CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

D21 01 Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2026.pdf

Gemeenteraad 26 januari 2026, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 5: Lijst ingekomen stukken49.812 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 6 van 6

83

Het college kan afwijken van deze norm. Dat kan zowel naar beneden als ook naar boven zijn. De noodzaak van kilometers boven deze algemene norm moet door de cliënt wel aannemelijk worden gemaakt. Is dat het geval, dan zal het college daar onderzoek naar moeten doen. Ernstig beperkte mobiliteit en vervoersbehoefte voortvloeiend uit zorgtaken Bij een cliënt met (ernstige) beperkingen in de mobiliteit, moet bij de keuze van de vervoersvoorziening in beginsel betrokken worden of de zorgtaken voor minderjarige kinderen effectief uitgevoerd kunnen worden (bijv. RBDHA:2022:1641, vgl. CRVB:1998:AA8703 WVG). De fysieke of mentale stoornissen van het kind kunnen problemen opleveren bij het zich lopend of op de fiets verplaatsen (CRVB:2025:1002). Dit kan ook betekenen dat de Regiotaxi zich niet als passende bijdrage laat kwalificeren. Daarbij wordt overigens wel rekening gehouden met de bijdrage die van de andere ouder en/of andere daarvoor in aanmerking komende personen redelijkerwijs kan worden gevergd (vergelijk CRVB:2010:BM7989). Dergelijke overwegingen spelen een rol bij een totale vervoersbehoefte waarvoor meerdere voorzieningen nodig kunnen zijn. Onder uiterst beperkt mobiel wordt een loopafstand van minder dan 100 meter verstaan.

11.8 Soorten vervoersvoorzieningen Er zijn verschillende soorten maatwerkvoorzieningen die het college kan verstrekken zoals vervoersvoorzieningen en een gebruikerspas voor de Regiotaxi. Onder vervoersvoorzieningen vallen bijvoorbeeld een: • scootmobiel, • fietsvoorziening, of • autoaanpassing. Er zijn uiteraard meer voorbeelden denkbaar. 11.8.1 Individuele omstandigheden en mogelijkheden In 2.12 Bevorderen gezondheid van deze beleidsregels staat dat een positief effect op de gezondheid voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 niet relevant is (CRVB:2020:2644). Bij de vraag welke maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid of participatie moet rekening worden gehouden met: de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt (art. 2.3.2 lid 1 onder a Wmo 2015). De maatwerkvoorziening moet immers zijn afgestemd op de individuele omstandigheden en mogelijkheden van de aanvrager (art. 2.3.5 lid 3 Wmo 2015). Daaronder valt bijvoorbeeld de wens voor een driewielfiets (al dan niet met hulpmotor) in plaats van een scootmobiel. Als uitgangspunt geldt wel de goedkoopst passende bijdrage (art. 4.2 lid 1 onder b Verordening). Opgemerkt wordt dat het oplossen van het mobiliteitsprobleem voor woon-werkverkeer buiten de reikwijdte van de Wmo 2015 valt.

11.8.2 Scootmobiel Een scootmobiel is een open elektrische buitenwagen bestemd voor gebruikers met een matige tot slechte sta- loopfunctie. De scootmobiel is bedoeld voor lokale verplaatsingen in de directe omgeving van de woning, het onderhouden van sociale contacten, het doen van boodschappen, et cetera. Het gaat in ieder geval om situaties waarbij gebruik van bijvoorbeeld de algemene voorziening scootmobielpool geen passende oplossing is. Een scootmobiel wordt alleen verstrekt als: • er sprake is van een zekere sta- en loopfunctie, ook gelet op het kunnen maken van transfers, • de cliënt een beperkte loopafstand heeft en gelet op de beperkingen en de vervoersbehoefte op de korte afstand (directe omgeving) is aangewezen op een scootmobiel (CRVB:2021:3222), • er niet op een andere wijze kan worden voorzien in deze vervoersbehoefte zoals met een hand- of duwstoel of een aangepaste (niet algemeen gebruikelijke) fiets, • de maatwerkvoorziening collectief vervoer alleen niet in de lokale vervoersbehoefte kan voorzien (geen passende bijdrage), • de cliënt zelf het voertuig veilig kan bedienen en besturen (eventueel vaststellen met een rijvaardigheidstest),

84

No. 25.0002254 • er een mogelijkheid is om de scootmobiel te stallen of dat een stalling gerealiseerd kan worden Er zal ook een oplaadpunt nodig zijn. Kosten scootmobieltraining Zoals gezegd kunnen haalbaarheidslessen noodzakelijk zijn om vast te stellen of de cliënt gebruik kan maken van een scootmobiel (CRVB:2021:244). De ergotherapeut verzorgt deze lessen en de kosten vallen onder de Zvw. Worden deze kosten hiervoor niet meer op grond van de Zvw vergoed, dan draagt het college er zorg voor. Het college kan daarnaast nog maximaal vijf gewenningslessen vergoeden, als gebleken is dat de cliënt in staat is gebruik te maken van de scootmobiel, maar zonder deze lessen (nog) niet veilig aan het verkeer kan deelnemen. In andere gevallen wordt ervan uitgegaan dat een korte instructie van de leverancier voldoende is en bij de prijs is inbegrepen. 11.8.3 Driewielfietsen en andere bijzondere fietsen Bijzondere fietsen kunnen voor verstrekking in aanmerking komen. Denk bijvoorbeeld aan driewielfietsen of handbikes. Driewielfietsen worden speciaal gebruikt door de cliënt met beperkingen op evenwichtsgebied of een gestoorde motoriek. Dergelijke beperkingen maakt het gebruik van een normale fiets (al dan niet met hulpmotor) onmogelijk of ten minste onveilig. Om aanspraak te maken op een dergelijke maatwerkvoorziening gelden in principe dezelfde voorwaarden als voor een scootmobiel.

Verder geldt dat een normale kinderdriewieler voor kinderen tot 4 jaar, mede gelet op de kosten, als algemeen gebruikelijk voorziening wordt beschouwd en daarom niet voor verstrekking in aanmerking komt. Elektrische fiets Dat een maatwerkvoorziening een positief effect heeft op de gezondheid, door te willen blijven fietsen, is voor de Wmo 2015 niet relevant (CRVB:2020:2644, CRVB:2023:1446). Dat betekent ook dat een noodzaak voor het verstrekken van een elektrische fiets afhankelijk is van de mogelijkheid zich te verplaatsen op een gewone fiets waarmee wordt voorzien in de vervoersbehoefte. Heeft een cliënt een medisch gelimiteerde inspanningscapaciteit op grond waarvan hij met een gewone fiets niet kan voorzien in de noodzakelijke vervoersbehoefte, dan kan een elektrische fiets aangewezen zijn (CRVB:2021:1595). Beperkingen in knie of heup kunnen ook reden zijn. De cliënt kan daardoor krachtverlies ondervinden. Ook wordt beoordeeld of de cliënt adequaat kan omgaan met de elektrische fiets. Dit in verband met de veiligheid in het gebruik. Het college beoordeelt bijvoorbeeld of er geen balansproblemen zijn en of de cliënt adequaat kan handelen in het verkeer. Tot slot beoordeelt het college of de gewenste elektrische fiets de goedkoopst passende bijdrage is. Een scootmobiel kan namelijk goedkoper zijn en ook adequaat.

