RB Verordening fysieke leefomgeving.pdf
Tekst van het document
No. 23.0001074-1
gemeente
NOORDOOSTPOLDER Emmeloord, 31 oktober 2023 Onderwerp Verordening fysieke leefomgeving Advies raadscommissie Debatstuk. PU dient amendement in om distelverordening niet in te trekken. Aan de raad. Status: ter besluitvorming Voorgesteld besluit 1. De Verordening fysieke leefomgeving (Vfl) vast te stellen; 2. De Algemene plaatselijke verordening (Apv) vast te stellen; 3. De bevoegdheid aan het college te mandateren om de ‘bebouwingscontour houtkap’ vast te stellen, zoals bedoeld in artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl); 4. De Eerste wijziging van de Verordening liggeld 2024 vast te stellen; 5. De Eerste wijziging van de Verordening lijkbezorgingsrechten 2024 vast te stellen. Doelstelling Een prettig gebruik van de fysieke leefomgeving door onze inwoners, bezoekers en ondernemers. Inleiding Op 1 januari 2024 treedt de Omgevingswet1 in werking. Dit vraagt om aanpassingen van onze documenten en werkwijzen. Eén van die aanpassingen gaat over de gemeentelijke regelingen (verordeningen, beleidsregels etc). Het voorstel is om die aan te passen, zodat zij beter aansluiten bij de Omgevingswet en ‘klaar staan’ om opgenomen te worden in het omgevingsplan2.
De belangrijkste punten van het voorstel zijn: we zetten onze regels zoveel mogelijk in één verordening, zodat ze voor de gebruikers (bewoners én handhavers) gemakkelijk te vinden zijn, we zetten onze regels alvast klaar voor het omgevingsplan (in terminologie, maar ook door een selectie op inhoud), en we actualiseren onze bestaande regels en zorgen dat ze goed aansluiten, op elkaar, op ons beleid en op de praktijk.
/------------------------------------------------------------------------------------------------------------------Wat is..? 1 De Omgevingswet is een landelijke wet die veel bestaande wetten over de fysieke leefomgeving samenvoegt. Denk aan wetten over: ruimtelijke ordening, wonen, water, natuur en milieu. 2 Het Omgevingsplan is het gemeentelijke document met regels voor de fysieke leefomgeving (de opvolger van onze bestemmingsplannen en verordeningen). Het Omgevingsplan moet in 2032 klaar zijn.
No. 23.0001074-2
Beleidsreferentie Plan van aanpak transitiefase omgevingsplan (raadsbesluit 30 januari 2023); Algemene plaatselijke verordening gemeente Noordoostpolder (Apv); Bomenverordening Noordoostpolder 2005; Marktverordening 2008; Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen gemeente Noordoostpolder 2010; Erfgoedverordening 2012 Gemeente Noordoostpolder; Afvalstoffenverordening; Distel- en onkruidbestrijdingsverordening Noordoostpolder, en Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren Noordoostpolder (AVOI). Argumenten 1.1
Met de Verordening fysieke leefomgeving zet u onze regels klaar voor het omgevingsplan Bij het maken van de Vfl zijn alle gemeentelijke regelingen bekeken. Sommige regels móeten in het omgevingsplan, sommigen mógen in het omgevingsplan en sommigen mogen juist niet in het omgevingsplan. De Vfl bevat nu alle (en tegelijk ook alléén de) regels die later in ons omgevingsplan passen. Daarnaast zijn ook de terminologie en verwijzingen aangepast op de Omgevingswet. Het gaat om regels over: Erfsingels en natuurgebieden; Gebruik en aanpassing van wegen en waterwegen; Marktkramen; Monumenten, erfgoed, archeologie en beeldkwaliteit van bedrijfsgebouwen; Begraafplaatsen (begraven en gedenktekens); Huishoudelijk afval; Hemelwaterafvoer; Kabels en leidingen; Overlast door dieren. In de was-wordtlijst in bijlage 3 van dit voorstel ziet u welke artikelen uit de oude verordeningen naar de Vfl gaan.
1.2
Met de Verordening fysieke leefomgeving actualiseert u de bestaande regels Bij het maken van de Vfl is gekeken welke doelen onze bestaande regels dienen en of die nog bij ons beleid passen. Samengevat zijn dit de aanpassingen: a) Er zijn bepalingen toegevoegd over hemelwaterafvoer. Die hadden we nog niet, maar dit past bij het nieuwe beleid voor klimaatadaptatie en bij een behoefte die in de praktijk bestaat. b) De distelverordening wordt ingetrokken. We onderzoeken of een distelverordening nog hanteerbaar is. Kijkend naar nut en noodzaak ervan. U ontvangt hierover eventueel naderhand separaat een voorstel. c) Het vergunningenstelsel voor woonschepen wordt ingetrokken. Dit is overbodig geworden omdat de bedoeling ervan nu geregeld wordt door de omgevingsvergunning. d) Het vergunningstelsel voor grafstenen wordt vervangen door algemene regels met een meldingsplicht. Op deze manier houden we de afhandeling in de praktijk zo eenvoudig mogelijk en ook zoveel mogelijk hetzelfde als hoe die nu is. Als we het vergunningstelsel voor de grafstenen in stand zouden houden, zou dat vanaf 1-1-2024 een omgevingsvergunning worden en dat vraagt een uitgebreider proces voor de aanvraag en afhandeling daarvan (namelijk via het digitaal loket voor omgevingsvergunningen).
e) Er zijn vele juridische en redactionele correcties en aanpassingen gedaan, zodat alle bepalingen goed aansluiten op de Omgevingswet. Zowel in terminologie en verwijzingen, als ook in de juridische ruimte die er is om gemeentelijke regels te stellen. Een volledig overzicht van alle wijzigingen vindt u in de ‘was-wordt-lijst’ (bijlage 3 van dit raadsvoorstel).
