CConstaterende datNoordwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

2468 BP Herenweg 151, Noordwijk - Toelichting

Gemeenteraadsvergadering 26 september 2024, gemeente NoordwijkBij agendapunt: Herenweg 151 Noordwijk13.730 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan nieuwbouw woning en schuur Herenweg 151, Noordwijk Toelichting

Bestemmingsplan Herenweg 151, Noordwijk

Identificatie Kenmerk

: :

NL.IMRO.0575.BPLGHerenweg151-VA01 20012468/JLA/BP

Planstatus

:

Voorontwerp Ontwerp Vaststelling

Auteurs

:

V.C.A. Mientjes& J. Langeweg

[31 maart 2021] [november 2023] [datum]

© IDDS b.v. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de uitgever.

Inhoudsopgave toelichting

1.1 1.2 1.3 1.4

Inleiding ........................................................................................................................ 4 Aanleiding ...................................................................................................................... 4 Ligging plangebied ......................................................................................................... 4 Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................... 7 Leeswijzer ...................................................................................................................... 8

2.1 2.2

Huidige situatie en planbeschrijving ......................................................................... 9 Bestaande situatie ......................................................................................................... 9 Gewenste situatie ........................................................................................................ 10

3.1 3.2 3.3 3.4

Beleidskader ............................................................................................................... 14 Nationaal beleid ........................................................................................................... 14 Provinciaal beleid ......................................................................................................... 15 Regionaal beleid .......................................................................................................... 19 Gemeentelijk beleid ..................................................................................................... 22

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10

Omgevingsonderzoeken ........................................................................................... 26 Archeologie en cultuurhistorie...................................................................................... 26 Bedrijven- en milieuzonering........................................................................................ 27 Bodem .......................................................................................................................... 31 Flora en Fauna ............................................................................................................. 32 Externe Veiligheid ........................................................................................................ 33 Geluidhinder ................................................................................................................. 36 Luchtkwaliteit................................................................................................................ 37 Stikstofdepositie ........................................................................................................... 40 Watertoets .................................................................................................................... 42 M.e.r.-beoordeling ........................................................................................................ 47

5.1 5.2 5.3

Juridische aspecten .................................................................................................. 48 Inleiding ........................................................................................................................ 48 Opzet van de planregels .............................................................................................. 48 Uitleg van de planregels .............................................................................................. 48

6.1 6.2 6.3

Uitvoerbaarheid .......................................................................................................... 50 Maatschappelijk uitvoerbaarheid ................................................................................. 50 Financiële uitvoerbaarheid ........................................................................................... 51 Eindconclusie ............................................................................................................... 51 Bijlagen ....................................................................................................................... 52

Inleiding 1.1

Aanleiding

Aan de Herenweg 151 te Noordwijk is de eigenaar voornemens om de huidige bedrijfslocatie om te zetten naar een woonlocatie. Hierbij zal ’een winkel voor paardenattributen worden vervangen door een woning en een schuur. Het planvoornemen bestaat uit de sloop van de huidige schuur waarin de winkel voor paardenattributen is gevestigd en het realiseren van een nieuwbouwwoning inclusief schuur. Onderstaand is het projectgebied weergegeven inclusief beoogde ontwikkeling. De bedrijfsbestemming wordt omgezet naar een woonbestemming en het bouwvlak wordt zodanig aangepast dat de nieuwe woning hier binnen past. De ontwikkeling past niet binnen het huidige bestemmingsplan. Zodoende is een buitenplanse afwijking nodig.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied ligt aan de Herenweg in Noordwijk, onderdeel van gemeente Noordwijk. Het plangebied ligt niet in de dichtbebouwde kern van Noordwijk maar net erbuiten. Aan de Herenweg liggen meerdere woningen en bedrijfsgebouwen. In onderstaande figuren is het plangebied aangegeven in de omgeving.

Stedelijke ontwikkeling omgeving plangebied Het plangebied ligt buiten de dorpskern van Noordwijk. Omstreeks 1850 is nog geen teken van bebouwing in de nabijheid van het plangebied. Wel is de contour van de Herenweg al te zien. Rond de helft van de 20e eeuw, is er nog geen bebouwing langs de Herenweg te zien. Pas in de tweede helft van de 20e eeuw worden de eerste gebouwen langs de Herenweg gebouwd.

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Op de locatie is op dit moment het huidige bestemmingsplan ‘Landelijk gebied' van de gemeente Noordwijk van kracht. De locatie heeft als huidige bestemming ‘Bedrijf’. Ook geldt er een dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie - 2’, en een bouwvlak.

Tevens is op de locatie het Paraplu Bestemmingsplan Parkeren van toepassing. Op grond van dit bestemmingsplan moet er bij een functiewijziging worden voldaan aan de ‘ Nota Parkeernormen 2020 dan wel de opvolger daarvan. Deze Nota Parkeernormen 2020 vervangt de Nota Parkeren en Stallen uit 2013 van de gemeente Noordwijk en de Nota Parkeernormen 2016 van de gemeente Noordwijkerhout. Ook geldt hier op grond van het wijzigingsplan ‘Verwijderen geurzone en Waarde - Archeologie 2 Offem-Zuid en Landelijk gebied’ de aanduiding 'milieuzone - geurzone uitgesloten '. Ter

plaatse van deze aanduiding vervalt de in het bestemmingsplan 'Offem-Zuid', in het uitwerkingsplan 'Offem-Zuid, eerste fase' en in het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied' opgenomen aanduiding ‘milieuzone - geurzone'. Om de ontwikkeling van de nieuwe gewenste bebouwing en terreininrichting in juridischplanologische zin mogelijk te maken, dient er een nieuw (postzegel)bestemmingsplan voor de locatie opgesteld te worden. Dit document voorziet daarin. 1.4

Leeswijzer

Dit bestemmingsplan biedt een juridisch-planologische regeling, waarbij binnen de kaders van dit plan enige flexibiliteit bestaat om de geplande ontwikkeling te realiseren. De toelichting voorziet in een nadere onderbouwing van de juridisch bindende stukken, de planregels en de verbeelding. De regeling geschiedt door middel van bindende planstukken, te weten de planregels en de verbeelding. Zij omvatten enerzijds een vertaling van de beleidsvoorwaarden (hoofdstuk 3) en anderzijds een juridisch kader voor de te realiseren ontwikkeling (hoofdstuk 2). De bindende planstukken worden nader onderbouwd met de toelichting op zowel de planregels als de verbeelding (hoofdstuk 5). Hoofstuk 2 gaat in op het te realiseren plan met aandacht voor diverse specifieke onderdelen. Hoofdstuk 3 beschrijft het beleidskader met relevant beleid voor dit planvoornemen. Er wordt onder andere gekeken naar het Rijks-, het provinciaal, het regionaal en het gemeentelijk beleid. Hoofdstuk 4 behandelt de relevante omgevingsaspecten en biedt verantwoording waarom dit plan ruimtelijk gezien passend is op deze locatie. De juridische beschrijving en de uitvoerbaarheid worden behandeld in respectievelijk hoofdstuk 5 en 6. De systematiek van de planopzet sluit aan bij de gangbare landelijke systematiek voor de standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP 2012).

