CConstaterende datNoordwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

A - Nota van Beantwoording zienswijzen ontwerp Bodembeheernota Bronsgeest.pdf

Gemeenteraadsvergadering 29 november 2022, gemeente NoordwijkBij agendapunt: Raadsvoorstel Bodembeheernota deel B en bodemkwaliteitskaart plangebied Bronsgeest4.444 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Nota van beantwoording zienswijzen Ontwerpbesluit Bodembeheernota deel B en bodemkwaliteitskaart plangebied Bronsgeest d.d. 18 oktober 2022

1. Inleiding De ontwerp Bodembeheernota deel B en bodemkwaliteitskaart plangebied Bronsgeest heeft van vrijdag 20 mei 2022 tot en met vrijdag 1 juli 2022 ter inzage gelegen. Zowel op het gemeentehuis bij de gemeentebalie, de gemeentelijke website www.noordwijk.nl, als via de officiële publicatie van het gemeenteblad op www.officielebekendmakingen.nl heeft de mogelijkheid bestaan om het ontwerpbesluit te raadplegen. Gedurende de periode van terinzagelegging van zes weken heeft een ieder de mogelijkheid gehad om een zienswijze naar aanleiding van de ontwerp bodembeheernota deel B en bodemkwaliteitskaart plangebied Bronsgeest in te dienen. Zienswijzen Gedurende de termijn van ter inzage legging is in totaal één zienswijze kenbaar gemaakt. In hoofdstuk 2 van deze nota wordt de ingediende zienswijze samengevat weergegeven en voorzien van een beantwoording door het college van burgemeester en wethouders. Elke zienswijze eindigt met een conclusie waarin inzichtelijk wordt gemaakt in hoeverre hetgeen naar voren is gebracht aanleiding geeft tot aanpassing in de vast te stellen bodembeheernota deel B. Indien er persoonsgegevens in de zienswijzen aanwezig zijn, zijn deze geanonimiseerd, omdat het in het kader van de Algemene Verordening Gegevensbescherming niet is toegestaan persoonsgegevens op internet te publiceren.

2. Zienswijzen Gedurende de termijn van terinzagelegging van zes weken is er één zienswijze ingediend. In de tabel hieronder is de ingediende zienswijze samengevat weergegeven (kolom 2) en voorzien van een beantwoording door het college van burgemeester en wethouders (kolom 3). De beantwoording van de zienswijzen eindigt met een conclusie waarin inzichtelijk wordt gemaakt in hoeverre hetgeen naar voren is gebracht aanleiding geeft tot aanpassing van de ontwerp Bodembeheernota deel B en bodemkwaliteitskaart plangebied Bronsgeest (kolom 4). Reclamant

Reclamant 1

Inhoud zienswijze

Reactie college burgemeester en wethouders

1. Reclamant verwijst naar de verschillen in publicatiedatum en het verschil in einddatum van de inzagetermijn in de officiële uitgaven van het gemeenteblad. Betreft publicatie 228562 ten opzichte van publicatie 233735. Reclamant claimt dat de zienswijzetermijn is verlengd naar de toekomst. Reclamant stelt dat zienswijzetermijnen niet kunnen worden verkort of verlengd. Dat is strijdig met het systeem van afdeling 3.4 Awb en specifiek in strijd met artikel 3:16, eerste lid Awb (ABRvS L3 maart 2013, 2012OrO4s/1/R3).

1. De termijn voor het indienen van zienswijzen is zes weken en begint op de dag waarop het ontwerpbesluit ter inzage is gelegd (artikel 3:16 Awb). Het ontwerp besluit is op 20 mei 2022 ter inzage gelegd. De publicatie in het gemeenteblad met nummer 233735 betreft een rectificatie van de publicatie 228562. In de oorspronkelijke publicatie stond de einddatum van de ter inzage termijn abusievelijk op 28 juni 2022. Dit is minder dan zes weken. Rekening houdend met een inzage termijn van zes weken en de start van de ter inzage legging op 20 mei 2022, diende de einddatum 1 juli 2022 te zijn. Middels de rectificatie is de einddatum hersteld. De officiële zienswijze termijn is zes weken geweest, conform artikel 3:16 AwB.

