CConstaterende datNoordwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Advies concept-Omgevingsvisie Noordwijk

Commissie Ruimte 3 juni 2021, gemeente NoordwijkBij agendapunt: Raadvoorstel Omgevingsvisie met oplegnotitie (meningsvormend)3.928 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Advies concept-omgevingsvisie Noordwijk Door , procesmanager Omgevingsvisie is verzocht om de concept Omgevingsvisie van gemeente Noordwijk te lezen en de volgende vragen te beantwoorden: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

I

Kan de visie al vastgesteld worden als omgevingsvisie in de zin van de Omgevingswet? Voldoet deze concept-omgevingsvisie in combinatie met bestaande instrumenten zoals het bestemmingsplan en straks het omgevingsplan als sturend kader voor bijvoorbeeld nieuwe plannen? Is voldoende duidelijk als er sprake is van tegenstrijdige ruimteclaims hoe gekozen wordt op basis van kwaliteiten en de sturingsfilosofie van de gemeente? In het nodig om de term afwegingskader aan te passen? Zijn er door de globaliteit risico’s ontstaan die wij niet voorzien? Is het ISG voldoende geborgd? Is voldoende duidelijk dat het om een programma in de zin van de Omgevingswet gaat? De huidige structuurvisie wordt ingetrokken en daarmee verdwijnt de grondslag voor de vereveningsfondsen waarmee de gemeente werkt. Is dat te voorkomen door de Omgevingsvisie vast te stellen als structuurvisie en te vermelden dat deze onder de reikwijdte van het gelijkstellingsartikel valt? Of vervalt het kunnen gebruiken van het gelijkstellingsartikel door de omgevingsvisie nu op basis van art. 2.1 Wro vast te stellen?

Vaststellen als structuurvisie of omgevingsvisie (vraag 1)?

De Omgevingswet is nog niet in werking. Een gemeente die al instrumenten van de Omgevingswet wil vaststellen, moet dat daarom doen met behulp van de geldende wetten. Een omgevingsplan of een deel daarvan kan met behulp van de Crisis- en herstelwet vastgesteld worden. Omgevingsvisies kunnen worden vastgesteld als structuurvisie Wro en dan naar inhoud de strekking hebben van een omgevingsvisie.

II

Verschil structuurvisie Wro en Omgevingsvisie Ow

Het is wel zaak om de verschillen tussen structuurvisie en omgevingsvisie goed in het oog te houden en ook de veranderingen die de wetgever daarbij voorstaat. Een structuurvisie kan al in meerdere of mindere mate een integraal beleidsdocument zijn, maar is in toch vooral een ruimtelijke visie. De meeste structuurvisies die nu gelden zijn bovendien vooral ruimtelijke ontwikkelingsvisies en bevatten geen beleid voor de inrichting en het beheer van gebieden. Dat geldt ook voor de geldende structuurvisie voor Noordwijk, die op de website van de gemeente is gepubliceerd: dat is vooral een visie voor ruimtelijke ontwikkelingen. In de toekomst is een ruimtelijke (ontwikkelings)visie een onderdeel van de integrale belangenafweging en dus niet hetzelfde als een omgevingsvisie. De toekomstige

omgevingsvisie is veel breder: die heeft betrekking op alles wat valt onder het begrip ’fysieke leefomgeving’. Bovendien moet daarin ook beleid zijn opgenomen voor beheer, gebruik en inrichting van de gehele gemeente. De omgevingsvisie is een van de kerninstrumenten van de Omgevingswet. De instrumenten staan in onderling verband en oefenen invloed op elkaar uit binnen de zogenaamde beleidscyclus. Het woord ‘cyclus’ geeft aan dat beleid voor de fysieke leefomgeving vaststellen geen eenmalige handeling is, maar een proces van voortdurend actief bezig zijn met het halen van doelen. Die doelen staan deels in de omgevingsvisie, deels in programma’s en deels in het omgevingsplan. Met het op enig moment vaststellen van een omgevingsvisie is een gemeente dus niet klaar: het kan zijn dat verdere uitwerking van de doelen nodig is in programma’s en het omgevingsplan. Dat kan er weer toe leiden dat daarna weer de omgevingsvisie wordt aangevuld en bijgesteld.

