatervegetatie ontbreekt. Deze watergangenzijn ongeschikt voor beschermde vissoorten. Effecten op beschermde vissoorten kunnen worden uitgesloten. 3.5.8 Insecten (vlinders, libellen, sprinkhanen) en overige soortengroepen Slechts een beperkt aantal van de zeer soortenrijke groep van de insecten is beschermd. De habitateisen van beschermde soorten binnen deze groep zijn vaak zeer LANECO Quick scan flora en fauna landschapspark Bloemenzee, Noordwijk
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
17
locatiespecifiek
en
gebonden
aan
zeer
bijzondere
biotopen
en/of
specifieke
waardplanten. Dergelijke biotopen zijn in het plangebied niet aanwezig. Effecten op deze soortgroep kunnen worden uitgesloten. Andere strikt beschermde soorten mollusken en tweekleppigen kunnen worden uitgesloten in het plangebied.
LANECO 18
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Quick scan flora en fauna landschapspark Bloemenzee, Noordwijk
4
CONCLUSIE Aan de Bloemenzee/Duineveld te Noordwijk is men voornemens om op het voormalige terrein van de volkstuintjes en een deel van de ruigtevegetatie naast de nieuw te realiseren nieuwbouw aan de Bloemenzee een landschapspark aan te leggen. Het aanleggen van een landschapspark is een onderdeel van de volledige herinrichting van de Bloemenzee. Met de realisatie van een parklandschap zal de natuurwaarde toenemen. Voor deze werkzaamheden plaatsvinden, moeten de gevolgen voor beschermde natuurwaarden en de consequenties met betrekking tot de natuur wet- en regelgeving in beeld zijn gebracht. Deze quick scan heeft alleen betrekking op het landschapspark.
4.1 NATUURNETWERK NEDERLAND Het plangebied ligt niet in of direct nabij de Natuurnetwerk Nederland. Gezien de afstand en de lokale aard van de ingreep kunnen negatieve effecten op de NNN worden uitgesloten.
4.2 WET NATUURBESCHERMING – ONDERDEEL GEBIEDSBESCHERMING Het plangebied ligt op 1,2 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied. De werkzaamheden bij de herinrichting van het landschapspark zijn van beperkte omvang en van tijdelijke aard. Deze zullen slechts een lokaal effect hebben. Aangezien er geen woningen of andere gebouwen worden geplaatst zal het aantal verkeersbewegingen gelijk blijven aan de oorspronkelijke situatie. Effecten op het nabijgelegen Natura 2000-gebied kunnen worden uitgesloten.
4.3 WET NATUURBESCHERMING – ONDERDEEL HOUTOPSTANDEN Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom. Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming is dan ook niet van toepassing.
4.4 WET NATUURBESCHERMING – ONDERDEEL SOORTENBESCHERMING In het kader van de Wet natuurbescherming dient te worden nagegaan of vaste rusten verblijfsplaatsen of belangrijke onderdelen van het leefgebied van soorten door de ingreep worden aangetast. Voor een aantal mogelijk in (de omgeving van) het plangebied voorkomende nationaal beschermde soorten zoals egel, haas, konijn, vos, kleine marterachtigen, muizen en spitsmuizen, geldt een provinciale vrijstelling voor het aantasten van vaste rust- en verblijfplaatsen.
LANECO Quick scan flora en fauna landschapspark Bloemenzee, Noordwijk
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
19
Een aantal van de mogelijke voorkomende soorten zijn Europees beschermde soorten (Habitat- en Vogelrichtlijn), waarvoor aantasting van rust- en verblijfplaatsen een ontheffingsplicht in het kader van de Wet natuurbescherming geldt. Op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezige habitats en de biotoopeisen van individuele diersoorten is de beschermde rugstreeppad niet uit te sluiten binnen het plangebied. De ondiepe watergang is een geschikt voortplantingswater voor rugstreeppad en in het plangebied is er voldoende vergraafbaar zand aanwezig. De herinrichting van het plangebied kan mogelijk leiden tot aantasting van het leefgebied van rugstreeppad. Vliegroute gewone dwergvleermuis: door het verwijderen van het bestaande groen en de nog te plaatsen 2 flattorens is de vliegroute vanaf de nieuw gerealiseerde kraamverblijfplaats in het nieuwe zwembad naar het landschapspark en de steilrand verdwenen. Hier zijn op korte termijn herstelmaatregelen noodzakelijk. Op basis van het veldbezoek, de verspreidingsgegevens, de aanwezige habitattypen en biotoopeisen van de mogelijk in de omgeving voorkomende soorten zijn van de overige (niet-vrijgestelde) nationaal of Europees beschermde soorten, vaste rust- en verblijfplaatsen uit te sluiten binnen het plangebied. Nader onderzoek naar deze soorten is dan ook niet nodig.
4.5 CONSEQUENTIES Nader onderzoek Aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen van in de Wet natuurbescherming beschermde soorten en daarmee een overtreding van artikel 3.1 en 3.5 van de Wet natuurbescherming, kan niet zonder nader veldonderzoek worden uitgesloten. Er is nader onderzoek nodig naar: •
Vleermuizen, Gewone dwergvleermuis. Onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen in het nieuwe zwembad “Binnenzee” door op 2 avonden tijdens het kraamseizoen (half mei tot half juli) op uitvliegende en invliegende vleermuizen te controleren en 1 avond voorafgaand aan het kraamseizoen.
