251024 - 1111053 - B&W - Beantwoording vragen LGDG
Tekst van het document
Aan de leden van de gemeenteraad
Noordwijk, 16 oktober 2025
Voorstraat 42 2201 HW Noordwijk Postbus 298 2200 AG Noordwijk T +31 (0)71 36 60 000
Uw kenmerk : Uw brief van : 30 september 2025 Zaaknummer : 1111053 Verzenddatum : 28 oktober 2025 Onderwerp : Schriftelijke vragen dhr. Koppel (HELDER) Programma Landelijk Gebied Duurzame Greenport (LGDG) Bijlage(n) :
gemeente@noordwijk.nl www.noordwijk.nl
KvK nummer 73538469 BTW NL8257.92.150.B01 IBAN NL34BNGH0285044621 BIC BNGHNL2G
Geachte leden van de gemeenteraad, Op 2 oktober 2025 ontvingen wij van HELDER de volgende schriftelijke vragen ingevolge artikel 32 Reglement van Orde. In deze brief worden de vragen beantwoord.
Aanleiding Inleiding Het Programma Landelijk Gebied Duurzame Greenport (LGDG) is de opvolger van de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport (ISG). Onder de oude Wet ruimtelijke ordening konden de vijf Greenportgemeenten gezamenlijk een structuurvisie vaststellen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet (per 1 januari 2024) is dat instrument vervallen. De gemeenten hebben er vrijwillig voor gekozen om nu een gezamenlijk programma vast te stellen. Het LGDG bevat de hoofdlijnen en ambities voor het landelijk gebied (bollengrond, natuur, recreatie, energietransitie) en wordt vastgesteld door de colleges van B&W. Het betreft dus een collegebevoegdheid. Het programma is zelfbindend voor de colleges, maar bindt de gemeenteraad en inwoners niet rechtstreeks. De gemeenteraad heeft daarentegen de bevoegdheid om zowel de Omgevingsvisie als de Omgevingsplannen vast te stellen. Dit kan leiden tot spanningen, bijvoorbeeld wanneer een omgevingsplan of de visie ruimte biedt voor functies die in het LGDG zijn uitgesloten. Daarbij speelt ook de adviesrechtlijst een cruciale rol: onderwerpen die daarop staan moeten alsnog aan de raad worden voorgelegd. Casus Stel: in het Programma LGDG wordt uitgesloten dat er tijdelijke huisvesting, zoals tiny houses, in het buitengebied komt. Tegelijk benoemt de gemeentelijke Omgevingsvisie dat er wél ruimte is voor tijdelijke woonvormen.
Een initiatiefnemer dient een aanvraag in voor een omgevingsvergunning voor tiny houses in het buitengebied. Volgens het programma zou het college deze aanvraag moeten afwijzen, omdat het college gebonden is aan het LGDG. Tegelijkertijd staat in de adviesrechtlijst dat (tijdelijk) wonen in het buitengebied aan
de raad moet worden voorgelegd. Er is jurisprudentie die bevestigt dat een college, óók bij voorgenomen afwijzing, de aanvraag toch aan de raad moet voorleggen als het onderwerp op de adviesrechtlijst staat. De vraag is dan: wat betekent het bindende advies van de raad in zo’n situatie, en hoe verhoudt zich dat tot de zelfbinding van het college aan het programma
Vragen ingevolge artikel 32 Reglement van Orde Deel 1 Vraag: 1.
Is bovenstaande samenvatting juist, en deelt het college de lezing dat het Programma LGDG de Intergemeentelijke Structuurvisie vervangt omdat dit instrument onder de Omgevingswet niet langer bestaat, én dat het programma een vrijwillige keuze is en geen wettelijke verplichting?
Antwoord: Het instrument structuurvisie an sich is komen te vervallen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. De ISG is door de inwerkingtreding echter van rechtswege een Programma onder de Omgevingswet geworden en is om die reden nog rechtsgeldig. Het opstellen van een nieuw programma onder de Omgevingswet is een vrijwillige keuze van het college. Gebruik in Noordwijk is dat principeverzoeken afgedaan worden door het college, dat laat onverlet dat de aanvrager een omgevingsvergunning mag aanvragen. Gelet op de formulering van de nu geldende en door de raad vastgestelde bindend adviesrechtlijst en de daarbij behorende toelichting dient het college aanvragen, waarvoor zij voornemens is om een vergunning te verlenen, voor bindend advies voor te leggen aan de raad, indien de activiteit op de bindend adviesrechtlijst is opgenomen.
Vraag: 2.
Hoe borgt het college dat het Programma LGDG niet in strijd komt met de gemeentelijke Omgevingsvisie, die door de raad wordt vastgesteld?