Huidige situatie en planbeschrijving 2.1

Bestaande situatie

Het plangebied betreft perceel Noordwijk H 1010, welke een oppervlakte heeft van 1.430 m 2. In de huidige situatie bestaat het plangebied uit ’een winkel voor paardenattributen. De schuur waarin dit bedrijf gevestigd is, is grofweg midden op de kavel gesitueerd. Deze heeft een oppervlakte van circa 333 m2. De voorkant van het perceel wordt gebruikt als oprit/parkeerplaats. De achterzijde van het perceel wordt deels gebruikt voor de opslag van materialen. De kavel ligt direct aan de Herenweg in Noordwijk. Aan de Herenweg liggen al woningen maar ook een aantal bedrijven en agrarische percelen. Aan de noordoostkant van het perceel is aangrenzend een woning gesitueerd. Het betreft perceel Noordwijk H 1011 met de bestemming ‘Wonen’. Aan de andere kanten wordt het terrein omsloten door gronden bedoeld voor bollenteelt met de bestemming ‘Agrarisch – Bollenteelt – Bollenzone 1’. In onderstaand figuur is met behulp van een luchtfoto een impressie gegeven van de huidige situatie van de planlocatie.

2.2

Gewenste situatie

Het plan bevat de volgende wijziging: •

Het wijzigen van de bedrijfsbestemming naar de bestemmingen ‘Wonen’ met een bouwvlak, in combinatie met het bouwen van een nieuwbouw woning en schuur.

Onderstaand is het projectgebied weergegeven inclusief beoogde ontwikkeling. De bedrijfsbestemming wordt omgezet naar een woonbestemming en het bouwvlak wordt zodanig aangepast dat de nieuwe woning hier binnen past. De nieuw te bouwen woning is georiënteerd op de Herenweg, zoals de oriëntatie van de naastgelegen woningen aan de Herenweg 147 en 149. De voorgevel is op gelijke afstand van de Herenweg als de voorgevel van de directe buren op Herenweg 149.

Uitgangspunt voor het bouwen van een burgerwoning in het landelijk gebied is een woning met een maximale inhoud van 750 m³ (grofweg een woning met grondvlak 100 m² bestaande uit 2 woonlagen met daarboven een zolderverdieping met schuin dak). Volgens het bestemmingsplan Landelijk Gebied is de toegestane oppervlakte van een nieuw bijgebouw max. 50 m². Echter, overeenkomstig Bor, bijlage II, artikel 3, lid f, onder 3°, geldt dat vergunningsvrij in totaal 132 m² aan bijgebouwen gerealiseerd mag worden. Het bebouwingsgebied van de nieuwe woning kent de volgende afmetingen: 40m (lengte perceel gemeten vanaf 1m achter de voorgevel nieuwe woning tot aan achterzijde) x 18m (perceelbreedte) = 720 m². Omdat dit groter dan 300 m² is, mag conform de vergunningsvrije regels 90 m² bebouwd worden + 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m², tot een maximum van 150 m². Oftewel: 90 m² + (10% van 720-300) = 90 + 42 = 132 m² vergunningsvrij. De beoogde serre heeft een maat van 3,50 x 5m = 17,5 m² waarmee de bijbehorende bouwwerken, zijnde een schuur (96 m²) en een serre (17,5 m²), binnen de maximale toegestane (vergunningsvrije) 132 m² vallen. Er is aangegeven dat de woning binnen de inhoudsmaat van 750 m³ blijft. Hiermee wordt dus voldaan aan de voorwaarden in het bestemmingsplan, aangevuld met de vergunningsvrije mogelijkheden uit het Bor.

In het nieuwe bestemmingsplan wordt het perceel voorzien van bestemming ‘Wonen’, waarbij er rond de beoogde woning een bouwvlak wordt geprojecteerd. Op die manier worden ook de benodigde m² achtererfgebied veiliggesteld om de bijgebouwen vergunningsvrij te kunnen realiseren. Met dit planvoornemen wordt bereikt: •

Een kwaliteitsimpuls door een ouder bedrijfsmatig gebouw te vervangen door nieuwbouw die aan de eisen van deze tijd moet voldoen (bijvoorbeeld ten aanzien van energieverbruik). Bovendien wordt de rommelige situatie op het perceel beëindigd door de sloop van de oude schuur en het verwijderen van de buitenopslag.

Beeldkwaliteit Het architectenbureau OX architecten heeft een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Zoals te zien op onderstaande afbeelding staat in de nieuwe situatie de woning even ver van de erfgrens als de naastgelegen al bestaande woning.

De woning is, zoals de buurpanden in de directe omgeving, parallel aan de zijdelingse erfgrenzen geplaatst. Het is ontworpen in een moderne, landelijke stijl. De specifieke stijl leent zich goed voor het toevoegen van zowel moderne als meer traditioneel vormgegeven elementen, en voor dakkapellen, uitbouwen en luifels.

Wat betreft materialen wordt er voor de gevels gekozen voor grijs gemêleerde baksteen. Voor het dak worden vlakke, donkere dakpannen gekozen zodat geïntegreerde zonnepanelen niet opvallen. Er worden sierlagen en rollagen in donkere baksteen uitgevoerd. Voor een uitgebreidere toelichting op het onderwerp van de woning wordt verwezen naar het beeldkwaliteitsplan in de bijlage.

Beleidskader In dit hoofdstuk worden de belangrijkste en relevante beleidsstukken beschreven die raakvlakken hebben met het planvoornemen.

3.1

Nationaal beleid

Nationale omgevingsvisie (NOVI) Tot 2030 moeten ongeveer 1 miljoen woningen gebouwd worden. Dit zal grote impact hebben op de ruimtelijke ordening. Er wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een Stedelijk Netwerk Nederland. Een goed bereikbaar netwerk van steden en regio’s waarbij het potentieel van heel Nederland benut wordt. Om de woningbouw een impuls te geven zijn 14 locaties benoemd waar overheden samen goed bereikbare grootschalige woningbouw gaan ontwikkelen. Er wordt zoveel mogelijk gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied, zodat open ruimtes en groen tussen steden behouden blijft. De nieuwe woningen moeten betaalbaar en goed bereikbaar zijn. Bewoners moeten tevens een prettige, gezonde en veilige leefomgeving ervaren. Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer, veilige fiets- en wandelpaden, meer groen, ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad, en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad. Met deze aanpak van verstedelijking verbeteren we niet alleen het woningaanbod, maar ook de leefomgevingskwaliteit in de stad. De belangrijkste keuzes die de rijksoverheid voorziet zijn: • • • •

Duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit; Ruimte voor overgang naar een circulaire economie; Woningbouw in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden; en Landgebruik meer in balans met natuurlijke systemen.