•
Rugstreeppad. Onderzoek naar de aanwezigheid van rugstreeppad dient te worden uitgevoerd door: -
Op 2 avonden, bij geschikte weersomstandigheden, in de periode tweede helft van april en in mei te luisteren naar kooractiviteiten;
-
1 avond in juni en juli, bij geschikte weersomstandigheden te luisteren naar kooractiviteiten;
-
1 avond, in de periode juni en juli de watergangen te onderzoeken op aanwezigheid van ei-snoeren of larven van de rugstreeppad.
LANECO 20
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Quick scan flora en fauna landschapspark Bloemenzee, Noordwijk
Twee algemene voorwaarden vanuit de Wet natuurbescherming zijn altijd van toepassing: •
De start van werkzaamheden dient buiten het broedseizoen van vogels (globaal half maart tot half juli) plaats te vinden om verstoring van broedvogels en het broedsucces te voorkomen. Alleen op basis van gericht onderzoek (naar broedende vogels), mag van deze voorwaarde worden afgeweken.
•
Op basis van de zorgplicht dient bij de uitvoering van de werkzaamheden voldoende zorg in acht te worden genomen voor de in het wild levende planten en dieren en hun leefomgeving. Verstoring moet worden beperkt en dieren moeten de gelegenheid hebben om uit te wijken en mogen niet opzettelijk worden gedood. Dit kan door: o werkzaamheden,
zoals
graafwerkzaamheden
en
het
verwijderen
van
begroeiing, starten buiten het voortplantingsseizoen (april – augustus); o het beperken van verlichting tijdens de avonduren ten behoeve van vleermuizen en andere nachtdieren.
4.6 AANBEVELINGEN Rugstreeppad is in staat om snel nieuwe gebieden te koloniseren. Een geschikt habitat kan al bestaan uit een plas water in een bandenspoor of een stuk afgegraven grond. Om dit te voorkomen moeten natte plekken gedempt worden en braakligging van grond moet beperkt worden in de periode van april tot oktober. Met de inrichting van het landschapspark kan de meerwaarde voor de natuur worden versterkt door: •
het gebruik maken van takkenrils, een “wal” van opgestapelde takken (bijv. snoeihout) die bij elkaar worden gehouden door palen, als afscheiding. Aanbevolen wordt om voor de basis van het takkenril eikenhout te gebruiken dat half ingegraven is in de grond. Soorten die gebruik maken van een takkenril voor bescherming, foerageermogelijkheden of nestplek zijn insecten, larven, vogels en diverse kleine zoogdieren zoals egels of muizen.
•
het creëren van ruige randen zoals struweel en kruidenstroken is een aanvullende maatregel die ook bescherming, foerageermogelijkheden en nestplekken biedt voor verschillende soorten.
•
door het toepassen van extensief beheer. Dit houdt in dat er beperkt gemaaid wordt en dat er geen bestrijdingsmiddelen worden gebruikt.
•
bij het aanbrengen van beplanting wordt aanbevolen om gebruik te maken van inheemse bes- en bloemdragende bomen, struiken en planten die variëren in hoogte en ouderdom. Voorbeeld hiervan zijn Gelderse roos (Viburnum opulus), gewone vogelkers
(Prunus
padus),
hazelaar
(Corylus
avellana),
heggenroos
(Rosa
corymbifera), hondsroos (Rosa canina), sleedoorn (Prunus spinoza), sporkehout (Rhamnus frangula), vlier (Sambucus nigra), wilde appel (Malus sylvestris), wilde liguster (Ligustrum vulgare), wilde lijsterbes (Sorbus aucuparia), winterlinde (Tilia cordata), zomereik (Quercus robur) en zwarte els (Alnus glutinosa). Ook is het aan
LANECO Quick scan flora en fauna landschapspark Bloemenzee, Noordwijk
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
21
te raden om gevarieerde plantensoorten te gebruiken, zodat voedselmogelijkheden voor vogels en insecten verspreidt zijn over het jaar. •
grotere bomen te plaatsen van minimaal 10 meter hoog en met een maximale afstand tussen de kronen van 3 meter, die een lijnvormig element vormen vanaf de kraamkolonie in het nieuwe zwembad naar het landschapspark. Hierdoor kan de kraamkolonie het foerageergebied langs de steilrand en het park weer via een natuurlijke beschutting bereiken. Ook wordt, indien er geen vleermuizen meer in het zwembad zitten, deze weer interessant voor deze soort om in gebruik te nemen.
LANECO 22
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Quick scan flora en fauna landschapspark Bloemenzee, Noordwijk
BIJLAGE 1 LITERATUURLIJST Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie), 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. Natuur in Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Historisch Museum Naturalis, European Invertabrate Survey-Nederland, Leiden. Limpens, H., K. Mosterd en W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Nader onderzoek rugstreeppad, Mertens 2017. Quickscan beschermde plant- en diersoorten Duineveld te Noordwijk, Adviesbureau Mertens 2016. Websites: •
www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek2.aspx
•
www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-017-Kennisdocument-Rugstreeppad-1.0.pdf
•
www.verspreidingsatlas.nl/amfibieen
•
www.verspreidingsatlas.nl/planten
•
www.verspreidingsatlas.nl/reptielen
•
www.verspreidingsatlas.nl/zoogdieren
•
www.vlindernet.nl
•
www.vogelatlas.nl
•
vissenatlas.nl
•
www.ravon.nl
LANECO Quick scan flora en fauna landschapspark Bloemenzee, Noordwijk
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
23