11.8.4 Adequate stalling Voor vervoersvoorzieningen zoals een scootmobiel of driewielfiets moet een adequate stalling beschikbaar zijn. Bij verstrekking in natura (bruikleen) vloeit de verplichting voort uit de bruikleenovereenkomst. Het college kan met de leverancier overleggen wat adequaat stallen inhoudt. Een adequate stalling is in ieder geval: overdekt en droog. Dit om beschutting te bieden tegen weersinvloeden. Om diefstal of vernieling te voorkomen kan een afgesloten stalling nodig zijn. Een aanwezige schuur, berging, garage, bijkeuken of tuinhuisje kan als adequaat worden beschouwd. In de stallingsruimte kan een oplaadpunt nodig zijn. Ingeval van een pgb geldt de voorwaarde van een adequate stalling vanzelfsprekend ook. Eigen kracht, eigen verantwoordelijkheid Het college onderzoekt of de cliënt zelf mogelijkheden heeft om hier zorg voor te dragen, door bijvoorbeeld herinrichten of opruimen van de beoogde (stallings)ruimte (CRVB:2016:429). Het stallen van een scootmobiel in bijvoorbeeld de hal is een acceptabel alternatief voor het realiseren van een adequate stalling of het verbreden van een tuinpoort (CRVB:2023:1642). Dat is anders als de cliënt bijvoorbeeld de hal niet in kan rijden of er met een gestalde scootmobiel geen voldoende ruimte is om

85

deze te kunnen passeren. Heeft de cliënt geen mogelijkheden tot het stallen van de voorziening, dan valt het realiseren daarvan onder de ondersteuningsplicht van het college. Weigeren vervoersvoorziening Kan een stalling niet worden gerealiseerd, dan kan het college een vervoersvoorziening zoals een scootmobiel of driewielfiets weigeren. 11.8.5 Autoaanpassingen Autoaanpassingen zijn erop gericht lokale verplaatsingen mogelijk te maken voor cliënten die daarvoor zijn aangewezen op het gebruik van de eigen auto. Dat wil zeggen dat het primaat van de Regiotaxi bij hen niet kan worden toegepast. In de praktijk zal dat niet vaak voorkomen. Algemeen gebruikelijk Sommige autoaanpassingen kunnen een algemeen gebruikelijke voorziening zijn. Denk bijvoorbeeld aan stuur- en rembekrachtiging, de automatische versnelling of een auto met hoge instap. Het gaat om situaties waarin de cliënt auto aanschaft en het college verzoekt om de aanpassingen van die auto. Het ligt op de weg van de cliënt om een geschikte auto te kiezen in een prijsklasse die voorziet in bijvoorbeeld een cruisecontrol (CRVB:2009:BK1515). Fondsenwerving Het werven van fondsen is vanzelfsprekend geen voorliggende oplossing op het verstrekken van een maatwerkvoorziening waarop de cliënt is aangewezen. Het kan echter wel voorkomen dat een cliënt met behulp van fondsen een auto of bus kan aanschaffen.

Vaak zijn aan zo’n auto of bus nog aanpassingen nodig. Het ligt op de weg van de cliënt daar vooraf met het college contact over te hebben. Dit om teleurstellingen te voorkomen als een aanvraag om aanpassingen zal worden afgewezen. Uitgangspunten bij de beoordeling autoaanpassing Bij het verstrekken van een autoaanpassing worden een aantal uitgangspunten gehanteerd. • Is het gebruik van de eigen auto nodig voor het zich lokaal verplaatsen én is Regiotaxi geen passende bijdrage? • Is de cliënt eigenaar en bestuurder van de auto? Onder de eigenaar van de auto kan ook de wettelijk vertegenwoordiger van het kind worden verstaan waar de autoaanpassing voor bestemd is. Ook kan de cliënt zijn aangewezen op vervoer door diens partner. • Is een autoaanpassing de goedkoopst passende bijdrage? • Wat is de staat van de auto (ouderdom en technische staat)? • Het college hanteert het uitgangspunt dat de auto waar de autoaanpassing voor bestemd is moet nog ten minste zeven jaar te gebruiken zijn. Daarvoor doet het college onderzoek naar de gemiddelde levensduur van de auto. Het college kan hiervan afwijken als de aanpassing, zonder al te hoge kosten, in een volgende auto kan worden overgezet (bijvoorbeeld een aangepaste autostoel). • Ook kan bij twijfel een technische keuring van de auto door een onafhankelijke instantie (bijvoorbeeld de ANWB) nodig zijn.

Dit om te kunnen beoordelen of de aanpassing nog verantwoord is met het oog op de technische staat en de verwachte levensduur van de auto. Bijzonderheden De wegenbelasting en autoverzekering komen niet voor vergoeding in aanmerking. Als sprake is van een aanvraag voor een aanpassing aan de eigen auto, dient een advies van het Centraal Bureau Rijvaardigheid (CBR) met de restreint bepalingen aanwezig te zijn. Dit op basis van de Regeling coderingen beperkingen rijbevoegdheid. Het CBR verricht de keuring voor het vaststellen van de beperkingen (restreint), waarop de auto voor de cliënt aangepast moet zijn. Zonder deze restreintbepalingen is de cliënt onverzekerd als hij in een auto rijdt. BPM teruggave

86

No. 25.0002254 Op grond van het Nederlands belastingstelsel is de teruggaaf BPM-gehandicaptenregeling in het leven geroepen. Indien een bestelauto op of na 1 juli 2005 in gebruik is genomen voor het vervoer van een gehandicapte en diens rolstoel of ander hulpmiddel, kan men een teruggaaf krijgen van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bron:belastingdienst.nl). 11.9 Een gehandicaptenvoertuig Een gehandicaptenvoertuig is een voertuig dat is ingericht voor het vervoer van een gehandicapte, niet breder is dan 1,10 meter en niet is uitgerust met een motor, dan wel is uitgerust met een motor waarvan de door de constructie bepaalde maximumsnelheid niet meer dan 45 km per uur bedraagt en geen bromfiets is (art. 1 Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens). Deze voertuigen mogen op de voetpaden (stapvoets), fietspaden en rijbanen gebruikt worden. 11.9.1 Voorwaarden verstrekken gehandicaptenvoertuig Voor de cliënt geldt dat hij op eigen gesloten buitenvervoer moet zijn aangewezen omdat de Regiotaxi of ander collectief vervoer al dan niet gecombineerd met een aanvullende vervoersvoorziening niet de goedkoopst passende bijdrage is. Dergelijke situaties zullen zich in de praktijk zelden voordoen (CRVB:2019:1330). 11.9.2 Brommobiel Dit betreft een gesloten buitenwagen die breder is dan 1,10 meter en geen gehandicaptenvoertuig is.

De brommobiel lijkt op een kleine auto en mag alleen van de rijbaan gebruik maken. De brommobiel wordt in beginsel niet op grond van de Wmo 2015 verstrekt. 11.10 Incidenteel rolstoelgebruik Een rolstoel voor incidenteel gebruik (ook wel transportrolstoel genoemd) is doorgaans niet voor dagelijks zittend gebruik noodzakelijk. Het kan echter ook gaan om een transportrolstoel waarop de cliënt is aangewezen om van A naar B te komen (in relatie tot het zich kunnen verplaatsen in de leefomgeving). Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat iemand structureel niet in staat is om hele korte afstanden zelfstandig - al dan niet met een loophulpmiddel - af te leggen. In dat geval zijn de bovengenoemde mogelijkheden (rolstoelpool, uitleen) niet van toepassing. Deze rolstoel kan worden meegenomen in de Regiotaxi of in de eigen auto. In de praktijk zal dit echter niet vaak voorkomen. 11.11 Een sportvoorziening Sportbeoefening is participatie in de zin van de Wmo 2015 als de cliënt daar in redelijke mate aan deelneemt (CRVB:2018:3348). De CRvB verstaat onder het in redelijke mate deelnemen een situatie waarin de cliënt al geruime tijd een sport beoefent en dat niet meer kan doen zonder een maatwerkvoorziening vanwege het optreden van beperkingen.

