D09 01 Zienswijze Ontwerp Tweede herziening Omgevingsverordening.pdf
Tekst van het document
Zienswijze Ontwerp Tweede herziening Omgevingsverordening Provincie Flevoland Hieronder lichten wij onze zienswijze vanuit gemeente Noordoostpolder puntsgewijs toe. Wij staan daarbij stil bij specifieke thema's en een algemene reactie op deze tweede herziening. 1. Luchtruim NLR: Artikel 18.3 is niet concreet genoeg. Aangegeven wordt dat er geen sprake mag zijn van ‘beperking’. Onduidelijk is wanneer er sprake is van een beperking. Wij zien graag een verduidelijking en beschrijving van ‘beperking’ terug in de omgevingsverordening. Dit is niet werkbaar en geeft ruimte voor subjectiviteit bij nieuwe initiatieven en ontwikkelingen. Als wij in het definitieve deel van het omgevingsplan de ‘beperking’ toevoegen dan ontstaat er een mogelijke aanspraak op nadeelcompensatie door ondernemers en inwoners in het gebied. Dit leggen wij een-op-een door naar de provincie. Een algemene vraag ten aanzien van participatie: Zijn de inwoners en ondernemers betrokken bij de verordening? En zo ja hoe zijn zij betrokken? Op 9 juni is de zitting voor het bestemmingsplan Netl en beroep tegen het instructiebesluit. U kiest ervoor al wel de ‘beperking’ op te nemen in de omgevingsverordening terwijl er nog geen uitspraak is. Hiermee anticipeert u vroegtijdig op een bepaalde uitkomst die onzeker is. 2.
Energietoets bij EOS: Definitie grootschalig energieopslagsysteem: De begripsbepaling ‘grootschalig energieopslagsysteem’ (EOS) uit de ontwerpverordening. Lithium houdende stationaire energiedrager voor de opslag van elektriciteit met een vermogen van meer dan 1 MW vermogen en meer dan 2 MWh opslagcapaciteit. Is het voor de energietoets van belang dat het om lithium houdende systemen gaat? Het belang zit hem in het voorkomen van (extra) netcongestie. Natrium-ion systemen kunnen bijvoorbeeld ook zorgen voor netcongestie, wanneer ze niet op de juiste manier functioneren. Gemeente Noordoostpolder ziet dan ook graag dat de begripsbepaling wordt aangepast, en niet specifiek alleen Lithium houden wordt benoemd. Daarnaast is het vermogen van 1 MW/2MWh beschreven als ‘grootschalig’. Zoals ook benoemd in de zienswijze op het ‘ontwerpkader grootschalige batterijopslag’ is 1
deze beschrijving arbitrair. In lijn met de zienswijze ziet Gemeente Noordoostpolder grootschalig, vanaf een netto oppervlakte 150 m2 exclusief de oppervlakte voor inpassingsmaatregelen en ruimtelijke inpassing. Wij verzoeken u deze verbreding op te nemen in de herziening. •
Herhaling uit zienswijze ‘Ontwerpkader grootschalige batterijopslag’ met betrekking tot de energietoets in een instructieregel.
Gemeenten gaan zelf over het invullen en inpassen van activiteiten op bedrijventerreinen en woonwijken. Ons voorstel is dat als er een instructieregel wordt vastgesteld, de term ‘betrekken bij’ te hanteren. Wij stellen ons daarnaast op het standpunt dat een energietoets uitsluitend is voorbehouden aan de netbeheerder. De provincie Flevoland moet zich niet mengen in een aan de netbeheerder voorbehouden taak. De provincie kan vanuit haar rol het bevoegd gezag adviseren een ruimtelijk begrenzing aan te houden, geen energetische. Ruimtelijke inpassing van een EOS dient plaats te vinden in samenspraak tussen netbeheerder(s) en gemeenten, eventueel aangevuld met de provincie vanuit hun adviserende rol in het planologisch proces. 3. Verwijderen heipalen: Over dit onderwerp is afstemming geweest over een conceptregeling. De reactie op onze opmerkingen hebben wij per mail (18 februari 2026) ontvangen nadat het ontwerp reeds de besluitvorming in GS (17 februari 2026) door was. Wij waren liever een gesprek aangegaan op basis van onze opmerkingen. De gemeente ervaart hierin onvoldoende betrokkenheid en vindt het een gemiste kans dat besluitvorming al had plaatsgevonden terwijl onze opmerkingen nog open stonden.
