Amendement lid Koppel (HELDER) Gooweg perceel D2059 Noordwijkerhout
Tekst van het document
Amendement lid Koppel fractie HELDER inzake Gooweg perceel D2059
Motivering voor het amendement en besluit tot het niet vaststellen van het bestemmingsplan “Gooweg perceel D2059” Het college heeft het ontwerpbestemmingplan “Gooweg perceel D2059” ter inzage gelegd. De raad heeft kennisgenomen van de planstukken (verbeelding, regels, toelichting en bijlagen), van de ingediende zienswijzen, de Nota beantwoording zienswijzen en het collegevoorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan. Daarnaast is de raad bekend met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 17 september 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4423) waarbij de Afdeling het eerder door de raad genomen besluit van 27 juni 2023 tot het niet vaststellen van het bestemmingsplan “Gooweg perceel D2059” heeft vernietigd wegens motiveringsgebreken. Voorts heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen twaalf weken met in achtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het verzoek d.d. 29 september 2018 tot vaststelling van dit plan. In dit document benoemen wij (raadsleden van een aantal fracties) de argumenten die voor ons reden zijn om het bestemmingsplan ondanks het voorliggende collegevoorstel niet vast te stellen.
ISG Uitspraak Afdeling In rechtsoverweging 4.3 van de uitspraak van 17 september 2025 stelt de Afdeling voorop dat uit de ISG niet blijkt dat Greenportwoningen niet in het buitengebied van de Greenport Duin- en Bollenstreek mogen worden gerealiseerd. In § 4.5 van de ISG staat dat is afgesproken om 600 woningen in het buitengebied te bouwen, waarbij het voornemen is om minstens 60% van die woningen te concentreren op enkele locaties in de Greenport. Dit betekent dat (ten hoogste) 40% van de woningen, die niet op een dergelijke clusterlocatie kunnen worden gerealiseerd (zoals de met het bestemmingsplan beoogde woningen), op andere locaties mogen worden gebouwd, bijvoorbeeld in het buitengebied op de witte vlekken. Uit § 5.1 van de ISG blijkt volgens de Afdeling niet dat Greenportwoningen op de “witte vlekken” op de kaart “Landschapsperspectief” uit de ISG niet zijn toegestaan en evenmin dat ter plaatse van witte vlekken getoetst moet worden aan de algemene uitgangspunten zoals genoemd in § 5.1. Voorts stelt de Afdeling vast dat de onderhavige locatie op de kaart “Landschapsperspectief” buiten de zichtlijn van de zone “behoud en versterken doorkijk en vensters” ligt en tussen de zones “openheid actief vergroten”. Dit betekent dat deze voorwaarden (op grond van de ISG) voor het plangebied niet gelden en dus niet aan de vaststelling van het plan in de weg kunnen staan.
De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling dan ook niet toereikend gemotiveerd waarom het mogelijk maken van vier Greenportwoningen op het perceel in strijd met de ISG is. Ons standpunt Dat het bestemmingsplan niet in strijd is met de ISG, betekent echter nog niet dat het plan past binnen de ISG c.q. dat uit de ISG volgt dat het plan zou moeten worden vastgesteld. De Afdeling heeft zich in de uitspraak niet uitgelaten over de vraag of het plan past binnen de ISG. Volgens ons zijn er toereikende argumenten aan te dragen om te motiveren dat uit de ISG niet volgt dat het plan moet worden vastgesteld. Zoals uit p. 55 van de ISG blijkt staat in het buitengebied de
verbetering van de landschappelijke kwaliteit en de economische vitaliteit voorop en worden geen nieuwe woningen gebouwd, met uitzondering van Greenportwoningen of compensatiewoningen. De Greenportwoningen worden mogelijk gemaakt om het herstructureringsproces en de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit te financieren. Het gaat om (maximaal) 600 Greenportwoningen waarvan tenminste 60% van die woningen op bepaalde locaties worden geconcentreerd. Het plangebied betreft niet een dergelijke in de ISG aangewezen clusterlocatie. Voorts betekent het feit dat maximaal 40% van de 600 woningen buiten de cluster worden gerealiseerd nog niet dat deze dan op de onderhavige locatie zouden moeten worden gerealiseerd. Onze conclusie is dan ook dat de ISG voor de onderhavige locatie geen uitsluitsel biedt of het bestemmingsplan nu wel of niet moet worden vastgesteld. Dit betekent dat het aan de raad is om (los van de ISG) te beoordelen of het plan past binnen een goede ruimtelijke ordening als bedoeld in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Geen goede ruimtelijke ordening Naar onze mening past het plan niet binnen een goede ruimtelijke ordening. Dit lichten wij hierna toe. Omgevingsvisie en zicht op bollenvelden In de Omgevingsvisie Noordwijk d.d. 22 februari 2022 wordt op p. 39 ingegaan op het buitengebied.
