CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

D08 02 Bijlage 2 bij Nota - Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2023.pdf

Gemeenteraad 30 januari 2023, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 4: Lijst ingekomen stukken51.447 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 6

No. 22.0002017 Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2023 Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordoostpolder; gelet op: - titel 4:3 van de Algemene wet bestuursrecht; - de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 - de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2022; - het Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Noordoostpolder 2023; overwegende dat het college het voor de beoordelingsvrijheid bij de uitvoering van de wet noodzakelijk vindt om aan te geven op welke wijze daar mee wordt omgegaan en daartoe beleidsregels wenst vast te stellen; besluit de volgende beleidsregels vast te stellen Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2023

1

2

No. 22.0002017

Hoofdstuk 1 Algemene uitgangspunten 1.1 Inleiding Beleidsregels ontlenen hun status aan artikel 4.81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht: "Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid." Bij beleidsregels gaat het om een bij besluit vastgestelde algemene regel niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift zoals de Verordening maatschappelijke ondersteuning. Beleidsregels gaan over de vaststelling van feiten, wetsinterpreterend beleid of over hoe bepalingen in de Verordening door het college worden toegepast. Concreet betekent dit voor de uitvoeringspraktijk dat alle (min of meer) gelijke gevallen op een gelijke manier worden afgehandeld volgens het door het college vastgestelde beleid dat als zodanig ook is bekendgemaakt middels publicatie. 1.2 Begripsbepalingen 1.

In deze beleidsregels en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:  Budgethouder: degene aan wie het pgb is toegekend (de cliënt),  Budgetperiode: de periode waar een pgb betrekking op heeft,  Besluit: Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Noordoostpolder 2022,  Derde: degene aan wie het pgb wordt besteed,  Ondersteuningsplan: een plan dat is opgesteld door de aanbieder in samenspraak met de cliënt, en indien aanwezig de mantelzorger en andere personen uit het sociale netwerk. In het ondersteuningsplan staan begrijpelijke doelen die samen met de cliënt zijn opgesteld om de resultaten te behalen. De doelen in het ondersteuningsplan zijn SMART geformuleerd. Bij de doelen horen ook activiteiten. Bij een doel kunnen meerdere activiteiten horen,  Verordening: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2022,  Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. 2. Begrippen die in deze Beleidsregels worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet en de daarop gebaseerde lagere regelgeving, de Verordening, het Besluit en de Algemene Wet bestuursrecht (Awb).

1.3 Goed samenhangend stelsel De beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder strekken ertoe tot een goed samenhangend stelsel over de beoordeling van maatwerkvoorzieningen te komen voor inwoners van de gemeente die niet of nog niet zelf of met hulp van anderen in staat zijn tot zelfredzaamheid en/of participatie. De beleidsregels volgen in principe zoveel mogelijk de opbouw van de Verordening en zijn ook gebaseerd op de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Er zijn dus hoofdstukken over de verschillende terreinen waarop maatwerkvoorzieningen kunnen worden verstrekt en hoe de aanspraak daarop wordt beoordeeld. Kernbegrippen zijn:  eigen verantwoordelijkheid;  uitgaan van te bereiken resultaten; en  het leveren van maatwerk.

Hoofdstuk 2 Procedure Artikel 2.3.2 van de wet Artikel 2.3.3 van de wet Hoofdstuk 2 van de Verordening 2.1 Inleiding De wet schrijft voor dat de burger met een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning zijn ondersteuningsvraag eerst moet melden bij het college. Dan bestaat er recht op een onderzoek. Het college kan op deze manier in samenspraak met de cliënt, zijn eventuele mantelzorger of andere

3

personen uit het sociale netwerk eerst zorgvuldig de ondersteuningsbehoefte en de mogelijke oplossingen in kaart brengen. De wet voorziet in voorwaarden waaraan een goed onderzoek ten minste moet voldoen en bepaalt welke onderwerpen in ieder geval in het onderzoek (na de melding van de ondersteuningsvraag) moeten worden meegenomen. De CRvB heeft een zogeheten stappenplan opgesteld waarin staat hoe het college bij het onderzoek te werk moet gaan. Pas na het verstrekken van het onderzoeksverslag met de onderzoeksresultaten kan een aanvraag worden gedaan. De regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn niet van toepassing op de procedure van de melding en het onderzoek. Het onderzoek behoort wel tot de voorbereiding van het besluit als de aanvraag wordt ingediend (art. 3:2 van de Awb). Verordening De Verordening is voor wat betreft de toegang tot maatschappelijke ondersteuning procedureel ingericht zodat het voor de inwoners van de gemeente Noordoostpolder duidelijk is hoe het college te werk gaat nadat zij hun ondersteuningsvraag hebben gemeld. Daarbij kan de cliënt gebruik maken van cliëntondersteuning. De wet schrijft voor dat het college een onderzoeksverslag aan de cliënt verstrekt met daarin de resultaten van het onderzoek. Daaruit kan de cliënt afleiden of hij in aanmerking komt voor ondersteuning.

