20251127 inspraakreactie Erven Heemskerk-Valk bestemmingsplan Gooweg D2059
Tekst van het document
Gemeenteraad Gemeente Noordwijk Raadsvergadering 27 november 2025 20:00 uur
Inzake Bestemmingsplan “Gooweg D2059”
Mr. F.P. van Galen, advocaat namens initiatiefnemers Erven Heemskerk-Valk, M.F.J.
INSPREEKNOTITIE
Voorzitter! Leden van de raad! 1.1.
Ik spreek in namens initiatiefnemers, de erven van de oorspronkelijke initiatiefnemers. De erven hebben nog altijd de wens om het plan te realiseren. Bovendien liggen er nog altijd bindende overeenkomsten tussen de erven, de gemeente en de GOM.
2. 2.1.
Amendement en uitstel besluitvorming Wij werden vanmiddag ingehaald door een amendement. Het is voor mij niet mogelijk om in drie minuten op al hetgeen in de toelichting op dat amendement is opgenomen in te gaan. Het moge duidelijk zijn dat de initiatiefnemers menen dat het amendement niet zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd.
2.2.
In dit verband merken zij op dat het door het college aan uw raad voorgelegde raadsvoorstel strekt tot vaststelling van het bestemmingsplan. Aan dat voorstel ligt een uitgebreide toelichting met bijlagen en een Nota beantwoording zienswijzen ten grondslag. Het amendement strekt tot het tegenovergestelde van hetgeen in het raadsvoorstel is opgenomen. Dat betekent dat aan de motivering van dat amendement zware eisen moeten worden gesteld. Bovendien geldt dat de raad op grond van de Gemeentewet geen besluit over een voorstel tot het amenderen van
een raadsvoorstel mag nemen dan nadat het college in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van de raad te brengen. Gelet op de omvang van de toelichting op het amendement en de complexiteit van de materie, ligt het naar de mening van initiatiefnemers met het oog op een zorgvuldige voorbereiding van het besluit in de rede dat de beraadslaging en de besluitvorming over het voorstel wordt uitgesteld, opdat het college en de initiatiefnemers een redelijke termijn krijgen om op het amendement te reageren. 3. 3.1.
Inleiding Inmiddels tweeënhalf jaar geleden werd door uw raad besloten om het bestemmingsplan “Gooweg D2059” niet vast te stellen. Dat besluit werd genomen naar aanleiding van een in september 2018 ingediende aanvraag tot vaststelling van het bestemmingsplan.
3.2.
Aan die aanvraag is op haar beurt een heel proces voorafgegaan. Al op 9 november 2017 werd door de gemeenteraad een Stedenbouwkundige visie vastgesteld, waarin werd voorzien in woningbouw op het onderhavige perceel, net als op de andere percelen in het betreffende lint langs de Gooweg. Die andere percelen zijn inmiddels allemaal bebouwd.
3.3.
Bij uitspraak van 17 september 2025 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het beroep van de initiatiefnemers tegen het besluit om het bestemmingsplan niet vast te stellen gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Het is nu aan uw raad om opnieuw over het bestemmingsplan te beslissen met inachtneming van hetgeen de Afdeling heeft overwogen en met toepassing van het recht zoals dat gold in 2023. Tot dat toepasselijke recht behoren eveneens de destijds geldende Omgevingsverordening en Omgevingsvisie (Vgl. ABRvS 3 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4202, r.o. 7.2).
3.4.
Initiatiefnemers wijzen erop dat de Afdeling daarbij in r.o. 4.2 van de uitspraak heeft overwogen dat de rechtsgevolgen van het besluit niet met een aanvullende motivering in stand kunnen blijven. Met andere woorden, herstel van de gebrekkige motivering van het besluit was naar het oordeel van de Afdeling niet mogelijk. Geen ruimtelijke gronden om vaststellen bestemmingsplan te weigeren
3.5.