1.3
Met de Verordening fysieke leefomgeving stemt u regels beter op elkaar af De regels uit verschillende bestaande verordeningen zijn in de Vfl beter op elkaar afgestemd. Bijvoorbeeld in begrippen en procedures, maar ook in de mate van detailniveau. De regels in de APV waren voorheen bijvoorbeeld veel globaler dan de regels voor de begraafplaatsen.
No. 23.0001074-3
1.4
Het vaststellen van verordeningen is een bevoegdheid van de gemeenteraad U bent als raad bevoegd om gemeentelijke verordeningen vast te stellen. Dat staat in de gemeentewet (artikel 149). Daarom ontvangt u dit voorstel en kunt u er een besluit over nemen.
2.1
Sommige regels uit de Apv mogen niet in de Verordening fysieke leefomgeving Onze Algemene plaatselijke verordening (Apv) bevatte veel regels. Een groot deel daarvan gaat over de fysieke leefomgeving en past goed in de Vfl (en later in het omgevingsplan). Dat zijn bijvoorbeeld regels over parkeren van voertuigen en regels over standplaatsen voor marktkramen. Maar andere regels zijn meer gericht op openbare orde en veiligheid. Die mogen niet in het omgevingsplan. Het gaat bijvoorbeeld over regels voor horeca en evenementen. Meestal zijn dit ook regels waarvoor de bevoegdheid bij de Burgemeester ligt. Die regels blijven in een afzonderlijke Apv (zie de nieuwe Apv in bijlage 2 van dit voorstel).
2.2
Hiermee actualiseert u de Apv In de voorgestelde nieuwe Apv zijn ook enkele actualisaties gedaan. Dit zijn juridische en redactionele wijzigingen: a) Het artikel met een colorverbod (dat is een verbod op uitingen van verboden organisaties) vervalt vanwege een uitspraak van de Hoge Raad. Dit is artikel 2:50a in de Apv. b) In het artikel over seksinrichtingen is redactioneel aangepast, zodat het verbod er duidelijker in staat. Dit is een wijziging van artikel 3:11 t/m 3:15 van de Apv.
3.1
Het vaststellen van de bebouwde kom had u voorheen ook aan het college overgedragen U bent als raad bevoegd om de grenzen van de bebouwde kom vast te stellen. Dat zijn de grenzen zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming (voorheen Boswet). Het zijn de grenzen die bepalen waar de vergunning- en meldingsplicht geldt voor het kappen van bomen. De bevoegdheid om die grenzen vast te stellen, heeft u sinds 2006 aan het college gedelegeerd. De Wet natuurbescherming gaat op in de Omgevingswet en de term ‘bebouwde komgrens’ heet vanaf dan ‘bebouwingscontour houtkap’. Met het voorgestelde mandaatbesluit regelt u dat de situatie onder de nieuwe wet vergelijkbaar blijft met de oude situatie.
4.1
De grondslag voor het heffen van liggeld voor woonschepen verandert Mensen die een woonschip hebben, betalen liggeld. Dit staat in de liggeldverordening. In die verordening wordt verwezen naar de vergunningplicht uit de oude Apv. Die vergunning vervalt nu. Om het liggeld te kunnen blijven heffen, moet de verwijzing in de liggeldverordening aangepast worden. U bent als raad bevoegd om gemeentelijke belastingverordeningen vast te stellen. Dat staat in de gemeentewet (artikel 229).
5.1
De grondslag voor leges voor grafsteenvergunningen verandert Mensen die een grafsteen willen laten plaatsen, hadden daarvoor tot nu toe een vergunning nodig. Zij betaalden leges voor die vergunning. Vanaf 1 januari wordt die vergunning vervangen door algemene regels. Dit betekent dat we geen leges meer kunnen heffen. In plaats daarvan kunnen die kosten worden opgenomen in de kosten voor het begraven. Op deze manier blijft de situatie in de praktijk (kosten en handelingen) ongeveer gelijk, voor zowel de aanvragers als voor de gemeente. Om deze aanpassing door te voeren, is een wijziging nodig van de ‘Verordening lijkbezorgingsrechten 2024’.
Kanttekeningen 1.1
Er zullen komende jaren nog wel aanpassingen nodig zijn De Omgevingswet betekent veel veranderingen in regels en in werkprocessen. Na 1 januari 2024 zal duidelijk worden hoe die in de praktijk uitpakken. Waarschijnlijk zullen er dan ook nog wel aanpassingen nodig zijn in de Verordening fysieke leefomgeving en in de Apv.