Antwoord: De omgevingsvisie wordt regulier geactualiseerd. Het voorliggende programma is niet in strijd met de huidige omgevingsvisie. (Zoals ook het geval was bij bestemmingsplannen is het omgevingsplan een verdieping van de omgevingsvisie). Het vaststellen van de genoemde instrumenten is onderdeel van de gemeentelijke beleidscyclus waarbij het nu beoogd is dat het Programma LGDG eerder wordt vastgesteld dan de nieuwe omgevingsvisie. Op het moment dat de raad de omgevingsvisie vaststelt waardoor strijdigheden tussen het programma en de nieuwe omgevingsvisie ontstaan, zal het college dit agenderen in het regionale overleg, om zo tot aanpassing van het programma te komen.
Vraag: 3.
Hoe gaat het college om met de situatie dat een door de raad vastgesteld Omgevingsplan contrair kan zijn aan het LGDG, terwijl het college wél gebonden is aan dat programma?
Pagina 2 van 6
Antwoord: Het vaststellen van een Omgevingsplan is onderdeel van de gemeentelijke beleidscyclus. Een nieuw Omgevingsplan vloeit voort uit de Omgevingsvisie en de Programma’s. Mochten er zich ergens in dat proces strijdigheden voordoen, dan kunnen de verschillende beleidsdocumenten worden aangepast zodat het een en ander weer met elkaar in harmonie is. Op dit moment kan de gemeenteraad aan het college middels wensen en bedenkingen onderwerpen aangeven die zij in meerderheid anders zien. Daar zal het college niet lichtzinnig mee omgaan.
Vraag: 4.
Als er spanning ontstaat tussen programma (collegebevoegdheid), omgevingsvisie of omgevingsplannen (raadsbevoegdheid), hoe wordt dit opgelost en welke rol behoudt de raad hierin?
Antwoord: Zie het antwoord op vraag 3. Aanvullend kan de gemeenteraad met moties komen waarin zij het college oproept. Hier is ook een parallel te trekken met de afhandeling van het collegevoorstel rondom de spreidingswet waarbij middels een motie opgeroepen is deze wet niet in te vullen, wat overgenomen is door het college. Dit kan ook als tussentijdse oplossing gezien worden totdat naar inzicht van de gemeenteraad de omgevingsvisie en het omgevingsplan volgens de gemeenteraad correct zijn afgestemd. Momenteel zitten we in een overgang van ISG naar programma landelijk gebied met 5 gemeenten naar de nieuwe situatie waar een aantal zaken toekomst vast, als behoud open landschap, water en bodem sturend en zoekgebieden gedifferentieerd bouwen, toch gezamenlijk met 5 gemeenten voortgang kan houden Dit zou een mogelijke manier zijn om tot gezamenlijke afstemming te komen met voldoende invloed van de gemeenteraad in de tussentijd.
Vraag: 5.
In situaties waarin het Programma LGDG keuzes uitsluit (bijvoorbeeld geen tijdelijke huisvesting in het buitengebied), maar de gemeentelijke Omgevingsvisie juist ruimte biedt en het onderwerp bovendien voorkomt op de adviesrechtlijst: Bevestigt het college dat de aanvraag dan, ondanks een college-afwijzing, tóch aan de raad moet worden voorgelegd volgens de adviesrechtlijst? Wat houdt in dat geval het bindende advies van de raad in, gezien het college gebonden is aan zijn eigen programma? Hoe voorkomt het college in zulke casussen dat er een bestuurlijke patstelling ontstaat tussen raad en college?
Antwoord: Zoals toegelicht door wethouder Kortleven in een gesprek met de heer Koppel op woensdag 15 oktober jl. hoeven weigeringen niet te worden voorgelegd aan de raad. Omdat de tijdelijke huisvesting in het buitengebied nu ook niet mogelijk wordt gemaakt in de Omgevingsvisie doen de vervolgvragen zich niet voor. Dit laat onverlet dat – zoals in het antwoord op vraag 1 is aangegeven – een aanvraag om omgevingsvergunning aan de gemeenteraad wordt voorgelegd als het college voornemens is om medewerking aan de aanvraag te verlenen en het onderwerp op de bindend adviesrechtlijst van de raad is opgenomen.
Pagina 3 van 6
Deel 2 Vraag: 1.
In het ontwerp LGDG wordt de woningbouwopgave slechts beperkt benoemd. Hoe ziet het college de koppeling tussen de grote woningnood in Gemeente Noordwijk en de keuzes die in het LGDG worden gemaakt voor het landelijk gebied?
Antwoord: Het Programma LGDG richt zich primair op het behoud en de ontwikkeling van het landelijk gebied en de Greenportfunctie. De woningbouwopgave is een van de ruimteclaims die in het Programma is meegenomen. Het Programma maakt het mogelijk dat de resterende hectares die in de ISG gereserveerd waren voor de bouw van Greenportwoningen, nu mogen worden ingezet voor reguliere woningbouw. Op deze manier draagt het Programma bij aan de woningbouwopgave. Door deze aanpak ontstaat in samenspraak met de provincie de mogelijkheid om in het buitengebied beperkt gedifferentieerd te bouwen. In de uitvoeringsagenda moeten details van afstemming van de gebieden en bekostiging verder gedetailleerder uitgewerkt worden met de 5 gemeenten en de provincie. Dat zou kunnen in een proces zoals bij aanwijzing 3 ha kaart, maar dient nadere uitwerking en verkenning. Eerst ligt nu de vraag voor van Greenportwoningen naar gedifferentieerd bouwen.
