D13 00 Rapport deskundigencommissie.pdf
Tekst van het document
d) Verschillende bestuursstijlen Het sociaal domein is vanuit een bestuurlijk perspectief een ingewikkeld domein, omdat het om relaties tussen mensen gaat. Ieder mens heeft eigen voorkeuren, problemen en belangen. Die veelvormigheid treffen we niet alleen aan bij mensen die zorg of ondersteuning nodig hebben, we zien het ook bij de bestuurders en de professionals die op verschillende niveaus en binnen verschillende waardensferen in organisaties in het sociale domein werkzaam zijn. Omdat het verschil maakt vanuit welke logica zij opereren is het van belang dat bestuurders zich daarvan bewust zijn. In het sociaal domein volstaan we niet met de neiging die we vanuit een bestuurlijke logica hebben om die veelvormigheid te lijf te gaan door een steeds verdere verfijning van regels. Hirsch Ballin verwoordde dat treffend: Juist in de ruimte van wat we niet in regels kunnen omschrijven gebeurt iets betekenisvols: een moment van aandacht voor het bijzondere van iemands leefsituatie, een moment wellicht van bestuurlijke- en juridische creativiteit.
Uit de gesprekken kwam naar voren dat er bestuurders zijn die sterk verbonden zijn met individuele casuïstiek en dat er bestuurders zijn die individuele casuïstiek meer op afstand willen houden, omdat zij vinden dat bestuurders zich niet met de dagelijkse uitvoeringspraktijk moeten bemoeien, maar dit moeten overlaten aan het management en aan de professionaliteit van uitvoerend professionals. Dat zijn verschillende bestuursstijlen, waarover onderling wel beelden en soms oordelen zijn, maar waarover zelden met elkaar wordt gesproken. De bestuurders die ervoor kiezen om dicht bij individuele casuïstiek van inwoners betrokken te zijn, proberen daarmee te begrijpen waar de knoppen zitten om aan te draaien om de systeemwereld weer dienstbaar te laten zijn aan de mensen voor wie de systemen ooit zijn bedacht. Die bestuurlijke houding sluit aan bij het betoog van de filosoof John Dewey, die als een van de grondleggers van het pragmatisme wordt gerekend. Hij is van mening dat de problemen die mensen in hun dagelijks leven tegenkomen weer als vertrekpunt van bestuur, beleid en onderzoek moeten worden gerekend. Het bestuurlijke gesprek zou daar ook in Flevoland explicieter over moeten gaan, met respect voor de verschillende bestuursstijlen. Goed voorbereide casuïstiekbesprekingen kunnen mogelijk daarbij
18
behulpzaam zijn. Op dit moment ligt de focus in alle bestuurlijke overleggen nog te vaak op domeindiscussies en op de financiële aspecten daarvan en niet op de gezamenlijke verantwoordelijkheid om vanuit het perspectief van de mensen waarvoor we het uiteindelijk toch allemaal doen belemmeringen weg te nemen of de best passende ondersteuning te bieden. Bestuurders kunnen ook nog veel meer dan nu het geval is een omgeving te creëren, waarin het politiek-bestuurlijk gedoe voor alle hiervoor verantwoordelijke professionals (waaronder óók de leidinggevenden) op gepaste afstand kan worden gehouden.
19
5. AANBEVELINGEN Op basis van alle gesprekken die wij hebben gevoerd, de bestudeerde informatie en onze analyse komen wij tot een aantal aanbevelingen. Daarbij zullen wij, ook conform onze opdracht, geen oordeel geven over de juridische geschillen die zich de afgelopen periode hebben voorgedaan, We beseffen dat er geen eenvoudige oplossingsrichtingen zijn. Er zijn meerdere factoren die een rol spelen in hoe de huidige situatie is ontstaan en ook op persoonlijk niveau voelen veel betrokkenen zich geraakt. Tegelijkertijd is er ook de overtuiging dat de huidige situatie niet zo kan blijven bestaan. Dat betekent dat om volgende stappen te zetten alle betrokkenen bereid moeten zijn ruimte te bieden, perspectieven van anderen te erkennen ook als men het daar niet mee eens is en moet beseffen dat het een langer proces vraagt. Een proces waarin waarschijnlijk ook tegenslagen zullen zijn en eventuele (voor-)oordelen over elkaar ondanks ieders inzet bevestigd zullen worden. Gezamenlijk doorgaan en reflecteren is echter de enige optie. Daarbij is het wel van belang gezamenlijk te bespreken wat in de huidige bestuursperiode prioriteit moet hebben en wat in de nieuwe bestuursperiode meer aandacht moet en kan krijgen. Alles afwegend komt de commissie met de volgende aanbevelingen: 1.