Planning/uitvoering Na uw besluit worden de nieuwe verordeningen formeel gepubliceerd op overheid.nl. Daarna treden ze op 1 januari 2024 in werking, tegelijk met de Omgevingswet.
No. 23.0001074-4
De Verordening fysieke leefomgeving komt op termijn in het ‘echte’ omgevingsplan. Dat (definitieve) omgevingsplan wordt in de komende jaren gemaakt. U heeft hierover in januari '22 een plan van aanpak vastgesteld. Enkele onderdelen van de Vfl gelden wel al vanaf 1 januari ’24 als onderdeel van het (tijdelijke) omgevingsplan. Het gaat om de regels voor hemelwaterafvoer en voor de regels voor het uiterlijk van bouwwerken (die stonden voorheen in de Welstandsnota). Bijlagen 1. Verordening fysieke leefomgeving 2. Algemene plaatselijke verordening 3. Was-wordt-lijst (overzicht van de wijzigingen) 4. Mandaatbesluit bebouwingscontour houtkap 5. Eerste wijziging van de Verordening liggeld 2024 6. Eerste wijziging van de Verordening lijkbezorgingsrechten 2024 Het college van burgemeester en wethouders,
Portefeuillehouder : de heer T. van Steen Steller : mevrouw I.S.M. Cornelissen, (0527) 63 35 01; i.cornelissen@noordoostpolder.nl
No. 23.0001074-5
gemeente
NOORDOOSTPOLDER RAAD
De raad van de gemeente Noordoostpolder, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 31 oktober 2023, no. 23.0001074; gelet op artikel 149 en 229 Gemeentewet BESLUIT:
1.
De (gewijzigde) Verordening fysieke leefomgeving (Vfl) vast te stellen ten gevolge het aangenomen amendement 2023-12-16 ‘Distel- en onkruidbestrijdingsverordening’; De Algemene plaatselijke verordening (Apv) vast te stellen; De bevoegdheid aan het college te mandateren om de ‘bebouwingscontour houtkap' vast te stellen, zoals bedoeld in artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl); De Eerste wijziging van de Verordening liggeld 2024 vast te stellen; De Eerste wijziging van de Verordening lijkbezorgingsrechten 2024 vast te stellen.
2. 3. 4. 5. All
■
II
'
I
I'
AAI
■
gemeente
NOORDOOSTPOLDER Verordening fysieke leefomgeving De raad van de gemeente Noordoostpolder, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 31 oktober 2023, no. 23.0000994; gelet op artikel 147, eerste lid, artikel 149 en artikel 154 van Gemeentewet; artikel 5.165b Besluit kwaliteit leefomgeving; artikel 35 van de Wet op de Lijkbezorging; artikel 3.16 van de Erfgoedwet; artikel 10.23 en 10.32a van de Wet milieubeheer; artikel 2.1, 2.4, 2.7, 2,8, 5.1 en 22.8 van de Omgevingswet; artikel 2.1 en 2.1a van het Omgevingsbesluit, en artikel 22.7 van het omgevingsplan. BESLUIT:
vast te stellen de Verordening fysieke leefomgeving gemeente Noordoostpolder
♦ GEMEENTEHUIS
Harmen Visserplein 1 | 8302 BW Emmeloord
| T +31 (0)527 63 39 11
CORRESPONDENTIE
Postbus 155
| F+31 (0)527 61 70 20 | info@noordoostpokter.nl
| 8300 AD Emmeloord
j www.noordoostpolder.nl
^
Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1
Algemeen......................................................................................................................................... 8
Paragraaf 1.1
Algemene bepalingen..................................................................................................................... 8
Artikel 1.1.1
Begripsbepalingen........................................................................................................................... 8
Artikel 1.1.2
Werkingssfeer..................................................................................................................................9
Artikel 1.1.3
Vergunningen en ontheffingen......................................................................................................9
Artikel 1.1.4
Beslistermijn.................................................................................................................................... 9
Artikel 1.1.5
Weigeringsgronden.........................................................................................................................9
Artikel 1.1.6
intrekken en wijzigen van besluiten............................................................................................. 9
HOOFDSTUK 2
Houtopstanden..............................................................................................................................10
Paragraaf 2.1
Vergunning erfsingels en wegbeplantingen............................................................................. 10
Artikel 2.1.1
Begrippen over houtopstanden...................................................................................................10
Artikel 2.1.2
Omgevingsvergunning kappen erfsingels en wegbeplantingen............................................. 10
Artikel 2.1.3
Beoordeling aanvraag omgevingsvergunning voor kappen....................................................10
Artikel 2.1.4
Herplant-/instandhoudingsplicht............................................................................................... 11
Paragraaf 2.2
lepziekte..........................................................................................................................................11
Artikel 2.2.1
Bestrijding iepziekte......................................................................................................................11
Paragraaf 2.3
Bossen en natuurgebieden...........................................................................................................12
Artikel 2.3.1
Rookverbod in bos en natuur...................................................................................................... 12
Artikel 2.3.2
Beperking verkeer in natuurgebieden........................................................................................12
HOOFDSTUK 3
Wegen en water............................................................................................................................ 13
Paragraaf 3.1
Gebruik openbare wegen............................................................................................................. 13
Artikel 3.1.1
(Omgevings)vergunning voor het veranderen of aanleggen van een weg of uitweg...........13
Artikel 3.1.2
Voorzieningen voor verkeer en verlichting................................................................................13
Artikel 3.1.3
Voertuigen op een openbare plaats........................................................................................... 13
Artikel 3.1.4
Voertuigen van autobedrijf en dergelijke.................................................................................. 14
Artikel 3.1.5
Kampeermiddelen en andere voertuigen.................................................................................. 14
Artikel 3.1.6
Reclamevoertuigen....................................................................................................................... 14
2
Artikel
3.1.7
Grote voertuigen............................................................................................................................ 15
Artikel
3.1.8
Uitzicht belemmerende voertuigen.............................................................................................15
Artikel
3.1.9
Parkeren of laten stilstaan van voertuigen andersdan op de rijbaan.....................................15
Artikel
3.1.10
Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen..................................................................... 15
Paragraaf 3.2
Gebruik water(wegen)...................................................................................................................16
Artikel
3.2.1
Steigers en andere voorzieningen op, in of bovenopenbaar water....................................... 16
Artikel
3.2.2
Ligplaats vaartuigen.......................................................................................................................16
Artikel
3.2.3
Reddingsmiddelen.......................................................................................................................... 16
Paragraaf 3.3
Afvoer van hemel- en grondwater............................................................................................... 17
Artikel
3.3.1
Begrippen.........................................................................................................................................17
Artikel
3.3.2
Lozingsverbod hemel- en grondwater........................................................................................ 17