Barro Het Barro richt zich op de doorwerking van het nationaal belang in de gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van de belangen. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Ladder voor duurzame verstedelijking De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onder Artikel 3.1.6. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de beschikbare ruimte in stedelijke gebieden. De ladder houdt in dat de behoefte aan stedelijke ontwikkelingen op het gebied van wonen, kantoren, bedrijven en detailhandel moeten worden afgestemd binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van deze ontwikkeling en dat deze waar mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd moet worden. Voor een woningbouwlocatie geldt dat vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die aan de Ladder moet worden getoetst (ABRvS 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2921 jo. ABRvS 25 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:953). Toetsing aan de ladder

De provincie Zuid-Holland heeft hier in de Omgevingsverordening nadere invulling aan gegeven. Het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) definieert zij als “het bestaand stedenbouwkundig stelsel van bebouwing, met inbegrip van daartoe bouwrijp gemaakte terreinen, ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid (uitgezonderd glastuinbouw), detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.” Nieuwe stedelijke ontwikkeling dient primair plaats te vinden binnen het BSD. Onderliggend planvoornemen betreft de realisatie van één woning, hiermee is het plan niet Ladderplichtig. Beoordeling Rijksbeleid De beoogde ontwikkeling heeft geen nadelige invloed op één van de onderwerpen van nationaal belang. Ook het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) doet geen specifieke uitspraken ten aanzien van het voorliggende projectgebied. Conclusie rijksbeleid De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met het nationale beleidskader.

3.2

Provinciaal beleid

De provincie Zuid-Holland heeft al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en een Omgevingsverordening. Beide documenten zijn op 20 februari 2019 vastgesteld en vormen het omgevingsbeleid van de provincie. Deze oorspronkelijke documenten worden gebruikt ter beschrijving van het provinciaal beleid, tenzij een latere wijziging van toepassing is. Omgevingsvisie Zuid-Holland 2020 De Omgevingsvisie bestaat in hoofdlijn uit de volgende onderdelen: • Een introductie op het omgevingsbeleid, waarin opgenomen de kaartbeelden en de beschrijving van de ruimtelijke structuur; • De ontwikkelrichting van het omgevingsbeleid met ambities en sturing. De provincie geeft hierin aan een uitnodigend perspectief te bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen; • Een beschrijving van de omgevingskwaliteit van Zuid-Holland, waaronder de provinciale inzet voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; • De samenhangende beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving.

De Omgevingsvisie bevat de volgende wettelijk verplichte plannen: • De provinciale ruimtelijke structuurvisie, artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro); • Het milieubeleidsplan, artikel 4.9 van de Wet milieubeheer (Wm); • Het regionale waterplan, artikel 4.4 van de Waterwet (Ww); • Het verkeers- en vervoersplan, artikel 5 van de Planwet verkeer en vervoer; • De natuurvisie, artikel 1.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb). Specifieke beleid wonen De provincie voorziet op regionaal niveau, samen met gemeenten, marktpartijen en woningbouwcorporaties, in voldoende en passende woningen voor de verschillende doelgroepen, waaronder de doelgroepen van het huurbeleid. Hierbij gaat de voorkeur uit naar

nieuwe woningbouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied (verdichting) en georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer (nabij mobiliteitsvoorzieningen). De provincie is terughoudend over het toevoegen van nieuwe woningbouwlocaties buiten bestaand stads- en dorpsgebied en vraagt expliciet om de bodemdalingsgevoeligheid van een gebied mee te wegen. De provincie heeft de ambitie dat alle woningen in Zuid-Holland in 2035 CO2-neutraal en vóór 2050 klimaatrobuust ingericht en ingepast zijn. Nieuwe woningen dragen bij aan een aantrekkelijke woon- en leefomgeving in Zuid-Holland. Nieuwe woningen zijn energieneutraal of leveren energie en zijn toegerust op de gevolgen van klimaatverandering (hevigere regenbuien, perioden van droogte en hittestress) en bodemdaling. Gemeenten maken in samenspraak met de provincie regionale woonvisies en regionale woningbouwprogramma's waarin bovengenoemde doelstellingen zijn uitgewerkt. Omgevingsverordening Zuid-Holland (ZHOV) De beleidskeuzes uit de Visie, werken door naar uitvoeringsprogramma’s en naar regels in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. In de omgevingsverordeningen worden geen regels beschreven die direct op wonen slaan. Wel staan een aantal verordeningen beschreven die slaan op bestemmingsplannen in afdeling 6.2.

Er wordt wat vermeld over ruimtelijke kwaliteit, stedelijke ontwikkelingen, Ke-contour Schiphol, NNN, bescherming landgoed- en kasteelbiotoop en ontheffing op natuur. Dit zijn onderwerpen die betrekking hebben op het plangebied en planvoornemen. Artikel 6.9: Ruimtelijke kwaliteit Een bestemmingsplan kan voorzien in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, onder de volgende ruimtelijke voorwaarden: 1. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); 2. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: a) zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en b) het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; 3. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: a.

een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en b. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid. Artikel 6.10: Stedelijke ontwikkeling In de omgevingsverordening is er geen specifieke kaart of expliciet beleid voor wonen. Wel wordt er in artikel 6.10 ‘Stedelijke ontwikkeling’ aangehaald dat het uitgangspunt van de

strategie voor de bebouwde ruimte bestaat uit de betere benutting van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkeling vindt daarom primair plaats binnen het BSD. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen het BSD. De ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bevat het handelingskader. In de Omgevingsverordening is aangegeven dat woningbouw in het Greenportgebied (buiten BSD) niet mogelijk is behoudens Greenportwoningen en Ruimte voor ruimte woningen. Er is overleg met de GOM omtrent deze wijziging. Zij staan positief tegenover de komst van een Greenportwoning op deze locatie. Er wordt voor vaststelling van dit bestemmingsplan een overeenkomst gesloten. Artikel 6.14: 20 Ke-contour Schiphol In de Omgevingsverordening is onder artikel 6.14 aandacht voor het afwegingsbeleid vanuit het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol. Het plangebied is gelegen buiten de 20 Ke-contour van het LIB (zie onderstaande figuur). De 20 Ke-contour houdt in dat binnen die contour circa 20% van de mensen die blootgesteld wordt aan vliegverkeergeluid geluidgehinderd is en 10% ernstig geluidgehinderd. Ten opzichte van de heersende geluidbelasting vanwege wegverkeer levert vliegverkeerlawaai geen relevante bijdrage op de gecumuleerde geluidbelasting in het plangebied.

Artikel 6.17: Bollenteeltgebied De verdere ontwikkeling van de Greenport Duin- en Bollenstreek tot een vitale, economisch concurrerende en duurzame greenport is van provinciaal belang. In verband hiermee streeft de provincie naar herstructurering van het bollencomplex, landschapsverbetering en handhaving van het teeltareaal bollengrond. Het bollenteeltgebied is aangeduid op kaart 11 van de verordening. Binnen het bollenteeltgebied bevinden zich ook bedrijfsgebouwen, (bedrijfs)woningen met erf en de eventuele kassen van de bollenteeltbedrijven.

Beoordeling planvoornemen provinciaal beleid Deze ontwikkeling, waarbij er één woning aan de woningvoorraad wordt toegevoegd, vindt plaats buiten het bestaand stads- en dorpsgebied. Echter staat er momenteel al een bedrijfspand. Hierdoor is er geen kwestie van bodemdalingsgevoeligheid. In de paragraaf Rijksbeleid is de Ladder voor duurzame verstedelijking al toegelicht. Daar is aangetoond dat er geen strijdigheid is, gelet op het feit dat 1 de realisatie van één woning niet wordt gezien als een stedelijke ontwikkeling. Ook is er geen strijdigheid met het LIB aangezien het plan niet binnen de grenzen van de geluidscontouren of beperkingengebieden in het LIB valt. Gelet op artikel 6.17 (bollenteeltgebied) en de afwijkingsmogelijkheden door middel van een bestemmingsplan, is deze ontwikkeling na vaststelling van dit bestemmingsplan niet in strijd met het provinciaal beleid.