2. Reclamant vindt dat er onrechtmatig is gesneden in de laatst plaatsgevonden Millieuhygiënisch Vooronderzoek en Verkennend bodemonderzoek d.d. 29 november 2018. Reclamant constateert dat slechts delen van bodemonderzoeken uit het verleden als bijlage zijn opgenomen en zegt dat dit is gebeurd terwijl geldt en vermeld staat dat de onderzoeken alleen als geheel mogen worden gezien en verstrekt. Tevens vindt de reclamant dat de gemeente hiermee verzuimt iemand in inlichtingen te voorzien die hij/zij nodig heeft

2. De gemeente Noordwijk is er niet verantwoordelijk voor dat het adviesbureau die het rapport van 29 november 2018 heeft geschreven in hun bijlagen niet de volledige eerdere onderzoeken van 2009 en 2016 heeft opgenomen. Daarnaast heeft de gemeente ook de volledige bodemonderzoeken van 2009 en 2016 ter beschikking gesteld aan de indiener van de zienswijze. De indiener van de zienswijze heeft deze onderzoeken dus alsnog als geheel kunnen lezen.

Gevolgen voor het ontwerpbesluit Naar aanleiding van deze opmerking is het ontwerp Bodembeheernota deel B plangebied Bronsgeest niet aangepast.

Naar aanleiding van deze opmerking is het ontwerp Bodembeheernota deel B plangebied Bronsgeest niet aangepast.

Reclamant

Inhoud zienswijze

Reactie college burgemeester en wethouders

Gevolgen voor het ontwerpbesluit

voor zijn taken/ inspraak/ besluitvorming/ rechtsgevolg.

3. Reclamant claimt dat de gemeente heeft verzuimd verplichte milieu informatie actief openbaar te maken. Reclamant stelt dat de niet openbaargemaakte milieu informatie betrekking heeft op de Bodembeheernota deel B plangebied Bronsgeest. Als nadere toelichting stelt de reclamant dat op 1 mei 2022 de Wet Open Overheid in werking is getreden, waarbij de gemeente verplicht is actief informatie openbaar te maken. Reclamant stelt dat de gemeenteraad niet is voorzien van benodigde informatie voor zijn taak, ook nadat reclamant een Wob > Wooverzoek heeft aangevraagd. Reclamant stelt dat de gemeente, na een aanvraag van een Wob> Woo-verzoek met betrekking tot milieu informatie, een specifieke openbaarmakingsregiem moet toepassen (wet uitvoering verdrag van Aarhus Stb. 2005, nr66 waarmee de Woo en Wet millieubeheer zijn gewijzigd). Het doel van het verdrag is het recht op milleu-informatie, inspraak in de besluitvorming en de toegang tot de rechter te waarborgen bij milieuaangelegenheden. Reclamant claimt dat de gemeente dit nu in strijd met de wet heeft verhinderd en benadeeld.

3. De verplichting tot actieve openbaarmaking op grond van de Wet open overheid is nog niet in werking getreden. Deze verplichting zal de komende jaren gefaseerd in werking treden. Naar aanleiding van het Woo-verzoek van reclamant heeft de gemeente de informatie wel openbaar gemaakt. De specifieke regels rondom milieu-informatie waar reclamant op doelt geven een bestuursorgaan extra ruimte om documenten niet te verstrekken. Hiervan is geen sprake/is geen gebruik van gemaakt: de gemeente heeft de opgevraagde bodemonderzoeken verstrekt. Van strijd met de wet is dan ook geen sprake.

Naar aanleiding van deze opmerking is het ontwerp Bodembeheernota deel B plangebied Bronsgeest niet aangepast.

Reclamant

Inhoud zienswijze 4. Reclamant claimt dat er gebreken zijn geweest ten aanzien van de inzage ter plaatse op het gemeentehuis. Reclamant vindt dat haar verzoek per mail d.d. 13 juni 2022 voor inzage in de Bodembeheernota deel B Bronsgeest en bijbehorende stukken niet (voldoende) is ingewilligd. Reclamant claimt dat het projectteam Bronsgeest per mail enkel digitale verzending aan heeft geboden met een limiterend aanbod op de betrekkinghebbende stukken, het recht op inzage fysieke stukken en het recht op een niet-publieke rustige onstoorbare ruimte ter plaatse voor inzage. Reclamant stelt dat door mailwisselingen twee weken aan tijd ongewenst voorbij is gegaan en dat zij pas de laatste drie dagen van de inzagetermijn de bodembeheernota in heeft kunnen zien. Verder stelt reclamant dat niet alle stukken die bij de bodembeheernota horen ter inzage hebben gelegen.