In de mail van 18 februari 2026 wordt aangegeven dat de zorgplicht uit het inmiddels vervallen artikel 13 van de Wet bodembescherming (gelezen in samenhang met het eveneens vervallen artikel 33 van het Besluit bodemkwaliteit) mutatis mutandis terugkomt in paragraaf 4.123 Bal. In de oude regeling moesten bouwstoffen verwijderd worden indien er geen functionele toepassing meer was. Er gold een uitzondering indien verwijderen leidde tot een grotere aantasting van de bodem of een oppervlakte waterlichaam. Het lijkt ons overigens sterk dat deze uitzondering overal in Flevoland van toepassing is. Wij lezen een dergelijke regeling niet terug in paragraaf 4.123 Bal. • Wellicht dat de provincie dit schaart onder een algemene zorgplicht? • Wat moeten wij nu regelen in het omgevingsplan boven op de algemene zorgplicht? • Volstaat nu niet - net als kennelijk voorheen - de (algemene) zorgplicht? • En aan welke activiteit kunnen we dat hangen (in ieder geval niet aan slopen)? En in welke vorm? 2
Een vergunningplicht betekent een forse lastenverzwaring ten opzichte van de huidige situatie, bij algemeen geldende regels gaat er nergens een lichtje branden en kan er geen toezicht uitgeoefend worden op het correct inkorten van de heipalen. •
Als het op grond van de zorgplicht niet nodig is om heipalen te verwijderen hoe komt de provincie dan op een regeling die verplicht om de bovenste 2m wel te verwijderen?
De provincie was voorheen bevoegd gezag. Wij zijn benieuwd hoe destijds toezicht werd gehouden op de regels van de Wet bodembescherming? Kennelijk was voorheen altijd de uitzondering van toepassing in Flevoland (want artikel 6.21 gaat overal gelden). Als er al een regeling komt zien wij meer heil in een direct werkende regeling (zoals bij grondwaterbeschermingsgebieden) op grond van de verordening dan een regeling die steeds weer opnieuw in delen omgevingsplan of omgevingsvergunningen opgenomen moet worden. Het ontbreekt de gemeente Noordoostpolder aan expertise en formatie om hier een doelmatige regeling op te ontwerpen en toezicht op uit te oefenen. • •
Hoe groot is het probleem überhaupt? Hoe vaak worden heipalen verwijderd (was immers niet nodig om te verwijderen in geval van aantasting bodem/oppervlaktewater)?
De regeling werkt overigens niet door naar situaties waar in een voorschrift in een reeds verleende omgevingsvergunning is bepaald dat de heipalen geheel verwijderd moeten worden (windmolens). •
Hoe moet daar in voorzien worden? Dat was immers de directe aanleiding voor deze hele instructieregel.
•
Wat voegt de zinsnede ‘waaronder mede verstaan prefab betonnen heipalen’ toe? Waarom een definitie van prefab betonnen heipalen? Het gaat toch om heipalen? Als er dan toch een wordt gedefinieerd, dan beter het begrip ‘heipalen’ zelf definiëren. Een definitie zoals nu gehanteerd schept alleen maar verwarring omdat er een uitzondering in zit. Hoeven palen met een verbrede voet niet ‘afgezaagd’ of ‘afgeknabbeld’ te worden?
4. Kernkwaliteiten UNESCO-werelderfgoed Schokland: Sinds 1 januari 2026 zijn de kernkwaliteiten van Unesco Werelderfgoed Schokland en omgeving vastgelegd in een Besluit kwaliteit leefomgeving. De verdere detaillering en uitwerking van deze kernkwaliteiten moet een plek vinden in de omgevingsverordening van provincie Flevoland en in het omgevingsplan van gemeente Noordoostpolder.