Conclusie provinciaal beleid Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling geen strijdigheid vertoont met het provinciaal beleidskader en dat er sprake is van goede ruimtelijke ordening. Er wordt voldaan aan de omgevingsvisie en verordeningen. .

3.3

Regionaal beleid

Regionale Structuurvisie 2020 (2009) Het regionale samenwerkingsorgaan Holland Rijnland, heeft op 24 juni 2009 de Regionale Structuurvisie 2020 (RSV) vastgesteld. Deze verankert de intergemeentelijke afspraken in een ruimtelijke vertaling naar 2020. Na 2020 houdt de RSV rekening met een doorkijk naar 2030. Op diverse onderwerpen werken de deelnemende gemeenten samen. Dit zijn onder andere ontwikkelingen op het gebied van wonen, werken, natuur en landschap, verkeer en vervoer, samenleving en welzijn. De RSV ziet een goede balans tussen gebiedsontwikkeling en behoud van het oorspronkelijke karakter van de regio als belangrijk streven. Concentratie van stedelijke ontwikkeling en verbetering van de regionale bereikbaarheid zijn hierbij speerpunten. Specifiek voor de woningmarkt is het voorzien in een gedifferentieerd woonmilieu een streven. Het doel is om een topwoonregio in de Randstad te worden. Voldoende aandacht voor de kwaliteit van de leefomgeving is daarbij een kernpunt. Dit leidt tot de volgende kernbeslissingen: • •

Tot 2020 moeten er 40.000 woningen in de regio gebouwd worden; Per gemeente moet 30% van de woningbouw in de sociale huursector worden gerealiseerd.

Beoordeling planvoornemen RSV Noordwijk wordt in het RSV beschreven door een aantrekkelijk woonklimaat. De vraag naar woningen is in het gebied hoog. Dit geldt zowel voor de bestaande inwoners als toekomstige bewoners van buitenaf. Deze ontwikkeling draagt bij aan de wens om nieuwe woningen aan de regio toe te voegen. Hierdoor wordt een bijdrage geleverd aan de kwantitatieve taakstelling en wordt de doorstroming op de woningmarkt bevorderd. Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport (ISG) Duin- en Bollenstreek (2016) ‘Meer flexibiliteit en ontwikkelingsmogelijkheden voor het totale bollen- en sierteeltcomplex in de Duin- en Bollenstreek, met zijn productie, handel, distributie, onderzoek en promotie om te komen tot een Vitale Greenport, zonder daarbij het landschap verder te ‘verrommelen’. Dat is tezamen met het herstel van het karakteristieke (bollen)landschap in één zin de ambitie van de ISG 2016, waarmee op hoofdlijnen voortgeborduurd wordt op de ISG uit 2009. Deze Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport is een uitgave van de vijf samenwerkende gemeenten in de Greenport Duin- en Bollenstreek, naast Noordwijk zijn dat Katwijk, Lisse, Hillegom en Teylingen. De ISG 2016 is een deeluitwerking van de Regionale Structuurvisie, maar dan wel met een zelfbindend karakter voor de betreffende gemeenten.

De greenportgemeenten hebben gezamenlijk de Greenport Ontwikkelingsmaatschappij (GOM) opgericht die zich vanuit deze intergemeentelijke structuurvisie richt op herstructurering en revitalisering van de Greenport Duin- en Bollenstreek. De Greenport Duin- en Bollenstreek is nog altijd goed voor 60% van de wereldhandel en -export in bloembollen (met een welhaast monopolie op de hyacint), met een handelsomzet van 550 miljoen euro en een exportwaarde van 415 miljoen euro. Daarmee neemt deze regio circa 10% van het nationale productieareaal en de daarmee samenhangende productiewaarde voor haar

rekening. Om dit aandeel te waarborgen en bollenteeltbedrijven zich economisch te laten handhaven, wordt in de ISG ingezet op herstructurering en schaalvergroting. Het regionaal beleid is er vooral op gericht ruimte te bieden aan greenport-gerelateerde bedrijven, oftewel het mogelijk maken van investeringen die onmiskenbaar bijdragen aan de kwaliteit van de Greenport.

Beoordeling planvoornemen ISG De locatie ligt in een gebied dat is aangewezen als ‘Begrenzing stedelijk gebied van de Greenport’. Voor deze gebieden zijn geen specifieke beleidsvoornemens van toepassing vanuit de ISG 2016. De extra woning sluit wel aan bij de woningbouwopgave van de regio. Dit plan voorziet deels in deze woningbehoefte en is daarmee passend binnen dit beleid. Regionale woonagenda Holland Rijnland 2017 Het Algemene Bestuur van Holland Rijnland heeft op 14 maart 2018 de Regionale Woonagenda vastgesteld. De Woonagenda heeft betrekking op de regionale woningbehoefte (kwantitatief en kwalitatief) en de bijbehorende planlijst wordt hierop afgestemd. Woningbouwontwikkelingen moeten passen binnen de kaders die de provinciale Woningbehoefteraming (WBR) en Bevolkingsprognose (BP) bieden. Beide prognoses kennen verschillende uitgangspunten, waardoor een bandbreedte voor de woningbehoefte ontstaat. In de regio Holland Rijnland is vraag naar meer woningen die kwalitatief aansluiten bij de veranderende bevolkingssamenstelling. Om aan deze vraag te kunnen voldoen en de regio aantrekkelijk te houden voor huidige en toekomstige bewoners, heeft de regio de volgende keuzes gemaakt: 1. tempoversnelling noodzakelijk, zeker voor de korte termijn; 2. groei vraagt goede ruimtelijke ordening, balans tussen inbreiding en uitbreiding met prioriteit voor inbreiding;

3. een kwalitatief programma dat borgt dat verdringing beperkt is; 4. bevorderen doorstroming voor een betere werking van de woningmarkt; 5. een programma dat recht doet aan de behoefte aan verschillende woonmilieus, centrumstedelijk, suburbaan en dorps/landelijk; 6. groeien met aandacht voor duurzaamheid en bodemdaling; 7. langer zelfstandig wonen met zorg faciliteren; 8. bereikbaar bouwen; 9. solidariteit; Beoordeling planvoornemen regionale woonagenda Met het toevoegen van deze woning aan de woningvoorraad, wordt er op een inbreidingslocatie op korte termijn een woning toegevoegd. Dit plan veroorzaakt geen verdringing op de woningmarkt en bevordert het aantrekkelijke woonmilieu van Noordwijk. Uit de regionale woonagenda blijkt dat er in Noordwijk in de periode 2017-2022 een vraag is naar 610 extra woningen. In de periode 2022-2030 bedraagt deze behoefte 170 extra woningen. Van deze totale behoefte van 780 woningen, zijn er volgens de agenda 400 indicatief voorzien in een woongebied ‘rustig stedelijk’. Zie onderstaande tabellen uit de Woonagenda.

