CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

D25 01 Bijlage 1 bij Memo - Onderzoeksrapport datalab Noordoostpolder.pdf

Gemeenteraad 29 januari 2024, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 4: Lijst ingekomen stukken9.647 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Onderzoeksrapport datalab Huiselijk Geweld en Kindermishandeling NOP

Onderzoeksrapport datalab Huiselijk Geweld en Kindermishandeling NOP

Status: DEFINITIEF Datum: oktober 2023

Colofon Onder regie van Gemeente Almere/BVLS/Onderzoek & Statistiek Opdrachtgever Gemeente Noordoostpolder Projectnummer P2023-001 Oktober 2023 Contactgegevens Gemeente Almere Postbus 200 1300 AE Almere Tel: 14 036 Mail: onderzoek&statistiek@almere.nl Website: https://oens.almere.nl/

Dit rapport is tot stand gekomen in samenwerking met:

Robin Veltman

Anneke Spin

Anneriek Kuiken

Miranda Olijve

Marije Goud

Bobby Spraakman

Deanne Komans

Cor Scheurwater

Audrey Eijsberg

2

Inhoudsopgave Voorwoord ......................................................................................................................................................4 Samenvatting .................................................................................................................................................5 1. Inleiding......................................................................................................................................................7 Aanpak volgens datalab-methode............................................................................................................7 Scope van het voorliggende rapport.........................................................................................................8 2. Onderzoeksvragen opgesteld bij stap 1 van het datalab .........................................................................9 2.1. Meldingen en doelgroepen ................................................................................................................9 2.2 Hulpverlening aansluiten bij de doelgroep ........................................................................................9 2.3 Handelingsverlegenheid en handelingsonbekendheid ...................................................................10 3.

Beantwoording van de onderzoeksvragen .............................................................................................11 3.1. Onderzoeksvragen meldingen en doelgroep ..................................................................................11 3.2. Onderzoeksvragen hulpverlening aansluiten bij de doelgroep .....................................................17 3.3 Onderzoeksvragen handelingsverlegenheid en handelingsonbekendheid ...................................22 3.4. Hoe verder?.......................................................................................................................................23 4. Oplossingsrichtingen vanuit de deelnemende organisaties .................................................................24 Bronnen........................................................................................................................................................26 Bijlage 1 Vragen over / rondom het lokale proces ....................................................................................27

3

Voorwoord In dit rapport worden de bevindingen gepresenteerd van het datalab voor de aanpak van kindermishandeling en huiselijk geweld in de regio Noordoostpolder. De inhoud van dit rapport vormt het resultaat van een gedegen analyse van de onderzoeksvragen die in nauwe samenwerking met de betrokken organisaties zijn opgesteld. De inhoud van het rapport is als volgt gestructureerd: • • •

•

•

Samenvatting: De samenvatting geeft een overzicht van het onderzoek, inclusief het advies dat is voortgekomen uit de datalabmethode. Inleiding: In deze sectie wordt de context en het belang van de oprichting van het datalab geïntroduceerd, waarin de noodzaak wordt benadrukt om de oorzaken en achtergronden van huiselijk geweld en kindermishandeling te doorgronden. Onderzoeksvragen en aanpak: Deze sectie biedt een diepgaande kijk op de methodologie die is toegepast om tot de bevindingen te komen. Hierbij worden de genomen stappen beschreven, variërend van het uitnodigen en samenbrengen van relevante partners tot het analyseren van beschikbare gegevens die door deze partners zijn aangeleverd. Ook wordt het cruciale punt van het onderzoek belicht dat leidde tot een directe aanpassing van de aanpak om adequaat om te gaan met de beperkingen van de beschikbare data. Tot slot worden de onderzoeksvragen tezamen met de doelstellingen geformuleerd. Beantwoording onderzoeksvragen: Hier worden de kernvragen van het onderzoek gepresenteerd. Deze vragen zijn opgedeeld in drie verschillende gebieden: meldingen en doelgroepen, aansluiting hulpverlening bij de doelgroep en handelingsverlegenheid en -onbekendheid. Deze thema’s vormen de leidraad voor de analyse en bieden inzicht in diverse aspecten van het vraagstuk omtrent kindermishandeling en huiselijk geweld.

Oplossingsrichtingen vanuit de deelnemende organisaties: In deze sectie worden de adviezen die door de deelnemende organisaties zijn aangedragen, omgezet in oplossingen voor de aanpak van de geformuleerde kwestie.

Dit rapport is het resultaat van intensieve samenwerking, toewijding en expertise van diverse professionals en organisaties binnen het datalab NOP. Er wordt beoogd om met de opgedane inzichten uit het datalab bij te dragen aan het begrip van de complexiteit van huiselijk geweld en kindermishandeling in de regio en aan het vormgeven van effectieve interventies en beleidsmaatregelen om dit probleem aan te pakken.

4

Samenvatting Het datalab huiselijk geweld en kindermishandeling is in de regio Noordoostpolder opgezet met als doel om het aantal meldingen terug te dringen en de geweldsproblematiek aan te pakken. Om de doelstelling te behalen, zijn diverse organisaties in het datalab een samenwerking aangegaan, waarbij werd beoogd om een integrale aanpak te verwezenlijken. De datalab methode bestaat uit een vijftal stappen, waarbij in stap1) de deelnemers bij elkaar worden gebracht om gezamenlijk de kern van het vraagstuk en de onderzoeksvragen op te stellen, 2) aan de hand van de data een gemeenschappelijk beeld over het vraagstuk wordt opgezet, 3) de data van de verschillende organisaties worden gedeeld en gekoppeld, 4) verdiepende analyses worden uitgevoerd en 5) oplossingen vanuit de rol en positie van de deelnemers worden bepaald. Bij het opstellen van de vraagstukken is naar voren gekomen dat de meeste onderzoeksvragen van kwalitatieve aard zijn. Hierdoor is in stap 3 overgestapt naar een kwalitatieve onderzoeksmethode. Op basis van de uitkomsten zijn de deelnemers overgegaan naar het bepalen van oplossingsrichtingen (stap 5). De oplossingen zijn voortgekomen uit drie thematische onderzoeksvraagstukken, namelijk meldingen en doelgroep, aansluiting hulpverlening bij de doelgroep en handelingsverlegenheid en handelingsonbekendheid.

Deze oplossingen hebben tot de volgende conclusies geleid: 1.

Het structureel inzetten van een interventie- en signaaloverleg

Een effectieve aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling vraagt om samenwerking tussen professionals waardoor kennis beter gebundeld kan worden en professionals vanuit de eigen professionaliteit kunnen handelen naar wat in een specifieke situatie nodig is. Door het inzetten van een interventieoverleg wordt de casuïstiek omtrent huiselijk geweld en kindermishandeling met meerdere organisaties tegelijk besproken, waarbij de uitwisseling van kennis-en praktijkervaringen wordt bevorderd. Dit resulteert in het op maat toepassen van hulpverlening in de praktijk. De inwoner geeft voorafgaand toestemming om de casus in het overleg te kunnen bespreken. Wanneer toestemmingsverlening echter niet mogelijk is vanwege de start van de opbouw van de casus en men informatie en/of expertise wil inwinnen over de aanpak bij andere organisaties, wordt de casus geanonimiseerd. Om de integrale samenwerking tussen diverse partijen en informatie-uitwisseling verder te stimuleren, zal er eenmaal per maand een signaaloverleg plaatsvinden. Het signaaloverleg biedt de verschillende organisaties de mogelijkheid om trends en signalen vanuit de praktijk te delen. Op basis van het onderwerp dat besproken gaat worden, sluit een beleidsadviseur van een betreffende organisatie aan.

Doordat de gemeente eindverantwoordelijk is, zal een gemeentelijk beleidsadviseur structureel aanwezig zijn bij het signaaloverleg. Zo kan de gemeente tijdig ontwikkelingen volgen die van belang zijn voor het te voeren beleid. 2.