5. Reclamant stelt dat de onderzoeksresultaten in de bodemonderzoeken, die zij ontvangen heeft vanwege haar Wob > Woo-verzoek, beperkt betrouwbaar zijn. Reclamant claimt dat er in tabellen van bodemonderzoeksuitslagen onregelmatigheden zijn die kunnen wijzen op (digitale) wijzigingen na de oplevering van desbetreffende bodemonderzoeken.

Reactie college burgemeester en wethouders

Gevolgen voor het ontwerpbesluit

4. Het klopt dat reclamant in eerste instantie ook is aangeboden de ter inzage gelegde stukken digitaal toe te sturen. Toen reclamant aangaf hier niet mee akkoord te gaan, heeft reclamant de stukken alsnog op het gemeentehuis te Noordwijk in kunnen zien. Op haar verzoek is haar daartoe een ruimte ter beschikking gesteld.

Naar aanleiding van deze opmerking is het ontwerp Bodembeheernota deel B plangebied Bronsgeest niet aangepast.

De daarbij fysiek ter inzage gelegde stukken waren gelijk aan de digitaal ter inzage gelegde stukken. Dit waren ook de stukken waarover de gemeenteraad een ontwerp besluit heeft genomen. Van strijd met de wet is ook hier dan ook geen sprake.

5. De bodemonderzoeken zijn uitgevoerd door gecertificeerde onderzoeksbureaus. De gemeente Noordwijk ziet geen aanleiding om de betrouwbaarheid van de onderzoeken in twijfel te trekken.

Naar aanleiding van deze opmerking is het ontwerp Bodembeheernota deel B plangebied Bronsgeest niet aangepast.

Reclamant

Inhoud zienswijze

Reactie college burgemeester en wethouders

6. Reclamant stelt dat op basis van uitgevoerde bodemonderzoeken vanaf 1990 geen melding is gedaan van bodemverontreiniging bij de Provincie Zuid-Holland. Reclamant claimt dat dit had moeten gebeuren omdat er stoffen gemeten zijn die de tussenwaarde en interventiewaarde overschrijven.

6. Het melden van een bodemverontreiniging aan het bevoegd gezag (zijnde de Provincie Zuid-Holland) is pas noodzakelijk als sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging waarbij meer dan 25 m3 grond en/of 100 m3 grondwater aanwezig is met een gehalte boven de interventiewaarde. Uit de op de locatie Bronsgeest uitgevoerde bodemonderzoeken blijkt dat deze norm niet wordt overschreden. In 1993 is er plaatselijk in de bovengrond een overschrijding van de tussenwaarde (= het gemiddelde van de achtergrondwaarde en de interventiewaarde) voor kwik aangetoond, maar deze overschrijding is in latere onderzoeken niet meer gemeten. In 2021 is er in 1 analysemonster een overschrijding van de interventiewaarde voor lood gemeten, maar bij twee herbemonsteringen van ditzelfde monster is geen overschrijding meer aangetoond. Op beide locaties waar een overschrijding van tussenwaarde of interventiewaarde is gemeten, heeft dus aanvullend onderzoek plaatsgevonden waarbij bleek dat deze overschrijdingen niet meer reproduceerbaar zijn. Er is daarom geen reden om aan te nemen dat er op de locatie Bronsgeest sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging. Op grond van de Wet bodembescherming is de aanwezige bodemkwaliteit in het plangebied Bronsgeest geschikt voor gebruik als wonen met tuin.

De locatie Bronsgeest is hiermee voldoende onderzocht en is er geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Derhalve is het toesturen van de bodemonderzoeken aan de Provincie, het aanvragen van

Gevolgen voor het ontwerpbesluit Naar aanleiding van deze opmerking is het ontwerp Bodembeheernota deel B plangebied Bronsgeest niet aangepast.

Reclamant

Inhoud zienswijze

Reactie college burgemeester en wethouders

Gevolgen voor het ontwerpbesluit

een beschikking bij de Provincie en de uitvoer van een bodemsanering niet noodzakelijk.

7. Reclamant geeft aan dat er bij de uitgevoerde bodemonderzoeken telkens een verkeerd analysepakket is gebruikt en er ook geen rekening is gehouden met het feit dat de locatie als bollegrond is gebruikt. Reclamant claimt dat er nog geen verkennend onderzoek heeft plaatsgevonden op grond van de juiste hypothese en onderzoeksstrategie.