3
De regels zoals nu opgenomen in de tweede herziening omgevingsverordening (ontwerp) zijn nog geen nadere uitwerking van de regels in het Bkl. Hiermee wordt er niet meer beschermd dan al via het Bkl wordt beschermd en wordt geen verdere invulling aan de voorwaarden in het Bkl gegeven. Wij zouden hier een regeling verwachten die in hoofdlijnen aangeeft welke activiteiten de kernkwaliteiten zouden kunnen aantasten. De voorgestelde regels zorgen echter wel voor onnodige extra regeldruk. De gemeente moet aan het Bkl voldoen en bij de nu voorgestelde regels van de provinciale verordening moet de gemeente bij nagenoeg elke activiteit, binnen het Unesco gebied, ontheffing aanvragen bij de provincie. Bij ontgrondingsactiviteiten moet er een vergunning worden aangevraagd (binnen het PArK gebied) en ook een ontheffing. Zoals het er nu staat lijkt het zo te zijn dat er binnen één procedure meerdere keren ontheffing moet worden aangevraagd bij de provincie. •
Graag zien wij een lijst waarbij aangegeven wordt in welke gevallen er geen ontheffing nodig is. Zolang er geen nadere uitwerking van de kernkwaliteiten is, lijkt de huidige voorzet van regels voor onnodige extra regeldruk te zorgen. Kan de provincie aangeven waarom hiervoor is gekozen? Bovendien zien wij graag dat het ontwerp wordt aangepast in lijn met bovenstaande.
5. Netbewuste nieuwbouw: De instructieregel netbewust bouwen is een reactie op de problematiek die ontstaan is in de FGU-pocket en is door de provincies Flevoland, Gelderland en Utrecht ontwikkeld voor dit gebied. Noordelijk Flevoland valt buiten de FGU-pocket. • Kan de provincie aangeven waarom ook gemeenten Noordoostpolder en Urk onder deze instructieregel gaan vallen? Een instructieregel wordt opgelegd als het beleidsdoel niet op een doelmatige en doeltreffende wijze door het gemeentebestuur kan worden behartigd. • Welke motivatie heeft de provincie om aan te nemen dat de gemeente dit niet kan? Het principe van netbewust bouwen is vastgelegd in ons Ambitiedocument Energietransitie: ‘We ontwikkelen netbewust en houden daarbij rekening met de energievraag, aanbod van energie, flexibiliteit en transport’. Dit beleid werken we nu uit in een omgevingsprogramma energietransitie, waarvan de uitwerking landt in ons omgevingsplan.
4
•
Hoe motiveert de provincie waarom het meer doelmatig en meer doeltreffend is om netbewust bouwen in de provinciale verordening te regelen in plaats van dit over te laten aan de gemeente?
In het afstemmingsoverleg tussen gemeente en provincie op 3 maart 2026 is door Provincie Flevoland aangegeven dat er risico’s zijn met de huidige ontwerpteksten op ongewenste doorkruising van het Besluit bouwwerken Leefomgeving (Bbl). Zowel oogmerk als object van de voorgenomen instructieregel wijken mogelijk onvoldoende af van die van het Bbl. Decentrale overheden mogen namelijk geen strengere bouwvoorschriften maken die al in het Bbl zijn gereguleerd. Provincie onderzoekt nog hoe de grondslag onder de regels kan worden verstevigd. •
Het vaststellen van een regeling zonder dat hiervoor alle juridische consequenties duidelijk zijn, is niet gewenst. Wij verzoeken dan ook om de regeling netbewuste woningbouw niet eerder vast te stellen en in werking te laten treden dan dat de mogelijke doorkruising met Bbl en de consequenties daarvan zijn onderzocht en opgehelderd. Als de mogelijke doorkruising niet is uitgezocht en de norm netbewuste woningbouw wel in de omgevingsverordening wordt opgenomen gaat dit in de uitvoering tot vertraging leiden in plaats van versnelling vanwege bezwaarprocedures van ontwikkelende partijen