Bij gemeente…

Kunst: Inzetten ‘instrumentenmix’ met het oog op te halen doelen!

Omgevingsplan

Beleid voor de fysieke leefomgeving maakt dus onderdeel uit van een proces. Dat betekent dat een omgevingsvisie die onderdeel uitmaakt van dat proces zelf ook een proces is. Deze processen zorgen ervoor dat het beleid permanent actueel is. Dat is anders bij een ruimtelijke structuurvisie: dat is veel meer een plan met daarin opgenomen een gewenst eindbeeld. Daarvoor wordt een bepaald ijkmoment gekozen. Zo heeft de nu geldende structuurvisie van Noordwijk als ijkpunt 2030 en dus de naam Omgevingsvisie 2030, ook al is deze op 12 oktober 2017 vastgesteld (en op 8 november 2018 op onderdelen geactualiseerd). De geldende structuurvisie Kernen Noordwijkerhout en De Zilk 2020 heeft als ijkpunt 2020, maar is op 25 februari 2010 vastgesteld. Bij een omgevingsvisie werkt het anders: als een omgevingsvisie wordt vastgesteld wordt wel een doorkijk gekozen naar de toekomst of een bepaald moment in de toekomst, maar de visie zelf is een momentopname. Een omgevingsvisie die in 2021 wordt vastgesteld is zou dus eigenlijk Omgevingsvisie 2021 moeten heten of Omgevingsvisie 1.0. Een jaar later, twee jaar later of

op een door de gemeenteraad gewenst moment volgt dan de Omgevingsvisie 2024 of de Omgevingsvisie 2.0. Dat doet recht aan het dynamische proceskarakter van de visie. Een ander verschil tussen structuurvisies en de toekomstige omgevingsvisie is de manier van totstandkoming. De samenleving is bij de nu geldende structuurvisie betrokken geweest via een informatieavond (28 maart 2017, bij de herziening 5 september 2018) en een inspraakronde (8 maart t/m 18 april 2017, bij de herziening 8 augustus t/m 18 september 2018). Waarschijnlijk is een concept van het eindresultaat aan mensen voorgelegd, waarop zij konden reageren. Een dergelijke werkwijze past niet bij de geest van de Omgevingswet. De bedoeling van de Omgevingswet is dat alle besluiten, waaronder de omgevingsvisie tot stand komen met vroege participatie. Dat wil zeggen dat de samenleving in staat wordt gesteld mee te denken, ideeën en wensen uit te spreken en eigen initiatieven in te brengen. Dit betekent betrokkenheid voorafgaande aan en bij het maken van de keuzes. Dat betekent twee dingen: 1. Er wordt geen kant en klare conceptvisie met een toetsingskader bij de participatie voorgelegd. 2. De omgevingsvisie groeit steeds verder als toetsingskader in een proces van voortdurende aanvulling en bijstelling. Dit is dus een heel andere kijk op en aanpak van beleid maken voor de fysieke leefomgeving.

Hierover bestaan op dit moment in de praktijk misverstanden. Vaak leeft het idee dat de omgevingsvisie inhoudelijk een nieuw soort ruimtelijke ontwikkelingsvisie is. Vaak leeft ook het idee dat de huidige werkwijze van het voorleggen van een compleet uitgewerkte concept structuurvisie aan de bevolking met inspraakmogelijkheden voldoet aan het idee van vroege participatie. Hoewel het beide niet verboden is, sluit dit niet aan bij de bedoeling van de Omgevingswet. In het huidige systeem van structuurvisies kan sectoraal beleid en beleid voor bepaalde gebieden vastgesteld worden als aspectstructuurvisie en deelstructuurvisie. Onder het systeem van de Omgevingswet bestaat er slechts één omgevingsvisie. Wel heeft de gemeente de keuze om sectoraal beleid onderdeel te laten zijn van de omgevingsvisie of om daarvoor apart, operationeel beleid vast te stellen in programma’s. Die keuze is relevant voor de vraag wie het besluit neemt: de raad stelt aanvullingen en bijstellingen van de omgevingsvisie vast. Het college van burgemeester en wethouders stelt programma’s vast. Structuurvisie

Omgevingsvisie

Programma

Verplicht voor het gehele grondgebied van de gemeente

Verplicht voor het gehele grondgebied van de gemeente

Meestal niet verplicht. Voor deelgebieden of thema’s

Een of meer visies:

Eén visie voor de gehele gemeente

Zoveel programma’s als gewenst.