De bollenvelden maken dat dit gebied veel toeristen aantrekt en de bollenstreek wordt genoemd als trots van de gemeente. In de Omgevingsvisie wordt het behoud van zicht op de bollenvelden van groot belang geacht. Het plangebied betreft de entree van het ten westen van de N206 gelegen deel van de gemeente, waar twee gekoesterde landschappelijke elementen elkaar ontmoeten, namelijk de bollenvelden en de landgoederenzone. Het toevoegen van vier greenportwoningen is verstorend voor het open zicht en doet afbreuk aan de aantrekkelijkheid van het gebied en de landschappelijke en toeristische beleving. Bij het binnenrijden van het gebied vanonder de N206 draagt het open karakter van de entree, zoals die er nu nog is, bij aan de landschappelijke beleving van het gebied ten noordwesten van de Gooweg. Het is een natuurlijke en uitnodigende opmars naar de open velden, zoals die zich vervolgens breder ontvouwen aan de andere zijde van de Gooweg. In de periode dat de bollenvelden in bloei staan, maken bezoekers vaak een tussenstop, juist ook op deze plek waarbinnen de planlocatie is gelegen, om de bloemenpracht ter plaatse op zich in te laten werken. Onze reactie op de plantoelichting In de plantoelichting wordt betoogd dat de locatie niet of nauwelijks waarneembaar zou zijn vanaf de meeste omringende openbare wegen. Wij zijn een andere mening toegedaan.
Zowel vanaf de N206, N443, bij de rotondes, de Ambachtsweg, de lage en de hoge Gooweg is de locatie goed zichtbaar. Het zicht wordt slechts op een paar punten bemoeilijkt door begroeiing, begroeiing die overigens zeker in de winterperiode en het vroege voorjaar het zicht slechts beperkt wegneemt. Waar in de plantoelichting het plan wordt gezien als een logisch voortborduren op het bestaande lint, zien wij het lint reeds met de laatste bestaande woning als compleet en afgerond. Verder doortrekken van het lint doet afbreuk aan de hiervoor geschetste door landgoederen en bollenvelden omlijste poort naar het open bollenlandschap en zorgt voor een verdere ongewenste verstedelijking. Ook de provinciale omgevingsvisie stelt dat ontwikkelingen bij zouden moeten dragen aan het behoud en versterken van het zicht op de bollenvelden en de aantrekkelijkheid van het bollenlandschap. In de plantoelichting wordt betoogd dat dit het geval zou zijn. Wij zijn van mening dat dit niet het geval is en zien de locatie niet als een logische plek, zoals hierboven en hieronder wordt betoogd. In tegenstelling tot de plantoelichting zien wij dat hier juist ongewenste verdichting wordt toegevoegd op een plek waar deze er nog niet was.