HOOFDSTUK 4
Gebruik openbare ruimte.............................................................................................................. 18
Paragraaf 4.1
Voorwerpen in openbare ruimte plaatsen.................................................................................. 18
Artikel
4.1.1
Voorwerpen alleen overeenkomstig publieke functie............................................................. 18
Artikel
4.1.2
Hinderlijke of gevaarlijke beplanting.......................................................................................... 18
Artikel
4.1.3
Openen straatkolken en dergelijke..............................................................................................18
Artikel
4.1.4
Fietsen en bromfietsen.................................................................................................................. 18
Paragraaf 4.2
Activiteiten in de openbare ruimte.............................................................................................. 19
Artikel
4.2.1
Gebruik consumentenvuurwerk.................................................................................................. 19
Artikel
4.2.2
Gebruik carbid.................................................................................................................................19
Artikel
4.2.3
Vuur stoken..................................................................................................................................... 19
Artikel
4.2.4
Loslopende honden........................................................................................................................19
Artikel
4.2.5
Crossterreinen.................................................................................................................................20
Artikel
4.2.6
Kamperen buiten kampeerterreinen.......................................................................................... 20
Paragraaf 4.3
Verontreinigen openbare ruimte.................................................................................................. 21
Artikel
4.3.1
Verontreiniging door honden.......................................................................................................21
Artikel
4.3.2
Sloten en putten veilig houden.................................................................................................... 21
Artikel
4.3.3
Opslag voertuigen, vaartuigen, mest enafvalstoffen................................................................21
HOOFDSTUK 5
Markten en kramen......................................................................................................................... 22
3
Paragraaf 5.1
Weekmarkt.....................................................................................................................................22
Artikel
5.1.1
Begrippen........................................................................................................................................ 22
Artikel
5.1.2
Aanwijzing locatie en tijden........................................................................................................ 22
Artikel
5.1.3
Marktvergunning............................................................................................................................23
Artikel
5.1.4
Intrekking en schorsing marktvergunning.................................................................................23
Paragraaf 5.2
Standplaatsen buiten de weekmarkt........................................................................................ 23
Artikel
5.2.1
Standplaatsvergunning................................................................................................................. 23
Paragraaf 5.3
Venten..............................................................................................................................................24
Artikel
5.3.1
Ventverbod.................................................................................................................................... 24
HOOFDSTUK 6
Begraafplaatsen.............................................................................................................................25
Paragraaf 6.1
Bezoeken van begraafplaatsen...................................................................................................25
Artikel
6.1.1
Begrippen........................................................................................................................................ 25
Artikel
6.1.2
Openstelling begraafplaatsen...................................................................................................... 26
Artikel
6.1.3
Plechtigheden................................................................................................................................ 26
Paragraaf 6.2
Begraven en grafuitgifte..............................................................................................................26
Artikel
6.2.1
Begraven en asbezorging.............................................................................................................. 26
Artikel
6.2.2
Indeling graven en urnennissen................................................................................................... 27
Artikel
6.2.3
Overschrijven of opzeggen van verleende rechten.................................................................. 27
Artikel
6.2.4
Opgravingen en ruimen.................................................................................................................27
Paragraaf 6.3
Grafbedekkingen............................................................................................................................28
Artikel
6.3.1
Voorschriften en melding grafbedekking................................................................................... 28
Artikel
6.3.2
Onderhoud en verwijdering grafbedekking...............................................................................28
Artikel
6.3.3
Ruiming, bezorging van overblijfselen en as..............................................................................29
HOOFDSTUK 7
Erfgoed, monumenten &uiterlijk van bouwwerken..................................................................30
Paragraaf 7.1
Begrippen........................................................................................................................................ 30
Artikel
7.1.1
Begrippen........................................................................................................................................ 30
Paragraaf 7.2
Erfgoedregister............................................................................................................................... 30
Artikel
7.2.1
Gemeentelijk erfgoedregister...................................................................................................... 30
Paragraaf 7.3
Gemeentelijke monumenten........................................................................................................30
4
Artikel
7.3.1
Aanwijzen gemeentelijk monument of beeldbepalend element........................................... 30
Artikel
7.3.2
Advies gemeentelijke adviescommissie......................................................................................31
Artikel
7.3.3
Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument of beeldbepalend element....................31
Artikel
7.3.4
Vervallen aanwijzing gemeentelijk monument of beeldbepalend element......................... 31
Artikel
7.3.5
Bescherming gemeentelijk monument of beeldbepalend element.......................................32
Paragraaf 7.4
Gemeentelijk stads- en dorpsgezicht.......................................................................................... 32
Artikel
7.4.1
Aanwijzing gemeentelijk beschermd stads- dorpsgezicht...................................................... 32
Artikel
7.4.2
Wijziging, intrekking en vervallen stads- of dorpsgezicht........................................................33
Artikel 7.4.3
Verbodsbepaling en aanvraag omgevingsvergunning.............................................................. 33
Paragraaf 7.5
Archeologie.....................................................................................................................................33