Melden en meldcodetour

Het signaleren van kindermishandeling en huiselijk geweld is complex en vraagt om continue training en kennisbevordering van professionals. Doordat voor verschillende doelgroepen verschillende risicofactoren en symptomen gelden, is het van belang dat de meldcodetour hierop wordt ingesteld. Men dient middels de meldcodetour per beroepsdoelgroep stil te staan bij het type signalen dat gepaard gaat met de verschillende vormen van geweld. Een organisatie die bijvoorbeeld thuiszorg levert aan ouderen, vraagt om kennis in het herkennen en signaleren van ouderenmishandeling. De meldcodetour dient daarom passend te zijn bij de functie en positie van professionals. Naast dat het signaleren van mishandeling en geweld complex is, hebben professionals ook te maken met handelingsverlegenheid in het herkennen en bespreekbaar maken van de problematiek. Doordat het een belastend onderwerp is en er een stigma op het maken van een melding heerst, is het van belang dat professionals de mogelijkheid aangeboden krijgen om middels een laagdrempelige manier hun zorgen te uiten, zonder direct een officiële melding te hoeven maken. Hierbij kan gedacht worden aan het instellen van een lokaal nummer om de zorgen bespreekbaar te maken en de mogelijkheid aangereikt te krijgen om bij het interventieoverleg aan te schuiven. Het is daarbij verder

5

relevant dat er een goede verwijsindex aanwezig is, zodat de sociale kaart volledig in beeld is en de beschikbare ondersteuning duidelijk is vastgelegd. 3.

Monitoren van gezinnen met zorgmeldingen

Om herhalingen van kindermishandeling en huiselijk geweld te voorkomen, is het uitgangspunt om gezinnen na afsluiting van een zorgmelding voor anderhalf jaar een follow-up via JGZ te bieden. De follow-up zal worden gedaan door een professional van JGZ die bij het gezin betrokken is. Doordat geweld zich in een complexe dynamiek afspeelt, zal er tussen de afsluiting van de zorgmelding en het toewerken naar de follow-up sprake zijn van het gelijkmatig afschalen van ondersteuning. Deze monitoring van gezinnen heeft met name betrekking op veiligheidszaken. Voor volwassenen zal er ook sprake zijn van dezelfde soort monitoring, waarbij de follow-up door een maatschappelijk werker zal worden gedaan. 4.

De scan voor huiselijk geweld en kindermishandeling

Om in kaart te brengen of er sprake is van huiselijk geweld en kindermishandeling, zal iedere organisatie die op huisbezoek gaat een screening afnemen. Middels deze scan kunnen professionals nagaan in hoeverre bepaalde risicofactoren en symptomen, die gepaard gaan met huiselijk geweld en kindermishandeling, aanwezig zijn bij kinderen en/of ouders. De scan biedt professionals houvast in het herkennen van signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling. Het stelt professionals daarmee in staat om de veiligheid in de thuissituatie te beoordelen. 5.

Opstellen van de routekaart

Geweld in gezinnen speelt zich af in een complexe dynamiek, waarbij verschillende factoren ten grondslag liggen aan de uiting van dit fenomeen. Door een routekaart op te stellen, krijgen professionals een hulpmiddel aangereikt om geweld en kindermishandeling te herkennen. Een soortgelijk voorbeeld is het beslisinstrument van ZorgOog GGD-Nederland waar professionals middels een stappenplan kunnen nagaan op welke wijze er gesignaleerd en gehandeld dient te worden. Aansluitend hierop kunnen de gezinsprofielen die door het Verwey Jonker (2020) zijn opgesteld om huiselijk geweld en kindermishandeling te herkennen, worden opgenomen in de routekaart. Deze kaart is tevens bedoeld als een sociale kaart, waarop organisaties die ondersteuning bieden aan inwoners die kampen met huiselijk geweld en kindermishandeling, inzichtelijk worden weergegeven. De combinatie van het bieden van informatie over de verschillende soorten huiselijk geweld en de weergave van welke ondersteuning kan worden aangeboden, is het uitgangspunt van de routekaart. De kaart dient tijdens de meldcodetour behandeld te worden, zodat professionals er bekend mee zijn en ermee leren werken. Door bovenstaande ontwikkelrichtingen in de praktijk in te zetten, is de regio Noordoostpolder een stap dichterbij in het aanpakken van huiselijk geweld en kindermishandeling.

6

1. Inleiding In de provincie Flevoland is een aanzienlijk aantal meldingen van huiselijk geweld en kindermishandeling bij Veilig Thuis geregistreerd. Ook in de gemeente Noordoostpolder is er sprake van dit zorgelijke fenomeen, waarbij het aantal meldingen in 2021 ten opzichte van het voorgaande jaar fors is toegenomen. Daarom is in opdracht van wethouder Sacha Werkman een onderzoek opgezet met als doel om inzicht te verkrijgen in de oorzaken en achtergronden van huiselijk geweld en kindermishandeling. Voor dit onderzoek is er gebruikgemaakt van de datalab methode. De inspiratie voor het opstellen van het datalab vloeit voort uit het succes van de ‘Geweld Hoort Nergens Thuis’ werkgroep in de gemeente Almere en de bewezen datalab methode uit de gemeente Zaanstad. Diverse organisaties, waaronder de gemeente Noordoostpolder, Stop Huiselijk Geweld.nu, GGD Flevoland, Politie, Veilig Thuis Flevoland en het Aandacht+-samenwerkingsverband onderwijs, hebben deelgenomen aan dit datalab.

De algehele doelstelling van het datalab is om vraag en aanbod aan elkaar te kunnen matchen, waarbij wordt beoogd om inzicht te verschaffen in de volgende vraagstukken: is er genoeg lokale ondersteuning (bezetting), kunnen gemeente en organisaties voldoende en preventief acteren (ook in het hulpverleningstraject) om de juiste ondersteuning te bieden? Om deze doelstelling te behalen, worden drie onderwerpen onderscheiden, welke in onderstaand deel worden uitgewerkt.

Aanpak volgens datalab-methode Om het complexe maatschappelijke vraagstuk omtrent kindermishandeling en huiselijk geweld aan te pakken, is de datalab methode toegepast die gebaseerd is op een samenwerkingsverband tussen de verschillende ketenpartners. De aanpak omvat de volgende vijf stappen: 1. Opzet onderzoek: • •

Het uitnodigen en samenbrengen van relevante partners Prioritering van het vraagstuk en het concretiseren van onderzoeksvragen (werksessies, zoals hierboven geformuleerd)

2. Gemeenschappelijk beeld opzetten: • • •

De uitkomsten van de sessies verwerken en terugkoppelen naar deelnemers Het beantwoorden van vragen met behulp van bestaand onderzoek en CBS-gegevens Het presenteren van het opgestelde beeld en dit bespreken met deelnemers

3. Veilig data delen • •

Beoordelen of het mogelijk en noodzakelijk is om data van verschillende organisaties samen te voegen Creëren van dataschema en pseudonimisering van data

4. Verdiepende analyse • •

Het uitvoeren van analyses om onderzoeksvragen te beantwoorden Beoordelen en bespreken van analyse-uitkomsten met deelnemers

5. Oplossingsrichtingen vanuit eigen rol en positie • •

Het bespreken van het beeld en inzichten met partners Formuleren van oplossingsrichtingen en vaststellen van haalbaarheid en realisatie.

Aan de hand van de werksessies is geconcludeerd dat de beschikbare data niet voldoende zijn voor een grondige analyse (stap 4). Dit gebrek aan adequaat en voldoende gegevens beperkt ook de mogelijkheid om datadeling te realiseren, waardoor de keuze is gemaakt om de overstap te maken naar kwalitatief onderzoek. Daarom is gekozen om in het datalab van stap 3 over te gaan naar stap 5 in het onderzoek.

7

Scope van het voorliggende rapport In het voorliggende rapport wordt ingezoomd op stap 2 van de datalabmethode: het opzetten van een gemeenschappelijke beeld, waarbij de onderzoeksvragen van de organisaties worden beantwoord. De onderzoeksvragen zijn in een aantal werksessies gezamenlijk met verschillende ketenpartners geformuleerd. In deze sessies werden de volgende vragen als leidraad gehanteerd: 1. 2. 3.

Kern van het vraagstuk: wat is er aan de hand? a. Is het beeld compleet, of missen er nog delen in de kern van het vraagstuk? Doel: wat willen jullie bereiken? a. Het formuleren van doelstellingen waar de onderzoeksvragen aan gekoppeld worden. Data: wat willen we weten? a. Welke vragen moeten beantwoord worden om de doelen te bereiken?