Bescherming van kinderen voorop in elke gemeente van Flevoland Alle bestuurders in de regio hechten er belang aan dat gedaan wordt wat wérkelijk van betekenis is voor ouders en kinderen. Zij willen allen dat er anders wordt gewerkt, namelijk door vanuit het kleine (het kind, het gezin) naar het grote (het beleid, het systeem) te denken in plaats van andersom. Wel zijn er accentverschillen in welke mate fundamentelere veranderingen wenselijk zijn. Een opmerking als “u gaat daar niet over” past niet bij een manier van denken waarin men het anders wil doen. Dit soort domeindiscussies worden zelden in het belang van de betrokken kinderen of hun ouders beslecht. Het is voor responsief overheidshandelen essentieel dat de verantwoordelijke bestuurder zich verbindt met de mensen waar het om gaat, ongeacht hun woonsituatie, de wet die op hen van toepassing is, de partij die voor financiering van de zorg of ondersteuning verantwoordelijk is en welke andere domeindiscussie dan ook. Het vergt visie, moed en vasthoudendheid om bij ieder vraagstuk dat zich in het sociale domein aan bestuurders opdringt bewust en openlijk te kiezen voor wat voor de betrokken inwoners op het individuele niveau van betekenis is.
Als vanuit die centrale notie oplossingen worden gevonden, dan kunnen alle professionals die daarbij betrokken zijn zelf ook hun verantwoordelijkheid nemen en dan hoeft de domeindiscussie helemaal niet meer aan de orde te komen. In onze analyse gingen wij in op de uitgangspunten van de wet en van internationale kinderrechtenstandaarden ten aanzien van een effectief jeugdhulp- en jeugdbeschermingsstelsel in Nederland. Daarbij staat voorop dat elk kind recht heeft op bescherming; in de eerste plaats zijn ouders daarvoor verantwoordelijk, maar als zij daartoe niet in staat zijn, moet de overheid instappen om kinderen de benodigde bescherming te bieden. Internationale mensen- en kinderrechtendocumenten bieden geen blauwdruk voor een jeugdbeschermingsstelsel en geven evenmin antwoord op de vraag wanneer het voor de overheid noodzakelijk is om zich te mengen in het gezinsleven ter bescherming van een kind en wanneer ouders nog voldoende in staat zijn om zonder overheidsbemoeienis voor hun kinderen te zorgen. In Nederland is Veilig Thuis verantwoordelijk voor het onderzoeken van meldingen over vermoedens van kindermishandeling en is de Raad voor de Kinderbescherming verantwoordelijk voor een beslissing over de vraag of gedwongen bescherming voor een kind noodzakelijk is in een concrete situatie, waarna uiteindelijk de rechter hierover beslist.
Gemeenten hebben als taak om Veilig Thuis te faciliteren en te ondersteunen en om samenwerking te stimuleren tussen Veilig Thuis, de politie, de Raad voor de Kinderbescherming, gecertificeerde instellingen en jeugdhulpaanbieders. Ook moeten gemeenten zorgen voor een aanspreekpunt binnen de gemeente waar door deze partners zorgen en crisissituaties ter bespreking kunnen worden voorgelegd. Wij adviseren de gemeente Lelystad om deze samenwerking en dit aanspreekpunt te organiseren dan wel te verbeteren, waarbij concrete casuïstiek rond kinderen en gezinnen centraal mag en zelfs moet staan.