De Afdeling heeft kort gezegd in de eerste plaats geoordeeld dat, anders dan uw raad aan het besluit tot het niet vaststellen van het bestemmingsplan ten grondslag heeft gelegd, het bestemmingsplan niet in strijd is met de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport Duin- en Bollenstreek. 2
Rekening houden met de gesloten overeenkomsten 3.6.
De Afdeling heeft ten tweede geoordeeld dat onvoldoende rekening is gehouden met
de
gesloten
overeenkomsten,
waaronder
de
bollengrondcompensatieovereenkomst, de watercompensatieovereenkomst ten behoeve
van
het
verderop
gelegen
plan
“Gooweg
B1977”
en
de
planschadeverhaalsovereenkomst. Met name heeft de Afdeling daarbij relevant geacht dat de kosten voor het realiseren van de watercompensatie op het perceel door de initiatiefnemers zijn gemaakt om uitvoering te geven aan de tussen hen en de gemeente gesloten watercompensatieovereenkomst, in de verwachting dat de raad zou meewerken aan de benodigde bestemmingsplanwijziging om de vier Greenportwoningen op haar perceel mogelijk te maken. De Afdeling acht dit in het bijzonder van belang nu niet is gebleken dat de kosten voor het realiseren van de watercompensatie ongedaan worden gemaakt door het perceel terug te brengen in de oorspronkelijke staat, waartoe de gemeente ook verplicht zal worden. 3.7.
Hoewel
de
Afdeling
heeft
geoordeeld
dat
de
in
2017
vastgestelde
Stedenbouwkundige visie niet een concrete toezegging inhoudt jegens initiatiefnemers dat de bestemming ook daadwerkelijk gewijzigd zal worden, volgt uit die vaststelling wel dat de raad in ieder geval destijds het toekennen van een woonbestemming aan de gronden stedenbouwkundig aanvaardbaar achtte. Bovendien is die Stedenbouwkundige visie wel degelijk als beleid aan te merken en is dat beleid vooralsnog niet gewijzigd. Daaruit volgt een verzwaarde motiveringsplicht, in het geval uw raad nu alsnog zou oordelen dat een woonbestemming op deze gronden wel in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. 4. 4.1.
Het amendement Wij hebben pas enkele uren voor deze vergadering van het amendement kennis kunnen nemen. Ik ben dan ook niet in de gelegenheid geweest om alle onderdelen van het amendement uitputtend te beoordelen. Desondanks trachten wij in de korte tijd die wij hebben op zoveel mogelijk punten in te gaan.
1.1
Initiatiefnemers stellen voorop dat een besluit om een bestemmingsplan niet vast te stellen in de eerste plaats moet zijn ingegeven door ruimtelijke motieven (vgl. ABRvS 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1424). Daarnaast geldt dat het besluit niet in strijd mag zijn met het recht en de raad de betrokken belangen moet afwegen. Daarbij dient ook aan de orde te komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. 3
ISG 4.2.
In het amendement wordt het standpunt ingenomen dat het plan weliswaar niet uitdrukkelijk in strijd is met de ISG, zoals de Afdeling heeft geoordeeld, maar dat de ISG ook niet dwingt tot het vaststellen van het plan. De ISG bepaalt, aldus het amendement, dat geen nieuwe woningen worden gebouwd, met uitzondering van Greenportwoningen of compensatiewoningen. Onduidelijk is hoe deze overweging kan dienen als motivering voor het niet vaststellen van het bestemmingsplan. Het betreft
immers
in
dit
geval
nu
juist
wel
greenportwoningen
of
compensatiewoningen. Daartoe is een overeenkomst gesloten met de GOM en zijn certificaten voor greenportwoningen verstrekt. 4.3.
In dit verband merken initiatiefnemers op dat met het niet vaststellen van het plan ook de GOM althans de GOM-gemeenten een bijdrage van € 825.000 exclusief BTW mislopen. Onduidelijk is op welke wijze die gevolgen worden meegewogen. Omgevingsvisie Noordwijk 2030
4.4.