Na het opzetten van een gemeenschappelijk beeld en bij het formuleren van de onderzoeksvragen, zijn deze vragen onderverdeeld in verschillende kernthema’s, namelijk: 1. Meldingen en doelgroepen 2. Aansluiting hulpverlening bij de doelgroep 3. Handelingsverlegenheid en handelingsonbekendheid Deze vragen hebben betrekking op het begrijpen van de meldingen, het aansluiten van hulpverlening bij diverse doelgroepen en het aanpakken van handelingsverlegenheid en-onbekendheid binnen organisaties. Tijdens de inventarisatiesessie van het datalab zijn ook vragen geformuleerd die betrekking hadden op de loop van het lokale proces en de onderlinge samenwerking. Deze procesvragen kunnen over het algemeen niet beantwoord worden met bestaande data en vragen een apart onderzoekstraject. In overleg met de deelnemers van het datalab zijn deze vragen daarom verder niet beantwoord. Voor de volledigheid zijn de betreffende vragen opgenomen in bijlage 1 van deze rapportage.

8

2. Onderzoeksvragen opgesteld bij stap 1 van het datalab Hieronder wordt een overzicht gegeven van de onderzoeksvragen inclusief bijbehorende doelstellingen en de kern van het vraagstuk.

2.1. Meldingen en doelgroepen Kern van het vraagstuk: Het begrijpen van het hoge aantal meldingen en de specifieke doelgroepen die ermee samenhangen. Er is in 2021 sprake van een toename van het aantal meldingen en veel casussen komen voor in bepaalde doelgroepen, namelijk: • • • • • • • • • • • •

Arbeidsmigranten Statushouders Mensen uit AZC Inwoners uit Nagele Mensen met een licht verstandelijke beperking Gezinnen waar sprake is van een psychiatrische aandoening (ouder en/of kind) Minimahuishoudens (ook in jeugdhulp) Middelengebruik (verslaving) Streng christelijke gemeenschap Slachtoffers van mensenhandel Ouderen Casussen waarbij sprake is van een complexe relatiebreuk

Doelstellingen: • •

Trends en ontwikkelingen in het aantal meldingen op doelgroep vanaf 2018 in beeld brengen Het lokale beeld van de meldingen in kaart brengen om interventies hierop af te stemmen

Onderzoeksvragen: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Hoeveel (her)meldingen zijn in de afgelopen vijf jaar gedaan? Hoe ziet het aantal (her)meldingen eruit verdeeld over de wijken en dorpen van NOP? Hoe ziet het aantal (her)meldingen eruit gesplitst op doelgroep? Hoeveel casussen zijn er in de afgelopen vijf jaar gestart? Hoeveel meldingen zijn er gedaan door professionals in de laatste vijf jaar? Hoe ziet de aard van de melding in de afgelopen vijf jaar eruit op zwaarte en vorm van geweld? Hoeveel onzichtbaar huiselijk geweld vindt er plaats? a. Hoe kan je hier zicht / grip op krijgen?

2.2 Hulpverlening aansluiten bij de doelgroep Kern van het vraagstuk: Aansluiten van beleid en uitvoering van hulpverlening op de specifieke behoeften van diverse doelgroepen, zoals cultuurverschillen en forensische psychiatrie. Doelstelling: •

Beleid en uitvoer (preventief en curatief) beter laten aansluiten bij de doelgroep huiselijk geweld en kindermishandeling.

Onderzoeksvragen: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Wat zijn de risicofactoren van HG/KM en hoe verhouden deze zich tot NOP, Flevoland en landelijk? Hoe kan je preventief inspelen op huiselijk geweld en kindermishandeling? Zijn er verschillen in preventieve hulpverlening per doelgroep? Hoe verloopt de begeleiding van statushouder vanuit AZC naar inwoner van NOP? Wat houdt mensenhandel in? Hoe kunnen we mensenhandel herkennen? a. En specifiek seksuele uitbuiting? Zijn er gezinnen die opvallen bij JGZ?

9

8. 9.

Zijn dat gezinnen waar later vaker sprake is van huiselijk geweld? Kan je hier preventief op in spelen?

2.3 Handelingsverlegenheid en handelingsonbekendheid Kern van het vraagstuk: Steeds minder scholen hebben voorzieningen om huiselijk geweld te herkennen en hebben last van handelingsverlegenheid. Daarnaast lijkt niet iedereen bekend met de meldcode. Als de meldcode bekend is dan zet onderwijs de meldcodes niet snel in om (juridische) conflicten met de ouders te vermijden. Dit leidt op zijn beurt tot handelingsverlegenheid. Ook bij de kinderopvang heerst ditzelfde beeld. Verder lijkt ouderenmishandeling veel voor te komen, maar wordt dit weinig gemeld. Doelstelling: •

De meldcode moet breder bekend zijn, ook bij onderwijsinstellingen en kinderopvang. Alle professionals die horen te werken met de meldcode zijn er bekend mee en werken ermee.

Onderzoeksvragen: 1. 2. 3. 4. 5.

Zijn alle professionals bekend met de meldcode (volg hierin de lijst)? Is er een vervolg op de meldcode/meldcodetour nodig? Wat is er nog meer nodig naast de meldcodetour om de meldcode toe te passen, opvang, onderwijs, ouder begeleiding, de kracht zit in de herhaling? Is er door de hoge sociale cohesie meer sprake van symptoombestrijding bij armoede (bijvoorbeeld leerkrachten die een extra boterham meenemen)? Zijn er organisaties die geen aandachtsfunctionaris toegewezen hebben?

10

3. Beantwoording van de onderzoeksvragen In deze sectie wordt er per kernthema ingegaan op de onderzoeksvragen. De vragen zijn beantwoord aan de hand van de beschikbare data. Door de beperkte data zijn enkele vragen vooralsnog onbeantwoord gebleven.

3.1. Onderzoeksvragen meldingen en doelgroep Per 1 januari 2019 is de meldcode huiselijk geweld aangepast. Melden bij Veilig Thuis is bij vermoedens van acute en structurele onveiligheid nu de professionele norm. Door deze verandering is een vergelijking met eerder jaren niet mogelijk. Voor het bepalen van de aantallen (her)meldingen kan een beroep worden gedaan op de cijfers die de Veilig Thuis-organisaties bijhouden. Deze cijfers worden doorgegeven aan het CBS, die deze bewerkt en op gemeenteniveau publiceert op hun online dataplatform Statline.

1. Hoeveel (her)meldingen zijn in de afgelopen vijf jaar gedaan? Tussen 1 januari 2019 en 30 juni 2023 heeft Veilig Thuis Flevoland in totaal 2068 meldingen ontvangen. Per kwartaal varieert het aantal meldingen van 92 tot 145, met een gemiddelde van 115 meldingen per kwartaal. In de tijd is er geen duidelijk patroon of trend te herkennen. Wel valt op dat in 2021 de hoogste piek van het aantal meldingen is geregistreerd. Na deze piek, die mede ten grondslag lag aan de opdracht van dit onderzoek, is het aantal meldingen weer duidelijk afgenomen. Zo liggen in 2022 de kwartaaltotalen allemaal onder het gemiddelde. Zie figuur 1. Figuur 1: Aantal meldingen huiselijk geweld Noordoostpolder vanaf 2019 200 180 160 140 117

100

127 115

110

80

145

137

129

118

117

109

101

92

98

103

103

Kwartaal 3

142

Kwartaal 2

120

113

92

60 40 20

2019

2020

2021

2022

Kwartaal 2

Kwartaal 1

Kwartaal 4

Kwartaal 1

Kwartaal 4

Kwartaal 3

Kwartaal 2

Kwartaal 1

Kwartaal 4

Kwartaal 3

Kwartaal 2

Kwartaal 1

Kwartaal 4

Kwartaal 3

Kwartaal 2

Kwartaal 1

0

2023

Bron: dashboard VTF

De variatie in het totale aantal meldingen zien we oom terug als de cijfers worden omgerekend naar het aantal meldingen per 100.000 inwoners. Deze omrekening maakt het mogelijk om Noordoostpolder met andere regio’s te vergelijken. Het relatieve aantal meldingen is in Noordoostpolder de afgelopen jaren altijd hoger dan in heel Nederland. Tegelijkertijd is het altijd lager dan voor de hele Veilig Thuis Flevoland. Zie figuur 2.