20
(Het adagium “één gezin, één plan, één contactpersoon” is en blijft voor de gezinnen die het betreft heel belangrijk). We hebben geconstateerd dat er blijkbaar onduidelijkheid bestaat bij partners wie waarop aanspreekbaar is binnen de gemeente Lelystad en dat dit bijdraagt aan misverstanden. Het zorgen voor mensen die blijvend aanspreekbaar zijn, ook indien er sprake mocht zijn van verschillen van inzicht, kan waarschijnlijk bijdragen aan het verbeteren van de samenwerking. Hierbij kan mogelijk gebruik worden gemaakt van de ervaringen van de andere vier gemeenten in Flevoland en kan het gesprek met elkaar worden gevoerd over de wijze waarop dit het beste te realiseren is. Ook adviseren wij dat de gemeenten in de regio Flevoland voortdurende aandacht hebben voor rechtsbescherming en de kwetsbaarheid van gezinnen, kinderen en jongeren tegenover de lokale overheid en dit op ambtelijk en bestuurlijk niveau op de agenda zetten. 2. Voer als regio het gesprek over de inhoudelijke visie op jeugdzorg In haar brief d.d. 17 april 2025 schrijft de gemeente Lelystad: “Het is duidelijk dat de gemeente Lelystad en de andere gemeenten in de regio op sommige onderdelen van visie verschillen.
Kort gezegd staat Lelystad een lijn voor waarbij ouders de regie over het leven van hun kind behouden, zelfredzaamheid en ondersteuning binnen de gemeenschap belangrijke vertrekpunten zijn en zware en langdurige jeugdhulp zoveel mogelijk wordt beperkt. De commissie heeft geconcludeerd dat er op hoofdpunten van de visie feitelijk geen verschil bestaat. Ook de andere vier Flevolandse gemeenten willen dat ouders maximale regie houden over het leven van hun kind, dat zelfredzaamheid en ondersteuning binnen de lokale context vertrekpunt is en dat zware en langdurige jeugdhulp zoveel mogelijk moet worden beperkt. Er is wel een verschil in visie als het gaat over de rol van de overheid waar het gaat om al niet ingrijpen in mogelijk risicovolle situaties, het tempo waarin deze optimale situatie moet/kan worden bereikt en over de rol die zorgaanbieders en maatschappelijke partners daarbij spelen. De aanbeveling van de commissie is om op basis van gedeelde uitgangspunten (zoals hierboven benoemd) tussen de wethouders van de regiogemeenten een gesprek te voeren (met goede gespreksbegeleiding), zodat duidelijk is welke waarden voor alle gemeenten centraal staan bij het vormgeven van regionaal jeugdbeleid. Wij denken dat vanuit de gemeenschappelijke opgave waarden te destilleren zijn waardoor er preciezer met elkaar gesproken kan worden over de verschillende accenten.
Stel op basis daarvan vervolgens gezamenlijke leidende principes op voor toekomstige besluiten (bijv. “we steunen plannen alleen als ze bijdragen aan…”). 3. Hervat de bestuurlijke samenwerking van de vijf gemeenten De gemeente Lelystad heeft zowel mondeling als schriftelijk blijk gegeven van de wens tot bestuurlijke samenwerking. Naar het oordeel van de gemeente Lelystad mag dit verschil van inzicht niet in de weg staan aan de vormgeving van een gemeenschappelijke regeling. Nu het door Lelystad genoemde verschil van inzicht feitelijk niet blijkt te bestaan, acht de commissie het haalbaar én ook wenselijk als de colleges van Almere, Dronten, Noordoostpolder, Urk én Lelystad verder werken aan de nieuwe gemeenschappelijke regeling, de regiovisie en de toekomstige inkoop van jeugdhulp. In de commissiebrief van VWS d.d. 28 maart 2025 wordt duidelijk gesteld dat: gemeenten op grond van de huidige Jeugdwet verplicht zijn om samen te werken indien dat voor een doeltreffende en doelmatige uitvoering van de Jeugdwet aangewezen is. Er zijn op dit moment geen verdere eisen gesteld aan de inhoud en de schaal van de samenwerking.