Langoedbiotoop In de zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan geven Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland naar onze mening terecht aan dat het bestemmingsplan in strijd is met artikel 2.26, eerste en tweede lid, van de Omgevingsverordening Zuid-Holland. In deze provinciale omgevingsverordening is rond landgoederen een beschermingszone vastgelegd. De openheid binnen deze zone dient bewaard te worden. Het feit dat het plan volgens de plantoelichting afgesneden zou worden van het landgoed door de N443 en dat daarmee de betekenis van het biotoop ter plekke zou zijn vervallen, kunnen wij niet volgen. In onze ogen blijft het belangrijk de openheid rondom landgoederen te bewaren, ook als daar een weg doorheen loopt. De twee zuidelijkste woningen vallen binnen de landgoedbiotoop. De provinciale omgevingsverordening staat de realisatie van deze twee zuidelijkste woningen sowieso in de weg. Net als de provincie vinden wij dat het vrije blikveld en de openheid ten aanzien van landgoed Leeuwenhorst significant wordt aangetast. Dit is niet in overeenstemming met artikel 6.26, eerste en tweede lid, onder c, van de Omgevingsverordening Zuid-Holland. De provincie heeft dan ook verzocht de twee meest zuidelijke woningen uit het planvoornemen te schrappen.
In de beantwoording zienswijzen wordt gesteld dat de groenstrook met bomen tussen de planlocatie en het Leeuwenhorstbos het zicht op het landgoed al beneemt, waardoor op de locatie het zicht op het landgoed toch al belemmerd zou zijn. In onze ogen doet deze groene begroeiing niets af aan de beleving van het landgoed ter plaatse. Het groen van de strook gaat natuurlijk op in het groene landgoed daarachter. Het versterkt de landgoedbeleving eerder. De stelling dat greenportwoningen de landgoedachtige setting juist zouden versterken, zoals in de beantwoording van de zienswijzen is gesteld, getuigt in onze ogen van een niet juiste interpretatie van het open karakter dat de zone rond een landgoed zou behoren te hebben. Welke woning dan ook in deze zone, is een aantasting van de waarde van het landgoed, zeker nu de woningen geen verbinding hebben met het landgoed en de functie en toekomstbestendigheid van het landgoed niet versterken. Indien de twee noordelijke woningen van het initiatief wel worden gerealiseerd, blijft op de zuidelijkste helft van het perceel de bollengrond in stand. Dit perceel heeft daarmee echter wel een afmeting gekregen, die vele malen minder efficiënt en doelmatig kan worden ingezet. Nu we het behoud van bollenareaal, zeker dat van goede kwaliteit belangrijk vinden, weegt dit zwaar.
Greenportwoningen worden überhaupt gerealiseerd met het doel financiering te bieden voor het behoud van het bollenareaal. Met het realiseren van de twee Greenportwoningen die wel op het perceel ingepast kunnen worden binnen de geldende provinciale regelgeving, gaat echter dermate veel 1e klas bollengrond verloren, vanwege het niet meer efficiënt te betelen restperceel, dat het doel de middelen in dit geval niet meer heiligt. Overigens stellen wij ons op het standpunt dat ook vanwege andere overwegingen die in deze motivering zijn gegeven, de twee noordelijke greenportwoningen toch al ongewenst zijn. Geen noodzaak meer voor Greenportwoningen Zoals hiervoor onder de ISG is opgemerkt, worden de Greenportwoningen daarin mogelijk gemaakt om het herstructureringsproces en de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit te financieren. Nu greenportwoningen dienen als financiering voor het behoud van 1e klas bollengrond en het vergroten van de openheid en de landschappelijke kwaliteit van de bollenstreek, dient zorgvuldig te worden omgegaan met het inpassen van deze greenportwoningen in de ruimte. De financieringssystematiek heeft een paradoxaal element in zich. Immers we bouwen om openheid te behouden. Het fonds waar de afdracht voor het kunnen realiseren van greenportwoningen in vloeit, is op het moment goed gevuld.