11

Figuur 2: Aantal meldingen huiselijk geweld per 100.000 inwoners in Noordoostpolder, Veilig Thuis Flevoland en Nederland 2019-2022 1000 900 800 700 600

679

666

652

651

642

555 491

500

433

560

371

361

623

586

591

546

418

406

335

341

358

483

400 300

386

377

348

200 100 0 1e halfjaar 2e halfjaar 1e halfjaar 2e halfjaar 1e halfjaar 2e halfjaar 1e halfjaar 2e halfjaar 2019 2019 2020 2020 2021 2021 2022 2022 Noordoostpolder

Flevoland (VT)

Nederland

Bron: CBS Statline

In 2022 bestond ongeveer één derde van de meldingen bestond uit eerste meldingen waarbij geen van de directbetrokkenen al bekend was bij Veilig Thuis in de voorgaande drie jaar. Ongeveer één derde betrof hermeldingen, dat wil zeggen meldingen waarbij één of meer van de directbetrokkenen al bekend waren bij Veilig Thuis in de voorgaande drie jaar. Verder was ongeveer één derde van de meldingen een vervolgmelding. Dit zijn meldingen die aan Veilig Thuis gedaan worden, terwijl Veilig Thuis al betrokken is in het betreffende gezin/huishouden. Zie figuur 3 en figuur 4. Figuur 3: Het percentage aan (her)meldingen in Noordoostpolder in 2022 45 40 35 30

38,5%

37,3% 30,3%

32,3%

30,3%

31,3%

25

1e melding (%)

20

hermelding (%)

15

vervolgmelding (%)

10 5 0 Noordoostpolder

Noordoostpolder

1e halfjaar 2022

2e halfjaar 2022

Bron: CBS Statline.

12

Figuur 4: Het aantal (her)meldingen in Noordoostpolder, jaar 2022 80 70 60

75

75 65

60

60

60

50 40

1e melding

30

hermelding vervolgmelding

20 10 0 Noordoostpolder

Noordoostpolder

1e halfjaar 2022

2e halfjaar 2022

Bron: CBS Statline.

2. Hoe ziet het aantal (her)meldingen eruit verdeeld over de wijken en dorpen van NOP? Getalsmatig gezien komen de meeste melding uit de postcodegebieden met de meeste inwoners. Zo kwamen in 2022 de meeste meldingen uit de postcodegebieden 8302 (Emmeloord-Centrum) en 8303 (Emmeloord-Espelervaart en Emmeloord-Revelsant). Relatief gezien kwamen in dit jaar de meeste meldingen per 100.000 inwoners uit Nagele en Luttelgeest en uit postcodegebied 8303 (Emmeloord-Espelervaart en Emmeloord-Revelsant). Zie figuur 5 voor het aantal meldingen naar verdeling in dorpen en wijken. Figuur 5: Aantal meldingen totaal en per 100.000 inwoners over dorpen en wijken, jaar 2022

Uitleg:964=aantal meldingen per 100.000 inwoners, (16)=totaal aantal meldingen

Bron: VTF Dashboard

13

3. Hoe ziet het aantal (her)meldingen eruit gesplitst op doelgroep? Op basis van de ontvangen en beschikbare data kan deze vraag (nog) niet beantwoord worden.

4. Hoeveel casussen zijn er in de afgelopen vijf jaar gestart? In de periode 2019 t/m 2022 zijn in Noordoostpolder in totaal 1770 casussen gestart. Getalsmatig komen de meeste meldingen uit de postcodegebieden met veel inwoners, namelijk 8302 (EmmeloordCentrum) en 8303 (Emmeloord-Espelervaart en Emmeloord-Revelsant). Relatief gezien zien we hetzelfde beeld als bij de meldingen: Nagele, Luttelgeest en postcodegebied 8303 (EmmeloordEspelervaart en Emmeloord-Revelsant) hebben de meeste gestarte casussen per 100.000 inwoners. In figuur 4 wordt het aantal gestarte casussen per postcodegebied over de jaren 2019 t/m 2022 weergegeven. Figuur 6: Aantal gestarte casussen per postcodegebied, jaar 2019 t/m 2022

8301 - Emmeloord (centrum Tussen Gracht en Vaart)

90

8302 - Emmeloord (centrum, de Erven, Emmelhage, Waterland)

359

8303 - Emmeloord (Espelervaart, Revelsant)

478

8304 - Emmeloord (Nagelerweg, de Zuidert)

131

8305 - Emmeloord (de Munt)

5

8307 - Ens

61

8308 - Nagele

98

8309 - Tollebeek

59

8311 - Espel

33

8312 - Creil

75

8313 - Rutten

68

8314 - Bant

46

8315 - Luttelgeest

108

8316 - Marknesse

121

8317 - Kraggenburg

38

0

100

200

300

400

500

600

Bron: VTF Dashboard

5. Hoeveel meldingen zijn er gedaan door professionals in de laatste vijf jaar? Volgens het CBS zijn gemiddeld negen van de tien meldingen beroepsmatig (zie figuur 7). Het overgrote deel van de meldingen is gedaan door de politie (60%), gevolgd door Gezondheidszorg (11%) en Onderwijs (8%). In periode 2019 t/m 2022 zijn door VTF in totaal 46 meldingen van burgers geregistreerd.

14

Figuur 7: Ontvangen meldingen Noordoostpolder naar rol/functie melder, jaar 2019 t/m 2022

Totaal

1650

190

2022*

345

50

2021

425

65

2020

425

2019

45

455

0%

10%

20%

30%

40%

30

50%

Beroepsmatig

60%

70%

80%

90%

100%

Niet beroepsmatig

Bron: CBS Statline

Justitie en Veiligheid

Figuur 8: Aantal meldingen per organisatie per organisatie onderdeel, 2018 t/m 1e kwartaal 2023 Totaal

1052

Politie

1015

Centraal Orgaan opvang Asielzoekers

28

Reclassering

4

Anders

2

Halt

2

Onbekend

1

Gezondheidszorg

Totaal

192

Ambulancedienst

86

Ziekenhuis

64

Huisartsenpraktijk

21

Jeugdgezondheidszorg

11

GGD instelling

8

Verzorgings- of verpleeghuis

1

Verloskundige praktijk

1

Geestelijke gezondheidsz Jeugdhulp/org zorg

Onderwijs

Totaal

146

Voortgezet onderwijs

84

Basisonderwijs

43

Middelbaar beroepsonderwijs (MBO)

8

Speciaal basisonderwijs

7

Speciaal voortgezet onderwijs

4

Totaal

83

Jeugdhulpaanbieder

74

Jeugd- en gezinsteam / Wijkteam

5

Gecertificeerde instelling (GI)

4

Totaal

72

Jeugd GGZ instelling

34

Volwassen GGZ instelling

29

Verslavingszorg instelling

9

0

200

400

600

800

1000

1200

15

Bron: VTF Dashboard

6. Hoe ziet de aard van de melding in de afgelopen vijf jaar eruit op zwaarte en vorm van geweld? De meeste meldingen hebben betrekking op kindermishandeling, gevolgd door meldingen die juist wijzen op andere problematiek dan huiselijk geweld of kindermishandeling. (Ex-) Partnergeweld vormt de derde groep. Samen tellen deze drie groepen op tot 85% van alle meldingen. Zie figuur 9 voor het aantal percentage meldingen naar aard en geweld. Bij kindermishandeling zijn emotionele mishandeling, emotionele verwaarlozing en getuige van geweld de grootste groepen. Bij (ex-)partnergeweld hebben de meeste meldingen betrekking op emotionele mishandeling en fysiek geweld (CBS Statline). Onder andere problematiek vallen conflictscheidingen en meldingen van de politie over overige zorg van minderjarigen of een jeugdig strafbaar feit. De meeste meldingen in deze groep worden niet nader gespecificeerd. Figuur 9: Meldingen naar aard van geweld, 2019 t/m Q1 2023 100%

1%

90%

9%

80%

4%

20%

Geweld tegen ouders (onder de 65 jaar) door hun kinderen (tot 23 jaar)

70% 60% 50%

Ouderenmishandeling (ouder dan 65 jaar)