7. In de bodemonderzoeken van 2018 en 2021 is op basis van het uitgevoerde historisch onderzoek het standaard analysepakket voor het bodem- en waterbodemonderzoek aangevuld met organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB’s). Het aanvullen van het standaard analysepakket met andere stoffen is noodzakelijk als uit het historisch onderzoek blijkt dat deze stoffen mogelijk aanwezig kunnen zijn op de onderzoekslocatie. Aangezien het plangebied Bronsgeest in gebruik is geweest als bloem(bollen)teelt, is de aanvulling met OCB’s op het standaard NEN-pakket logisch en voldoende. Er zijn geen andere stoffen te verwachten op de locatie, dus verdachte activiteiten / stoffen zijn hiermee voldoende onderzocht. Verder geeft reclamant aan dat de hypotheses en onderzoeksstrategieën in de uitgevoerde onderzoeken onterecht zijn gesteld en ook verworpen zijn. Hetgeen reclamant stelt klopt gedeeltelijk en dat is ook duidelijk aangegeven in de onderzoeken. Er was in eerste instantie in het bodemonderzoek van 2018 en 2021 uitgegaan van een strategie voor een onverdachte locatie en dat blijkt niet geheel juist. Maar de gebruikte onderzoeksstrategie was wel aangevuld met analyses op OCB’s, waardoor de verdachte stoffen wel degelijk zijn onderzocht.

Het klopt dus dat de locatie niet volledig onverdacht is en de hypothese onverdacht in dit geval moet worden verworpen – er is namelijk sprake van enkele lichte verontreinigingen.

Naar aanleiding van deze opmerking is het ontwerp Bodembeheernota deel B plangebied Bronsgeest niet aangepast.

Reclamant

Inhoud zienswijze

Reactie college burgemeester en wethouders

Gevolgen voor het ontwerpbesluit

Maar er is volgens de NEN5740 geen nader onderzoek noodzakelijk, omdat er dus slechts sprake is van lichte verontreinigingen én alle verdachte stoffen al meegenomen zijn in het onderzoek. In het waterbodemonderzoek van 2021 was voor de vaste waterbodem en het slib in de sloot juist uitgegaan van een verdachte locatie en dat bleek voor de vaste waterbodem niet correct – daar zijn geen verontreinigingen gemeten. Dit betekent dus dat de vaste waterbodem schoner is dan verwacht en daarom is de hypothese ‘verdacht’ verworpen. 8. Reclamant geeft aan dat er sprake is van selectieve aanvullende / actualiserende vooronderzoeken die niet de status hebben van een verkennend of nader onderzoek. Daarnaast geeft reclamant aan dat in de (verkennend) bodemonderzoeken staat dat onvoldoende is getoetst op bijmenging en stelt dat er is verzuimd om adviezen in de bodemonderzoeken op te volgen. Aanvullend op opmerking 7 stelt reclamant verder dat in het Waterbodemonderzoek incl. milieu hygiënisch Vooronderzoek dd. 18 maart 2021, bevestigend vermeld wordt dat een aangepaste onderzoeksstrategie gerechtvaardigd is. De hypothese voor de vaste waterbodem is ook verworpen. Slib is verdacht. De toepassing van baggerspecie heeft beperkingen door aanwezigheid van Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) en gehalten van stoffen die plaatselijk de

8. Bij het uitgevoerde aanvullende / actualiserende onderzoek is de NEN5740 gehanteerd voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek, dus deze onderzoeken hebben dezelfde status als een verkennend onderzoek. Er is enkel in de titel van het onderzoek gesproken over aanvulling / actualisatie om aan te geven dat er al oudere onderzoeken aanwezig waren op de locatie. Dit is voor bodemadviesbureaus een normale gang van zaken, waarmee juist ook duidelijk wordt aangegeven dat een nieuw bodemonderzoek geen losstaand onderzoek is, maar een vervolg en aanvulling is op een eerder uitgevoerd onderzoek waarbij met de resultaten van die eerdere onderzoeken rekening wordt gehouden. In de aanbevelingen van de uitgevoerde onderzoeken is inderdaad vermeld dat men tijdens de uitvoering van grondwerkzaamheden alert dient te blijven op de aanwezigheid van bodemvreemde bijmengingen, asbestverdacht materiaal en/of overige afwijkingen die kunnen duiden op een eventuele bodemverontreiniging. Dit is echter een standaardzin, omdat een bodemonderzoek altijd een steekproef betreft. Het is

Naar aanleiding van deze opmerking is het ontwerp Bodembeheernota deel B plangebied Bronsgeest niet aangepast.