Artikel
7.5.1
Vangnet archeologie..................................................................................................................... 33
Paragraaf 7.6
Uiterlijk van bouwwerken en reclameobjecten..........................................................................34
Artikel
Kleur bedrijfsgebouwen................................................................................................................34
7.6.1
Artikel 7.6.2
Hinderlijke of gevaarlijke reclame...............................................................................................34
Artikel
7.6.3
Reclameobjecten in woonwijken................................................................................................. 34
Artikel
7.6.4
Reclameobjecten op bedrijventerreinen....................................................................................34
Artikel
7.6.5
Reclameobjecten in winkelgebieden...........................................................................................35
HOOFDSTUK 8
Afval..................................................................................................................................................36
Paragraaf 8.1
Begrippen.........................................................................................................................................36
Artikel
8.1.1
Begrippen.........................................................................................................................................36
Paragraaf 8.2
Aanwijzing inzamelaars en afvalstoffen.....................................................................................36
Artikel
8.2.1
Inzamelaars huishoudelijk afval.................................................................................................. 36
Artikel
8.2.2
Gescheiden inzameling.................................................................................................................. 37
Paragraaf 8.3
Aanbieden huishoudelijk afval.................................................................................................... 37
Artikel
8.3.1
Huishoudelijke afvalstoffen voor inzameling aanbieden......................................................... 37
Artikel 8.3.2
Verbod op anders aanbieden.......................................................................................................38
Artikel
8.3.3
Verbod op aanbieden van andere afvalstoffen..........................................................................38
Artikel
8.3.4
Opslag van afvalstoffen................................................................................................................. 38
Paragraaf 8.4
Overige afvalstoffen.......................................................................................................................39
5
Artikel
8.4.1
Zwerfafval.......................................................................................................................................39
Artikel
8.4.2
Autowrakken.................................................................................................................................. 39
HOOFDSTUK 9
Kabels en leidingen....................................................................................................................... 40
Artikel
9.1.1
Begrippen........................................................................................................................................ 40
Paragraaf 9.2
Werkzaamheden aan kabels en leidingen................................................................................. 40
Artikel
9.2.1
Toepassing en coördinatie........................................................................................................... 40
Artikel
9.2.2
Vergunning en melding................................................................................................................41
Artikel
9.2.3
Bijzondere omstandigheden........................................................................................................ 41
Artikel
9.2.4
Aanvraag.........................................................................................................................................41
Artikel
9.2.5
Voorschriften en beperkingen.....................................................................................................42
Artikel
9.2.6
Vervallen vergunning of melding................................................................................................ 43
Artikel
9.2.7
Graafmelding................................................................................................................................. 43
Artikel
9.2.8
Weigeringsgronden.......................................................................................................................43
Artikel
9.2.9
Wijzigen of intrekken vergunning............................................................................................... 43
Artikel
9.2.10
Schade............................................................................................................................................. 43
Artikel
9.2.11
Medegebruik van voorzieningen en vooroverleg......................................................................44
Artikel
9.2.12
Verlegging en nadeelcompensatie.............................................................................................. 44
Artikel
9.2.13
Overdracht van kabels en leidingen...........................................................................................44
Artikel
9.2.14
Niet-openbare kabels en leidingen............................................................................................. 44
Artikel
9.2.15
Informatieplicht en overleg..........................................................................................................44
HOOFDSTUK 10
Dieren..............................................................................................................................................45
Paragraaf 10.1
Overlast van dieren....................................................................................................................... 45
Artikel
10.1.1
Hinderlijke of schadelijke dieren.................................................................................................45
Artikel
10.1.2
Loslopend vee................................................................................................................................ 45
HOOFDSTUK 11
Toezicht en handhaving................................................................................................................ 46
Paragraaf 11.1
Naleving van deze verordening...................................................................................................46
Artikel
11.1.1
Vergunningplicht........................................................................................................................... 46
Artikel 11.1.2
Toezicht........................................................................................................................................... 46
Artikel 11.1.3
Strafbepalingen.............................................................................................................................. 46
6
.47
HOOFDSTUK 12
Overgangs- en slotbepalingen
Paragraaf 12.1
Intrekken oude regelingen en overgangsbepalingen..............................................................47
Artikel
12.1.1
Intrekken oude regelingen............................................................................................................47
Artikel
12.1.2
Overgangsrecht.............................................................................................................................. 48
Paragraaf 12.2
Slotbepalingen..............................................................................................................................48
Artikel
12.2.1
Citeertitel.........................................................................................................................................48
Artikel
12.2.2
Inwerkingtreding............................................................................................................................ 49
7
HOOFDSTUK 1
Algemeen
Paragraaf 1.1 Algemene bepalingen
Artikel 1.1.1 1.