In het amendement wordt vervolgens gewezen op pagina 39 van de Omgevingsvisie Noordwijk van 22 februari 2022. Aldaar zou staan dat het behoud van zicht op de bollenvelden van groot belang wordt geacht. Wij troffen deze passage niet in de Omgevingsvisie aan. Op pagina 44 staat dat het behouden van doorzichten en het creëren van doorzichten van belang is. Over het zicht op bollenvelden wordt niets genoemd. Anders dan in het amendement met de verwijzing naar de Omgevingsvisie wordt gesuggereerd is het plan dan ook niet in strijd met die Omgevingsvisie. De Omgevingsvisie bevat in het geheel geen kaart met een concrete toekomstvisie voor deze specifieke locatie.
4.5.
Daar staat zoals gezegd tegenover dat de raad eerder wel de Stedenbouwkundige visie heeft vastgesteld en kennelijk van oordeel was dat bebouwing op dit perceel stedenbouwkundig aanvaardbaar is. Het zicht op de locatie is wel degelijk al in de bestaande situatie belemmerd door de bomen en hoge, wintergroene struiken langs de ’s-Gravendamseweg en de Gooweg.
4.6.
Het standpunt dat het lint al met de bestaande woningen als compleet en afgerond moet worden beschouwd, is in strijd met de eerde door de raad vastgestelde Stedenbouwkundige visie en kan dan ook zonder nadere stedenbouwkundige onderbouwing niet dienen als motivering voor het niet vaststellen van het plan.
4
Landgoedbiotoop 4.7.
In het amendement wordt vervolgens gesteld dat het plan in strijd is met de in de Omgevingsverordening
opgenomen
instructieregels
ten
aanzien
van
de
landgoedbiotoop. Initiatiefnemers constateren allereerst dat dit motief in het eerdere besluit om het plan niet vast te stellen geen uitdrukkelijke rol heeft gespeeld. Initiatiefnemers gingen ervan uit dat de raad zich dan ook eerder in de beantwoording van de zienswijze van de provincie kon vinden. 4.8.
Hoe het ook zij, in de toelichting op het plan is onderkend dat een deel van het plangebied ligt in het als landgoedbiotoop aangewezen gebied. De zienswijze van de provincie is uitgebreid beantwoord in de Nota beantwoording zienswijzen.
4.9.
Initiatiefnemers benadrukken allereerst dat de locatie niet ligt in het landgoed zelf. Het landgoed ligt ten zuiden van het fietspad langs de ’s-Gravendamseweg. Zowel de groenstrook ten zuiden als de groenstrook ten noorden van de ’sGravendamsweg maken geen deel uit van het landgoed zelf. De locatie ligt wel in een op de kaart als blikveld aangemerkt gebied rondom het landgoed.
4.10. Initiatiefnemers stellen verder voorop dat de Omgevingsverordening, zoals die destijds gold, het niet verbiedt om in het gebied dat als landgoedbiotoop is aangewezen te bouwen. Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling is toegestaan als geen aantasting van de waarden van de landgoedbiotoop plaatsvindt. Bij de beoordeling moet aandacht worden besteed aan onder andere het blikveld. Dat is de ruimte die nodig is om het landgoed in het landschap te herkennen. 4.11. In de toelichting en de beantwoording van de zienswijzen is terecht opgemerkt dat het plan het zicht op het landgoed niet belemmert en daarmee niet leidt tot een aantasting van de waarden van de landgoedbiotoop. Daarbij is relevant dat het blikveld niet loopt tot aan de Gooweg. Niets staat eraan in de weg om het zicht, voor zover al mogelijk, langs de Gooweg, zoals dat ook in de bestaande situatie het geval is, te beperken met opgaande beplanting. Daarnaast geldt dat het blikveld, zo volgt uit de definitie moet worden beoordeeld met het perspectief richting het landgoed. Het gaat niet om het openhouden van het gebied zelf. De betreffende gronden zijn particulier eigendom. Het beplanten of bebouwen van deze gronden leidt, mede gelet op de lagere ligging, niet tot een beperking van enig blikveld in de richting van het landgoed.