Reclamant

Inhoud zienswijze streefwaarde en interventiewaarde overschrijden (= groter dan industrie) (niet toepasbaar). Reclamant claimt dat een omvangsbepaling en volumecriterium nodig zijn, ook als er sprake zou zijn van een niet-ernstige verontreiniging of minder dan de industrienorm. Bijvoorbeeld omdat men niet wil dat bepaalde bijmengingen en verontreinigingen in tuinen van te verkopen woningen, groenstroken en speeltuinen aanwezig zijn.

Reactie college burgemeester en wethouders

Gevolgen voor het ontwerpbesluit

uiteraard niet mogelijk om alle grond die aanwezig is op een perceel te laten onderzoeken. Daarom wordt in de norm NEN5740 per oppervlakte van een perceel aangegeven hoeveel boringen en analyses moeten worden verricht. Aan die norm is volledig voldaan. Reclamant geeft aan dat de hypothese en onderzoeksstrategie voor waterbodem in het uitgevoerde onderzoek aangepast moet worden. Er was echter in het onderzoek van 2021 al uitgegaan van de hypothese dat de sliblaag verdacht was. Dit is door het waterbodemonderzoek bevestigd – er zijn enkele verontreinigingen met OCB’s gemeten. De hypothese en onderzoeksstrategie waren dus correct. Daar er lichte verontreinigingen zijn gemeten, wordt ook duidelijk in hoofdstuk 6 van het wateronderzoek aangegeven welke toepassingsmogelijkheden er zijn voor het slib. Daar dient men zich bij het dempen van de sloot aan te houden. Reclamant geeft aan dat een omvangsbepaling nodig is. Daar er in de al uitgevoerde onderzoeken alleen lichte verontreinigingen zijn aangetroffen, is een omvangsbepaling niet noodzakelijk omdat lichte verontreinigingen geen risico’s voor mens en milieu geven.

9. Reclamant stelt dat er voor sommige gemeten stoffen momenteel nog geen interventiewaarden vastgesteld kunnen worden door gebrek aan meet- en analysevoorschriften dan wel toxicologische gegevens.

9. Dit geldt enkel voor PFAS. Er zijn voor PFAS echter wel landelijke achtergrondwaarden en toepassingswaarden voor PFAS-verbindingen. Deze waarden worden nergens in het plangebied overschreden. In de bodembeheernota is verder aangegeven dat de gemeente voor PFAS het landelijk beleid volgt en ook alle nog vast te stellen interventiewaarden of aanpassingen van de huidige landelijke achtergrondwaarden en toepassingswaarden zal

Naar aanleiding van deze opmerking is het ontwerp Bodembeheernota deel B plangebied Bronsgeest niet aangepast.

Reclamant

Inhoud zienswijze

Reactie college burgemeester en wethouders

Gevolgen voor het ontwerpbesluit

volgen. Er wordt dus geen eigen beleid voor PFAS vastgesteld.

10. Reclamant geeft aan dat het lokale bevoegd gezag te weinig controle, overzicht, technische kennis, en inzicht heeft of zeer zorgwekkende stoffen in het verleden gebruikt zijn. Reclamant stelt vast dat de verkennend bodemonderzoeken waarschuwend in hun advies aangeven dat er niet voldoende op onderzocht is.

11. Reclamant geeft aan dat inname van stoffen van o.a lood ernstige gevolgen kunnen hebben voor buiten spelende kinderen. De effectiviteit van gebruiksadviezen bij diffuus lood in de bodem worden onvoldoende opgevolgd. Reclamant stelt dat in de toetsresultaten van toepassen van grond en baggerspecie zelfs concentraties lood niet toepasbaar- geïndiceerd zijn.

10. Voor wat betreft zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) kan voor de locatie Bronsgeest worden aangegeven dat alle stoffen waarvan er het vermoeden is dat ze kunnen zijn gebruikt op de locatie (standaard pakket inclusief OCB’s) zijn onderzocht en er ook onderzoek is gedaan naar PFAS. Er is op basis van de uitgevoerde historische onderzoeken / vooronderzoeken geen reden om onderzoek te doen naar andere stoffen. De gemeente en de uitvoerende adviesbureaus hebben zich bij de uitvoer van het historische onderzoek / vooronderzoek volledig gehouden aan alle huidige normen en inzichten qua te onderzoeken stoffen.