2.
Begripsbepalingen
In deze verordening wordt verstaan onder: a. bebouwde kom: gebied binnen de grens die is vastgesteld zoals bedoeld in artikel 20a, eerste lid van de Wegenverkeersweg 1994; b. beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; c. bevoegd gezag: het college van burgemeester en wethouders of, waar het om een omgevingsvergunning gaat, het bestuursorgaan dat bevoegd is om te besluiten of te handelen vanuit de Omgevingswet met daaraan verbonden AmvB’s; d. bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; e. bedrijventerrein: gebied dat in het omgevingsplan de functie ‘bedrijventerrein’ heeft; f. bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e van de Wegenverkeerswet 1994; g. college: het college van burgemeester en wethouders van Noordoostpolder; h. evenement: evenement zoals bedoeld in artikel 2:24 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Noordoostpolder i. evenementenvergunning: vergunning zoals bedoeld in artikel 2:25 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Noordoostpolder; j. gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; k. motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; l.
omgevingsvergunning: vergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; m. openbaar: voor publiek toegankelijk; n. openbare plaats of openbare ruimte: openbare plaats als bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; o. parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; p. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; q. uitweg: weg of uitrit die een particulier terrein bereikbaar maakt vanaf de openbare weg; r. voertuig: middel om personen of goederen te vervoeren, waaronder in ieder geval: - alles wat hieronder wordt verstaan in artikel 1 van het RVV 1990 en - campers, caravans, kampeermiddelen en reclamevoertuigen; s. weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994; t. werken: een constructie, of werkzaamheden, niet zijnde een gebouw, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; u. werkzaamheden: handmatige en mechanische (graaf)werkzaamheden in openbare gronden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en leidingen.
Voor de uitleg van deze verordening gelden tevens de begrippen uit de Omgevingswet, het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Besluit activiteiten leefomgeving. 8
3.
Voor de uitleg van deze verordening geldt degene die een opdracht geeft tot het uitvoeren van een handeling ook als degene die de handeling uitvoert.
Artikel
1.1.2
Werkingssfeer
Deze verordening geldt niet voor zover er regels vanuit de provinciale omgevingsverordening gelden die hetzelfde doel en toepassingsbereik hebben.
Artikel 1.
2.
3.
2. 3.
4.
1.1.4
2.
2.
Weigeringsgronden
Naast eventuele specifieke weigeringsgronden, kan een vergunning of ontheffing worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid, en d. de bescherming van het milieu. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de datum van de beoogde activiteit is ingediend.
Artikel 1.
Beslistermijn
Het bevoegd gezag beslist binnen acht weken nadat het de aanvraag heeft ontvangen, tenzij in deze verordening daarover iets anders staat. Het bevoegd gezag kan de termijn met maximaal acht weken verlengen. Op vergunningen en ontheffingen die krachtens deze verordening worden aangevraagd, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.
Artikel 1.1.5 1.
Vergunningen en ontheffingen
Een activiteit die op grond van deze verordening niet zonder vergunning of ontheffing mag worden uitgevoerd, mag pas worden uitgevoerd als die vergunning of ontheffing is verleend. Het bevoegd gezag kan voorschriften en beperkingen verbinden aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing, ter bescherming van de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen in acht te nemen.
Artikel 1.
1.1.3
1.1.6
Intrekken en wijzigen van besluiten
Overal waar in deze verordening wordt gesproken over een bevoegdheid tot het verlenen van een vergunning of ontheffing, het stellen van nadere regels of het aanwijzen van zaken of plaatsen, geldt die bevoegdheid ook voor het intrekken of wijzigen daarvan. Een vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen, van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; d. de houder dit schriftelijk verzoekt; 9
e.
de vergunning of ontheffing persoonsgebonden is en de houder van de vergunning of ontheffing overlijdt; 3. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
HOOFDSTUK 2
Houtopstanden
Paragraaf 2.1 Vergunning erfsingels en wegbeplantingen
Artikel 2.1.1
Begrippen over houtopstanden
In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. erfsingel: houtopstand langs de rand van een erf dat buiten de bebouwde kom ligt; b. wegbeplanting: houtopstand langs een weg; c. hakhout: één of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen. d. boom: een houtachtig, overblijvend gewas dat één- of meerstammig is en waarvan de doorsnede van de stam minimaal 10 cm is op 1,3 meter boven het maaiveld; e. dunnen: vellen of rooien van bomen en struiken uit een houtopstand, voor zover dat noodzakelijk is voor het voortbestaan van die houtopstand en er minimaal overblijft: i. één boom per 12 m2 als de houtopstand 10-20 tien jaar oud is; ii. één boom per 24 m2 als de houtopstand 10-40 jaar oud is; iii. één boom per 48 m2 als de houtopstand meer dan 40 jaar oud is, en iv. één struik per 5 m2 in alle levensfasen van de houtopstand; f. bebouwingscontour houtkap: grens die is vastgesteld op grond van artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl); g. vellen: kappen, rooien of andere handelingen uitvoeren die de dood of ernstige beschadiging van een boom of houtopstand tot gevolge kunnen hebben.