23%

Huiselijk geweld overig (Ex-) Partnergeweld

40% Andere problematiek dan huiselijk geweld of kindermishandeling

30% 20%

43%

Kindermishandeling

10% 0%

Bron: VTF Dashboard

7. Hoeveel onzichtbaar huiselijk geweld vindt er plaats? Hoe kan je hier zicht / grip op krijgen? Deze vragen zijn begrijpelijk en belangrijk, maar tegelijkertijd ook moeilijk te beantwoorden. Het kenmerk van onzichtbare zaken is namelijk dat ze niet zichtbaar zijn. Uit de registratie van Veilig Thuis, die gebaseerd is op feitelijke (en dus zichtbare) meldingen, kan het onzichtbaar huiselijk geweld niet worden afgeleid. Op basis van verschillende prevalentie-onderzoeken kan er echter wel een voorzichtige extrapolatie worden gemaakt van landelijke cijfers naar de lokale situatie in Noordoostpolder. De verschillende onderzoeken geven wel verschillende uitkomsten als het gaat om aantallen of percentages van slachtoffers van huiselijk geweld en kindermishandeling. Dit is een gevolg van verschillen in methodologie, definities van begrippen en leeftijdsgroepen. Dit alles maakt dat een extrapolatie slechts richtinggevend is en zeker niet mag niet worden opgevat als een weergave van de werkelijke situatie in Noordoostpolder. Kindermishandeling In de landelijke prevalentiestudie naar kindermishandeling uit 2017 is geschat dat per 1000 kinderen van 0 t/m 17 jaar er tussen de 20 en 28 slachtoffer zijn geweest van kindermishandeling.

Omgerekend naar het aantal kinderen in deze leeftijdsgroep in Noordoostpolder, zouden er in dat jaar dan 220 tot 300 kinderen slachtoffer zijn geweest van kindermishandeling.

16

Huiselijk geweld en seksueel overschrijdend gedrag Naast dit al wat oudere onderzoek, onder meer gebaseerd op cijfers van Veilig Thuis, is er in 2020 en 2022 een op een enquête gebaseerd onderzoek gedaan naar de het voorkomen van huiselijk geweld en seksueel grensoverschrijdend gedrag. De resultaten van deze onderzoeken zijn gebaseerd in de zogeheten prevalentiemonitor. In de periode maart-april 2022 gaf bijna 9 procent van de personen van 16 jaar en ouder aan in de afgelopen 12 maanden slachtoffer te zijn geweest van een of meerdere vormen van huiselijk geweld. Dit percentage is vergelijkbaar met dat van 2020 (8 procent). Het gaat om omgerekend bijna 1,3 miljoen personen. Bij dit onderzoek omvat huiselijk geweld een of meer vormen van fysiek geweld in huiselijke kring, dwingende controle in huiselijke kring, stalking door ex-partner en seksueel grensoverschrijdend gedrag in huiselijke kring. Hierbij is wel aangetekend dat gevallen van verbale agressie in huiselijk kring hierbij buiten beschouwing zijn gelaten en niet meetellen in de genoemde percentages. Rekening houdend met de foutmarges komt het percentage van 9 % voor Noordoostpolder neer op ongeveer 3200 tot 3500 mogelijke slachtoffers van 16 jaar of ouder. Deze aantallen zijn veel hoger dan je zou verwachten op basis van het aantal meldingen bij Veilig Thuis in de onderzoeksperiode.

3.2. Onderzoeksvragen hulpverlening aansluiten bij de doelgroep In deze sectie wordt ingegaan op de onderzoeksvragen die betrekking hebben op het aansluiten van de hulpverlening bij de doelgroep. Hierbij is gebruik gemaakt van de, door de deelnemende partners ontvangen, (beleids)stukken, onderzoeken en overige literatuur. Bij de beantwoording van een aantal onderzoeksvragen is gebruikt gemaakt van online bronnen. De gebruikte bronnen zijn te raadplegen in de bronnenlijst.

1. Wat zijn de risicofactoren van HG/KM en hoe verhouden deze zich tot NOP, Flevoland en landelijk? Huiselijk geweld en kindermishandeling zijn vaak een gevolg van een combinatie van (uiteenlopende) risicofactoren. Beschermende factoren kunnen bescherming bieden, waardoor kindermishandeling zich ondanks de risico’s niet (of in minder extreme mate) voordoet. Beschermende factoren hebben een positief effect in risicovolle situaties. Vaak wordt de vergelijking met een balans gemaakt. Voldoende aanwezige beschermende factoren (t.o.v. van het aantal risicofactoren) kunnen helpen om kindermishandeling en de negatieve invloeden hiervan te voorkomen. Beschermende factoren zijn er zowel op het niveau van het kind, de ouder en in de omgeving. In veel gevallen waarin sprake is van kindermishandeling zijn veel risicofactoren en relatief weinig beschermende factoren. De positieve invloed van de beschermende factoren is onvoldoende om de negatieve impact van de risicofactoren tegen te gaan. Risicofactoren zijn gedragingen, omstandigheden of kenmerken die de kans dat kindermishandeling zich voordoet vergroten. Ook risicofactoren komen voor bij zowel het kind, de ouder als in de omgeving. Risicofactoren bij het kind: Sommige kinderen zijn moeilijker op te voeden dan andere kinderen.

Het opvoeden van kinderen die extra zorg, aandacht en geduld van ouders vragen geeft de ouders mogelijk meer stress en gevoelens van incompetentie. Dit geldt bijvoorbeeld voor kinderen die nadelige gevolgen ondervinden omdat zij te vroeg geboren zijn of kinderen met een lichamelijke of verstandelijke beperking. Ook kinderen die probleemgedrag vertonen, doen een groot beroep op de opvoedingskwaliteiten en inspanningen van ouders waardoor ouders mogelijk meer stress ervaren. Op jonge leeftijd zijn kinderen bovendien lichamelijk en emotioneel erg afhankelijk van hun opvoeders, en daarmee extra kwetsbaar voor mishandeling en verwaarlozing. Risicofactoren bij de ouder: Ouders willen het vaak wel anders doen, maar weten niet hoe. Het lukt hen om verschillende redenen niet om de situatie te veranderen. Psychische of psychiatrische problemen, gebrekkige opvoedingsvaardigheden en stress van ouders zijn risicofactoren voor kindermishandeling en verwaarlozing. Dat kan ook gelden voor ouders met

17

een LVB. Daarnaast lopen ouders die zelf als kind mishandeld zijn of in hun jeugd andere negatieve ervaringen in het gezin hebben meegemaakt, een groter risico om hun eigen kind te mishandelen. Het kan zijn dat ouders te hoge of juist helemaal geen verwachtingen van hun kind hebben, negatief naar hun kind kijken of er niet in slagen sensitief of empathisch op hun kind te reageren. Risicofactoren in de leefomgeving: Leden van gezinnen waarin kindermishandeling voorkomt, reageren vaak op een negatieve manier op elkaar. Bij lichamelijke kindermishandeling overheerst geweld in de onderlinge contacten. Daarnaast wonen gezinnen waarin mishandeling plaatsvindt relatief vaak in buurten met zwakke sociale verbanden, criminaliteit, drugsproblematiek, armoede en achterstand. De bredere sociaal-culturele context waarin ouders opvoeden kan ook van invloed zijn: als geweld in een samenleving meer getolereerd wordt, komt lichamelijke mishandeling vaker voor dan wanneer dat niet zo is. Ook bijvoorbeeld de gezinssamenstelling kan een risicofactor zijn bij kindermishandeling. Bijvoorbeeld bij eenoudergezinnen, ouders met een LVB, of grote gezinnen met meer dan vier kinderen.

Hoe verhouden deze risicofactoren zich tot Flevoland en NOP? Uit verschillende rapporten van de JGZ en SHG.nu komt naar voren dat binnen NOP met name de risicofactoren (conflict)scheiding, alcohol-/drugsgebruik, minimuminkomen of langdurige werkeloosheid, en ouders met psychische problemen worden genoemd. Deze risicofactoren komen overeen met de risicofactoren die landelijk worden genoemd.