Tabel 1: Uitsnede met woningbouwbehoefte tot 2030 – Woonagenda Holland Rijnland

Tabel 2: Uitsnede met indicatieve behoefte woonmilieus tot 2030 – Woonagenda Holland Rijnland

Conclusie regionaal beleid Het voorgenomen plan past binnen de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte naar woningen in de gemeente Noordwijk.

3.4

Gemeentelijk beleid

Ruimtelijke Structuurvisie Noordwijk 2030 De Ruimtelijke Structuurvisie Noordwijk 2030 met als ondertitel ‘Kiezen voor kwaliteit’ is op 2 september 2009 door de gemeenteraad vastgesteld en in 2013 geactualiseerd. Het doel van deze Structuurvisie is het behoud van de karakteristieke kenmerken van de verschillende landschappelijke zones die Noordwijk rijk is en deze te versterken door middel van een gebiedseigen invulling. In de Ruimtelijke Structuurvisie worden vijf zones onderscheiden: 1. 2. 3. 4. 5.

Duinen, strand en zee; Binnenduinrandzone; Strandwal; Strandvlakte; De Klei.

Zoals blijkt uit de onderstaande uitsnede uit de Structuurvisie, valt het plangebied binnen het gebied aangewezen als Zone V: De Klei. Dit entree naar de bebouwde kom van Noordwijk moet worden vormgegeven en kwalitatief hoogwaardig worden ingericht. De zone wordt gekenmerkt door: weidevogelgebied, jachthavens, agrarisch gebied en wonen in grootschalige ruimtes, vergezichten, lange lijnen en openheid in noord zuidelijke en oost westelijke richting. Het perceel bevindt zich in het buitengebied, zoals blijkt uit de kaart ‘Positionering in de regio’. Het perceel is gelegen in een gebied wat zich kenmerkt door de openheid van het bollenlandschap, de duinen en diverse verspreide bouwwerken.

Een van de doelen voor dit gebied, doel 1, luidt: Versterken beleving van de landschappelijke zones. Dit kan door samenhang in de ruimtelijke inrichting te brengen. Dit wordt uitgevoerd in het plan door rekening te houden met de zichtlijnen in de omgeving. De nieuwe woning zal op één lijn liggen met de omliggende gebouwen. Gelet op de ligging van het plangebied, past het plan ook binnen doelstelling 6: Sterke positie in de regio behouden en uitbouwen. Hiermee wordt specifiek voor dit planvoornemen gedoeld op de woningbouw en de open ruimte. In zowel de directe als de ruimere omgeving wordt de komende jaren flink gebouwd. De druk op de woningmarkt in Noordwijk is groot, vanwege de bijzondere ligging in een afwisselend kustlandschap en dicht bij een aantal aantrekkelijke steden. Daarnaast is er sprake van een probleem voor starters op de woningmarkt. Noordwijk kiest uitdrukkelijk voor beheerste groei. Omgevingsvisie ‘Samen maken we de toekomst voor Noordwijk!’ De gemeente Noordwijk heeft op 23 februari 2022 een nieuwe omgevingsvisie vastgesteld. Deze omgevingsvisie, met als ondertitel ‘Samen maken we de toekomst van Noordwijk’, fungeert nog in de ontwerpfase. Deze omgevingsvisie resulteert uit de nieuwe omgevingswet. Het is opgezet om gebruikt te worden door de hele gemeente voor de lange termijn en heeft de huidige gemeentelijke beleidsvisies vervangen.

De vijf thema’s voor de toekomst van Noordwijk zijn: 1. 2. 3. 4. 5.

Ondernemende gemeente; voldoende welvaart voor iedereen Prettig wonen met voldoende woningen voor iedereen Welzijn en gezondheid (cultuur en sport) Bereikbaarheid en Duurzaam, klimaatneutraal en klimaatbestendig (natuur).

Het thema “Prettig wonen met voldoende woningen voor iedereen” omschrijft een toekomst met voldoende woningen. De gemeente Noordwijk wil de grote variatie aan woningen in het gebied voor verschillende categorieën in stand houden. Daarom wordt ingezet op behoud en nieuwbouw van betaalbare woningen. In de ‘kaart bij deel A – Ruimtelijk Ontwikkelingsperspectief’ is de projectlocatie aangegeven. De locatie ligt in een ‘Behoud van bollenveld’ gebied. Momenteel wordt de locatie gebruikt als bedrijf. Daarom zal er geen bollenveld ten koste gaan door de functiewijziging naar wonen.

Beoordeling planvoornemen Omgevingsvisie Het plan valt net niet binnen de contouren van het bestaand stedelijk gebied, en valt dus formeel onder de noemer bouwen in het buitengebied. De visie geeft aan dat men hier terughoudend mee om wilt gaan. Wanneer we er wel bouwen, geldt ook hier dat we aansluiten op de identiteit. Daarmee wordt gedoeld op de identiteit van de dorpen zelf. De nieuwe woning wordt gebouwd in lijn met de omliggende woningen. Qua architectuur en sfeer is deze ook passend. Er is geen strijdigheid met het beleid uit de Omgevingsvisie. Nota Parkeernormen 2020 De gemeente Noordwijk heeft op 25 december 2020 de Nota Parkeernormen 2020 vastgesteld. Deze Nota Parkeernormen 2020 vervangt de Nota Parkeren en Stallen uit 2013 van de gemeente Noordwijk en de Nota Parkeernormen 2016 van de gemeente Noordwijkerhout. De gemeente Noordwijk zet in deze Nota Parkeernormen 2020 in op meer flexibiliteit in de omgang met parkeernormen door meer gebiedsgerichte en meer doelgroep specifieke normen. Met het benoemde toepassingskader kiest de gemeente voor een duidelijke rolverdeling tussen de gemeente en de initiatiefnemer van een nieuwe ontwikkeling of transformatie (wijziging bestemming en/of functie). Als basis voor autoparkeernormen en fietsparkeernormen kiest de gemeente Noordwijk voor de recent in 2018 geactualiseerde parkeerkencijfers van het CROW.

Deze kencijfers zijn door het CROW opnieuw uitgebracht en in december 2018 gepubliceerd in CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’. Noordwijk als gehele gemeente is in de classificering van het CROW aangemerkt als een “matig stedelijke” gemeente (tussen 1.000 en 1.500 adressen per km²). Afhankelijk van de specifieke locatie van een planvoornemen kan het gebiedstype en zone nog verschillen. De fietsparkeernorm is voor alle zones gelijk.

De woning ligt niet in zone A of B (centrum of schil) maar net in het buitengebied. Daardoor geldt er voor dit gebied het gebiedstype buitengebied. De woning betreft een vrijstaande koopwoning. Gelet op de parkeernorm uit de Nota geldt er voor een grote vrijstaande woning in het buitengebied een parkeernorm van 2,2 plaatsen. In het plan is voldoende ruimte in de tuin om meerdere auto’s te parkeren. Beoordeling planvoornemen gemeentelijk beleid Gelet op de ligging van het plan (binnen de gemeente Noordwijk) en de kenmerken van het plan (het toevoegen van één burgerwoning aan de woningvoorraad), bestaat geen strijdigheid met het gemeentelijke beleid vanuit de Structuurvisie en de Omgevingsvisie. Voor het voorliggende plangebied wordt op de ontwikkelingsperspectiefkaart uitgegaan van 'Behoud dorpsgebied en gerichte verbetering van de ruimtelijke kwaliteit'. Het voorliggende initiatief voorziet daarin.