Dit wordt beoordeeld aan het in staat zijn tot participatie, zie hierna 11.11.1 Participatie in de Wmo 2015 en 11.11.2 Medemensen ontmoeten en sociale contacten onderhouden. Gezondheid en persoonlijke ontwikkeling Dat een maatwerkvoorziening in de vorm van een sportvoorziening een positief effect heeft op de gezondheid, door te willen (blijven) sporten, is voor de Wmo 2015 niet relevant (CRVB:2020:2644, CRVB:2023:1446). Is een sportvoorziening gericht op de persoonlijke ontwikkeling van de cliënt, dan valt dat niet binnen de compensatieplicht van het college. Onder persoonlijke ontwikkeling valt ook sportbeoefening op (een hoog) wedstrijdniveau; een hoger niveau dan 'normale' sportbeoefening waarmee sociale contacten kunnen worden onderhouden. Wil iemand 'topsport' beoefenen dan zal hij daarvoor - net als valide topsporters - aangewezen zijn op sponsors en een sportbond. 11.11.1 Participatie in de Wmo 2015 Voor het beoordelen van de mate van participatie moet beoordeeld worden in hoeverre iemand kan deelnemen aan het maatschappelijk verkeer. Dit wil zeggen dat iemand, ondanks zijn lichamelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan

87

deelnemen. Daarvoor is het ook een vereiste dat hij zich kan verplaatsen (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 6 en 123). De verplichting om een maatwerkvoorziening te bieden gaat echter niet zo ver dat de aanvrager in exact dezelfde of wellicht zelfs in een betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had. De gevraagde ondersteuning moet in een redelijke verhouding staan tot wat de situatie van de aanvrager was voor hij ondersteuning nodig had (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 149‑150). In het algemeen kan gezegd worden dat door het verstrekken van een vervoersvoorziening of dagactiviteiten iemand in redelijke mate kan participeren. 11.11.2 Medemensen ontmoeten en sociale contacten onderhouden Er zijn echter situaties denkbaar waarin alleen door het verstrekken van een (gevraagde) sportvoorziening het mogelijk wordt gemaakt om deel te nemen aan het leven van alle dag van de cliënt. Het gaat om activiteiten die zo zeer zijn verbonden aan de cliënt dat de beperkingen daarin niet anders dan door het verstrekken van een sportvoorziening kunnen worden opgelost (CRVB:2013:CA0088). In de hiervoor aangehaalde uitspraak ging het om een cliënt die al 25 jaar lid was van een wielervereniging. In die periode heeft de cliënt sociale contacten opgebouwd; met hen werden allerlei activiteiten gedaan rondom wielrennen.

Deze activiteiten waren, mede gelet op omvang van de periode, zo zeer aan de cliënt verbonden dat een maatwerkvoorziening in de vorm van een sportvoorziening was aangewezen. Dat zal in de praktijk niet vaak voorkomen. De compensatieplicht van het college is immers niet gericht op het optimaliseren. Er geldt dus geen verplichting om ‘alles’ te compenseren op het gebied van zelfredzaamheid of participatie (CRVB:2022:1502).

Hoofdstuk 12 Financiële tegemoetkoming Artikel 4.7 Verordening Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 12.1 Inleiding Uit de uitspraken van de CRvB blijkt dat de Wmo 2015 ruimte biedt om een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming te verstrekken (CRVB:2018:395 en 396). Uitvoeringspraktijk Het gaat in de praktijk om situaties waarin het college geen (volledige) maatwerkvoorziening in natura verstrekt (hoeft te verstrekken) of kan verstrekken omdat dit in de uitvoering niet mogelijk is. Een cliënt zal in het algemeen niet zijn aangewezen op een bruikleenauto op grond van de Wmo 2015. Maar de cliënt kan wel zijn aangewezen op het vervoer met zijn eigen auto en daarvoor is brandstof nodig, die het college niet in natura zal kunnen verstrekken. De tegemoetkoming kan op basis van declaratie rechtstreeks aan de cliënt worden uitbetaald. 12.2 Vervoer Kosten gebruik eigen auto De cliënt die in het bezit is van een eigen auto en geen gebruik kan maken van de Regiotaxi kan in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming als tegemoetkoming in de kosten. Het gaat om de cliënt die eigenaar is én bestuurder van de auto of waarvan de partner bestuurder is. Heeft de cliënt geen eigen auto, dan is het mogelijk om een financiële tegemoetkoming te verstrekken die de cliënt betaalt aan iemand die het vervoer biedt.

Lokale en samenvallende vervoersbehoefte Artikel 3.7 Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp De hoogte van de tegemoetkoming is afhankelijk van de noodzakelijke lokale vervoersbehoefte van de cliënt. Daarnaast spreekt het voor zich dat de samenvallende vervoersbehoefte van echtgenoten of daarmee gelijkgestelden een rol speelt. Dat wil zeggen dat de hoogte van de tegemoetkoming daar op wordt afgestemd.

88

No. 25.0002254 Individueel (rolstoel)taxivervoer Ook de kosten van individueel (rolstoel)taxivervoer kunnen in aanmerking komen voor een tegemoetkoming. 12.3 Verhuiskosten De cliënt op wie het primaat van verhuizing van toepassing is, kan in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de kosten van het verhuizen. Deze tegemoetkoming wordt in principe pas uitbetaald als de cliënt feitelijk is verhuisd naar een door het college geschikt bevonden woning. Als de cliënt echter een huurcontract overlegt, dan kan het college eerder overgaan tot uitbetaling. Wel moet duidelijk zijn dat het om een geschikte woning gaat. De hoogte van de tegemoetkoming is in principe gemaximeerd (zie Besluit). Binnen een medisch gezien aanvaardbare termijn, maar uiterlijk binnen 15 maanden nadat de tegemoetkoming in verhuiskosten is toegekend dient de cliënt verhuisd te zijn naar een adequate woning. De cliënt stuurt een gereedmeldingsformulier naar het college om aan te tonen dat men verhuisd is naar een voor hen adequate woning, overeenkomstig het advies. Hierna kan worden overgegaan tot uitbetaling.

Bestemd voor de cliënt De tegemoetkoming in de verhuiskosten is niet bestemd voor inwonende personen die niet de (mede)huurder of (mede)eigenaar van de woning zijn. Denk bijvoorbeeld aan inwonende kinderen. 12.4 Kosten overig Omdat de Wmo 2015 uitgaat van maatwerk kan niet worden uitgesloten dat ook andere kosten in aanmerking kunnen komen voor een financiële tegemoetkoming. Kosten die niet binnen de reikwijdte van de wet vallen komen niet voor vergoeding in aanmerking (bijv. CRVB:2021:1073). 12.5 Geen dubbele vergoeding Het is vanzelfsprekend niet de bedoeling is dat de cliënt dubbele tegemoetkomingen ontvangt. Dit gelet op het aanvullende karakter van de Wmo 2015 en dat in geval van een voorliggende voorziening het college de aanvraag kan afwijzen (CRVB:2023:1046). Dat moet worden vastgesteld voordat het college een beslissing neemt op de aanvraag (CRVB:2022:2297). Er kan geen limitatief aantal voorbeelden worden gegeven. Twee voorbeelden. Een verhuiskostenvergoeding van de verhuurder op grond van artikel 220 en 275 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de daarbij behorende Regeling minimumbijdrage verhuis- en inrichtingskosten bij renovatie en de leefvervoersvoorziening op grond van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA) of Wet Wajong.

Dat wil zeggen dat geen tegemoetkoming wordt verstrekt of dat het college de hoogte van de tegemoetkoming op grond van de Wmo 2015 afstemt op de vergoeding die wordt of kan worden verkregen op grond van een andere regeling.

Hoofdstuk 13 Persoonsgebonden budget Hoofdstuk 9 Verordening Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 13.1 Inleiding Een pgb is een bedrag waarmee de budgethouder in ieder geval de geïndiceerde maatwerkvoorziening kan inkopen om het door het college vastgestelde resultaat te behalen. Het college informeert de cliënt tijdens het onderzoek over welke mogelijkheden er zijn om te kiezen voor een pgb en wat de gevolgen van die keuze zijn. Een pgb wordt alleen verstrekt als, volgens het college, wordt voldaan aan de voorwaarden (art. 2.3.6 lid 2 en 3 Wmo 2015). Het pgb voor diensten wordt door de Sociale verzekeringsbank (SVB) betaald aan een derde met wie de budgethouder een overeenkomst heeft afgesloten. Betaling van het pgb aan derden geldt ook voor eenmalige pgb’s die het college namens de SVB in mandaat verricht. Denk bijvoorbeeld aan een pgb voor de aanschaf van een scootmobiel.