Artikel 2.1.2 1. 2.
Omgevingsvergunning kappen erfsingels en wegbeplantingen
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een erfsingel of wegbeplanting buiten de bebouwingscontour houtkap, te vellen. Dit verbod geldt niet voor: a. het dunnen van een houtopstand; b. het kappen van wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, voor zover die bestaan uit populieren of wilgen; c. het kappen van Italiaanse populieren, lindes, paardenkastanjes en treurwilgen, d. het kappen van vruchtbomen en windschermen die om boomgaarden staan, of e. het kappen van een houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantgezondheidswet.
Artikel 2.1.3
Beoordeling aanvraag omgevingsvergunning voor kappen
1. Onverminderd Artikel 1.1.5 wordt de omgevingsvergunning voor het vellen van een erfsingel of wegbeplanting of een deel daarvan, alleen verleend als: a. de kap geen afbreuk doet aan de cultuurhistorische waarde van de beplanting, als onderdeel van het ontwerp van de polder; b. de kap geen afbreuk doet aan het uiterlijk van de omgeving; c. de kap geen afbreuk doet aan de bescherming van de groenvoorzieningen in de gemeente, d. de erfsingel of wegbeplanting geveld moet worden: 10
i.
omdat op die plaats een bouwwerk, weg, uitweg, kavelpad of ander werk komt en de eventuele omgevingsvergunning daarvoor tegelijk wordt verleend met de vergunning voor het vellen van de erfsingel of wegbeplanting, of ii. vanwege een boomziekte of veroudering, en de aanvraag ruimte biedt voor een vervangende erfsingel of wegbeplanting. 2. Het bevoegd gezag kan voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden over het aanplanten van een nieuwe erfsingel.
Artikel 2.1.4 1.
2.
3.
Herplant-/instandhoudingsplicht
Als een erfsingel of wegbeplanting zonder vergunning is geveld, kan het bevoegd gezag de zakelijk gerechtigde van de grond verplichten om een nieuwe erfsingel of wegbeplanting op die plek aan te planten. Als een erfsingel of wegbeplanting ernstig in het voortbestaan wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag de rechthebbende verplichten om maatregelen te treffen waarmee de bedreiging wordt weggenomen. Aan deze verplichtingen kunnen voorschriften en een termijn worden verbonden.
Paragraaf 2.2 lepziekte
Artikel 2.2.1 1.
2.
2.
3.
Bestrijding iepziekte
In dit artikel wordt verstaan onder: a. iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau); b. iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytus multistriatus (Marsh) en Scolytus pygmaeus. Indien op een terrein één of meer iepen staan die naar het oordeel van het bevoegd gezag gevaar opleveren voor verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van iepenspintkevers, is de rechthebbende, als die daartoe door het bevoegd gezag is aangeschreven, verplicht om binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn: a. de iepen te vellen als die nog in de grond staan en b. de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen, of c. de niet-ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen. Het is verboden om gevelde iepen of delen daarvan, met uitzondering van geheel ontschorst iepenhout en iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 cm, voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van dit verbod.
11
Paragraaf 2.3 Bossen en natuurgebieden
Artikel 2.3.1 1.
2. 3.
Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: a. te roken gedurende een door het college aangewezen periode; b. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen ofte laten liggen. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. Het verbod is niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.
Artikel 2.3.2 1.
2.
3.
4.
Rookverbod in bos en natuur
Beperking verkeer in natuurgebieden
Het is verboden om met een voertuig of paard buiten de paden of wegen te komen in voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen. Het verbod is niet van toepassing: a. op door het college aangewezen terreinen; b. voor voertuigen en paarden: i. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten; ii. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; iii. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; iv. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; c. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder b, onder iv bedoelde personen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen van overlast; b. de bescherming van natuur- of milieuwaarden; c. de veiligheid van het publiek. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod.
12
HOOFDSTUK 3
Wegen en water
Paragraaf 3.1 Gebruik openbare wegen
Artikel 3.1.1 (Omgevings)vergunning voor het veranderen of aanleggen van een weg of uitweg 1.
2.
3. 4. 5.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning: a. een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg; b. een uitweg te maken naar de weg; c. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg; d. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als dat niet strijdig is met het belang van: a. de bruikbaarheid van de weg; b. het veilig en doelmatig gebruik van de weg; c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; d. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente. Het verbod geldt alleen voor uitwegen die buiten de bebouwde kom liggen en voor uitwegen op bedrijventerreinen. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. Het verbod is ook niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.
Artikel 3.1.2 1.
2.
De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.