Wij zien een risico dat de voorgestelde regeling voor netbewuste woningbouw een tegenovergesteld effect op de woningbouwontwikkeling heeft dan beoogd, namelijk afremming en impact op betaalbaarheid. Als wij de ontwerpregeling goed begrijpen moet een vergunningaanvrager, om te kunnen voldoen aan het netbudget, keuzes maken in te treffen maatregelen op het vlak van gebouwontwerp en bouw- en installatietechniek. Dat zijn keuzes die – behalve welstand aspecten - tot op heden niet beoordeeld worden bij een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Deze zijn pas van belang bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag voor een technische bouwactiviteit of door een kwaliteitsborger worden beoordeeld bij grondgebonden woningen, waarop de Wet kwaliteitsbewaking Bouw (Wkb) van toepassing is. In de bouwpraktijk zie je doorgaans dan ook dat veel bouwtechnische en installatietechnische keuzes pas na verlening van de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit worden gemaakt. Ontwikkelaars willen eerst zekerheid hebben over de ruimtelijke aspecten van een woningbouwontwikkeling, voordat zij investeren in de technische uitwerking daarvan. •
Wij vragen ons af of het beoogde effect van de ontwerpregeling, namelijk zoveel mogelijk woningbouwontwikkelingen doorgang te kunnen laten vinden in tijden van netcongestie, daardoor niet een tegengesteld effect heeft. Ontwikkelaars kunnen vanwege een hoger investeringsrisico afzien van woningbouwplannen of 5
met kostenverhoging de betaalbaarheid beperken. Wij verzoeken om dit nader te onderbouwen. Een groot deel van de woningbouwontwikkelingen waarop de netbewuste woningbouw norm op van toepassing wordt betreft grondgebonden woningen. Het toezicht op de uitvoering voor die woningen wordt echter niet door de gemeente gedaan, maar door een private kwaliteitsborger. Publiekrechtelijk is toezicht beperkt tot de vraag of wordt voldaan aan de bouwtechnische regels uit het Bbl en heeft geen betrekking op de regels met betrekking tot netbewuste woningbouw. Het toezicht op technische onderdelen van een bouwwerk is niet hetzelfde als het toezicht op de ruimtelijke aspecten. Dat betekent dat gemeenten, naast de kwaliteitsborger, een extra toezichtsinspanning moeten verrichten, namelijk ook met betrekking tot de uitvoering van technische aspecten. Dat is inefficiënt, werkt kostenverhogend en zal daardoor ook een legesverhoging betekenen. Onduidelijk is of dit in verhouding staat tot de effectiviteit van de provinciale instructieregel. Of het gevolg is dat er een regel wordt opgelegd waar de gemeente niet op kan toetsen of handhaven, daarmee bereiken we niet het gewenste effect. •
We verzoeken om de onderbouwing voor het leggen van deze toezichtstaak bij de gemeente aan te leveren en om aan te geven hoe de provincie verwacht dat de effectiviteit van de normering wordt geborgd op deze manier. Als dit niet mogelijk is, dan is het namelijk een extra argument om de normering onder het Bbl onder te brengen en niet via een instructieregel op te leggen. De doelstelling van de ontwerpregels voor netbewuste woningbouw kan beter via een aanpassing van het Bbl bereikt worden. Uit de toelichting van de ontwerpregeling begrijpen wij dat aan het netbudget kan worden voldaan door vooral bouwtechnische en installatietechnische maatregelen. Dat zijn aspecten die thuishoren bij de beoordeling van een omgevingsvergunning voor een bouwtechnische bouwactiviteit in geval van gestapelde woningbouw, of in geval van grondgebonden woningen bij de beoordeling door een kwaliteitsborger.