Dit betekent dat er nu niet een grote noodzaak is om meer te ‘bouwen om openheid te behouden of vergroten’. Het feit dat met de bouw van de vier woningen in kwestie kwalitatief hoogwaardige bollengrond en openheid van het landschap verloren gaat, weegt met een volle kas van de GOM zwaarder. Een initiatief op
kwalitatief mindere grond komt eerder voor goedkeuring in aanmerking dan een initiatief op 1e klas bollengrond. Nu de GOM in het jaarverslag benoemt qua areaal eerste klas bollengrond 18 hectare in de plus te staan, zal de bollengrond die met de bouw van de vier greenportwoningen verloren gaat waarschijnlijk niet elders gecompenseerd worden en wordt deze naar verwachting van het reeds gecreëerde surplus afgetrokken. Per saldo gaat er ten opzichte van de huidige situatie bollengrond verloren indien het plan aan de Gooweg wordt gerealiseerd. Gewasbeschermingsmiddelen Naar onze mening kan het bestemmingsplan ook niet worden vastgesteld vanwege de drift van de gewasbeschermingsmiddelen. In dit verband achten wij van belang dat de tuinen van alle woningen binnen 50 meter van de agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt liggen. Er is geen locatie-specifiek onderzoek uitgevoerd waaruit blijkt dat deze afstand desondanks acceptabel is. Wij lichten ons standpunt hierna nader toe. Uit de jurisprudentie van de Afdeling blijkt immers dat een richtafstand van 50 meter tussen gevoelige functies (zoals woningen en tuinen) en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, niet onredelijk wordt geacht. Het is toegestaan deze afstanden te verkleinen als daaraan een deugdelijke motivering ten grondslag ligt.
Deze motivering moet zijn gebaseerd op een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 30 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:855) en 21 december 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4730). In de plantoelichting wordt onderkend dat in beginsel een richtafstand van 50 meter moet worden gehanteerd, maar wordt deze afstand ten onrechte enkel gemeten tussen het bouwvlak en de agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt (waarbij alleen de zuidelijk gelegen woning op een afstand van 23 meter zou liggen) en niet vanaf de bij de woningen behorende tuinen. Zoals uit de hiervoor aangehaalde uitspraken van de Afdeling blijkt, dient vanaf de tuinen te worden gemeten. Voorts wordt in de plantoelichting alleen een algemeen onderzoek uit 2019 aangehaald over de gevolgen van gewasbeschermingsmiddelen bij omwonenden van bollenvelden en blijkt niet dat het door de Afdeling vereist locatie-specifiek onderzoek is verricht. Belangenafweging Gelet op het voorgaande zijn er naar onze mening zwaarwegende belangen die maken dat het bestemmingsplan niet kan worden vastgesteld vanwege strijd met een goede ruimtelijke ordening. Wij onderkennen echter ook dat er met verzoekster in het verleden een aantal overeenkomsten zijn gesloten, waarbij wij in onze belangenafweging rekening mee moeten houden.
Uitspraak Afdeling In de uitspraak van 17 september 2025 heeft de Afdeling overwogen dat een privaatrechtelijk gesloten overeenkomst, ook al leidt deze niet tot de verplichting voor de raad aan gronden een bestemming te geven die hij niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening acht, wel een omstandigheid is die de raad bij de niet vaststelling van het plan in zijn overwegingen moet meenemen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad bij het besluit van 27 juni 2023 onvoldoende rekening gehouden met de tussen de gemeente en Heemskerk Valk gesloten overeenkomsten. De Afdeling verwijst in dit verband met name naar de gesloten watercompensatieovereenkomst. Hierbij stelt de Afdeling voorop dat de kosten voor het realiseren van de watercompensatie op het perceel door Heemskerk Valk zijn gemaakt om uitvoering te geven aan de tussen haar en de gemeente gesloten watercompensatieovereenkomst, in de verwachting dat de raad zou meewerken aan de benodigde bestemmingsplanwijziging om de vier Greenportwoningen op haar perceel mogelijk te maken. De raad heeft zich weliswaar op het standpunt gesteld dat hij de overeenkomsten heeft betrokken in het besluit tot niet vaststelling van het bestemmingsplan, maar
hierbij onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe hij de financiële gevolgen van het niet vaststellen van het plan voor de erven van Heemskerk Valk in zijn afweging heeft meegewogen. De Afdeling acht dit in het bijzonder van belang nu niet is gebleken dat de kosten voor het realiseren van de watercompensatie ongedaan worden gemaakt door het perceel terug te brengen in de oorspronkelijke staat. Ons standpunt Wij stellen vast dat in de watercompensatieovereenkomst inderdaad niets is opgenomen over vergoeding van de gemaakte kosten voor het realiseren van de watercompensatie, indien het bestemmingsplan niet wordt vastgesteld. Wel staat in de overeenkomst dat de grondeigenaar, indien het bestemmingsplan niet binnen een periode van drie jaar door de gemeenteraad wordt vastgesteld, de gemeente gedurende een periode van een jaar bindend kan verzoeken om het perceel in de oorspronkelijke situatie terug te brengen. De kosten voor dit herstel zullen voor rekening van de gemeente komen. Deze termijn is inmiddels verlengd tot een half jaar nadat de Afdeling uitspraak heeft gedaan op het beroep tegen het besluit van 27 juni 2023 tot het niet vaststellen van het bestemmingsplan.