-

-

Voor de gehele gemeente eventueel: aspecten van het gemeentelijk ruimtelijk beleid eventueel voor deelgebieden

tbv goede ruimtelijke ordening

Mede voor de uitoefening van de taken en bevoegdheden, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, voor een of meer onderdelen van de fysieke leefomgeving. Tbv de maatschappelijke doelen van art. 1.3 Ow (duurzame ontwikkeling, bewoonbaarheid, leefmilieu, veilige en gezonde leefomgeving, goede omgevingskwaliteit, rekening houdend met inherente natuurwaarden.)

Naar keuze (multi)sectoraal beleid, thematisch beleid, integraal beleid voor een gebied.

a. beschrijving van de hoofdlijnen van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving

a. een uitwerking van het te voeren beleid voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming of het behoud daarvan,

b. hoofdlijnen voorgenomen ontwikkeling, gebruik, beheer, bescherming en behoud van het grondgebied, hoofdzaken van het door de gemeente te voeren ruimtelijk beleid

Bevat eventueel maatregelen om doelen te halen.

b. maatregelen om aan een of meer omgevingswaarden te voldoen of een of meer andere doelstellingen voor de fysieke leefomgeving te bereiken.

c. hoofdzaken van het voor de fysieke leefomgeving te voeren integrale beleid.

mbt tot ruimtelijke ontwikkelingen: de wijze waarop de gemeenteraad zich voorstelt die ontwikkelingen te doen verwezenlijken. Gezondheidsbescherming (ivm evenwichtige toedeling van functies aan locaties) Gezondheidsbevordering (landelijk beleid)

Het mag een intergemeentelijke structuurvisie zijn. Vaststelling door de gemeenteraad

Mede gericht op taken art. 2.1 lid 1 Ow (zie bijlage) rekening houden met:  voorzorgsbeginsel,  beginsel van preventief handelen,  beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden  beginsel dat de vervuiler betaalt Iedere overheid zijn eigen omgevingsvisie Vaststelling door de gemeenteraad

Vaststelling door het college van burgemeester en wethouders

Procedure inspraakverordening of afd. 3.4 Awb

Vroege participatie en afdeling 3.4 Awb

Vroege participatie en afdeling 3.4 Awb

Als een gemeente werkt met programma’s dan is het toetsingskader voor latere besluiten zoals het vaststellen van het omgevingsplan, wijzigen van onderdelen van het omgevingsplan, omgevingsvergunningen en handhavingsbesluiten dus terug te vinden in zowel de omgevingsvisie als de programma’s. Het omgevingsplan met de regels zorgt daarbij voor de juridische basisbescherming en geeft in dat verband aan welke functies in gebieden mogelijk zijn en wat dat betekent voor de activiteiten in het betreffende gebied. Het omgevingsplan kan daarbij activiteiten verbieden. Deze drie instrumenten samen vormen dus het toetsingskader voor ontwikkelingen en initiatieven uit de samenleving. Tegen deze achtergrond van de bedoeling van de Omgevingswet en het systeem van de beleidscyclus heb ik de nu voorliggende concept omgevingsvisie beoordeeld, ook op de vraag of er voldoende sturing vanuit gaat.