89

13.2 Geen pgb Een financiële tegemoetkoming voor bijvoorbeeld verhuiskosten is geen pgb. Hiervoor gelden immers geen kwaliteits- en verantwoordingseisen en de tegemoetkoming wordt ook niet aan een derde maar aan de cliënt zelf uitbetaald (al dan niet op declaratiebasis). 13.3 Spoedeisende situatie: geen pgb Een pgb is niet mogelijk als het college, na de ondersteuningsvraag, een (tijdelijke) maatwerkvoorziening verstrekt vanwege een spoedeisende situatie als bedoeld in artikel 2.3.3 Wmo 2015. Immers, het onderzoek naar de vraag of de cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening moet nog worden uitgevoerd. Zie verder 2.2 Spoedeisende gevallen in deze beleidsregels. 13.4 Geen terugwerkende kracht In artikel 4.4 Verordening staan de uitgangspunten voor de maatwerkvoorziening en het pgb. De strekking is dat in beginsel geen pgb met terugwerkende kracht wordt verstrekt. Zie verder 3.3 Uitgangspunten maatwerkvoorziening en persoonsgebonden budget van deze beleidsregels. 13.5 Verplichting Budgetplan diensten Artikel 9.2 Verordening Als verplichting geldt om een Budgetplan in te dienen, met uitzondering van huishoudelijke ondersteuning. Een Budgetplan draagt bij aan een betere beoordeling of wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden van artikel 2.3.6 lid 2 en 3 Wmo 2015 en de eventuele overige bepalingen in de Verordening.

Doet de cliënt of zijn vertegenwoordiger dat niet, dan weigert het college het pgb conform de bepaling in de Verordening en op basis van de rechtspraak (CRVB:2023:1088). Zie hoofdstuk 15 Regels misbruik en oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015 van deze beleidsregels. 13.6 Bewust keuzegesprek Wenst de client de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te ontvangen, dan wordt een bewust keuze gesprek gevoerd. Zie ook de begripsbepaling bij deze beleidsregels. Is vastgesteld dat de cliënt pgb-bekwaam is voor wat betreft het beheren en uitgeven van het pgb, dan wordt met behulp van het budgetplan beoordeeld of wordt voldaan aan de kwaliteitseisen. 13.7 Beoordelen voorwaarden recht op pgb Heeft het college vastgesteld dat de cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening (natura), dan kan de cliënt verzoeken om deze in de vorm van een pgb te ontvangen. Zo’n verzoek wordt aangemerkt als aanvraag. Dat wil zeggen dat het college daar een besluit over moet nemen. De Wmo 2015 bepaalt een aantal voorwaarden die het college moet beoordelen om het recht op pgb vast te stellen. Deze voorwaarden zijn cumulatief. Dat wil zeggen dat aan alle voorwaarden moet zijn voldaan om voor een pgb in aanmerking te komen. Het gaat om: • Pgb-vaardigheid. • Motivatie-eis wens pgb. • Voldoen aan kwaliteitseisen. • Besteding pgb is geschikt voor het doel.

13.8 Pgb-vaardigheid De budgethouder moet pgb-vaardig zijn. Dat wil zeggen in staat zijn om: 1. de aan het pgb verbonden taken (verplichtingen) op verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren (bijv. CRVB:2021:2575), en 2. de beheerstaken met voldoende afstand en kritisch kunnen vervullen (bijv. CRVB:2021:2748). Bij deze taken wordt in ieder geval gedacht aan het sluiten van overeenkomsten en het aansturen en aanspreken van de ondersteuner op zijn verplichtingen (TK 2013/2014, 33 841, nr. 3, p. 38). 13.8.1 Vaststellen pgb-vaardigheid Het college moet vaststellen of de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger pgb-vaardig is. Daarvoor wordt onderzocht of de cliënt:

90

No. 25.0002254 1. Een goed overzicht van zijn eigen situatie kan houden. 2. Weet welke regels er horen bij een pgb. 3. Een overzichtelijke pgb-administratie kan bijhouden. 4. Kan communiceren met de gemeente, de SVB en ondersteuners. 5. Zelfstandig kan handelen en zelf voor ondersteuners kan kiezen. 6. Zelf afspraken kan maken, deze afspraken kan bijhouden en zich hier aan houden. 7. Kan beoordelen of de ondersteuning uit het pgb bij hem past. 8. Zelf de ondersteuning kan regelen met één of meer ondersteuners. 9. Kan zorgen dat de ondersteuners die voor hem werken weten wat ze moeten doen. 10. Weet wat te doen als werkgever of opdrachtgever van een ondersteuner. Deze 10 punten zijn gebaseerd op de handreiking en infographic pgb-vaardigheid van de Rijksoverheid.

Extra aandacht Het college besteedt extra aandacht aan de beoordeling van de pgb-bekwaamheden bij cliënten die tot 1 januari 2026 huishoudelijke ondersteuning of begeleiding inkochten voor minder dan 4 dagen per week bij personen die geen eerste of tweedegraads familielid of partner van de cliënt zijn. Dit in verband met de aanpassing van de Regeling Dienstverlening aan Huis. Bij een arbeidsovereenkomst gelden namelijk niet alleen de verplichte werknemersverzekeringen, maar ook de reguliere regels voor loondoorbetaling tijdens ziekte, verlof en ontslag. 13.8.2 Hulp bij pgb-vaardigheid De budgethouder kan een vertegenwoordiger hebben. Dat is een persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen (art. 1.1.1 lid 2 Wmo 2015). Eenvoudig gezegd: de budgethouder zelf is niet pgb-vaardig. Bij een vertegenwoordiger kan het gaan om een persoon die door de budgethouder gemachtigd is of een wettelijke vertegenwoordiger die is aangesteld door de rechtbank (bewindvoerder, curator of mentor). Het college moet dan vaststellen of de vertegenwoordiger pgb-vaardig is (zie verder hierna). 13.8.3 Wettelijk vertegenwoordiger Bewindvoerder (beschermingsbewind) Beschermingsbewind is een (tijdelijke) beschermingsmaatregel voor mensen die (tijdelijk) hun geldzaken niet kunnen regelen.

Met de aanstelling van een bewindvoerder is het risico dat het pgb niet besteed zal worden aan de daarvoor bestemde doelen voldoende ondervangen (RBGEL:2019:4940). Bewind gaat immers over vermogensrechtelijke handelingen. Het spreekt voor zich dat het college niet bevoegd is een oordeel te geven of de bewindvoerder de taken uit hoofde van de bewindvoering op juiste wijze uitvoert. Maar het college zal wel moeten vaststellen of de bewindvoerder de (andere) taken die aan het pgb zijn verbonden op juiste wijze uitvoert. Denk bijvoorbeeld aan het aansturen en aanspreken van de ondersteuner en het evalueren van de geboden ondersteuning. Een Wsnpbewindvoerder voert alleen het Wsnp-bewind uit en geen andere taken. Kosten pgb-beheer De kosten voor het pgb-beheer van de bewindvoerder of curator mogen niet worden betaald uit het pgb. Deze kosten komen ook niet in aanmerking voor bijzondere bijstand (CRVB:2015:1654). De kantonrechter kan aan de curator of bewindvoerder een (extra) beloning toekennen voor het beheren van een pgb op grond van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren. Mentor Een mentor behartigt de niet-vermogensrechtelijke belangen van cliënten zoals rechtshandelingen voor verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding. Bij mentorschap mag de betrokkene wel nog rechtshandelingen van vermogensrechtelijke aard verrichten.

Een mentor kan zonder verdere machtiging een aanvraag doen maar is (zonder machtiging van de cliënt) niet bevoegd om het pgb-

91

beheer (vermogensrechtelijke handelingen) uit te voeren. Is een mentor gemachtigd om het pgb te beheren, dan kan de Kantonrechter ook aan de mentor hier een (extra) beloning voor toekennen (zie hiervoor). 13.8.4 Vertegenwoordiger Wie kan gemachtigd worden Voorbeelden van personen die de budgethouder kan machtigen zijn: de echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel van de cliënt, de ouder, kind, broer of zus, grootouder of kleinkind (art. 1.1.1 lid 2 Wmo 2015). Volmacht vereist Zonder volmacht kunnen de hiervoor genoemde personen niet als vertegenwoordiger optreden als de cliënt dat niet wenst. Dat moet het college onderzoeken. Belang van de cliënt centraal De vertegenwoordiger mag alleen handelen in het belang van de cliënt en dus niet ook zijn eigen belang dienen. Een vertegenwoordiger zorgt er feitelijk voor dat (namens) de budgethouder de verplichtingen die aan het pgb zijn verbonden ook daadwerkelijk worden nagekomen. Hij biedt de budgethouder gewaarborgde hulp. Dat is van belang omdat de gevolgen van het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen in beginsel voor rekening en risico van de budgethouder komen. Denk aan de weigering van een pgb, het intrekken van het recht op pgb of de terugvordering van een ten onrechte of tot een te hoog bedrag betaald pgb.