Conclusie gemeentelijk beleid Het voorgenomen plan past binnen de het beleid van de gemeente Noordwijk.

Omgevingsonderzoeken 4.1

Archeologie en cultuurhistorie

Wetgeving archeologie Nederland heeft zich in 1992 in Europees verband gecommitteerd aan het Verdrag van Valetta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In aansluiting op dit verdrag is in Nederland op 1 september 2007 de nieuwe Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) van kracht geworden. Deze is per 1 juli 2016 met grote delen van de Monumentenwet opgegaan in de Erfgoedweg. Dit is sindsdien de wet voor behoud en beheer van cultureel erfgoed. De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Malta zijn in de Nederlandse wetgeving overgenomen, te weten: -

het archeologisch erfgoed dient zo veel mogelijk ter plaatse te worden behouden; het archeologisch erfgoed dient in de ruimtelijke belangenafweging te worden betrokken; de verstoorder (lees: de initiatiefnemer) is verantwoordelijk voor het vroegtijdig uitvoeren van archeologisch onderzoek alsmede de financiering van dit onderzoek.

Beoordeling planvoornemen archeologie Op het bestemmingsplan “Landelijk gebied” ligt het plangebied in een zone met dubbelbestemming Waarde – Archeologie – 2. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij bouwwerken met een oppervlak groter dan 100 m2 en waarvoor graafwerkzaamheden nodig zijn die dieper reiken dan 50 cm. Ongeacht hoe de nieuwbouw er precies uit zal komen te zien en hoe deze gefundeerd zal worden, zullen deze vrijstellingsgrenzen worden overschreden. IDDS Archeologie heeft in augustus 2020 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO), verkennende fase, uitgevoerd aan de Herenweg 151 in Noordwijk, gemeente Noordwijk. Het volledige rapport is te vinden als bijlage. De noodzaak tot het archeologisch onderzoek komt voort uit het geldende bestemmingsplan. De doelstelling van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en zo nodig aanvullen van de gespecificeerde verwachting. Bureauonderzoek Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied gelegen is op een strandwal met duinen die is ontstaantussen 2525 en 1825 voor Chr., in het Laat Neolithicum of de Vroege Bronstijd. Omdat strandwallen relatief hoge en droge locaties vormden in het landschap, waren het van oudsher gunstige bewoningsplekken.

De strandwallen hebben dan ook een hoge archeologische verwachting op de gemeentelijke verwachtingenkaart. Indien de bodem in het plangebied relatief intact is dan wordt verwacht dat er, vergelijkbaar met de direct naast het plangebied gelegen onderzoekslocatie, sprake is van een begraven duinlandschap. Rond -0,4 à -0,6 m NAP mag een begraven bodem worden verwacht die een hoge verwachting heeft voor archeologische resten uit met name de IJzertijd. Daarna is het landschap bedekt geraakt met verstoven duinafzettingen. Het naastgelegen onderzoek heeft uitgewezen dat deze duinafzettingen waarschijnlijk aan het maaiveld zijn verstoord.

Voor de Nieuwe tijd geldt een lage verwachting omdat het plangebied op historisch kaartmateriaal vanaf 1615 als onbebouwd staat weergegeven. De kans is zeer groot dat de hierboven beschreven opbouw in het plangebied niet zal worden aangetroffen, maar dat er net als op het ten zuiden gelegen perceel sprake is van een bodemverstoring tot een diepte van 3,0 m –mv. Uit het historisch kaartmateriaal blijkt dat het plangebied vanaf het einde van de 19e eeuw in gebruik is genomen voor de bloembollenteelt. Tot de tweede helft van de 20e eeuw maakten het plangebied en het ten zuiden gelegen perceel onderdeel uit van hetzelfde bloembollenperceel. De kans is dan ook groot dat de bodemverbeterende methoden die toe zijn gepast op het ten zuiden gelegen perceel ook in het plangebied zijn toegepast. Veldonderzoek Het veldonderzoek toont aan dat de natuurlijke bodemopbouw inderdaad niet meer aanwezig is in het plangebied. De bodem is, waarschijnlijk door de bollenteelt, volledig verstoord tot een diepte van ten minste 2,5 m -mv ofwel -1,7 m NAP. De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een verstoring op die diepte. Uit het onderzoek volgt het advies om het plangebied, voor wat betreft het aspect archeologie, vrij te geven voor de voorgenomen civieltechnische werkzaamheden. Er is geen nader onderzoek nodig.

Wetgeving cultuurhistorie Op grond van artikel 3.1.6, lid 5 onder a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om in het proces tijdig rekening te houden met aanwezige cultuurhistorische waarden. Op de planlocatie is geen dubbelbestemming aangaande een cultuurhistorische vrijwaringszone (bijvoorbeeld van een molenbiotoop) van toepassing. Beoordeling planvoornemen cultuurhistorie Het plangebied vormt geen onderdeel van het beschermd stadsgezicht van Noordwijk, noch bevinden zich beeldbepalende panden of monumenten in het plangebied. Conclusie Archeologie en cultuurhistorie Uit het archeologisch onderzoek volgt dat er geen archeologische waarden worden bedreigd door de voorgenomen bodemverstorende werkzaamheden. En er zijn geen cultuurhistorische waarden in het plangebied aanwezig. Archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmeringen voor het planvoornemen.

4.2

Bedrijven- en milieuzonering

Wetgeving De Wet milieubeheer beoogt milieuhinder ten gevolge van bedrijfsmatige activiteiten in de woonomgeving of ten opzichte van gevoelige functies zoals woningen zoveel mogelijk te voorkomen. Alle bedrijfsmatige activiteiten die in potentie hinder kunnen veroorzaken worden door middel van vergunningen of meldingen op basis van de Wet milieubeheer gereguleerd. In aanvulling op deze vergunningen of meldingen voorziet een 'goede ruimtelijke ordening' eveneens in het voorkomen van onvoorzienbare hinder bij gevoelige functies zoals wonen. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (bedrijven) en gevoelige functies (wonen) wordt hinder voorkomen. Met milieuzonering worden te allen tijde twee doelen gediend: niet alleen het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen, maar tevens het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven zodat zij hun activiteiten duurzaam kunnen (blijven) uitoefenen.

VNG-publicatie “Bedrijven en Milieuzonering 2009” Bedrijfsmatige activiteiten zijn in de VNG-publicatie "Bedrijven en Milieuzonering 2009" ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende minimaal gewenste afstanden tot milieugevoelige functies. De indeling van de activiteiten is gebaseerd op de standaard bedrijfsindeling (SBI) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, een richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. In de VNG-publicatie zijn de richtafstanden uit bijlage 1 ‘Richtafstandenlijst voor milieubelastende activiteiten’ afgestemd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, stiltegebied of natuurgebied) wordt gekenmerkt door functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen er nauwelijks andere functies zoals bedrijven of kantoren voor. Een locatie kan echter ook behoren tot het tweede omgevingstype ‘gemengd gebied’, dat gekarakteriseerd wordt door een matige tot sterke functiemenging.