Naar aanleiding van deze opmerking is het ontwerp Bodembeheernota deel B plangebied Bronsgeest niet aangepast.

11. In Bronsgeest is de gemiddelde waarde voor lood in de bovengrond gelijk aan 36 mg/kg droge stof. Voor lood houdt de gemeente zich aan de advieswaarden van de GGD. Deze ligt voor speeltuinen op 100 mg/kg droge stof, voor wonen met tuin op 90 mg/kg droge stof en voor grote moestuinen op 60 mg/kg droge stof. De waarde in Bronsgeest ligt hier dus ruim onder.

Naar aanleiding van deze opmerking is het ontwerp Bodembeheernota deel B plangebied Bronsgeest niet aangepast.

Reclamant

Inhoud zienswijze

Reactie college burgemeester en wethouders

Gevolgen voor het ontwerpbesluit

12. Reclamant stelt o.a. aan dat er in de boven en ondergrond bij verscheidene stoffen meerdere malen klasse “niet toepasbaar” en klasse “industrie” geïndiceerd worden. De geïndiceerde 'licht verhoogde gehalten' van andere stoffen betreft licht verhoogd binnen de industrieclassificatie en dit betekent in werkelijke licht bezien, eigenlijk zwaar vervuild.

12. Zoals bij de beantwoording van opmerking 6 en 7 wordt aangegeven, is er sporadisch een overschrijding van de tussenwaarde en de interventiewaarde gemeten, maar zijn deze waarden bij herbemonstering en/of in latere onderzoeken niet meer gemeten. De verkregen resultaten geven geen aanleiding tot het verrichten van aanvullende werkzaamheden.

Naar aanleiding van deze opmerking is het ontwerp Bodembeheernota deel B plangebied Bronsgeest niet aangepast.

Daarnaast claimt reclamant dat de “tussenwaarden” en “interventiewaarden” wel overschreden worden. In het grondwater stelt reclamant namelijk vast dat er voor enkele stoffen de streefwaarden overschrijden. Er wordt verder door de reclamant gesteld dat de hergebruikmogelijkheden van bodem, grond en bagger bij toepassing op of in de bodem onvoldoende nader gespecificeerd is voor huizen met tuin/ groenstroken en speeltuin, mede omdat geen onderzoek is gedaan naar het volumecriterium en de omvangsbepaling.

Reclamant geeft aan dat er in het grondwater gehalten zijn gemeten die de streefwaarden overschrijden. Dat is correct. In de NEN5740 voor bodemonderzoek is vastgelegd dat een aanvullend / nader onderzoek nodig is als het gehalte van een geanalyseerde stof de tussenwaarde (= het gemiddelde van de achtergrondwaarde en de interventiewaarde) wordt overschreden. Echter, in het geval van plangebied Bronsgeest worden er in het grondwater geen tussenwaarden overschreden en hoeft er dus ook geen nader onderzoek te worden uitgevoerd. De constatering van reclamant dat er in sommige gevallen sprake is van niet toepasbaar slib en van grond met de kwaliteit industrie is juist. In de rapportages worden de verkregen resultaten vergeleken met de Wet bodembescherming én het Besluit bodemkwaliteit. Met toetsing aan de Wet bodembescherming wordt gekeken of de locatie geschikt is voor het voorgenomen gebruik of dat sanerende maatregelen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming wordt getoetst aan de interventiewaarden.

Reclamant

Inhoud zienswijze

Reactie college burgemeester en wethouders Met de toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit wordt getoetst waar vrijkomende grond elders mag worden toegepast. In het Besluit bodemkwaliteit wordt onderscheid gemaakt in drie kwaliteitsklassen, te weten landbouw/natuur, wonen en industrie. Doordat de toetsingsregels in het Besluit bodemkwaliteit anders zijn dan de toetsingsregels in de Wet bodembescherming komen deze resultaten niet met elkaar overeen. Dit kan voor verwarring zorgen. In de onderstaande afbeelding zijn de twee toetsingen ten opzichte van elkaar opgenomen.