2. Hoe kan je preventief inspelen op huiselijk geweld en kindermishandeling? De aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling is veelal nog curatief van aard en in mindere mate preventief: vaak is het beleid nog sterk gericht op situaties waarin huiselijk geweld al speelt. Preventiebeleid is nog in mindere mate aanwezig. Hoewel in de beleidsstukken wel herhaaldelijk wordt gesproken over het nut en de noodzaak van preventie bij de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling, is nog weinig concreet uitgewerkt hoe de preventie op lokaal niveau vorm krijgt. Dit geldt echter niet alleen voor NOP, maar ook voor veel andere gemeenten in Nederland. In een publicatie van Movisie (2014) worden een aantal tips en voorbeelden genoemd om preventie op te nemen in de gemeentelijke aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling. Kortgezegd speelt preventie bij HG/KM in op drie belangrijke thema’: 1. 2. 3.

Het bevorderen van goede partnerrelaties en opvoeding; Het voorkomen van escalaties bij disbalans tussen draagkracht en draaglast; Het voorkomen van geweldsherhaling in huidige en toekomstige relaties.

Preventiebeleid kan zich richten op verschillende doelgroepen. Zo kan beleid gericht zijn op de algemene bevolking, maar ook op specifieke risicogroepen of cliënten. Iedere doelgroep vraagt om een andere benadering of soort aanpak. Om preventiebeleid goed te laten aansluiten bij de doelgroep wordt onderscheid gemaakt tussen 4 soorten preventie: universele, selectieve, geïndiceerde en zorggerichte preventie. In tabel 1 op pagina 19 wordt per type preventie kort weergegeven voor welke doelgroep deze is bedoeld, met welk doel en op welke manier dit mogelijk is. In de handreiking Regiovisie huiselijk geweld en kindermishandeling van de Regio Aanpak Veilig Thuis wordt ingegaan op welke taken er voor een gemeente zijn ten aanzien van preventiebeleid. Samengevat bestaat dit takenpakket voor gemeenten uit de volgende onderdelen: -

Het verschaffen van informatie (verschillend per type preventie); Het verstrekken van advies: zowel aan inwoners als professionals; Het bevorderen van deskundigheid in het professionele veld; Het voorkomen van incidenten; Specifieke aandacht: tegengaan van seksueel geweld.

18

Tabel 1 Type preventie en doelgroepen Type preventie

Doelgroep

Doelstelling

Mogelijke methoden

Universele preventie

Algemene bevolking

Voorkómen van geweld door veranderingen in kennis, houding en vaardigheden van inwoners.

- Publieksinformatie - Voorlichting - Weerbaarheidstraining - Snel optreden van politie

Selectieve preventie

Risicogroepen

- Individuele voorlichting - Groepsgerichte voorlichting aan risicogroepen - Voorlichting gekoppeld aan reguliere zorg

Geïndiceerde preventie

Inwoners/gezinnen waarbij de eerste signalen van HG/KM zich voordoen

Hulp bieden aan de doelgroep door hen op een positieve manier om te leren gaan met problemen en ervoor zorgen dat problemen niet escaleren en leiden tot geweld. Voorkomen van escalatie en/of herhaling van geweld

Zorggerichte preventie

Inwoners/gezinnen bij wie de problematiek zich in de volle omvang manifesteert

Herhaling van geweld voorkomen en de gevolgen van huiselijk geweld beperken of draaglijk maken

Reeds ontwikkelde methoden: - Begeleide terugkeer - De Aanpak - Eerste hulp bij een huisverbod

- Ondersteuning door motiverende gespreksvoering of varianten daarop - Groepsgewijze begeleiding in het leren van ‘veilig ruziemaken’

Uit de geraadpleegde stukken komt naar voren dat in de doelstellingen rondom preventiebeleid in NOP aansluiten bij de doelstellingen en taken die worden benoemd door Movisie en in de handreiking Regiovisie Huiselijk geweld en Kindermishandeling. Doelstellingen die worden genoemd zijn o.a. het trainen van professional in het herkennen van (signalen van) kindermishandeling en de vervolgstappen die zij dan moeten of kunnen nemen vanuit hun professionele rol. Er is een behoefte aan meer kennis en vaardigheden rondom dit thema. Daarnaast wordt het belang van een gezamenlijke visie en een goede samenwerking tussen de professionals en organisaties benoemd. In de tussenevaluatie ‘Vroeg erbij in de wijk’ (december 2021) wordt gesproken over het ontbreken van specialistische expertise, gezamenlijke visie en structurele samenwerking tussen lokale professionals en organisaties die gespecialiseerd zijn in huiselijk geweld. Hierdoor worden zaken soms te snel opgeschaald naar Veilig thuis of is het lokale veld niet in staat om zaken die door Veilig Thuis worden afgeschaald adequaat op te pakken. Ter versterking van de gezamenlijke visie en specialistische expertise werken alle professionals in het lokale veld volgens de Top-3 methodiek. Hier is de afgelopen periode veel in geïnvesteerd.

Het versterken van de integrale visie, evenals de uitbreiding van het (samen)werken volgens de Top-3 methodiek en het trainen van nog niet getrainde ketenpartners worden tevens benoemd als doelstelling, zoals blijkt uit de zelfscans Kwaliteitskader 2022 (februari 2023). Verder is er aandacht voor de inrichting en infrastructuur van de lokale toegang en het voorveld op het gebied van preventie en vroegsignalering. Deze is zo laagdrempelig, zichtbaar en toegankelijk als mogelijk en bestaat uit verschillende expertises. Zowel in NOP als in de andere Flevolandse gemeenten wordt uitgegaan van de eigen kracht van ouders en jeugdigen. Informatie, hulp, consultatie en advies moeten beschikbaar zijn voor hen, maar ook voor de ketenpartners en het voorveld. Het onderwijs wordt hierin specifiek aangehaald als een belangrijke lokale partner waar vroegtijdig hulpvragen kunnen worden gesignaleerd. Verder zijn er regionale pilots waarbij de toegang bij huisartsenpraktijken aanwezig is in de vorm van praktijkondersteuners Jeugd/Jeugd-GGZ.

19

3. Zijn er verschillen in preventieve hulpverlening per doelgroep? Op basis van de ontvangen en beschikbare data kan deze vraag niet beantwoord worden.

4. Hoe verloopt de begeleiding van statushouder vanuit AZC naar inwoner van NOP? Op basis van de ontvangen stukken en beschikbare data kan deze vraag niet beantwoord worden.

5. Wat houdt mensenhandel in? Hoe kunnen we mensenhandel herkennen? En specifiek seksuele uitbuiting? In Nederland verstaat men onder mensenhandel het werven (voor werk), vervoeren of huisvesten van iemand. Dat gebeurt met gebruik van dwang, geweld, misleiding of door misbruik te maken van een kwetsbare positie, zoals bij kinderen. Dit heeft tot doel iemands inkomsten af te nemen of iemand niet uit te betalen. Dit kan zich in de seksindustrie afspelen, maar ook in andere sectoren (zoals de [land]bouw, huishoudelijk werk of criminaliteit, bijvoorbeeld diefstal, wietteelt of drugs dealen. Orgaanhandel en gedwongen draagmoederschap zijn ook vormen van mensenhandel. Mensenhandel kan over grenzen heen gebeuren of binnen Nederland (‘binnenlandse mensenhandel’). Een voorbeeld van binnenlandse mensenhandelaren zijn ‘loverboys’. Hoe kan ik zien dat iemand slachtoffer is? Wat zijn signalen? Alle vormen van mensenhandel • • • • • • •

Er is meestal een begeleider bij de persoon. Vage uitleg voor verwondingen. Bedreiging, (van het slachtoffer zelf of van familieleden. Klachten door het werk (bijvoorbeeld ongelukken bij werk in de bouw of meerdere zwangerschappen, abortussen, soa’s of vaginale en genitale klachten bij sekswerk). Psychosomatische klachten. Drugs-/alcoholverslaving. Tatoeages van de mensenhandelaar, zoals de naam of een icoon.

Mensenhandel binnen Nederland • • • • • • • • • • • •

Wordt geïsoleerd van familie/vrienden en afhankelijkheid van ander. Plotseling veel geld/andere kleding. Gedragsveranderingen. Afpersing (bijvoorbeeld met filmpjes). Verslechterende schoolprestaties. Mensenhandel over grenzen Wonen op de werkplek. Paspoort niet in eigen bezit. Niet zelf reis geregeld. Werkadres niet bekend. Opgebouwde ‘schulden’. Ongedocumenteerd zijn.