Hier komen direct naast woningen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als dit type worden beschouwd. De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-publicatie kunnen in dat geval met één afstandsstap verlaagd worden zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat van een milieugevoelig object. Dit geldt in het bijzonder voor geluid, het milieuaspect dat voor de te hanteren richtafstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend is. Beoordeling planvoornemen De omgeving van het plangebied kan op grond van zijn karakteristiek geschaard worden onder het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Hierdoor kan de aan te houden richtafstand met één afstandsstap worden verkleind. Tabel 3: richtafstanden bedrijven in relatie tot omgevingstype gemengd gebied Milieucategorie

Richtafstand gemengd gebied [m]

1

0

2

10

3.1

30

3.2

50

In de omgeving van het plangebied, zijn verschillende bestemmingen. Zo zijn er locaties met een bedrijfsbestemming en een woonbestemming in de directe omgeving. De onderstaande verbeelding geeft de percelen met een bedrijfsbestemming weer, inclusief de feitelijke afstand van de uiterste perceelsgrens van de betreffende percelen tot aan de beoogde gevel van de nieuwe woning.

In de omgeving zijn onderstaande relevante bedrijven/milieubelastende functies te onderscheiden: Functie Adres

Maximale milieucategorie

Richtafstand gemengd gebied

Afstand tot planlocatie [m]

[m] Herenweg 94

Autohandelaar

2

Herenweg 102

Kwekerij

2

Achterweg

Volkstuinencomplex

-

10 10 -

85 65 40

Alle bedrijven bevinden zich op ruime afstand van het plangebied. Andersom geldt dat de nieuwe woning de eventuele bedrijfsvoering van de huidige bedrijven (of uitbreiding daarvan) niet in de weg zit. Bovendien bevinden zich al meerdere woningen tussen de nieuwe woning en de bedrijfslocaties in. Opgemerkt wordt dat er voor het composteringsbedrijf Van der Putten in het verleden een vergunning is afgegeven. In het oorspronkelijk vastgestelde bestemmingsplan Landelijk gebied viel deze geurcontour over het perceel Herenweg 151 heen. Die is niet meer van toepassing omdat het bestemmingsplan Landelijk Gebied op dat onderdeel is herzien in 2018. Daarmee is de geurcontour komen te vervallen. Driftgassen De aanliggende gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een bollenteeltbedrijf. Alhoewel

het feitelijk gebruik anders lijkt te zijn, heeft de omgevingsdienst de aanbeveling gedaan om in het kader van milieuzonering hier een nadere onderbouwing voor op te stellen. Zoals te lezen in onder andere de uitspraak van de Raad van State ‘ECLI:NL:RVS:2016:2373’, zijn er geen wettelijke bepalingen inzake de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld en nabijgelegen woningen. Er wordt gesproken over een minimale afstand van 50 meter als vuistregel tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid, waarbij opgemerkt wordt dat er een keuze gemaakt kan worden voor een kortere afstand indien dit middels een deugdelijke belangenafweging en motivatie wordt gedaan. Deze afstand van 50 meter is overigens gebaseerd op het gebruik van gewassenbeschermingsmiddelen voor fruitteelt. Dat is een teelt die vele meters boven de grond plaatsvindt en dus dito het gebruik van middelen. Bij het (in dit geval eventuele) gebruik van de gronden voor bollenteelt, zal deze mogelijk drift van gassen vele malen lager zijn dan bij fruitteelt. Voor wat betreft het gebruik van de bestrijdingsmiddelen, wordt opgemerkt dat de gronden op dit moment niet in gebruik zijn als effectieve gronden voor bollenteelt. In de praktijk is het in gebruik al algemeen weiland.

Voor de theoretische situatie dat er wél sprake is van het in gebruik nemen van de gronden voor bollenteelt, geldt dat de desbetreffende agrariër het gebruik van de bestrijdingsmiddelen zal beperken (om zowel economische als ecologische redenen).

Er wordt rekening gehouden dat het woonhuis niet direct langs de perceelsgrens wordt gepositioneerd, waardoor er ten aller tijden een minimale afstand gewaarborgd is. Ook is de eigenaar van plan om een gebiedseigen haag ter afscherming te plaatsen. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) heeft recentelijk onderzoek gedaan naar een mogelijk verband tussen gezondheid en de nabijheid van landbouwgewassen. Daarbij hebben zij geen duidelijk verband gevonden. Sterker nog, over het algemeen leken mensen die dichter bij landbouwpercelen wonen zelfs wat gezonder. Dat blijkt uit een meerjarig onderzoek genaamd ‘Gezondheidsverkenning omwonenden van landbouwpercelen’ met als

publicatiedatum 06-07-2018. Het RIVM rapport heeft het kenmerk 2018-0068 en is te vinden via het RIVM. Conclusie bedrijven en milieuzonering Gelet op het bovenstaande vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

4.3

Bodem

Wetgeving Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig gesaneerd dient te worden dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Doel van het onderzoek is het vaststellen of het voormalige dan wel het huidige gebruik van de onderzoekslocatie heeft geleid tot een verontreiniging van de bodem. Het historisch bodemonderzoek beoogt inzicht te verkrijgen in aard, plaats van voorkomen en concentraties van eventueel aanwezige verontreinigende stoffen in de bodem. Beoordeling planvoornemen IDDS heeft een milieuhygiënisch vooronderzoek en een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd. Naar aanleiding van een eerder aangetoonde sterke verontreiniging met zware metalen is gelijktijdig een nader bodemonderzoek uitgevoerd. De onderzoekslocatie staat bekend als Herenweg 151 te Noordwijk. Het onderzoek is uitgevoerd in verband met de voorgenomen nieuwbouw waarbij een omgevingsvergunning wordt aangevraagd.

In het kader van de Woningwet/Gemeentelijke Bouwverordening dient een omgevingsvergunningaanvraag (activiteit bouwen) vergezeld te gaan van een rapportage inzake de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. De doelstelling van het onderzoek is het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de landbodem (grond en grondwater) ter plaatse van de onderzoekslocatie. Conclusies verkennend bodemonderzoek • In de grond zijn hooguit bijmengingen met baksteen aangetroffen. Dit is op basis van de NEN 5725 niet asbestverdacht; • De puinbijmengingen die aangetroffen zijn bevinden zich in een verhardingslaag die meer dan 50% uit bodemvreemd materiaal bestaat. Dit wordt niet als bodem gedefinieerd en valt derhalve buiten de invloedsferen van de Wet bodembescherming; • In de grond zijn lichte verontreinigingen aangetoond met zware metalen, PCB, Drins en HCB; • In het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetoond op de onderzochte parameters. Gelet op de onderzoeksresultaten, te weten de aangetoonde overschrijdingen van de betreffende achtergrondwaarden dient de hypothese verdacht voor de onderzoekslocatie formeel te worden aangenomen. De eerder aangetoonde sterke verontreinigingen zijn middels de uitvoering van een nader

onderzoek niet aangetoond. Er is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Het Verkennend en nader milieukundig bodemonderzoek is als compleet rapport met kenmerk 2005N661/BST/rap2 toegevoegd. Conclusie bodem Aanvullende inspanningen worden niet noodzakelijk geacht. Beperkingen inzake het verlenen van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen) worden op basis van de onderzoeksresultaten uit milieu hygiënisch oogpunt niet voorzien. Daarnaast worden er geen belemmeringen voor het aspect bodem voor de bestemmingswijziging verwacht op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek.