Met de Afdeling stellen wij vast dat het feit dat de gerealiseerde watercompensatie op kosten van de gemeente ongedaan zal worden gemaakt (indien daarom zal worden verzocht), onverlet laat dat kosten zijn gemaakt voor het realiseren van de door de gemeente gewenste watercompensatie. In het kader van een evenredige belangenafweging zeggen wij hierbij dan ook toe dat de (aantoonbare) gemaakte kosten voor het realiseren van de watercompensatie door de gemeente aan de erven zullen worden vergoed. Voor het overige zijn wij van mening dat er sprake is van belangen die zwaarder wegen dan de financiële belangen van de erven, die aan het vaststellen van het bestemmingsplan in de weg staan. Zoals hiervoor gemotiveerd uiteen is gezet menen wij dat het bestemmingsplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, onder meer vanwege de gezondheidsaspecten die gepaard gaan met de drift van gewasbeschermingsmiddelen. Naar onze mening dienen deze belangen zwaarder te wegen dan de financiële belangen van de erven. Conclusie Gelet op het voorgaande stellen wij de raad voor om middels een amendement te besluiten om: 1. De Nota beantwoording zienswijzen niet vast te stellen; 2. Het bestemmingsplan “Gooweg perceel D2059” niet vast te stellen; 3. Deze motivering voor het niet vaststellen van dit bestemmingsplan vast te stellen.
Amendement De raad in vergadering bijeen op 27 december 2025 Gelezen het raadsvoorstel en concept besluit van het college… Gelezen de uitspraak van de RvS van ….. Gelet op de bovenstaande motivering die deel uitmaakt van de beraadslagingen en van dit amendement/het raadsbesluit. Stellen wij voor middels dit amendement voor het concept raadsbesluit als volgt aan te passen Oude tekst besluit BESLUIT: I) de Nota van beantwoording zienswijzen vast te stellen; II) het bestemmingsplan ‘Gooweg perceel D2059 - Noordwijkerhout’ (NL.IMRO.0575.BPBGD2059NWH-ON01) vast te stellen; en III) het bestemmingsplan ‘Gooweg perceel D2059 – Noordwijkerhout’ te publiceren en ter inzage te leggen.
Dit aan te passen naar Nieuwe tekst besluit BESLUIT: I) de Nota van beantw oording zienswijzen niet vast te stellen; II) het bestemmingsplan ‘Gooweg perceel D2059 - Noordwijkerhout’ (NL.IMRO.0575.BPBGD2059NWH-ON01) niet vast te stellen op basis van de beraadslagingen en voornoemde motivering en dit geamendeerde besluit te publiceren/bekend te maken volgens de geldende regels III) Voornoemde motivering vast te stellen
Aldus besloten in de raad van 27 december 2025 De voorzitter, De griffier