Voor de ontwikkeling van het plangebied Bronsgeest moet de bodem worden getoetst aan de Wet bodembescherming. Hieruit blijkt dat de gehalten vele malen lager zijn dan de tussenwaardes en de interventiewaarden. De aangetoonde licht verhoogde gehalten liggen ruim onder de waarden waarbij risico’s voor de mens en het milieu kunnen ontstaan. De geplande ontwikkeling tot gebruik als wonen met tuin is daarom toegestaan. Voor hergebruik van bij de ontwikkeling vrijkomende grond wordt vervolgens gekeken naar het Besluit bodemkwaliteit. In de onderstaande toelichting is

Gevolgen voor het ontwerpbesluit

Reclamant

Inhoud zienswijze

Reactie college burgemeester en wethouders aangegeven waarom bij de toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit sprake is van klasse industriegrond: In het plangebied Bronsgeest komen in de bodem, gemiddeld, licht verhoogde gehalten van kwik, polychloorbifenylen (PCB) en/of organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB’s) voor. De licht verhoogde gehalten van kwik en polychloorbifenylen voldoen aan de maximale waarden voor de functie wonen en overschrijden de achtergrondwaarden (= maximale kwaliteit klasse landbouw/natuur) zeer licht. De licht verhoogde gehalten van organochloorbestrijdingsmiddelen, het gevolg van de voormalige bloemen- en bloembollenteelt, zorgen ervoor dat de grond, gemiddeld, in de kwaliteitsklasse industrie valt. Het betreffen chloordaan en heptachloorepoxide. Dit heeft te maken met het feit dat voor deze individuele organochloorbestrijdingsmiddelen de maximale waarde voor de kwaliteitsklasse wonen gelijk is gesteld aan de achtergrondwaarde, waardoor bij een overschrijding van de achtergrondwaarde dus direct een indeling in klasse industrie plaats vindt en de klasse wonen feitelijk wordt overgeslagen. De vastgestelde gehalten van organochloorbestrijdingsmiddelen overschrijden nooit de interventiewaarde; zelfs niet de tussenwaarde. De kans op het voorkomen van grond die leidt tot een overschrijding van het saneringscriterium is dus nihil.

De grond ter plaatse van plangebied Bronsgeest komt volgens deze normering van het Besluit bodemkwaliteit terecht in kwaliteit industrie. De constatering van reclamant dat de in het plangebied aanwezige licht verhoogde gehalten, die vallen in de

Gevolgen voor het ontwerpbesluit

Reclamant

Inhoud zienswijze

Reactie college burgemeester en wethouders classificatie industrie eigenlijk zwaar vervuild zijn, is dan ook niet correct. Zoals in bovenstaande afbeelding gezien kan worden, ligt de klasse industrie qua kwaliteit nog onder de waarden voor matig verontreinigde grond. Conform de Wet bodembescherming is de aanwezige bodemkwaliteit in plangebied Bronsgeest dan ook niet bezwaarlijk voor gebruik als wonen met tuin. Juist voor dit soort situaties wordt met artikel 44 van het Besluit bodemkwaliteit mogelijk gemaakt dat gemeenten lokale maximale waarden kunnen vaststellen voor (delen van) hun eigen beheergebied. Uiteraard moeten deze lokale maximale waarden onder de interventiewaarden liggen, zodat geen onaanvaardbare risico’s voor de mens en het milieu bij de betreffende bodemfunctie kunnen ontstaan. Hiermee kan worden voorkomen dat ontwikkelaars onnodig hoge kosten moeten maken voor de afvoer van grond die helemaal geen risico’s geeft voor het geplande gebruik én kan meer gebiedseigen grond worden hergebruikt, waardoor de ontwikkelaar meer circulariteit bij grondverzet kan realiseren. Dit is de reden dat de gemeente Noordwijk én de Omgevingsdienst West-Holland – net als bij plangebied Offem-Zuid – adviseren om de lokale maximale waarden voor de bestrijdingsmiddelen chloordaan en heptachloorepoxide op de maximale waarde functie Industrie vast te stellen.