In het wetsvoorstel Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg en bijbehorend ontwerpbesluit krijgen colleges de verplichting met de colleges van de andere gemeenten in de regio een gemeenschappelijke regeling te treffen, waarin zij een Jeugdregio oprichten die de taak krijgt bij amvb aangewezen vormen van specialistische jeugdhulp in te kopen en gecertificeerde instellingen te subsidiëren voor de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. Op basis van de toetsing van de huidige 42 jeugdregio’s zijn in het ontwerpbesluit Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg de gemeenten Almere,
21
Dronten, Lelystad, Noordoostpolder en Urk aangewezen als regio Flevoland. Dat betekent dat zij – na inwerkingtreding van het wetsvoorstel - met elkaar en in afstemming met de betrokken aanbieders en de gecertificeerde instellingen de samenwerking moeten vormgeven om een dekkend zorglandschap in de regio te bevorderen. De vijf Flevolandse gemeenten zijn voornemens om met een nieuwe gemeenschappelijke regeling gehoor te geven aan het Wetsvoorstel Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg. De kaders waaraan regio’s moeten voldoen volgens dit wetsvoorstel zijn, dat iedere regio een regiovisie moet opstellen, een Gemeenschappelijke Regeling moet hebben en de zorgvormen op de lijst van zorgvormen die zijn vastgelegd in een amvb op minimaal regionaal niveau moet inkopen. Hoe de regio’s verdergaande samenwerking vorm willen geven, is aan de regio zelf. De documenten die er nu in de Flevolandse regio liggen passen binnen die kaders en zijn in principe geschikt om als basis te gebruiken. Het grootste bezwaar van de gemeente Lelystad tegen de voorliggende documenten is dat deze verder zou gaan dan de samenwerking waartoe het Wetsvoorstel verbetering beschikbaarheid jeugdzorg verplicht. Het advies van de commissie is dat alle gemeenten de plicht hebben om te handelen conform de nieuwe wet. Er valt niet te tornen aan wat gezamenlijk ingekocht dient te worden.
Tegelijkertijd vraagt de samenwerking in de regio tijd en is het niet logisch om direct naar een tien te gaan maar is een zes ook voldoende. In artikel 3 van de intentieovereenkomst wordt nu verwoord: De regiogemeenten zijn samen verantwoordelijk voor een regionaal zorglandschap – ten behoeve van gezinnen die in Flevoland ondersteuning krijgen op basis van Jeugdwet of Wmo – en het hiervoor neerzetten van een robuuste regionale uitvoeringsorganisatie, Een zes (en daarmee dus een voldoende) zou kunnen zijn (conform het voorstel Lelystad): De regiogemeenten zijn samen verantwoordelijk voor de inkoop en subsidiëring (i) van de diensten waarvoor de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg dit verplicht stelt en (ii) maatschappelijke ondersteuning zoals genoemd in artikel 4 lid 3 van het Dienstverleningshandvest, en voor daarmee samenhangende administratieve processen. Daarvoor willen de regiogemeenten een robuuste regionale uitvoeringsorganisatie inrichten. Door nu eerst te doen wat tenminste gedaan moet worden, kan in een later stadium gewerkt worden aan de groei van het onderlinge vertrouwen, dat voorwaardelijk is aan de in het huidige artikel 3 voorgestelde regionale zorglandschap. Volgens het Wetsvoorstel Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg is de jeugdregio verantwoordelijk voor: a. de inkoop van specialistische jeugdzorg; b.