Artikel 3.1.3 1.
2.
Voorzieningen voor verkeer en verlichting
Voertuigen op een openbare plaats
Het is verboden om een voertuig zo op een openbare plaats te plaatsen dat het gevaar, schade of hinder oplevert of de openbare ruimte anders gebruikt dan overeenkomstig de openbare functie ervan. Onder dit verbod vallen in ieder geval: a. een fiets, bromfiets of soortgelijk voertuig tegen een raam, gevel of in de ingang plaatsen als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker ervan of als daardoor de ingang versperd wordt; b. op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode; c. een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren; 13
d.
een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert, op de weg te parkeren, tenzij hierin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving, of e. op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan. 3. Het college kan nadere regels stellen.
Artikel 3.1.4 1.
2.
3.
4.
Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt één van deze voertuigen; b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden, en b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het eerste lid bedoelde persoon. Onder verhuren wordt in dit artikel mede verstaan: a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; of b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen het verbod.
Artikel 3.1.5 1.
2. 3.
2.
Kampeermiddelen en andere voertuigen
Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a. langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef onder a. Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.
Artikel 3.1.6 1.
Voertuigen van autobedrijf en dergelijke
Reclamevoertuigen
Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod.
14
Artikel 3.1.7 1.
2.
3.
4. 5.
Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden. Het tweede lid is voorts niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van de verboden.
Artikel 3.1.8 1.
2.
Grote voertuigen
Uitzicht belemmerende voertuigen
Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.
Artikel 3.1.9 Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan 1. 2.
Het is verboden een voertuig te parkeren of te laten stilstaan op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte. Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam.
Artikel 3.1.10 1.
2.
3.
Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen
Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan. Dit verbod is niet van toepassing op: a. de weg; b. voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam; c. voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod.
15
Paragraaf 3.2 Gebruik water(wegen)
Artikel 3.2.1 1.
2.
Het is verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.
Artikel 3.2.2 1.
2.
3.
4.
5.
Steigers en andere voorzieningen op, in of boven openbaar water
Ligplaats vaartuigen
Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet milieubeheer of het Binnenvaartpolitiereglement. Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.
De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.
Artikel 3.2.3
Reddingsmiddelen
Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.
16
Paragraaf 3.3 Afvoer van hemel-en grondwater
Artikel 3.3.1
Begrippen
In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. grondwater: water dat vrij onder het aardoppervlak voorkomt, met de daarin aanwezige stoffen; b. hemelwater: afstromend regen-, sneeuw- of smeltwater; c. vuilwater: huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan met bedrijfsafvalwater, exclusief hemel- en/of grondwater;
Artikel 3.3.2 1. 2.
3. 4.
5.
6. 7.
Lozingsverbod hemel- en grondwater
Het college kan een gebied aanwijzen waarbinnen het verboden is om hemelwater en grondwater te lozen in het openbare vuilwaterriool. Het verbod geldt niet voor de afvoer van: a. hemelwater en grondwater dat vrijkomt bij een activiteit waarvoor regels over de hemel- en grondwaterafvoer gelden vanuit het Besluit activiteiten leefomgeving; b. hemelwater en grondwater dat vrijkomt bij een activiteit waarvoor in een omgevingsvergunning voorwaarden zijn gesteld aan de hemel- en grondwaterafvoer, of c. hemelwater van de openbare weg. Bij het vaststellen van een gebiedsaanwijzing houdt de beheerder van het openbare riool rekening met de inhoud van het gemeentelijke watertakenplan. In het aanwijzingsbesluit bepaalt het college de datum waarop het besluit in werking treedt en de datum vanaf wanneer bestaande lozingssituaties onder de werking van het verbod vallen. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod als er geen andere mogelijkheid is om het hemelwater of grondwater van dat bouwwerk, erf of terrein af te voeren. Aan de ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Op de voorbereiding van de gebiedsaanwijzing is afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
17
HOOFDSTUK 4
Gebruik openbare ruimte
Paragraaf 4.1 Voorwerpen in openbare ruimte plaatsen
Artikel 4.1.1 1.
2.
3. 4.
5. 6.
Voorwerpen alleen overeenkomstig publieke functie
Het is verboden om een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie ervan als dit afwijkende gebruik: a. de plaats beschadigt; b. gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; c. een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de plaats; d. niet voldoet aan redelijke eisen voor bescherming van de beeldkwaliteit van de leefomgeving, of e. een belemmering vormt voor het openbare karakter of de publieke functie van de plaats. Het college kan nadere regels stellen over het plaatsen van een terras, een uitstalling, een kunstuiting, een gedenkteken, een bermmonument of een verfraaiingselement Het bevoegd bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod. Het verbod is niet van toepassing op: a. een evenement; b. een standplaats op de weekmarkt, zoals bedoeld in Paragraaf 5.1; c. een standplaats buiten de weekmarkt, zoals bedoeld in Paragraaf 5.2, en d. een terras, een uitstalling, een kunstuiting, een gedenkteken, een bermmonument of een verfraaiingselement welke voldoet aan de nadere regels als bedoeld in het tweede lid. Dit artikel is niet van toepassing als de fysieke leefomgeving door het gebruik wijzigt als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van het Omgevingsbesluit.