Gewaarborgde hulp Blijkt uit onderzoek dat de vertegenwoordiger de gewaarborgde hulp niet kan bieden of daar objectieve twijfels over bestaan, dan weigert het college het pgb. Deze weigeringsgrond is ook in de Verordening neergelegd (art. 12.4 lid 3 Verordening). Het college zal de budgethouder (cliënt) in de gelegenheid moeten stellen om een andere vertegenwoordiger in de hand te nemen om de gewaarborgde hulp te kunnen bieden. Handelwijze vertegenwoordiger Is de handelwijze van de vertegenwoordiger eerder aanleiding geweest voor de herziening of intrekking van een pgb, dan kan deze persoon niet meer de pgb-vaardigheid van de budgethouder overnemen. Dit ter bescherming van de budgethouder. Het college zal de cliënt in de gelegenheid moeten stellen om een andere vertegenwoordiger te machtigen die in staat is de pgb-vaardigheid op zich te nemen. 13.8.5 Rolvermenging professional Artikel 12.4 lid 1 onder a Verordening Er is rolvermenging als de vertegenwoordiger ook degene is (de derde) aan wie het pgb wordt besteed. Dat geldt ook als de vertegenwoordiger een aan die derde gelieerde persoon is. Rolvermenging is niet toegestaan; de aan het pgb verbonden beheerstaken kunnen dan niet met voldoende afstand en kritisch kunnen worden vervuld (CRVB:2019:3761, CRVB:2019:2803, CRVB:2024:2412, CRVB:2024:1557, CRVB:2025:1486).

Onder een aan die derde gelieerde persoon wordt bijvoorbeeld een medewerker verstaan die bij deze derde in dienst is of er op een andere manier verwevenheid tussen hen bestaat. 13.8.6 Persoon sociaal netwerk Rolvermenging kan ook aan de orde zijn als het een persoon uit het sociaal netwerk betreft. Ook dat is niet toegestaan. Een uitzondering kan zich alleen voordoen als: • uit deskundigenadvies blijkt dat de hulp alleen door deze persoon kan worden geboden, en • het niet mogelijk is iemand anders in te schakelen als vertegenwoordiger. Deze persoon uit het sociaal netwerk mag daarbij op geen enkele wijze druk uitoefenen op de cliënt bij de keuze van een pgb ter besteding aan die persoon. Dat wil zeggen de budgethouder mag niet door deze persoon worden beïnvloed.

92

No. 25.0002254 13.9 Motivatie-eis wens pgb De cliënt moet om een pgb verzoeken en daarbij aangeven waarom dat passende ondersteuning is. Er gelden geen specifieke voorwaarden aan de motivatie. De cliënt zal wel moeten aangeven waarom in zijn situatie het pgb een geschikte oplossing is. Dat zal bij diensten ook blijken uit het Budgetplan. 13.10 Kwaliteit De met het pgb in te kopen maatwerkvoorziening moet veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht zijn. Deze eisen gelden voor voorzieningen in natura (art. 3.1 lid 1 Wmo 2015). De Verordening bepaalt dat de eisen voor het gecontracteerde aanbod ook gelden als de ondersteuning voor diensten wordt ingekocht met een pgb (art. 9.6 Verordening). Eisen die specifiek gelden voor het gecontracteerde aanbod, zoals rapportageverplichtingen, zijn daarvan uitgezonderd. Daarnaast gelden de opleidingseisen niet voor personen uit het sociaal netwerk. 13.11 Kwaliteit en veiligheid Een met het pgb in te kopen maatwerkvoorziening moet vanzelfsprekend veilig zijn. De veiligheid is een belangrijk onderdeel van de kwaliteit. 13.11.1 VOG bij diensten Zowel professionele als niet-professionele ondersteuners moeten beschikken over een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG), tenzij de huishoudelijke ondersteuning wordt geboden door iemand uit het sociaal netwerk.

Deze verklaring mag niet ouder zijn dan drie maanden voorafgaand aan de aanvang van de ondersteuning. Er wordt één VOG gevraagd als een pgb door meerdere cliënten bij eenzelfde ondersteuner wordt besteed. Het college kan de duur van de indicatie afstemmen op het opnieuw aanvragen van de VOG. Welke soort VOG Ondersteuners die direct cliëntcontact hebben beschikken over een VOG met screeningsprofiel 45 (gezondheidszorg en welzijn mens en dier). 13.11.2 Signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling (diensten) Signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling worden gemeld bij Veilig Thuis Flevoland. Dit geldt voor elke derde aan wie het pgb wordt besteed, dus voor zowel professionals als niet-professionals. De derde moet aan het college stapsgewijs kunnen laten zien hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan. Duidelijk moet zijn dat na zo’n melding bij Veilig Thuis Flevoland zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden. Voor professionals geldt een meldcode. Professionals met personeel in dienst moeten kunnen laten zien hoe kennis en gebruik van de meldcode is geborgd in de organisatie. In artikel 4.1.8 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (landelijk) staan elementen waaruit een meldcode in ieder geval bestaat.

Specifieke problematiek besteding pgb sociaal netwerk Is gedragsregulering nodig op grond van de problematiek, dan zal een persoon uit het sociaal netwerk de ondersteuning in het algemeen niet kunnen bieden omdat het om professionele deskundigheid vraagt. Denk aan het opvolgen van adviezen en accepteren van hulp. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van agressief gedrag in de vorm van bedreigingen, vernielingen en seksueel ontremd gedrag van de cliënt jegens die persoon. Een persoon uit het sociaal netwerk, als derde, kan daarom ook slachtoffer van huiselijk geweld zijn (CRVB:2019:1815). 13.11.3 Melding calamiteiten of geweld (maatwerkvoorzieningen en diensten) Deze meldingsplicht geldt voor elke derde aan wie het pgb wordt besteed, dus voor zowel professionals als niet-professionals. De derde is in voorkomende gevallen verplicht om onverwijld melding te doen bij de toezichthoudende ambtenaar van: • iedere calamiteit die bij het bieden van de ondersteuning heeft plaatsgevonden, • geweld bij het bieden van de ondersteuning.

93

Definities Onder een calamiteit wordt een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis verstaan die betrekking heeft op de kwaliteit van de ondersteuning en die tot een ernstig schadelijk gevolg voor of de dood van een cliënt heeft geleid (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Onder geweld bij de verstrekking van een voorziening wordt verstaan: seksueel binnendringen van het lichaam van of ontucht met een cliënt, alsmede lichamelijk en geestelijk geweld jegens een cliënt, door een beroepskracht dan wel door een andere cliënt met wie de cliënt gedurende het etmaal of een dagdeel in een accommodatie van een aanbieder verblijft (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Omzetten in natura Een melding van een calamiteit of geweld kan voor het college aanleiding zijn om geen pgb toe te kennen of het recht op pgb in te trekken en daarvoor in de plaats een maatwerkvoorziening in natura te verstrekken. Ook kan het college de budgethouder (cliënt) in de gelegenheid stellen om met een andere derde een overeenkomst aan te gaan die wel voldoet aan de geldende vereisten. 13.11.4 Professionals (diensten) Artikel 9.6 Verordening bepaalt dat de kwaliteitseisen die gelden voor het gecontracteerde aanbod ook gelden voor de derde aan wie het pgb wordt besteed, met uitzondering van specifieke bepalingen zoals rapportageverplichtingen.