•
Het Bbl zou aangepast kunnen worden door in hoofdstuk 4 de mogelijkheid op te nemen tot het geven van maatwerkregels in het omgevingsplan voor zover die maatwerkregels nodig zijn met het oog op netbewuste woningbouw. Het resultaat is hetzelfde als beoogd met de huidige ontwerpregeling, met dit verschil dat de beoordeling van een concrete bouwontwikkeling plaatsvindt in het kader van de beoordeling van een aanvraag om omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit dan wel in het kader van de beoordeling door een private kwaliteitsborger. Dit sluit beter aan bij de bouw- en vergunningverleningspraktijk. Bovendien is er geen strijdigheid met hogere
6
regelgeving. • De begripsbepaling netbudget uit de ontwerpverordening. “De totale maximum piekbelasting op het elektriciteitsnet van alle woningen en gemeenschappelijke installaties die gebruikt worden voor het verwarmen van die woningen bij weersomstandigheden van -10 graden Celsius in het gehele project waar een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor wordt aangevraagd.” Het gaat hier blijkbaar alleen over het onderdeel warmte in een beperkt deel van het jaar. De elektrische energie die bijvoorbeeld wordt gebruikt voor mobiliteit (laden van auto's) airco's (koeling en verwarming) wordt niet in het ‘netbudget’ meegenomen. Gemeente Noordoostpolder ziet dit anders. Een netbudget zou juist uit moeten gaan van een totaal maximum elektrische capaciteit die mag worden ingezet voor het betreffende plangebied, wat in het Omgevingsplan en omgevingsvergunningen (OPA/BOPA) kan worden vastgelegd. Zoals al aangegeven, gemeente ontwikkeld hier zelf beleid voor en heeft daar in 2025 al de eerste aanzet voor gegeven in het Ambitiedocument Energietransitie. Wij verzoeken u de begripsbepaling uit de tweede herziening (ontwerp) verordening te halen.
Instructieregel van toepassing bij vergunningen vanaf 15 woningen? In het afstemmingsoverleg tussen gemeente en provincie op 3 maart 2026 is aangegeven dat de verordening ziet op omgevingsvergunningen/bouwplannen vanaf 15 woningen. • Dit lezen wij niet terug in de ontwerpverordening. Hier is geen ondergrens uit op te maken. Klopt dat? Er is wel beschreven dat ‘Vergunningaanvragen met minder dan 15 woningen altijd worden beschouwd als niet toepasbaar voor een bodemenergiesysteem, vanwege kostenefficiëntie'. Echter worden in de praktijk ook bodemenergiesystemen toegepast bij vergunningaanvragen van 1 t/m 14 woningen. • Kan daar dan wel de prestatienorm voor bodemenergiesysteem worden gehanteerd in de berekening, of wordt dit dan alsnog beschouwd als niet toepasbaar? Graag verduidelijken in de bijlage VII Netbewuste Nieuwbouw. 6. Geluidsproductieplafonds: De GPP’s worden niet verder uitgewerkt dan het benoemen van de wegen waarvoor 7
ze worden vastgesteld. • •
• •
In artikel 9.2 Toepassingsbereik, wordt verwezen naar artikel 9.1. Waar kunnen we dat artikel vinden? De ‘N351 Espelerweg’ en de ‘N714 Espelerweg’ worden in de lijst van wegen (Bijlage XIV) apart genoemd. Het wegdeel N351 gaat over naar de gemeente, inclusief het beheer. Van de N716 missen wij het deel ‘Akkerstraat, Nagele’, maar mogelijk valt dat onder gemeentelijk beheer; Wij missen ook de N712 Lemsterpoort in Rutten.
7. Adviesplicht bij vergunningvrije ontgrondingen Juridisch gezien kun je geen adviesplicht bij vergunningvrij afdwingen. Wij gaan ervanuit dat dit meldingsplicht moet zijn, dit kan wel. • Mocht u wel bewust hebben gekozen voor ‘adviesplicht’ dan vragen wij om uw onderbouwing en toelichting. Verzoek om uitzonderingsregel voor het plaatsen van pompputten. De maximale ontgravingsdiepte van 3m1 wordt bij het plaatsen of vervangen van een rioleringsgemaal al snel overschreden. Het gaat hierbij om relatief beperkte ontgravingen van circa 25 m2 en de diepte van een gemaalput tot een maaivelddiepte van 4 tot maximaal 4,5 m1. Verzoek is om de kaders voor vergunningsvrij te wijzigen naar een ontgravingsdiepte van maximaal 4,5 m1, daar waar het gaat om ontgravingen voor het plaatsen van een rioleringsgemaal met een maximaal ontgravingsoppervlak van 25 m1. 8. Invasieve exoten: We snappen deze wijziging. Het maakt de bestrijding van invasieve exoten gemakkelijker doordat deze activiteit door de wijziging wordt uitgezonderd van de omgevingsvergunningplicht. 9. Houtopstanden: In de omgevingsverordening wordt nu een meldings- en herplantplicht opgenomen voor erfsingels en bijzondere bomen. Dat verbaast ons. Wij begrijpen niet waarom de provincie deze regels wil stellen en denken dat het bestaande systeem beter werkt.