De meest bekende vorm van uitbuiting is de seksuele uitbuiting. Dan wordt iemand gedwongen om seksuele diensten te verlenen tegen betaling in de vorm van geld of van andere vergoedingen (denk aan kleding of eten). Mannen en vrouwen, volwassenen en kinderen, iedereen, ongeacht zijn of haar juridische status, kan slachtoffer zijn van seksuele uitbuiting. Het overgrote deel van de slachtoffers van deze vorm van uitbuiting is vrouw. Onder seksuele uitbuiting vallen onder andere prostitutie, pornografie onder dwang en gedwongen seksuele dienstverlening in bars, hotels, kuuroorden, massagesalons en de entertainmentsector. Het kan gaan om seksuele diensten aan vreemden, of aan bekenden, bijvoorbeeld in het geval van gedwongen seks met vrienden van je partner.

20

Een bekende vorm van seksuele uitbuiting is uitbuiting door loverboys. Loverboys (we noemen ze liever gewoon mensenhandelaren) zijn vaak jonge mannen die zorgen dat het slachtoffer verliefd op ze wordt en afhankelijk van ze wordt en daarna wordt het slachtoffer misleid om betaalde seks te hebben. Risicoprofiel van meisjes Vaak wordt uitgegaan van vijf profielen van meisjesslachtoffers van seksuele uitbuiting. Dit zijn ook risicoprofielen voor meisjes die nog geen slachtoffer zijn. • • • • •

Faseproblematiek: meisjes met heftig pubergedrag (uit de hand gelopen conflicten met ouders, leven tussen twee culturen of een fout netwerk). Zeer beïnvloedbare meisjes: bijvoorbeeld meisjes met een lichte verstandelijke beperking, psychische problemen, een afhankelijkheidsstoornis in ontwikkeling, of als gevolg van een beschermde opvoeding (door bijvoorbeeld religie, taboe op seksualiteit, cultuur, type ouder). Getraumatiseerde meisjes: meisjes met traumatische ervaringen, zoals seksueel misbruik. Meervoudige en complexe problematiek: ouders en dus ook kind hebben op verschillende gebieden langdurig problemen zoals: verslaving, psychiatrie, vroege hechtingsproblemen, seksueel misbruik en andere trauma's, problemen met huisvesting, schulden, huiselijk geweld. Eergerelateerd: meisjes uit gezinnen waarin eer voorop staat, waardoor ze bijvoorbeeld chantabel kunnen zijn wanneer zij seksueel contact hebben gehad of seksueel getint beeldmateriaal van zichzelf hebben verstuurd.

Risicoprofiel van jongens Over de aard en omvang van jongens die slachtoffer zijn van seksuele uitbuiting en mensenhandel is nog minder bekend dan over meisjes. De problematiek speelt zich, mogelijk nog meer dan bij meisjes, in het verborgene af. In de samenleving is er nog weinig bekendheid mee en hulpverleningsorganisaties hebben nog onvoldoende deskundigheid of kennis. Onderzoek naar seksuele uitbuiting van jongens in Nederland (2017) leidde tot drie profielen: • •

•

Klassiek: de jongen is gevoelig voor geld, vaak homoseksueel of biseksueel en bij de ouders of familie van de jongen rust vaak een zwaar stigma op mannenseks en mannenprostitutie. Overlevingsmodus: de jongen leeft niet meer bij zijn ouders; zijn ouders zijn bijvoorbeeld gescheiden, hebben het contact verbroken of zijn overleden. De jongen heeft te maken met een ernstige afhankelijkheid, zoals drugsverslaving, hoge schulden of dakloosheid. De jongen is van dag tot dag aan het overleven. Eer- en stigma-gerelateerd bij coming-out: de jongen is homoseksueel en bezig met zijn persoonlijke 'coming out'. Hij leeft in een streng-religieuze of autoritaire opvoedingsomgeving waarin zijn homoseksuele geaardheid onbespreekbaar is. Hij zoekt heimelijk betaalde of nietbetaalde seksuele contacten met (oudere) mannen via het internet en sociale media of anders in zijn omgeving. Er is een verhoogde dreiging van geweldpleging.

6. Zijn er gezinnen die opvallen bij JGZ? Slechts een beperkt aantal van de meldingen komt vanuit JGZ. Van de 40 meldingen die zijn ontvangen via een zorgmelding van VTF, waren bij 2 meldingen de eerste signalen van HGKM gesignaleerd door JGZ.

6a. Zijn dat gezinnen waar later vaker sprake is van huiselijk geweld? Op basis van de ontvangen en beschikbare data kan deze vraag niet beantwoord worden.

6b. Kan je hier preventief op inspelen? Op basis van de ontvangen en beschikbare data kan deze vraag niet beantwoord worden.

21

3.3 Onderzoeksvragen handelingsverlegenheid en handelingsonbekendheid 1. Zijn alle professionals bekend met de meldcode? Sinds 1 juli 2013 zijn professionals in beroepsgroepen wettelijk verplicht om de meldcode voor huiselijk geweld en kindermishandeling te hanteren. De meldcode helpt professionals bij het signaleren en handelen bij vermoedens van huiselijk geweld en kindermishandeling. Er wordt gesproken van huiselijk geweld en kindermishandeling wanneer er sprake (of vermoeden) is van geweld in afhankelijkheidsrelaties (Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling JGZ 0-4 Noordoostpolder, 2021). Het is van belang dat alle professionals die met kinderen werken, zoals in onderwijsinstellingen en op de kinderopvang, bekend zijn met de meldcode voor huiselijk geweld en kindermishandeling. De bekendheid van de meldcode hangt onder andere af van verschillende factoren, zoals training en bewustwording binnen de verschillende organisaties (Pharos, 2023). In hoeverre alle professionals bekend zijn met de meldcode kan niet worden beantwoord, omdat de bestaande data niet toereikend zijn. Echter, geven de data van de meldcodetour aan dat er middels bijeenkomsten structureel aandacht wordt besteed aan de kennisontwikkeling van de meldcode. Hierbij geeft de meldcodetour een indicatie van het vergroten van de meldcodebekendheid bij professionals.

2. Is er een vervolg op de meldcode/meldcodetour nodig? In Noordoostpolder worden bijeenkomsten, de zogeheten meldcodetour, georganiseerd ten behoeve van de kennisbevordering en de implementatie van de meldcode. In deze bijeenkomsten krijgen professionals instrumenten aangereikt om effectief gebruik van de meldcode te bevorderen en om handelingsverlegenheid te verminderen. De data tonen aan dat de bijeenkomsten verspreid zijn over een tijdsbestek van 8 maanden (Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling JGZ 0-4 jaar Noordoostpolder, 2021). Om effectieve toepassing van de meldcode te kunnen waarborgen, is het van belang om een vervolg te hebben op de meldcodetour. De implementatie van de meldcode is een doorlopend proces waar structureel, bijvoorbeeld jaarlijks, als organisatie aandacht aan dient te worden besteed (Ministerie van Volksgezondheid en Sport, 2021). Middels herhaaldelijke scholing dienen professionals blijven te werken aan hun kennis en begrip van de meldcode. Als vervolg op de meldcodetour kan bijvoorbeeld gedacht worden aan trainingen, waarin de best practices, de trends en ontwikkelingen op het gebied van huiselijk geweld en kindermishandeling en het omgaan met handelingsverlegenheid en onbekendheid continue aan bod blijven komen.