III

Totstandkoming en reikwijdte concept omgevingsvisie

De concept omgevingsvisie is tot stand gekomen in samenspraak met de inwoners van Noordwijk. Het vat goed samen wat bij verschillende participatiebijeenkomsten is opgehaald en geeft dus een goed beeld van wat de inwoners van Noordwijk anno 2021 belangrijk vinden. Dit is belangrijk, omdat de huidige structuurvisie niet op deze manier tot stand is gekomen en inmiddels is gedateerd. Qua reikwijdte sluit de concept omgevingsvisie aan bij de verbrede reikwijdte van de Omgevingsvisie. Het is geen ruimtelijke ontwikkelingsvisie, maar gericht op de volle breedte van de fysieke leefomgeving en de transities die nodig zijn om de doelen van de wet te halen. Het is een Omgevingsvisie 2021 of 1.0 versie en is als zodanig de eerste stap op weg naar een samenhangend toetsingskader. Dat zal de komende jaren tot stand komen via uitwerkingen in programma’s of bijstellingen/aanvullingen van deze visie. Als zodanig structureert deze visie het verdere proces van implementatie en beleidsontwikkeling voor de fysieke leefomgeving zoals bedoeld bij de Omgevingswet. Het weerspiegelt ook duidelijk de geest van de Omgevingswet.

De uitgangspunten van de wet zie ik terug in: het voorwoord (samen vormgeven), hoofdstuk 1 (van ons allemaal, betere relatie gemeente-samenleving, vertrouwen, andere manier van samenwerken, uitnodiging tot initiatieven), hoofdstuk 2 (gericht op kwaliteiten, kader voor initiatieven, ja mitshouding bij de Geluksmeter), hoofdstuk 3: inzicht in gebieden (aanzet tot

gebiedsgerichte benadering), hoofdstuk 4: aanzet tot themabenadering en hoofdstuk 5 (andere manier van werken, ja mits houding, Initiatieventafel).

IV

Voldoende als sturingsdocument? (vraag 2, 3 en 4)

Kijkend naar de taakomschrijving van de gemeente waarvoor de omgevingsvisie moet worden ingezet (zie bijlage) en de bepalingen over de inhoud, dan voldoet de omgevingsvisie. Tegelijkertijd moet worden opgemerkt dat het hier gaat om een eerste stap. Het maken van een omgevingsvisie in de geest van de Omgevingswet (met vroege participatie en inhoudelijk veel bredere reikwijdte dan een ruimtelijke (ontwikkelings)visie) is namelijk een proces: er kan niet meteen een eindbeeld aan de gemeenteraad worden voorgelegd. Er moeten nog veel uitwerkingen volgen, waarbij de keuze is of die uitwerkingen een plaats krijgen als aanvulling van de omgevingsvisie, in een of meerdere programma’s of in een juridische vertaling in het omgevingsplan. De concept omgevingsvisie zoals die nu voorligt gaat in de toekomst werken als sturingsinstrument in combinatie met instrumenten, zoals het omgevingsprogramma, het omgevingsplan en vergunningen. De omgevingsvisie kan ook praktisch gezien niet meteen als toetsings- of afwegingskader werken, want dan zou er direct een compleet uitgewerkt beleidsverhaal aan de bewoners van de gemeente voorgelegd moeten worden. Dat is veel te ingewikkeld en abstract voor een proces van vroege participatie.

Dat bij deze concept visie sprake is van een eerste stap in een proces is niet erg, omdat het vooralsnog in de aanloop naar de nieuwe wet heel erg zoeken is hoe abstract of concreet het nieuwe toetsingskader moet zijn en in welke instrumenten dat moet landen. Daar is men bij alle gemeenten die momenteel met omgevingsvisies aan de slag zijn naar op zoek. Duidelijk is wel dat als het met participatie tot stand moet komen, het niet te concreet mag zijn om te voorkomen dat mensen niet meedoen. Het participatieproces is immers juist bedoeld om ideeën op te halen, wensen te inventariseren en mensen mee te nemen in het beleid, zodat er ook draagvlak kan ontstaan voor de doelen die in het beleid zijn opgenomen. Was de visie nu al concreter geweest in de uitwerking, dan was van het uitgangspunt van vroege participatie waarschijnlijk niet veel terecht gekomen. Het is dus niet voor niets dat veel gemeenten starten met een visie zoals deze en vervolgens in een proces doorwerken aan verdere beleidsontwikkeling. Deze concept omgevingsvisie kun je daarom – in aansluiting op wat hierboven is beschreven - zien als de Omgevingsvisie2021/1.0 versie. Deze visie zal op allerlei momenten worden ‘geupdated’ naar een 2.0 en verdere versies.