Het gaat om professionals die vakbekwaam zijn en beschikken over kwalificaties en/of opleidingen die passend zijn bij hun werkzaamheden. 13.11.5 Praktische en specialistische begeleiding Er wordt voor wat betreft het pgb-tarief bij de maatwerkvoorziening begeleiding onderscheid gemaakt tussen praktische en specialistische ondersteuning. Voor praktische ondersteuning is een mbo-diploma vereist en voor specialistische ondersteuning een hbo-diploma. Praktische begeleiding Het gaat hier echte praktische begeleiding, zoals hulp bij de administratie. Hier is geen methodisch handelen bij nodig. Er is voor praktische begeleiding ondersteuning geen specifieke kennis van ziektebeelden of behandelmethoden vereist om de praktische begeleiding te kunnen (mogen) bieden. Het spreekt voor zich dat de ondersteuner wel enige algemene kennis moet hebben van de ‘doelgroep’ aan wie de begeleiding wordt geboden. Specialistische begeleiding Het gaat bij specialistische begeleiding om individuele begeleiding waarbij methodisch handelen nodig is gericht op gedragsverandering of gedrag te leren hanteren bij gedragsproblemen of een psychische stoornis. Er is kennis van ziektebeelden of behandelmethoden vereist om specialistische ondersteuning te kunnen (mogen) bieden. Periodieke bijscholing Verder geldt dat professionals periodiek relevante bijscholing volgen om de kwalificatie-eisen op peil te houden.

Hiermee wordt ook voorkomen dat bij een verouderd diploma niet meer aan de kwalificatieeisen wordt voldaan. Op basis van de Verordening sluit het college aan bij het gecontracteerde aanbod. Afgeronde opleidingen zijn in ieder geval: • Hbo en Wo-opleidingen, de onderdelen gedrag en maatschappij, gezondheidszorg, uit het landelijke Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs (CROHO); • Mbo-opleidingen, opleidingsdomein 15 Zorg en welzijn en Associate degrees uit het Centraal Register Beroepsopleidingen (Crebo). HKZ-certificaat Een professional kan ook gecertificeerd zijn met een HKZ-certificaat. In dat geval is aangetoond, net als voor het gecontracteerde aanbod, dat wordt voldaan aan de gestelde kwalificatie-eisen.

94

No. 25.0002254

Professionele standaard Gaat het om derden die in dienst zijn bij een professionele organisatie of als Zzp’er werkzaam zijn, dan zijn kwaliteit en cliëntgerichtheid onderdeel van de professionele standaarden die gelden binnen de beroepsgroep. Dat volgt bijvoorbeeld uit de Beroepscode voor professionals in sociaal werk (BPSW) waar de professional bij is aangesloten.

Uitzondering Het college kan afwijken van het moeten beschikken over actuele kwalificaties en/of diploma’s als de ondersteuner: • beschikt over een verouderd maar wel relevante diploma, en • aantoonbare werkervaring heeft waarmee vastgestelde resultaten zijn of worden behaald, en • relevante bijscholing succesvol heeft afgerond in de twee jaar voorafgaand aan de te bieden begeleiding. Besteding pgb professional Het kan gaan om een derde die in dienst is bij een professionele organisatie of als Zzp’er werkzaam is. Het college beoordeelt in ieder geval ook of: • de ondersteuner de omvang/intensiteit van de ondersteuning kan bieden. Deze vraag zal zich voornamelijk voordoen bij Zzp’ers. Die zullen namelijk ook door andere budgethouders (cliënten) kunnen worden ingekocht. Denk in dit geval aan de 40-urige werkweek. • de beoogde ondersteuner niet al (te) lang betrokken is bij de budgethouder (cliënt), zijn gezin en/of personen uit het sociaal netwerk. Dat wil zeggen dat het college onderzoek doet naar de vraag of er nog wel sprake is van voldoende professionele distantie om het resultaat te bereiken. Dat kan bijvoorbeeld blijken uit het ontbreken van voortuitgang in het behalen daarvan. • De budgethouder die is aangewezen op specialistische begeleiding een gekwalificeerde vervanger heeft.

13.11.6 Niet-professional (diensten) Voor niet-professionals gelden geen specifieke kwalificatie-eisen zoals bij professionals. Het college stelt wel vast of de niet-professional in staat is de aangewezen ondersteuning te bieden. Bij huishoudelijke ondersteuning zal dat in het algemeen niet tot problemen leiden. Bij begeleiding kan dat anders liggen. Aangewezen op professionele ondersteuning Uit de noodzaak van de maatwerkvoorziening in natura zal doorgaans blijken of de cliënt -gelet op de problematiek- aangewezen is op professionele ondersteuning. Dat wil zeggen dat aan de ondersteuning kwalificatie-eisen verbonden zijn die (alleen) een professional kan bieden. Denk ook aan de noodzaak van voldoende ‘professionele’ distantie. Wanneer het college dat heeft vastgesteld, kan de ondersteuning niet worden geboden door een persoon uit het sociaal netwerk of een andere nietprofessional. Het college hoeft in die gevallen niet meer te beoordelen of de persoon uit het sociaal netwerk aan wie de budgethouder het pgb wenst te besteden voldoet aan de kwaliteitseisen die in redelijk gesteld mogen worden (zie hierna). De budgethouder zal dan een door het college goed te keuren professionele ondersteuner moeten inschakelen. Lukt dat niet, dan weigert het college het pgb en zal een maatwerkvoorziening in natura worden verstrekt.

Besteding pgb niet-professional Bij niet-professionals gaat het om personen uit het sociaal netwerk of andere personen die geen professional zijn. Het college beoordeelt in ieder geval ook of: • de persoon uit het sociale netwerk in staat is om de noodzakelijke ondersteuning te bieden. En zo ja, waar blijkt dat uit?

95

• voldoende aannemelijk is dat de persoon aan wie het pgb wordt besteed niet overbelast is of dreigt te geraken. • de persoon uit het sociale netwerk de omvang/intensiteit van de ondersteuning wel kan bieden. Het college gaat uit van een 40-urige werkweek inclusief de te bieden ondersteuning. Reguliere werkzaamheden van die persoon, maar ook andere activiteiten kunnen daarbij een rol spelen. • Te veel (emotionele) betrokkenheid van de persoon uit het sociale netwerk kan een negatief effect hebben op de relatie cliënt-ondersteuner. De cliënt kan daardoor ook (te) afhankelijk worden van de persoon uit het sociale netwerk. 13.11.7 Woningaanpassing en hulpmiddel Het spreekt voor zich dat een woningaanpassing moet voldoen aan de vereiste kwaliteitseisen waaronder de veiligheid. Om die reden zal uit bijvoorbeeld een offerte een door het college goed te keuren Programma van Eisen moeten blijken. Woningaanpassingen zullen in dat kader in ieder geval moeten voldoen aan de eisen van het vigerende Besluit bouwwerken leefomgeving. Daarnaast kan het zijn dat in de bouwvergunning of de afwijking van het bestemmingsplan voorwaarden staan waar de woningaanpassing aan moet voldoen. Aan degene die de woningaanpassing zal gaan uitvoeren mag het college om voornoemde redenen dan ook kwaliteitseisen stellen. Bijvoorbeeld het beschikken over het BouwGarantKeurmerk.

De kwaliteitseisen van een hulpmiddel zijn afhankelijk van het soort hulpmiddel en de daarvoor geldende eisen die gelden voor het door het college gecontracteerde aanbod. 13.11.8 Kwaliteit (doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht) Onder doeltreffend wordt verstaan ‘waarmee het doel/resultaat wordt bereikt’. Met het pgb moet ondersteuning worden ingekocht die efficiënt en effectief moet zijn om dat doel/resultaat te bereiken. Het college kan daar gedurende de budgetperiode onderzoek naar doen maar in ieder geval bij een verzoek om verlenging van de indicatie in de vorm van een pgb. Kwaliteit en doelmatig Onder doelmatig wordt verstaan het zo goed mogelijk bereiken wat met het pgb is beoogd. Zie ook hiervoor. Kwaliteit en cliëntgericht De ondersteuning is gericht op de cliënt, met zijn belangen en wensen als uitgangspunt. Cliëntgerichtheid kan daarom ook te maken hebben met de samenwerking tussen de budgethouder (cliënt) en de ondersteuner. 13.12 Besteding pgb Voor het pgb geldt in het algemeen een ruime mate van bestedingsvrijheid. Dat wil zeggen dat het pgb mag worden besteed aan een maatwerkvoorziening waarmee het door het college vastgestelde resultaat wordt bereikt.