3. Wat is er nog meer nodig, naast de meldcodetour, om de meldcode toe te passen (opvang, onderwijs, ouderbegeleiding, de kracht zit in herhaling)? Naast de meldcodetour kunnen er aanvullende maatregelen nodig zijn om de meldcode effectief in de praktijk te kunnen toepassen. Eén van deze maatregelen zou gericht kunnen zijn op de implementatie van terugkerende trainingen. Uit de tussenevaluatie van het preventieprogramma ‘op tijd erbij in de wijk’, onderdeel van Geweld hoort nergens thuis Flevoland wordt namelijk geconcludeerd dat er in veel wijkteams behoefte is aan meer kennis en vaardigheden inzake huiselijk geweld. De doelstelling die hieruit voortvloeit, heeft betrekking op het vergroten van de kennis, bewustwording en handelingsvaardigheid inzake huiselijk geweld. Het regelmatig aanbieden van trainingen aan professionals maakt hen vertrouwd met de meldcode en voorziet hen van de nodige kennis en vaardigheden om deze in de praktijk te kunnen implementeren. Dit zou bijvoorbeeld herhaling en verdieping van de meldcodeprincipes kunnen omvatten, maar ook het zorgen voor toegankelijke ondersteuning en begeleiding voor professionals die te maken krijgen met huiselijk geweld en kindermishandeling. Hierbij valt te denken aan consultatie en intervisie om hen te helpen bij het nemen van beslissingen omtrent de meldcode (bv.

het wegnemen van dilemma’s omtrent handelingsverlegenheid) en het omgaan met eventuele juridische conflicten. Een ander maatregel om de meldcode effectief toe te kunnen passen, is het stimuleren van samenwerking en coördinatie tussen verschillende organisaties en professionals die betrokken zijn bij de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling. De bevindingen van de tussenevaluatie tonen aan dat er behoefte is aan: ‘structurele samenwerking vanuit een gedeelde visie tussen lokale professionals en organisaties die gespecialiseerd zijn in huiselijk geweld’ . Om het gebruik van de

22

meldcode te versterken, is de samenwerking tussen professionals uit verschillende domeinen essentieel. De samenwerking kan immers de uitwisseling van informatie verbeteren en een integrale aanpak bevorderen.

4. Is er door de hoge sociale cohesie meer sprake van symptoombestrijding bij armoede (bijvoorbeeld leerkrachten die een extra boterham meenemen)? Op basis van de ontvangen en beschikbare data kan deze vraag niet beantwoord worden.

5. Zijn er organisaties die geen aandachtsfunctionaris toegewezen hebben? De Wet Meldcode Huiselijk geweld en Kindermishandeling adviseert om een aandachtsfunctionaris aan te stellen en op te leiden. De aandachtsfunctionaris fungeert organisatie-of locatiebreed als deskundige op het gebied van de meldcode. Hierbij heeft de aandachtsfunctionaris de taak om zorg te dragen voor de implementatie en borging van de meldcode, zodat huiselijk geweld en kindermishandeling effectief kan worden gesignaleerd en aangepakt. Voor iedere organisatie die onder de wet meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling valt, is het raadzaam om een aandachtsfunctionaris toe te wijzen die als vraagbak kan dienen voor collega’s en de toepassing van de meldcode in de organisatie kan bevorderen. De meldcode is verplicht voor professionals die werkzaam zijn in de volgende sectoren: -

Onderwijs Kinderopvang Gezondheidszorg Maatschappelijke ondersteuning Jeugdhulp Justitie

De data tonen aan dat deze vraag niet beantwoord kan worden. Om inzicht te krijgen in hoeverre er organisaties zijn die geen aandachtsfunctionaris hebben toegewezen, dient er voor alle verplichte sectoren in kaart te worden gebracht of er een deskundige voor de meldcode is aangewezen.

3.4. Hoe verder? Met de verzamelde inzichten en bevindingen van het datalab voor kindermishandeling en huiselijk geweld wordt er middels werksessies een stap gezet in de richting van concrete oplossingen. Deze volgende stap, stap 5, impliceert het behalen van oplossingsrichtingen vanuit de eigen rollen en functies binnen de deelnemende organisaties. Tijdens deze sessies wordt er aandacht besteed aan twee cruciale aspecten: het op elkaar aansluiten van preventie en curatie en het strategisch prioriteren van oplossingen. Hierbij is de gedeelde doelstelling om een geïntegreerde aanpak te creëren die zowel curatieve maatregelen omvat voor bestaande gevallen van kindermishandeling en huiselijk geweld als preventieve maatregelen om toekomstige gevallen te kunnen voorkomen. Om deze doelstelling te kunnen behalen, is het prioriteren van oplossingen een cruciale stap om de maatregelen effectief en specifiek in te richten. De werksessies staan daarom in het teken van het evalueren, bespreken en rangschikken van mogelijke oplossingen die op basis van hun potentiële impact en uitvoerbaarheid geconcretiseerd worden.

23

4. Oplossingsrichtingen vanuit de deelnemende organisaties Het datalab heeft geresulteerd in verschillende oplossingsrichtingen voor de regio Noordoostpolder om een vernieuwde geweldsaanpak neer te zetten. De verbeterpunten van deze aanpak zijn aangedragen door de deelnemers van het datalab. Op basis van de verbeterpunten worden de volgende aanbevelingen voorgesteld: 1.

Het structureel inzetten van een interventie- en signaaloverleg

Het effectief aanpakken van huiselijk geweld en kindermishandeling vraagt om onderlinge samenwerking tussen professionals. Door kennisbundeling en het kunnen handelen vanuit de eigen positie kan er goed worden nagegaan over wat er specifiek nodig is in de verschillende casussen. Door de inzet van een interventieoverleg kan de casuïstiek met de deelnemende organisaties tegelijk worden besproken, wat ten goede komt aan het toepassen van maatwerk in de praktijk. Middels dit overleg wordt ook de uitwisseling van kennis-en praktijkervaringen gestimuleerd. De inwoner geeft hierbij voorafgaand toestemming om de casus in het overleg te kunnen bespreken. Wanneer toestemmingsverlening echter niet mogelijk is vanwege de start van de opbouw van de casus en men informatie en/of expertise wil inwinnen over de aanpak bij andere organisaties, wordt de casus geanonimiseerd. Om de samenwerking en kennisuitwisseling verder te stimuleren, zal er één keer per maand een signaaloverleg plaatsvinden. Tijdens dit overleg zullen ontwikkelingen en signalen binnen de verschillende organisaties centraal staan. Aan de hand van het signaal of onderwerp dat besproken wordt, sluit een beleidsadviseur van een organisatie aan. Aangezien de gemeente eindverantwoordelijke is, zal ook een beleidsadviseur van de gemeente aanwezig zijn bij dit overleg.

Zo kan de gemeente tijdig ontwikkelingen volgen die van belang zijn voor het te voeren beleid. 2.

Melden en meldcodetour

Het signaleren van kindermishandeling en huiselijk geweld is complex en vraagt om continue training en kennisbevordering van professionals. Doordat voor verschillende doelgroepen verschillende risicofactoren en symptomen gelden, is het van belang dat de meldcodetour hierop wordt ingesteld. Men dient middels de meldcodetour per beroepsdoelgroep stil te staan bij het type signalen dat gepaard gaat met de verschillende vormen van geweld. Een organisatie die bijvoorbeeld thuiszorg levert aan ouderen, vraagt om kennis in het herkennen en signaleren van ouderenmishandeling. De meldcodetour dient daarom passend te zijn bij de functie en positie van professionals. Naast dat het signaleren van mishandeling en geweld complex is, hebben professionals ook te maken met handelingsverlegenheid in het herkennen en bespreekbaar maken van de problematiek. Doordat het een belastend onderwerp is en er een stigma op het maken van een melding heerst, is het van belang dat professionals de mogelijkheid aangeboden krijgen om middels een laagdrempelige manier hun zorgen te uiten, zonder direct een officiële melding te hoeven maken. Het advies hierbij is om een lokaal nummer in te stellen, waardoor men de zorgen bespreekbaar kan maken.

Door verder de mogelijkheid te bieden om inwoners/ervaringsdeskundigen aan te laten sluiten bij het interventieoverleg kan bepaalde casuïstiek efficiënt worden besproken. Het is daarbij van belang dat er een goede verwijsindex aanwezig is, zodat de sociale kaart volledig in beeld is en de beschikbare ondersteuning is vastgelegd. 3.

Monitoren van gezinnen met zorgmeldingen

Om herhalingen van kindermishandeling en huiselijk geweld te voorkomen, is het essentieel om gezinnen na afsluiting van een zorgmelding voor anderhalf jaar een follow-up via JGZ te bieden. De follow-up zal worden gedaan door een professional van JGZ die al bekend is met het gezin. Doordat geweld zich in een complexe dynamiek afspeelt, zal er tussen de afsluiting van de zorgmelding en het toewerken naar de follow-up sprake zijn van het gelijkmatig afschalen van ondersteuning. Deze monitoring van gezinnen heeft met name betrekking op veiligheidszaken. Voor volwassenen zal er

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/2116/documents/37235