de subsidiëring van gecertificeerde instellingen c. de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Het regelen van de gezamenlijke inkoop van jeugdzorg in 2026 is een eerste noodzakelijke stap. Daar zit momenteel ook de meeste urgentie op. Met name de kleinere gemeenten in de regio hebben nu veel zorgen om de vertraging. Maar op termijn is geen enkele gemeente geholpen met een uitgestelde aanbesteding. Ook voor uitvoerende organisaties is het onwerkbaar als de inkoop jeugdzorg wordt vertraagd of versnipperd. De regio is gezegend met een organisatie waarin de administratieve processen voor relatiemanagement, monitoring en gegevenslevering door aanbieders goed op orde zijn. Het gaat er nu om dat de colleges van de regiogemeenten gaan doen wat nodig is. Dit vraagt een gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle betrokken bestuurders. Om uit de huidige impasse te komen adviseert de commissie om te kiezen voor de methode van consentbesluitvorming. Deze manier van besluiten nemen gaat niet uit van een meerderheid versus een minderheid, maar van de afwezigheid van zwaarwegende bezwaren. Deze manier van besluitvorming is
22
gericht op het nemen van voldoende veilige besluiten, die uitgevoerd kunnen worden en eventueel nog bijgesteld kunnen worden, zonder te blijven zoeken naar perfectie of unanimiteit. Het gaat er dus niet om dat iedereen het er helemaal mee eens moet zijn, maar wel dat er door niemand echt wezenlijke risico’s worden gezien. Deze methodiek werkt bij: • besluitvorming met veel complexiteit; • samenwerking waarin duurzaam vertrouwen moet worden opgebouwd; • als besluitvorming versneld moet plaatsvinden, zonder mensen te overrulen. Schakel eventueel externe begeleiding in voor een neutrale gespreksvoering. 4. Wees trots op lokaal beleid De regio Flevoland heeft relatief meer kinderen en jongeren dan andere regio’s. Het is dan ook niet verwonderlijk dat in de vijf Flevolandse gemeenten prachtige initiatieven zijn ontwikkeld op het gebied van gezinsbeleid, samenlevingsopbouw, verantwoord opvoeden en opgroeien en (specialistische) jeugdzorg. Individuele wethouders en de betrokken organisaties zijn daar terecht trots op. Zodra er meer ruimte gevoeld wordt in de samenwerking kan het waardevol zijn om vanuit reflectie en de interesse om te leren daar meer over te delen. Daarbij kan het helpen om wat meer uit te zoomen en te kijken welke principes ten grondslag liggen aan de verschillende aanpakken.
Het gaat er daarbij niet om of de ene aanpak ‘beter’ is dan de andere, maar juist om met elkaar te reflecteren op waarom er vanuit bepaalde principes gewerkt wordt, hoe dat aansluit bij de lokale situatie en wat daar in bredere zin van te leren valt. Zo is de aanpak van de gemeente Lelystad een voorbeeld te noemen van het ontwikkelen van wat in de wetenschap “Democratisch professionalisme” is gaan heten: publieke professionals die hun macht, taken en kennis delen met burgers. Dit is een belangrijke manier om mensen weer grip te geven op hun leven en wantrouwen richting de overheid, instituties en andere burgers te verminderen. Juist nu we voor belangrijke uitdagingen staan, zoals de transitie in de jeugdzorg of het creëren van zorgzame wijken, kunnen publieke instanties en overheden niet zonder samenwerking met burgers. Het is interessant om hier met een onderzoekende bril naar te kijken. Wat gebeurt er precies in Lelystad op het gebied van democratisch professionalisme? Wat werkt daarbij? Hoe wordt daar door andere gemeenten of maatschappelijke partners naar gekeken? De gemeente Urk werkt op basis van het zogenaamde IJslandse preventiemodel met ‘Urk Durft’ aan een lange termijn benadering voor een gezonde veilige en kansrijke leefomgeving voor de jongeren. Dit gebeurt samen met jongeren en de mensen rondom jongeren heen.
Dit is een voorbeeld van een cyclische aanpak die gebouwd is op (inter-)nationale kennis en ervaring en waar meerdere gemeenten in Nederland mee werken. Ook hier wordt ingezet op samenwerking met burgers. Ook in Almere, Dronten en Noordoostpolder bestaan innovatieve benaderingen, samenwerkingsverbanden en voorbeelden. Vreemd genoeg lijkt de kennis over deze initiatieven in het regionale overleg nauwelijks gedeeld. Daardoor ontstaat zowel intern als extern een beeld alsof het in de regio uitsluitend gaat over (juridische) conflicten. Dat beeld klopt niet, want er gaat in alle vijf de gemeenten ook veel goed en er zijn op zijn minst interessante aanpakken met elkaar te delen en successen te vieren. Door dit niet te doen, wordt niet alleen een kans gemist om elkaar te inspireren en om van elkaar te leren, maar ook om Flevoland als innovatieve jeugdregio op de kaart te zetten. De regio kan daarin een grotere rol spelen dan nu het geval is, zonder te treden in de autonomie van gemeenten. Het gaat immers over succesvol lokaal beleid. Door als regio te kijken naar wat er lokaal gebeurt (en daarbij eventueel ook gebruik te maken van de cijfers waarover de regio beschikt) kan worden geleerd van wat werkt en waarom het werkt. Hierdoor ontstaat ook weer een positieve dynamiek in de samenwerking en een beter beeld van de innovatieve kracht van Flevoland naar de buitenwereld.