4.4

Flora en Fauna

Wet natuurbescherming Bij een omgevingsvergunningaanvraag in het kader van een bestemmingsplanafwijking, toetst het bevoegd gezag aan de Wet natuurbescherming (Wnb). Volgens deze wet moet niet alleen de invloed op beschermde soorten worden vastgesteld, maar ook of de ruimtelijke ingreep negatieve invloed heeft op beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000. Doel van het natuuronderzoek is het toetsen van de plannen zodat inzichtelijk wordt welke maatregelen getroffen moeten worden om negatieve aantasting van beschermde Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en beschermde flora- en faunasoorten te voorkomen. Beoordeling planvoornemen Het plangebied ligt aan de Herenweg 151 in het buitengebied van Noordwijk. Het bestaat volledig uit verharding met daarop één loods. Zeven knotwilgen staan aan de voorzijde van het plangebied. Naast het plangebied ligt een kleine greppel/sloot. Op 22 april 2024 is door IDDS een natuurtoets in het kader van de Omgevingswet uitgevoerd. Alhoewel dit onderzoek dus is uitgevoerd in het kader van nieuwe wetgeving staan de uitgangspunten parallel aan de Wet natuurbescherming. Hieruit is naar voren gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen worden aangetast van in de Wet natuurbescherming beschermde soorten. Eveneens is het plangebied ongeschikt biotoop voor beschermde soorten.

Wel wordt een aantal mitigerende maatregelen genomen om eventuele verstoring van beschermde soorten te voorkomen. Zo wordt het werk aaneengesloten en buiten het broedseizoen uitgevoerd zodat soorten geen mogelijkheid hebben zich in het gebied te vestigen. De algemene zorgplicht van de Wet natuurbescherming is ten aller tijden van toepassing. Ook ligt het plangebied niet in een van de provinciaal beschermde gebieden. Het plan ligt niet in een weidevogelgebied of de strategische reservering natuur en er liggen geen karakteristieke landschapselementen in het plangebied. De genoemde beschermde gebieden veroorzaken geen planologische belemmeringen voor het plan. Het volledige rapport met de bevindingen en de aanbevelingen, is in bijlage 4 toegevoegd bij deze toelichting. Specifiek voor gebiedsbescherming wordt een stikstofdepositieberekening gemaakt. De resultaten worden in paragraaf 4.8 beschreven. Conclusie ecologie

Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect flora en fauna geen belemmering vormt voor het planvoornemen. Met het plan worden geen beschermde soorten of natuurgebieden negatief beïnvloed. Wel dient rekening gehouden te worden met mitigerende maatregelen ten aanzien van broedvogels en vleermuizen, zodat potentiële verstoring voorkomen wordt. 4.5

Externe Veiligheid

Wetgeving Bij externe veiligheid gaat het om situaties waarbij een ongeval kan plaatsvinden met gevaarlijke stoffen of als gevolg van luchtvaartverkeer nabij luchthavens, waardoor mensen die verder niets met de betreffende activiteit te maken hebben, om het leven kunnen komen. Er wordt gekeken naar de risico’s verbonden aan risicovolle inrichtingen, waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, opgeslagen of gebruikt en vervoer van gevaarlijke stoffen via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen. Het belangrijkste instrument om de externe veiligheid te waarborgen is ruimtelijke scheiding aan de hand van veiligheidsafstanden tussen (beperkt) kwetsbare objecten en risicobronnen. Bij (beperkt) kwetsbare objecten dient gedacht te worden aan ruimten waar personen gedurende langere tijd verblijven (woning, recreatieterrein), gebouwen met grote aantallen personen (winkelcomplex, grote supermarkt, warenhuis) of personen met beperkte zelfredzaamheid (ziekenhuis, school, kinderopvang). Naast maatregelen aan de bron (bijvoorbeeld Best Beschikbare Technieken voor inrichtingen), dienen afdoende maatregelen in de omgeving te worden genomen door middel van zonering: hoe minder mensen binnen de risicocontouren van een risicovolle activiteit vallen, hoe beter de veiligheidssituatie. De wettelijke kaders voor externe veiligheid worden gevormd door de volgende wet- en regelgeving: -

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); Besluit externe veiligheid transport van gevaarlijke stoffen (Bevt) Wet luchtvaart (obstakelvrije vlakken en veiligheidszones; voor Schiphol gelden ook het Luchthavenindelingbesluit (LIB) en het Luchthavenverkeerbesluit (LVB).

Als centrale maatstaf voor het in beeld brengen van de externe veiligheidsrisico’s worden de begrippen plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR) gehanteerd. Deze begrippen zijn in de wet eenduidig gedefinieerd, en in de wetgeving zijn normen opgenomen (grenswaarden en richtwaarden voor het PR, en een oriëntatiewaarde voor het GR) die bepalen welke omvang van een extern veiligheidsrisico onacceptabel is. Zo beoogt de wetgeving te voorkomen dat er (beperkt) kwetsbare objecten (kunnen) worden gerealiseerd op locaties waar het PR als gevolg van risicobronnen in de omgeving hoger is dan 10-6/jaar (één op een miljoen). Verder beoogt de wetgeving het bevoegd gezag een afwegingskader te bieden voor het omgaan met risicobronnen die bij een ongewoon voorval kunnen leiden tot grotere hoeveelheden dodelijke slachtoffers (maatschappelijke ontwrichting). Indien het bevoegd gezag een ruimtelijk besluit wil nemen, moet daaraan een analyse van het groepsrisico vooraf gaan. Indien het GR door het (te nemen) ruimtelijke besluit toe zal nemen, dient bij het ruimtelijke besluit een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. De methodiek waarmee het GR moet worden bepaald, is wettelijk vastgelegd. De uitkomsten daarvan zijn afhankelijk van de hoeveelheid aanwezige personen in de omgeving van de

risicobron. Tot hoever die relevante risico-omgeving strekt, is wettelijk gedefinieerd als het invloedsgebied. Doorgaans wordt dit gebied begrensd door de 1% letaliteitsgrens (de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen komt te overlijden als gevolg van de risicovolle activiteit). Gesteld kan worden dat aanwezigheid van personen buiten het invloedsgebied van een risicobron niet meetelt voor de hoogte van het GR dat door die risicobron wordt veroorzaakt. Beoordeling planvoornemen Uit risico-inventarisatie blijkt dat er verschillende risicovolle inrichtingen in de nabij omgeving zijn gesitueerd (zie figuur hieronder). De inrichtingen worden hieronder nader beschreven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Noordwijk&id=823fe404-3692-4aaa-9d8f-a133ce0f2793