13.12.1 Besteding pgb geschikt voor het doel Tot slot moet (in het kader van kwaliteit) de door de budgethouder in te kopen maatwerkvoorziening in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt (art. 2.3.6 lid 3 Wmo 2015). Dat kan blijken uit de noodzaak en aard van een aangewezen maatwerkvoorziening (indicatie in natura) en vastgestelde te behalen resultaten. Mede gelet op de bestedingsvrijheid zal dat in ieder geval wel moeten blijken uit het Budgetplan. Daarin staat waar de bestedingsdoelen (resultaten) van het pgb op zijn gericht. Indicatie begeleiding groepsverband De cliënt voor wie een indicatie dagactiviteiten is vastgesteld, mag het pgb niet aan individuele begeleiding besteden als voor het te bereiken resultaat van belang is om de begeleiding in groepsverband te ontvangen op een daarvoor bestemde (geschikte) locatie.

96

No. 25.0002254 13.12.2 Geen doorkruising wettelijke systematiek Artikel 9.4 lid 1 Verordening Om doorkruising met de wettelijke systematiek te voorkomen bepaalt de Verordening dat het pgb niet mag worden besteed aan een: • algemeen gebruikelijke voorziening, en/of • persoon die tot de leefeenheid van de budgethouder behoort en gebruikelijke hulp op zich zou moeten nemen, maar daartoe (tijdelijk) niet in staat is wegens overbelasting of dreigende overbelasting. 13.12.3 Beperking bestedingsvrijheid Bij hulpmiddelen kan veiligheid betrekking hebben op de bestedingsvrijheid. Een voorbeeld. Als een traplift in natura door het college niet als veilige maatwerkvoorziening in natura wordt aangemerkt, dan mag de budgethouder met een pgb geen traplift aanschaffen. 13.12.4 Kostensoorten en declareren Artikel 9.4 lid 3, 4 en 5 Verordening In de Verordening zijn een aantal kostensoorten uitgezonderd. Dat wil zeggen dat het pgb daar niet aan mag worden besteed. Verder geldt dat de declaraties geen vast maandbedrag mogen bevatten, tenzij het huishoudelijke ondersteuning betreft. Dat wil zeggen voor andere diensten wordt altijd gedeclareerd in tijd. Ook geldt dat het college geen gebruik maakt van een zogeheten verantwoordingsvrij bedrag. Gemeenten zijn vrij om dat te bepalen.

13.12.5 Termijn besteding pgb Artikel 9.5 lid 2 en 3 De Verordening schrijft voor binnen welke termijn de budgethouder (cliënt) het pgb moet besteden. Die termijn is afhankelijk van de maatwerkvoorziening die met het pgb wordt ingekocht. Wanneer de budgethouder het pgb niet binnen de geldende termijn heeft besteed, dan doet het college onderzoek naar de reden hiervan. Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek kan er aanleiding zijn om over te gaan tot herziening of intrekking van het pgb-besluit. 13.13 Overige weigeringsgronden pgb Er zijn nog twee wettelijke uitsluitingsgronden voor het pgb (art. 2.3.6 lid 5 Wmo 2015). Het college is bevoegd daarover een beleidsregel vast te stellen. 1. Duurdere maatwerkvoorziening Het kan voorkomen dat de budgethouder een duurdere maatwerkvoorziening wil inkopen terwijl het pgb alleen toereikend is om de geïndiceerde maatwerkvoorziening in te kunnen kopen. In dat geval weigert het college het meerdere van de kosten die daarmee gemoeid zijn (CRVB:2018:2829). Het is dan aan de budgethouder om de meerkosten zelf te betalen. Let wel het college beoordeelt nog steeds of de kwaliteit van de in te kopen (duurdere) maatwerkvoorziening voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

Als college aanleiding heeft om te twijfelen of de budgethouder de in te kopen maatwerkvoorziening wel kan bekostigen, zal de budgethouder daar desgevraagd bewijsstukken van moeten overleggen. Dit om te voorkomen dat toch een maatwerkvoorziening van onvoldoende kwaliteit wordt ingekocht of de budgethouder een maatwerkvoorziening inkoopt waarmee hij niet gedurende de (gehele) budgetperiode kan voorzien in zijn ondersteuningsbehoefte. Bijstorten diensten De regeling voor de vrijwillige storting is vereenvoudigd (voorheen artikel 2b lid 6 Uitvoeringsregeling Wmo 2015). In de praktijk is de werkwijze ontwikkeld dat wanneer een declaratie wordt ingezonden, en er onvoldoende geld beschikbaar is in het pgb, de SVB een uitnodiging stuurt aan de budgethouder om geld bij te storten. In die zin geldt dan de declaratie (in geval er onvoldoende geld is) als een aanvraag voor het betalen van maatschappelijke ondersteuning. Een budgethouder hoeft dan niet nog eens een aanvraag van een betaling te doen, maar hoeft enkel bij de SVB het benodigde bedrag bij te storten

97

naar aanleiding van de uitnodiging van de SVB. Dit reduceert administratieve lasten voor de budgethouders. 2. Pgb-besluit eerder ingetrokken Heeft het college eerder een pgb-besluit ingetrokken, dan komt de cliënt gedurende 12 maanden niet voor een pgb in aanmerking (art. 2.3.6 lid 5 aanhef en onderdeel b Wmo 2015). De termijn gaat in vanaf de datum van het herzienings- of intrekkingsbesluit. Er wordt gesproken van een zogeheten preventieve weigering. Dat wil zeggen dat het college een pgb-verzoek kan weigeren zonder te beoordelen of wordt voldaan aan de voorwaarden van de pgb-vaardigheid. 13.14 Hoogte pgb In hoofdstuk 9 van de Verordening is bepaald hoe de hoogte van het pgb voor de verschillende soorten maatwerkvoorzieningen wordt vastgesteld. In het Besluit zijn de tarieven opgenomen. 13.14.1 Diensten Artikel 9.7 Verordening Voor diensten gelden gedifferentieerde percentages van de tarieven of het wettelijk minimumloon. Het is afhankelijk van de derde aan wie de budgethouder het pgb wil besteden. Het kan gaan om: • ondersteuners die in dienst zijn van een professionele organisatie of • die werkzaam zijn als Zzp’er; of • personen uit het sociaal netwerk; en • personen die niet onder een van de hiervoor genoemde categorieën vallen. Denk bijvoorbeeld aan een student met een bijbaan. In het Besluit staan de tarieven per uur die het college hanteert.

Werkgeverslasten Artikel 9.7 lid 1 onder a sub 3 en onder c sub 3 Verordening Indien de budgethouder werkgeverslasten moet afdragen, wordt het pgb met die lasten verhoogd. Begripsbepalingen In de Verordening zijn begripsbepalingen opgenomen van een professionele organisatie en een Zzp’er. Dat is van belang omdat de hoogte van het pgb daar op wordt gebaseerd. In principe moet zijn voldaan aan de begripsbepaling om in aanmerking te komen voor het van toepassing zijnde percentage van het tarief. Beroepshalve werkzaam Een van de voorwaarden is de inschrijving bij de Kamer van Koophandel (KvK). Uit de inschrijving bij de KvK blijkt ook de rechtsvorm. Zzp’ers kunnen bijvoorbeeld een eenmanszaak of een besloten vennootschap zijn (directeur-eigenaar). Ook kunnen Zzp’ers samenwerken in een coöperatie. Een coöperatie kan als rechtspersoon personeel in dienst hebben, maar dat hoeft niet. Mix-tarief (hbo-mbo) Voor begeleiding individueel hanteert het college twee tarieven. Het tarief is afhankelijk of er voor de individuele begeleiding mbo- of hbo-deskundigheid is vereist (praktisch of specialistisch). Wordt door een en dezelfde persoon zowel de praktische als ook specialistische begeleiding geboden, dan wordt een mix-tarief berekend. In zulke gevallen accepteert de Svb namelijk maar één overeenkomst met één tarief.