Bovendien is, zoals terecht is toegelicht, het zicht op het landgoed al weggenomen door de beide groenstroken langs de ’s-Gravendamseweg. Daarnaast is de afstand tot het landgoed met 150 meter zodanig dat ook om die reden het blikveld niet wordt aangetast. 5
Bollengrond 4.12. Onder hetzelfde kopje Landgoedbiotoop wordt in de motivering van het amendement ingegaan op de vraag of de bollengrond die zou overblijven als slechts twee woningen worden gebouwd, voldoende zouden zijn om die grond als bollengrond te gebruiken. Initiatiefnemers vragen zich af wat deze overweging te maken heeft met de landgoedbiotoop. De gronden zouden, als onverhoopt mocht vast komen te staan dat de regeling inzake de landgoedbiotoop aan de twee meest zuidelijke woningen in de weg staat, even goed als tuin bij de twee resterende woningen gebruikt kunnen worden. 4.13. Ten aanzien van het verloren gaan van bollengrond geldt dat nu juist een bollengrondcompensatieovereenkomst is gesloten, waarmee betere bollengrond kan worden teruggebracht. Noodzaak GOM-woningen 4.14. Met het argument dat de financieringssystematiek van de GOM-woningen een paradoxaal element kennen, omdat zou worden gebouwd om de openheid te behouden, wordt miskend dat het doel van de GOM niet is om openheid te behouden, maar om het areaal bollengrond te behouden en te versterken. 4.15. Het standpunt dat de kas van het fonds waaraan de afdracht wordt gedaan op dit moment goed gevuld zou zijn, wordt miskend dat de onderhavige overeenkomst met de GOM al lang geleden is gesloten en met die omstandigheid rekening dien te worden gehouden. Gewasbeschermingsmiddelen 4.16.
Het argument dat de tuinen van de woningen binnen 50 meter van gronden waarop gewasbeschermingsmiddelen gebruikt worden liggen, kunnen initiatiefnemers niet volgen. 4.17. In
de
toelichting
op
het
plan
is
uitgebreid
ingegaan
op
de
gewasbeschermingsmiddelen en de richtafstand van 50 meter. Die analyse is wel degelijk op de specifieke locatie toegespitst. Daarnaast is in de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten aanzien van het aanplanten van een wintergroene haag. Een dergelijke voorwaardelijke verplichting wordt in veel bestemmingsplannen gebruikt als een toereikende beperking van drift van gewasbeschermingsmiddelen. 4.18. Opvallend is overigens dat in het amendement wordt benadrukt hoe belangrijk het is om de betreffende grond als bollengrond te behouden, terwijl nota bene dit 6
perceel direct naast woningen ligt. Kennelijk hechten de indieners van het amendement minder waarde aan de gezondheid van de huidige buren van het perceel dan aan de gezondheid van de toekomstige bewoners van de met het plan beoogde woningen. Belangenafweging 4.19. In het amendement wordt tot slot ingegaan op de reeds gesloten overeenkomsten. Het voorstel bevat een toezegging dat de door de initiatiefnemers gemaakt kosten zullen worden vergoed. Hoewel dat uiteraard in het voorkomende geval voor de initiatiefnemers prettig is, maakt deze compensatie nog niet dat het besluit niet onevenredig
is.
Initiatiefnemers
zijn
sinds
de
vaststelling
van
de
Stedenbouwkundige visie, de reactie op het principeverzoek en met het sluiten van de verschillende overeenkomsten steeds in de veronderstelling geweest dat de vaststelling van het plan zou plaatsvinden. Zij zullen in het voorkomende geval de gemeente aansprakelijk stellen voor alle schade die dan zal worden geleden. Hopelijk hoeft het zover niet te komen.
***
7