De motivatie voor de nieuwe regels is onvoldoende, de nieuwe regels passen niet goed bij de praktijk en de nieuwe regels zijn strijdig met de bestaande regels. Kortom, deze nieuwe provinciale regels passen niet bij het motto van de omgevingswet “Centraal waar het moet, decentraal waar het kan”. Hieronder leggen wij dat nader uit:
8
1
•
Maatwerk is wenselijk. Dat maatwerk bieden de bestaande regels wel, de nieuwe niet. Niet ieder erf is hetzelfde en dat vraagt om maatwerk in de herplantvoorschriften. In veel situaties gaat het niet om kappen en herplanten op dezelfde plek, maar om een verandering van het erf (bijv. een erfuitbreiding). Ook varieert de gewenste breedte van de singel per situatie omdat er soms veel en soms weinig ruimte is. Sinds de jaren '90 hebben wij regels die daar rekening mee houden, bijvoorbeeld doordat wij met een beschikkingenstelsel werken en er dus per situatie een besluit wordt genomen waarin passende, locatiespecifieke voorschriften worden gesteld.
•
Dubbele regels geven onduidelijkheid. De nieuwe provinciale regels voor het kappen en herplanten van erfsingels komen naast de bestaande gemeentelijke regels met kapvergunningstelsel en voorwaardelijke verplichting. Dit betekent dat de grondeigenaar straks moet voldoen aan twee verschillende soorten (en onderling soms tegenstrijdige) regels voor dezelfde erfsingel.
•
De omgevingswet is terughoudend over deze nieuwe regels. Het Besluit activiteiten leefomgeving1 benoemt het expliciet als uitzondering. In 11.111 Bal staat: "De afdeling gaat niet over: a. het vellen van houtopstanden op erven en in tuinen en j. houtopstanden die een kleinere oppervlakte grond beslaan dan 10a”. Deze uitzonderingen gelden al vanuit de vorige wetgeving (Wet natuurbescherming en Boswet). Ze zijn destijds bewust opgenomen als gemotiveerde uitzonderingen in de wetgeving. Het is ons niet duidelijk waarom de provincie juist voor die uitzonderingen nu regels stelt.
•
De noodzaak voor deze nieuwe provinciale regels is niet duidelijk. In de toelichting van het ontwerpbesluit staat dat deze nieuwe regels gesteld worden om de erfsingels te beschermen, zowel vanwege de natuurwaarde als de landschappelijke waarde ervan. Dat is niet nodig. Want de bestaande gemeentelijke regels hebben hetzelfde doel en borgen dezelfde belangen. Het is ook geen voortzetting van provinciale regels of belangen, maar een nieuw element in de omgevingsverordening. Dat vraagt onzes inziens om een goede motivatie over de noodzaak om deze nieuwe regels te stellen, vooral ook in relatie tot de samenhang met de bestaande (gemeentelijke) regels die voor dezelfde activiteiten gelden. Deze motivatie ontbreekt in uw ontwerpbesluit.
•
De nieuwe regels zijn strijdig met de bestaande regels en situatie. Wij hanteren al jaren een vaste maatvoering voor erfsingels 2m – 6m – 4m bij bestaand en 2m – 6m – 6m (hart sloot tot voet singel, erfsingel, bebouwingsvrije strook) bij erfuitbreiding. De definitie uit de nieuwe regels in de omgevingsverordening gaat
Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is een AmvB bij de Omgevingswet.