De commissie adviseert om op ambtelijk én bestuurlijk niveau leerkringen in te richten, zo mogelijk ook met maatschappelijke partners, waarbij geleerd kan worden van elkaars ervaringen. Daarbij zou het moeten gaan om “omgekeerde intervisie”. Niet een probleem staat centraal, maar een succes. Daarbij kan het beste gewerkt worden met een vaste structuur, bijvoorbeeld met het inbrengen van een succesvolle casus binnen één gemeente, het gezamenlijk reflecteren daarop en vervolgens het afpellen van wat hieruit geleerd kan worden. Het kan inspirerend zijn om ervaringsdeskundigen hierbij een stem te geven.
23
Benut als regio de kans om de uitkomsten van de leerkringen “vertelbaar” te maken in vakbladen en in de media. Op de korte termijn vergroot dit het onderlinge respect. Voor de langere termijn kan van hieruit een “Flevolandse aanpak” zichtbaar worden, waar alle Flevolandse gemeenten trots op kunnen zijn.
24
BIJLAGE 1: OVERZICHT VAN BESCHIKBAAR GESTELDE DOCUMENTEN 1. Algemene documenten • Startnotitie Deskundigencommissie • Centrumregeling Sociaal Domein Flevoland • Dienstverleningshandvest 2022 2. GGZ Centraal-Fornhese • 2024.09.24 Jeugdregio Flevoland niet nakoming contractafspraken door Lelystad • 2024.12.02 Brief Lelystad mbt GGZ Fornheze • 2024.12.19 Lelystad niet nakoming contractafspraken • 20250403 brf GGZ Centraal aan gemeente Almere • 20250403 Sommatiebrief gemeente Lelystad • 20250501 Concept dagvaarding kg GGz Centraal • Advies Gemeente Almere inzake geschil Lelystad-Fornhese 3. Handelingskader • 19b1 BL Reactie brief Lelystad • 20250124 Brief aan gemeente Lelystad • 20250221 Reactie op brief zorgaabieders 24 januari 2025 • Brief Almere handelingskader • Brief zorgaanbieders aan regio Flevoland inzake Regionaal Handelingskader 20241216 4. Kort geding aanbesteding JmV 2023 • Memo BOSD Triade Vitree en Plyryn 18 sept def • Regio voert uitspraak rechter uit_Sociaaldomein Flevoland 5. Kort geding GI’s • Concept dagvaarding GI’s -gemeente Lelystad 17042025 6. Lokaal beleid Lelystad • Knoppenplan jeugdzorg Lelystad 7. Ministerie van VWS • Brief VWS aan college Lelystad over financiering VTF • Commissiebrief tweede kamer inzake jeugdzorg Flevoland • Verslag gesprek Flevoland d.d. 28 okt 8.