Het gehele toetsingskader en de betekenis als sturingsdocument zal dus dynamisch tot stand komen. Een belangrijke vraag die daar doorheen speelt en die in gemeente Noordwijk waarschijnlijk nog moet worden beantwoord, is de vraag wat van de verdere beleidsontwikkeling gaat landen in de omgevingsvisie en wat in programma’s. Zo zou bijvoorbeeld het beleid voor een van de dorpen opgenomen kunnen worden als hoofdstuk in de omgevingsvisie (2.0 versie), maar even goed ook in een programma of deels in de omgevingsvisie en deels (het operationele deel en de concrete maatregelen) in het programma. De regels voor het betreffende dorp – en dus het juridische toetsingskader – belanden daarbij in het omgevingsplan. Omdat de concept visie nu nog als structuurvisie wordt vastgesteld, zijn wel de eisen uit de Wro nog steeds van toepassing. Dat betekent dat daarin eigenlijk de hoofdzaken van het ruimtelijk beleid moeten zijn opgenomen. Die staan echter nog niet in deze concept Omgevingsvisie. Daarom is het van belang om de huidige structuurvisie nog niet in te trekken. Dit betekent dat vooralsnog als toetsingskader naast de bestemmingsplannen en het toekomstige omgevingsplan gewerkt kan worden met de huidige structuurvisie die geïnterpreteerd wordt in de geest van deze concept omgevingsvisie.

Omdat de huidige structuurvisie vooral een ruimtelijk ontwikkelingsdocument is, lijkt het mij goed mogelijk dat tijdelijk beide documenten naast elkaar blijven bestaan en elkaar aanvullen. Naarmate de beleidsontwikkeling van de omgevingsvisie en programma’s vordert kunnen steeds meer onderdelen van de huidige structuurvisie vervallen. Dus: deze concept visie is een heel belangrijk, politiek document, dat tot stand is gekomen met een heel zorgvuldig en voor de rest van de beleidsontwikkeling goed proces van participatie. Dat neemt niet weg, dat het als toetsingskader nog niet af is en dat dus de geldende structuurvisie nog niet kan worden ingetrokken. Als antwoord op vraag 6 vind ik - in het verlengde van het vorenstaande – dat er met dit document nog niet gestuurd kan worden bij tegenstrijdige ruimteclaims. De vraag is of dat met de huidige structuurvisie wel goed genoeg kan. Tegenstrijdige ruimteclaims zullen vooral een afweging krijgen in het kader van omgevingsvergunningen waarbij afgeweken wordt van bestemmingsplannen (kruimelgevallen en omgevingsvergunningen met al dan niet een verklaring van geen bedenkingen) of bij herzieningen van bestemmingsplannen. Daarbij is tot de Omgevingswet in werking treedt nog steeds het criterium ‘goede ruimtelijke ordening’.

Als de concept omgevingsvisie is vastgesteld zit daarin wel een opdracht om in het kader van ‘goede ruimtelijke ordening’ meer te onderzoeken, af te wegen en te motiveren dan alleen het ruimtelijke aspect uit de geldende structuurvisie.