De hoogte van het mix-tarief is afhankelijk van de omvang van de indicatie. Tarief professional volgens budgetplan Het college stelt de hoogte van het pgb ter besteding aan een professional lager vast als dat in het budgetplan staat. Pgb voor professional niet toereikend

98

No. 25.0002254 Het college wijkt alleen af van de percentages van het tarief als de cliënt aantoont dat het pgb te laag is om de noodzakelijke hulp in te kunnen kopen. Beschermd wonen De Verordening bepaalt de hoogte van het pgb om de indicatie voor beschermd wonen in te kunnen kopen bij een door het college goedgekeurde partij. De gemeente Almere ontvangt het budget van het Rijk en beslist ook op de aanvraag om beschermd wonen. Dat geldt ook als de cliënt de indicatie in de vorm van een pgb wenst te ontvangen. Omdat het bij beschermd wonen gaat om een kwetsbare doelgroep kan het college kort na het toekenningsbesluit een tussentijds onderzoek doen om te beoordelen om het pgb daadwerkelijk wordt besteed waarvoor het is verstrekt. Dit ter bescherming van de budgethouder. 13.14.2 Hulpmiddelen Artikel 9.8 Verordening De hoogte van het pgb voor hulpmiddelen bedraagt niet meer dan het maximum van de kostprijs waaronder inbegrepen de instandhoudingskosten of andere bijkomende noodzakelijke kosten in natura. Het kan gaan om een huur- of koopprijs die het college verschuldigd is aan de aanbieder of een prijs die gebaseerd is op een offerte. Mogelijk zit het aangewezen hulpmiddel niet in het assortiment van de gecontracteerde partij en zijn door het college geen afspraken gemaakt dat de aanbieder het aangewezen hulpmiddel aanschaft.

Offertes In die gevallen zal de hoogte van het pgb worden vastgesteld op basis van de koopprijs die het college verschuldigd is (of zou zijn) aan de aanbieder (al dan niet naar rato in verband met de economische afschrijftermijn). Bijkomende noodzakelijke kosten zoals instandhoudingskosten kunnen worden meegenomen. Het college kan zelf een offerte opvragen of de offerte wordt door de cliënt overhandigd. Het kan ook om meerdere offertes gaan zodat het college de goedkoopst passende bijdrage kan vaststellen. Huurprijs en budgetperiode Het college gaat daarbij uit van het geïndiceerde hulpmiddel en de afschrijvingsperiode die daarvoor wordt gehanteerd. De maandelijkse kostprijs (huurprijs) wordt vermenigvuldigd met 12 maanden en de afschrijvingsperiode in jaren (budgetperiode). Hoogte instandhoudingskosten Voor maatwerkvoorzieningen worden de reële instandhoudingskosten vastgesteld in het individuele toekenningsbesluit. De omvang van de budgetperiode kan daarbij een rol spelen. Voor 2025 geldt de nieuwe aanbesteding voor trapliften. 13.14.3 Woningaanpassing Het spreekt voor zich dat de te realiseren woningaanpassing moet voldoen aan de vereiste kwaliteitseisen waaronder de veiligheid. Om die reden zal uit bijvoorbeeld de offerte een door het college goed te keuren Programma van Eisen moeten blijken.

Er zijn woningaanpassingen die ook moeten voldoen aan het vigerende Besluit bouwwerken leefomgeving. Daarnaast kan het zijn dat in de bouwvergunning of afwijking van het bestemmingsplan voorwaarden staan waar de woningaanpassing aan moet voldoen. Overige kosten Het college kan, naast de kosten van de woningaanpassing zelf, ook nog andere noodzakelijke kostenposten in aanmerking nemen. Denk bijvoorbeeld aan de kosten van architect of legeskosten. In het Besluit staat wanneer het pgb voor een complexe woningaanpassing kan worden verhoogd.

99

13.15 Verlenging indicatie Bij een verzoek om verlenging is sprake van een nieuwe melding van een ondersteuningsvraag en een daaropvolgende nieuwe aanvraag. Het college beoordeelt bij een verzoek om verlenging van de indicatie in de vorm van een pgb ook of tijdens de voorafgaande indicatie de resultaten (voldoende) zijn behaald. Wanneer de cliënt de ondersteuning wederom aan dezelfde derde wenst te besteden wordt niet voldaan aan de voorwaarde van pgb-vaardigheid, tenzij een afdoende verklaring wordt gegeven waarom de resultaten niet zijn bereikt. Het college zal de cliënt in de gelegenheid moeten stellen om met een andere derde een overeenkomst aan te gaan die wel voldoet aan de vereisten. Wordt daar niet aan voldaan dan weigert het college het pgb en wordt een maatwerkvoorziening in natura verstrekt. Lichte toetsing Na afloop van de indicatie kan de cliënt zich opnieuw melden bij het college met het oog op een verlenging van de indicatie voor ondersteuning. Wanneer het college vaststelt dat de cliënt nog steeds is aangewezen op een maatwerkvoorziening, dan kan de cliënt ook weer een verzoek doen om een pgb.

Hebben zich in de voorafgaande periode van pgb-verlening geen onregelmatigheden voorgedaan en heeft het college ook anderszins geen reden om te twijfelen of (nog) wordt voldaan aan de voorwaarden (wet en verordening), dan kan het onredelijk zijn om met de cliënt de intensieve beoordeling van voorwaarden opnieuw te doorlopen. In voorkomende gevallen betekent dit dat het college slechts een lichte toetsing toepast. Wel geldt onverkort dat (opnieuw) een Budgetplan (bij diensten) moet worden opgesteld, behalve voor huishoudelijke ondersteuning. 13.16 Pgb en verblijf buiten Noordoostpolder of in het buitenland Het college verstrekt een maatwerkvoorziening aan cliënten die feitelijk hun hoofdverblijf in Noordoostpolder hebben. Voor diensten betekent dit in de praktijk dat het verstrekte pgb in principe niet mag worden besteed in het geval de cliënt buiten de gemeente of in het buitenland verblijft. Denk bijvoorbeeld aan vakantie. Voor huishoudelijke ondersteuning geldt immers dat het bestemd is voor de woning waar de cliënt woonachtig is. Van de cliënt wordt daarom ook verwacht dat hij een vakantie- of verblijfslocatie kiest waar hij geen huishoudelijke ondersteuning nodig heeft. Voor begeleiding kan dat anders liggen.

Termijn verblijf buiten de gemeente op aanvraag Volgens het Besluit is het toegestaan om een toegekend pgb voor ondersteuning in de vorm van begeleiding gedurende maximaal 13 weken per kalenderjaar te besteden buiten Noordoostpolder, mits de noodzaak van (meer) ondersteuning niet (enkel) voortvloeit uit het verblijf buiten Noordoostpolder. Het zal in de praktijk gaan om situaties waarbij degene aan wie het pgb wordt besteed de ondersteuning ook daadwerkelijk buiten de gemeente biedt. Termijn verblijf buitenland op aanvraag Volgens het Besluit is het toegestaan om een toegekend pgb voor ondersteuning in de vorm van begeleiding gedurende maximaal zes weken per kalenderjaar te besteden in het buitenland, mits de noodzaak van (meer) ondersteuning niet (enkel) voortvloeit uit het verblijf in het buitenland. Ook bij verblijf in het buitenland zal het in de praktijk gaan om situaties waarbij degene aan wie het pgb wordt besteed de ondersteuning ook daadwerkelijk in het buitenland biedt. Daaronder kan ook het bieden van begeleiding vanuit Nederland via bijvoorbeeld beeldbellen worden verstaan. Het college kan de termijn van zes weken op aanvraag verlengen als bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven. Daar zal in de praktijk zelden sprake van zijn.

Hoofdstuk 14 Tegemoetkoming meerkosten Hoofdstuk 11 Verordening Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp

100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/2313/documents/43779