9
uit van 7m – dat is niet gebiedseigen. Bovendien is er soms maatwerk nodig (daar waar al bestaande bebouwing staat of bij een kavelpad). Ook de beperking ¾ van de omtrek is te beperkend ingeval van geschakelde erven of erven tegen een bosrand. •
Wij betreuren dat deze nieuwe regels niet zijn afgestemd met gemeente. Wij waren graag eerder met u hierover in gesprek gegaan. Wellicht hadden we dan in de voorbereiding van uw ontwerpbesluit samen tot een voorstel kunnen komen dat beter past bij de belangen van onze erfeigenaren.
•
Het is onduidelijk wat de herplantplicht voor bijzondere bomen en rijbeplantingen beoogt. Het is ons niet duidelijk welke bomen bedoeld zijn in de bepaling over de herplantplicht voor ‘bijzondere bomen’ en waar deze grenst aan – of overlapt met - de bepaling over “houtopstanden die een kleinere oppervlakte beslaan dan 10a (1000m2) of bestaan uit een rijplanting die 20 of minder bevat”.
Voor alle genoemde punten over het onderwerp ‘houtopstanden’ geldt dat wij de motivatie missen voor het opleggen van een meldings- en herplantplicht, zeker in het licht van de uitzondering die het Bal daar juist bewust op maakt.
10. Geitenhouderijen: De aanpassing ziet vooral op een aanvulling in de toelichting naar aanleiding van het VGO-III rapport. Mooi dat de regeling actueel wordt gehouden. We vragen wel opnieuw aandacht voor de reeds bestaande regeling (zie ook: brief van 20 augustus 2024 – aanvulling zienswijze eerste herziening). Het betreft een tijdelijke geitenstop. Artikel 17.3 werkt direct en sluit nieuwe geitenhouderijen uit. Artikel 17.4 betreft een instructieregel voor nieuwe delen omgevingsplan (maar ook voor bopa's etc.). Dit betekent dat wij bij het omzetten van het tijdelijke deel van het omgevingsplan naar het definitieve deel van het omgevingsplan (gepland vóór 2032) geitenhouderijen moeten uitsluiten. In het huidige omgevingsplan (tijdelijk deel) zijn geitenhouderijen (indien grondgebonden of als ondergeschikte nevenfunctie) bij nagenoeg alle agrarische bedrijven bij recht toegestaan. Artikel 17.3 van de verordening regelt voldoende dat er niets nieuws landt. •
Als wij in het definitieve deel van het omgevingsplan deze mogelijkheid actief moeten uitsluiten dan ontstaat er een mogelijke aanspraak op 10
•
•
nadeelcompensatie door de betreffende agrariërs. Dit leggen wij een-op-een door naar de provincie. Bovendien betreft het een tijdelijke geitenstop. Wat als een halfjaar nadat wij overal geitenhouderij in ons omgevingsplan weggeregeld hebben blijkt dat het toch veilig is - moeten wij dat dan overal weer actief terugregelen in het omgevingsplan (inclusief motiveren en maatschappelijke weerstand)? In de Povi worden geitenhouderijen permanent uitgesloten, is dat logisch?
11. Andere opmerkingen: • Artikel 9.9 Verwijderen van werken en objecten: Graag benoemen dat dit gaat om provinciale wegen. • In de definitie van omgevingsplan staat tussen haakjes ‘buitenplanse’. Dit suggereert dat de regels ook zien op de omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit. Dat klopt niet. Bij het opstellen van een wijziging omgevingsplan moet uiteraard wel gekeken worden hoe opgenomen binnenplanse omgevingsplan activiteiten zich verhouden tot de instructieregels uit de verordening. Maar reeds bestaande binnenplanse opa's kunnen niet getoetst worden aan de verordening (limitatief imperatiefstelsel). Voorstel is om de haakjes weg te halen in de definitie. • Ligt het voor de hand dat de herziening van de provinciale verordening in de tijd vooruitloopt op de provinciale omgevingsvisie (waarin de strategische keuzes landen)?
11