Nieuwe governance en intentieovereenkomst • 04e1BL Voortgangsbericht regionale samenwerking jeugdhulp BRIEF AAN GEMEENTE LELYSTAD • 20250218 Leidende principes regio Flevoland • 20250324 Concepttekst GRB • Brief aansluiten Lelystad bij voorbereiding nieuwe gemeenschappelijke regeling en inkoop 2027 • Intentieovereenkomst regio Flevoland • Reacties op opmerkingen intentieovereenkomst 9. Operationele processen • Memo toelichting onwerkbare situatie 17 dec 24 10. Rapportage Veilig Thuis • Rapportage KPI’s JmV
25
11. Regio samenwerking • Brief 4 gemeenten hervatting samenwerking • Opmerkingen Lelystad bij voorgesteld intentieovereenkomst 12. Veilig Thuis • 5a Oplegger begroting VTF en brief Z&V • 5b. Brief Z&V • BG2025-033 reactie financiering Veilig Thuis Flevoland • Brandbrief Urgente Knelpunten bij Veilig Thuis Flevoland in Lelystad01 • Brief aan regio m.b.t. ophoging subsidie VTF • Gespreksverslag VTF dec 2024def-opm Lelystad • Reactie Almere op Lelystad inzake subsidie VT • Reactie brief Lelystad inzake subsidie Veilig Thuis -MEMO RACTIE BLIJFGROEP VEILIG THUIS
26
BIJLAGE 2: OVERZICHT VAN GEVOERDE GESPREKKEN Datum 8 mei-2025
Naam Froukje de Jonge
19 mei 2025 en 10 september 2025
Annemieke Messelink
Functie Wethouder Almere (tot 15 mei 2025) Wethouder Lelystad
20 mei 2025
Peter Duvekot
Wethouder Dronten
26 mei 2025 28 mei 2025
Linda Verduin Freek Brouwer
Wethouder Noordoostpolder Wethouder Urk
13 mei 2025
Nienke Nieuwenhuizen
Wethouder Almere (vanaf 15 mei 2025)
20 juni 2025
Ronald Messelink
26 juni 2025
Jan-Bart Wildschut
4 juli 2025
Hanneke Damen-Maas
7 juli 2025
Hanneke Bakker
Directeur sociaal domein Flevoland Technisch voorzitter bestuurlijk overleg sociaal domein Directeur bedrijfsvoering Pluryn zorgaanbieder Bestuurder Veilig Thuis en Blijf Groep Flevoland Regiomanager Veilig Thuis
Tessa Honing 8 juli 2025
Paul Jansen Jannie Vogelzang
Bestuurder SAVE Regiomanager NoordFlevoland (NOP, Urk, Lelystad en Dronten)
10 juli 2025
Tanja Boeije
Directeur-bestuurder JEL
Bijzonderheden
In bijzijn van Gerda Konijnenberg, ambtelijk adviseur
Jeffrey van Doorn (adviseur/advocaat)
27
BIJLAGE 3: GERAADPLEEGDE BRONNEN •
• • • • • • • • • • •
Bakker-Klein, J. (2019). Anders Kijken. Een zoektocht naar responsiviteit in het sociaal domein. Ipskamp Printing Enschede / www.movisie.nl/anderskijken De Boer, R. & Mariëlle R. Bruning (2024), Kwetsbaarheid tegenover de overheid van gezinnen met een jeugdhulpvraag, (2024) 29(1) Tilburg Law Review 2, DOI:https://doi.org/10.5334/tilr.368 Bruning, M.R., S.E. Rap, D.S. Verkroost (2016), Participatie van minderjarigen in de vrijwillige jeugdhulp, Tijdschrift voor Familie- en Jeugdrecht 2016 (110), p. 250-257. Bruning, M.R. (2023a), Minderjarige slachtoffers van kindermishandeling: hulp via vrijwillig en gedwongen kader, in: J. van Doorn e.a., Slachtoffers: onderzoek, beleid en praktijk, Deventer: Wolters Kluwer 2023, hfst. 27. Bruning, M.R. (2023b), De jeugd, de zorg en het recht: slotbeschouwing over jeugdhulp in Nederland, in: De jeugd, de zorg en het recht, preadvies 2023 Vereniging voor Gezondheidsrecht, Den Haag: Boom Juridisch 2023, p. 159-183. Deskundigencommissie Hervormingsagenda Jeugdhulp. Groeipijn (2025). Den Haag. IGJ (2023), De centrale rol van lokale teams in de jeugdhulpketen, Utrecht: juni 2023 Jeugdautoriteit (2023), De stand van de jeugdzorg 2023 Sacks, J. (2022). Een gebroken wereld heel maken. Verantwoordelijk leven in tijden van crisis. Skandalon, Middelburg Sondeijker, F., J.K. Helderman, O. de Zwart, J.A.M de Kruijff, M.
Kwakernaak (2021) Eigenwijs transformeren. Verwey-Jonker Instituut, Utrecht. Spierts, M, I. Verhoeven, M. van Pelt, M. Ham (2025). Democratie dichterbij. De belofte van democratisch professionalisme. Van Gennep, Amsterdam. Verkroost, D.S. (2022), ‘Met zachte drang’. Uitgangspunten voor jegudhulpverlening op het snijvlak van vrijwilligheid en dwang (diss. Leiden), Den Haag: Boom juridisch 2022.
28