Vraag: 2.
Op welke manier wordt geborgd dat woningbouw (vooral betaalbare woningen voor starters, spoedzoekers en ouderen) nadrukkelijker onderdeel wordt van de verdere uitwerking en uitvoering van het LGDG?
Antwoord: Zoals vermeld in het antwoord op vraag 1 maakt het Programma buitenstedelijke reguliere woningbouw mogelijk. Als de zoekgebieden in Noordwijk resulteren in concrete nieuwbouwlocaties dan zal hier worden gebouwd conform de segmentering van de Woonvisie. Afdracht en vaststellen locaties dient zoals bij vraag 1 nader uitgewerkt te worden.
Vraag: 3.
Welke afspraken zijn er regionaal gemaakt om woningbouw evenwichtig te verdelen, zodat de druk niet onevenredig op Gemeente Noordwijk komt te liggen?
Antwoord: Er zijn regionaal nog geen afspraken gemaakt over de verdeling. Dit verder worden uitgewerkt in de uitvoeringsagenda. Leidraad in de uitwerking zijn o.a. de verwachte/zachte bouwplannen na 2030 in de woningbouwplanlijst.
Vraag: 4.
Het programma spreekt kritisch over paardenweitjes. Hoe maakt het college onderscheid tussen verrommelend gebruik en andere vormen van kleinschalig gebruik (zoals moestuinen of hobbydieren) die juist bijdragen aan biodiversiteit, gezondheid en sociale cohesie?
Antwoord: Het Programma LGDG is er mede op gericht om verrommeling van het buitengebied tegen te gaan. Paardenweitjes met opstallen leiden vaak tot versnippering en zorgen er bovendien voor dat
Pagina 4 van 6
bollengrond wordt onttrokken. Het college heeft een beginselplicht tot handhaving ten aanzien van strijdige situaties. De nota ‘Niet meer doelmatig te gebruiken bollengrond’ vormt de basis voor maatwerkafwegingen in het kader van de handhaving van oneigenlijk gebruik van bollengronden respectievelijk de legalisatie daarvan.
Vraag: 5.
Is het college bereid in de verdere uitwerking ruimte te houden voor dit soort initiatieven van inwoners, binnen duidelijke en redelijke kaders die de kwaliteit van het landschap waarborgen?
Antwoord: Het Programma LGDG biedt een kader dat primair gericht is op het behoud van landschappelijke kwaliteit en de kernwaarden van de Greenport. Afwijkingen hiervan zullen zorgvuldig moeten worden gemotiveerd en getoetst en het college kan niet op voorhand toezeggen welke initiatieven mogelijk zijn, dit is maatwerk waarbij het afdrachtprincipe ook wettelijk voor iedere casus stand moet houden in rechtsgelijkheid
Vraag: 6.
In het ontwerp LGDG lijkt de agrarische sector vooral uitvoerder van beleid te zijn. Hoe ziet het college de rol van agrariërs als strategische partners bij de uitvoering en kwaliteitsborging van het programma?
Antwoord: Het college ziet de agrariërs als strategische partners bij de uitvoering van het Programma LGDG. Zo ook met de regiodeall en onze gezamenlijke rol in de Greenport
Vraag: 7.
Wordt de agrarische sector structureel betrokken bij overlegstructuren of kwaliteitscommissies die voortkomen uit het programma?
Antwoord: De rol en de samenstelling van de kwaliteitscommissie zullen nader worden uitgewerkt. Daarover zijn nog geen keuzes gemaakt. De agrarische sector heeft op dit moment een rol in de huidige DBS RO commissie, wij voorzien een vergelijkbare constructie.
Vraag: 8.
Welke mogelijkheden ziet het college om kennis en innovatiekracht van bollentelers en boeren expliciet te benutten bij de verduurzamingsopgaven in de Greenport?
Antwoord: Het college ziet de agrariërs als strategische partners bij de uitvoering van het Programma LGDG. Hun kennis en innovatiekracht zijn van groot belang voor verduurzaming van de Greenport. De agrarische sector werkt hier zelf ook al hard aan. Initiatieven als Regiocertificering zijn hiervan een goed voorbeeld. De opgaven bij water en bodemsturend zullen we gezamenlijk met het Hoogheemraadschap Rijnland, de sector, de provincie en de lokale gemeenten moeten oppakken ook met het oog op de mogelijke verzilting. Dit wordt ons inziens ook na vaststelling van het programma een van de op te pakken gezamenlijke opgaven.
Pagina 5 van 6
Hoogachtend, Burgemeester en wethouders van Noordwijk {{esl:Signer1:Capture:size(200,50)}}
{{esl:Signer2:Capture:size(200,50)}}
Mw. E.M. Overzier secretaris
mr. B.B. (Bernt) Schneiders waarnemend burgemeester
Pagina 6 van 6