Hierdoor kan vrijkomende grond uit het plangebied weer binnen het plangebied worden hergebruikt. Voor grond van buiten de gemeente Noordwijk moet wel aan de maximale waarden voor de functie Wonen worden voldaan. Er wordt daardoor dus geen extra grond met kwaliteit Industrie aangebracht in

Gevolgen voor het ontwerpbesluit

Reclamant

Inhoud zienswijze

Reactie college burgemeester en wethouders

Gevolgen voor het ontwerpbesluit

het plangebied Bronsgeest. En de al aanwezige grond en baggerspecie die binnen Bronsgeest wordt hergebruikt, ligt qua kwaliteit dus onder de waarden voor matig verontreinigde grond (= overschrijding tussenwaarde). Er wordt dus geen grond of baggerspecie hergebruikt die qua kwaliteit boven de grens van onaanvaardbaar risico ligt.

13. Reclamant geeft aan dat zij een onderbouwing van de aangetroffen gehaltes mist. Als toelichting claimt reclamant dat in de Circulaire bodemsanering een overzicht is gegeven van alle tot nu toe vastgestelde indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging. Deze zijn vastgesteld voor stoffen waarvoor geen meet- en analysevoorschriften, dan wel onvoldoende toxicologische gegevens beschikbaar zijn, om een Interventiewaarde vast te kunnen stellen. De indicatieve niveaus hebben een grotere mate van onzekerheid van de Interventiewaarden en hebben daarmee een andere status. Over- of onderschrijding van de indicatieve niveaus heeft daarom niet direct gevolgen voor het nemen van een beslissing over de ernst van een verontreiniging door het bevoegd gezag, maar geeft over het algemeen indicatie tot nadere onderbouwing (trigger functie). Reclamant stelt dat deze onderbouwing mist, met name t.a.v. de gevonden stoffen hexachloorbenzeen en endosulfansulaat, delta HCH, barium in grond en baggerspecie.

13. In paragraaf 3.4.1 en 3.4.2 van de Bodembeheernota deel B plangebied Bronsgeest is een uitgebreide onderbouwing voor de lokale maximale waarden voor de stoffen chloordaan, heptachloorepoxide en PFAS gegeven. Voor de stoffen hexachloorbenzeen, endosulfansulaat, delta HCH en barium is deze onderbouwing niet gegeven, omdat voor deze stoffen geen gehaltes zijn gemeten die boven de normen voor de kwaliteitsklasse wonen liggen.

Naar aanleiding van deze opmerking is het ontwerp Bodembeheernota deel B plangebied Bronsgeest niet aangepast.

Reclamant

Inhoud zienswijze

Reactie college burgemeester en wethouders

14. Reclamant komt in de zienswijze op tegen de uitsluiting van toepassing van grond in de waterbodem in de Bodembeheernota Bronsgeest. Reclamant stelt dat de gemeente Noordwijk geen beleid heeft m.b.t. water. Reclamant uit bezorgdheid over het feit dat het waterlichaam een dumpplek wordt zonder beleid.

14. Deze uitsluiting is geen keuze die de gemeente Noordwijk heeft gemaakt, maar een gevolg van het Besluit bodemkwaliteit. Alleen het bevoegd gezag over de waterlichamen mag conform het Besluit bodemkwaliteit beleid opstellen voor de waterbodem en dat is niet de gemeente maar de waterkwaliteitsbeheerder (Hoogheemraadschap van Rijnland). Dit is de reden dat de bodembeheernota geen betrekking heeft op oppervlaktewateren. Indiener van de zienswijze hoeft daarmee niet ongerust te zijn dat een waterlichaam als dumpplek gebruikt wordt. Voor het toepassen van grond in waterlichamen geldt gewoon het beleid van de waterkwaliteitsbeheerder of het Besluit bodemkwaliteit indien de watergang wordt gedempt met grond die buiten de locatie wordt aangevoerd.

15. Reclamant geeft aan dat er door het ontbreken van beleid onvoldoende waarborging is t.a.v. demping van oppervlaktewaterlichamen. Reclamant stelt dat de UOV de gemeente Noordwijk verplicht om afspraken te aken met bevoegd gezag en te vermelden in de Bodembeheernota.

15. Verwezen wordt naar het antwoord bij opmerking 14. De gemeente is niet bevoegd om beleid op te stellen voor waterlichamen.

Gevolgen voor het ontwerpbesluit Naar aanleiding van deze opmerking is het ontwerp Bodembeheernota deel B plangebied Bronsgeest niet aangepast.

Naar aanleiding van deze opmerking is het ontwerp Bodembeheernota deel B plangebied Bronsgeest niet aangepast.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Noordwijk&id=807adf7a-36c6-46ac-b558-7e6e8b309b79