V Relatie met de bestaande vereveningsfondsen (vraag 5) Het antwoord op vraag 5 is dat er inderdaad door de globaliteit risico’s ontstaan, wanneer de geldende structuurvisie wordt ingetrokken. Dat betreft met name de fondsen die nu op grondslag van de structuurvisie bestaan. Deze fondsen zijn gebaseerd op de wetsbepaling die het mogelijk maakt om bijdragen aan ruimtelijke ontwikkelingen te vragen (art. 6.24 lid 1 Wro). Daarvoor moet een structuurvisie de onderbouwing leveren. Dit artikel blijft in werking totdat de Omgevingswet in werking treedt. De concept visie die ik toegezonden heb gekregen, biedt niet voldoende inhoudelijke basis om daaraan nu al vereveningsfondsen te koppelen. Ook om die reden zou mijn advies zijn om de huidige structuurvisie nog niet in te trekken, zodat de grondslag voor de bestaande fondsen blijft bestaan. Dat kan ook omdat de strekking van die structuurvisie beperkter is: het is ‘slechts’ een ruimtelijke ontwikkelingsvisie en daarmee ‘slechts’ een onderdeel van de omgevingsvisie. In de toekomst is het 'nieuwe artikel 6.24 Wro' opgenomen in artikel 13.22 lid 1 Omgevingswet. Dat luidt als volgt: "Artikel 13.22 (financiële bijdragen voor ontwikkelingen van een gebied) 1.

Het college van burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten of Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kunnen in een overeenkomst over bij algemene maatregel van bestuur aangewezen activiteiten bepalingen opnemen over financiële bijdragen voor ontwikkelingen van een gebied op basis van een omgevingsvisie of programma."

De reikwijdte van de nieuwe bepaling is dus enerzijds iets breder (financiële bijdragen kunnen ook op basis van een programma worden gevraagd), maar vraagt ook een concrete aanduiding van het gebied waarvoor de bijdrage wordt gevraagd. M.n. de zinsnede 'ontwikkelingen van een gebied' vraagt om een zorgvuldige en concrete onderbouwing in de omgevingsvisie. Dat staat er nu onvoldoende in. Zoals gezegd, dat kan ook niet gelet op de fase waarin de omgevingsvisie nu is. Het voortbestaan van de fondsen wordt veiliggesteld door de huidige structuurvisie nog een tijd te handhaven en hangt in de toekomst af van de inhoud van de volgende versies van de omgevingsvisie of van de inhoud van de toekomstige programma’s. De fondsen kunnen dus in de toekomst een juridische grondslag vinden in een aanvulling van de omgevingsvisie (2.0 versie), maar ook in een programma. Een ruimtelijke structuurvisie zoals de huidige structuurvisie kan in de toekomst een onderdeel worden van

de omgevingsvisie, maar ook een programma zijn. Wat het gaat worden hangt daarbij ook af van de keuze wie het beleid zal vaststellen: is dat de gemeenteraad (omgevingsvisie) of is dat het college van burgemeester en wethouders (het programma). Hier speelt dan weer de vraag doorheen hoe gemeenteraad en college met elkaar omgaan in de toekomst in het kader van de Omgevingswet.

VI Relatie met ISG? (vraag 6) De ISG komt heel kort aan de orde in paragraaf 4.1 van de concept visie. Daarin is deze structuurvisie gepositioneerd als kompas en als programma. Daarbij is vermeld dat de ISG een uitwerking is van de concept visie. Voor deze fase van de omgevingsvisie is dit voldoende, maar verdere uitwerking in vervolg versies is wel nodig. Daarbij wil ik aantekenen dat meer uitleg over wat de ISG inhoudt en wat dat betekent voor de gemeente ook nodig is vanuit het perspectief van de gebruiker. Aangezien de ISG al als structuurvisie geldt, zou mijn advies ook zijn om deze voorlopig te handhaven naast deze concept visie. De visie kan binnen het instrumentarium van de Omgevingswet op een later moment worden vastgelegd in een omgevingsprogramma of worden toegevoegd of verwerkt in de omgevingsvisie 2.0.

VII

Conclusie

De conceptvisie is in de geest van de wet tot stand gekomen, maar heeft nog verdere uitwerking nodig. Daarbij kan gedacht worden aan de volgende uitwerkingen: -

-

-

Een gebiedsindeling, waarbij per gebied: o een beschrijving van de kwaliteiten met een kwalificatie of deze moeten worden beschermd, behouden en/of verbeterd wordt opgenomen. o de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming en het behoud van het grondgebied Een uitwerking naar thema voor de hele gemeente (bijvoorbeeld mobiliteit/parkeren, circulaire economie, woningbouw etc.) en de hoofdzaken van het integrale beleid, waarbij ik verwijs naar de taakbeschrijving in de bijlage. Opname van de watervisie van het waterschap en de regionale energiestrategie

Deze uitwerking kan worden opgepakt door een omgevingsvisie 2.0 op te stellen, door de uitwerking in programma’s op te nemen en door een juridische vertaling in regels te geven – voor zover nodig - in het omgevingsplan. Ook kan worden overwogen een tussendocument op te stellen, waarin uitgangspunten voor het omgevingsplan worden uitgewerkt. Het vervolg op deze conceptvisie kan dus worden opgepakt door (samen met de gemeenteraad)

te inventariseren waar uitwerking nodig is, hoe dit vorm moet krijgen en wie daartoe bevoegd is. Naast de nu al in de concept visie genoemde gebieden, kan voor uitwerkingen ook gekeken worden naar de gebieden in de geldende structuurvisie. Evengoed kan er ook een andere indeling worden gekozen. Wordt er gewerkt met programma’s dan is het zaak betrokkenheid van de gemeenteraad hierbij af te spreken, want dat is wettelijk niet geregeld. Die programma’s kunnen daarna op hun beurt weer leiden tot aanvulling en bijstelling van de visie en tevens een basis zijn voor de aanpak van het vaststellen van het omgevingsplan. Tegelijk met het vaststellen van de volgende versies van de visie of van programma’s kan bezien worden of de bestaande structuurvisie kan worden ingetrokken of welke onderdelen daarvan kunnen worden ingetrokken. De vraag waarover de gemeenteraad wil adviseren bij buitenplanse omgevingsvergunningen kan hierbij ook worden meegenomen. Uit mijn advies blijkt wel dat het zaak is om een duidelijk vervolgtraject af te spreken en richting de raad en burgers aan te geven hoe er naar een toetsingskader wordt toegewerkt.

VIII Borging in de tussentijd In de tussentijd blijven de bestaande beleidsdocumenten (structuurvisie(s) en andere beleidsnota’s) bestaan totdat zij worden ingetrokken. Juridisch is dit bescherming door de wet zelf afgedekt doordat de geldende bestemmingsplannen en verordeningen blijven bestaan, ook nadat de Omgevingswet is ingevoerd als tijdelijk deel van het omgevingsplan.

IX Samenvattend Er is heel veel goed werk verricht en er ligt een heel bruikbaar document. Als sturingsinstrument moet het worden bezien in relatie tot de verdere uitwerking, ook van omgevingsprogramma en omgevingsplan. Het sturingsinstrumentarium is met deze concept omgevingsvisie dus nog niet ‘af’ genoeg om geheel zelfstandig al te kunnen dienen als sturingsinstrument en toetsingskader. Problematisch is dat niet: de Omgevingswet is nog niet in werking en daarna is er nog een overgangsperiode tot 2024. In de rest van Nederland zijn gemeenten ook op deze manier bezig. Indien de bestaande structuurvisies niet of slechts op strijdige onderdelen worden ingetrokken, ontstaan er geen juridische problemen.

17 maart 2021.

Bijlage 1 Artikel 3.2 Ow schrijft voor dat de omgevingvisie mede is bedoeld voor de uitoefening van de taken en bevoegdheden van art. 2.1 OW. Dat gaat om de volgende taken en bevoegdheden: o o o o o o o o o o o o o o o o o o o

a. het waarborgen van de veiligheid, b. het beschermen van de gezondheid, c. het beschermen van het milieu, d. het duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening, e. het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden, f. het behoud van cultureel erfgoed, g. het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed, h. de natuurbescherming, i. het tegengaan van klimaatverandering, j. de kwaliteit van bouwwerken, k. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, l. het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten, m. het beheer van infrastructuur, n. het beheer van watersystemen, o. het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen, p. het beheer van natuurlijke hulpbronnen, q. het beheer van natuurgebieden, r. het gebruik van bouwwerken, s. het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Noordwijk&id=5e5a407b-999f-4aa4-afb3-f35bd1154068