Na de melding van de ondersteuningsvraag wordt de cliënt in de gelegenheid gesteld zijn eigen persoonlijk plan in te dienen. Daaruit kan het college afleiden waarom de cliënt van mening is dat hij ondersteuning van de gemeente nodig heeft. Verder heeft het college een voorlichtingsplicht. Die bestaat uit het informeren van de cliënt onder welke voorwaarden hij in aanmerking kan komen voor een persoonsgebonden budget (pgb) en wat de eventuele hoogte is van de bijdrage in de kosten voor voorzieningen. Nadat het onderzoek is afgerond kan de cliënt een aanvraag indienen. Daarvoor kan het verslag van het onderzoek worden gebruikt. Bij de beslissing op de aanvraag vormt het onderzoeksverslag en het eventueel ingediende persoonlijk plan van de cliënt het uitgangspunt. Criteria in de Verordening In de Verordening zijn diverse criteria vastgesteld. Die criteria verschillen naar gelang de aard van de ondersteuning waarop de cliënt is aangewezen. Het college baseert de beslissing op de aanvraag mede op basis van de Verordening. 2.2 Spoedeisende gevallen Voor spoedeisende gevallen is in de wet een procedure opgenomen die los staat van het onderzoek ná de melding van de ondersteuningsvraag en de beslissing op de aanvraag. Het gaat om situaties waarin de cliënt het onderzoek niet kan afwachten. Daar mag het college immers zes weken over doen.

Er kan één dag na de melding van de ondersteuningsvraag sprake zijn van “spoed” maar dat zou ook één week kunnen zijn. Eenvoudig gezegd: “zo spoedig als nodig en mogelijk”. Daarover moet een besluit worden genomen. Onverwijld inzetten Het college moet in spoedeisende situaties onverwijld een geschikte tijdelijke maatregel nemen in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek en de aanvraag van betrokkene (art. 2.3.3 van de wet). De noodzaak om een tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken, zal slechts in bijzondere gevallen aanwezig zijn. Onder een spoedeisende situatie kan ook een tijdelijke indicatie vallen gedurende de periode van de beslissing op de aanvraag om een indicatie voor de Wet langdurige zorg (EK 2013/14, 33 841, G, p. 24). Opgemerkt wordt wel dat het Centrum Indicatiestelling zorg (CIZ) ook een spoedprocedure kent: beslissen binnen twee weken. In geval van bijzondere omstandigheden bestaat de mogelijkheid om snel over een Wlz-indicatiebesluit te moeten beschikken. Dit ter beoordeling aan het CIZ. Denk ook aan plotselinge wijzigingen in de situatie van een cliënt zoals aangewezen op zorg aansluitend aan geriatrische revalidatie (Zvw) en eerstelijns verblijf (Zvw). Het ligt bij een tijdelijke Wmo-indicatie voor de hand dat ook een tijdelijke indicatie wordt afgegeven voor persoonlijke verzorging en/of verpleging op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw).

Die indicatie wordt door de wijkverpleegkundige gesteld.

4

No. 22.0002017 Geen maatwerkoplossing Bij zo’n tijdelijke inzet van een maatwerkvoorziening met een spoedeisend karakter geldt niet het criterium van wat de (goedkoopst) passende bijdrage is. Art. 2.3.3 van de wet kent een dergelijke voorwaarde niet. Bij het toekennen van een maatwerkvoorziening via de reguliere procedure geldt een oordeel de (goedkoopst) passende bijdrage wel (art. 2.3.5, derde en vierde lid, van de wet). Daarom kan bij de tijdelijke inzet in een spoedprocedure ook nog niet gesproken worden van een te behalen resultaat want het onderzoek heeft nog niet plaatsgevonden. Afronden onderzoek Het college zal het onderzoek naar aanleiding van de melding afronden volgens de reguliere procedure. De cliënt ontvangt daarvan een onderzoeksverslag. Dat wil zeggen: pas dan is het resultaat vastgesteld. Spoed tijdens toegekende maatwerkvoorziening Het kan voorkomen dat er een spoedeisende situatie ontstaat tijdens een lopende indicatie. Strikt genomen moet de cliënt een nieuwe melding doen van een gewijzigde ondersteuningsbehoefte. Volgens de Verordening kan het college afspraken maken met aanbieders op welke wijze zij, namens de cliënt, met (een gewijzigde) behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, een ondersteuningsvraag kunnen indienen (art. 2.1, zesde lid, van de Verordening).

In die gevallen kan de aanbieder dus (met toestemming van de cliënt natuurlijk) een melding van een ondersteuningsbehoefte doen. Het college beoordeelt vervolgens of er sprake is van een spoedeisend geval en zo ja, of er tijdelijk meer ondersteuning moet worden ingezet. Nadat de tijdelijke is ingezet wordt de reguliere procedure gevolgd: het college doet onderzoek en stelt een onderzoeksverslag op. De cliënt kan dan een aanvraag indienen waarop het college beslist. 2.3 Ondersteuningsvraag gericht op beschermd wonen en/of opvang Gemeente Almere is verantwoordelijk om een besluit te nemen over de aanvraag voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang. De Centrale Toegang (CT) voor beschermd wonen is belegd bij GGD Flevoland. Een melding voor beschermd wonen kan de cliënt met eventuele ondersteuning doen bij de CT. GGD Flevoland voert in opdracht van gemeente Almere een onderzoek uit naar de noodzaak voor beschermd wonen. Hiervan wordt een onderzoeksverslag gemaakt. Dit onderzoeksverslag wordt na het intakegesprek naar cliënt opgestuurd met het verzoek om dit voor akkoord te ondertekenen en retour te zenden. Met deze handtekening is de aanvraag voor beschermd wonen bekrachtigd. In een multidisciplinair overleg (MDO) komt het advies voor de toegang tot beschermd wonen tot stand.

Het team met toegangsbepalers van GGD Flevoland is alleen verantwoordelijk voor een professioneel inhoudelijk advies op het onderzoeksverslag. Het advies wordt gedeeld met gemeente Almere. Gemeente Almere neemt het uiteindelijke besluit en zal de cliënt hiervan middels een beschikking op de hoogte brengen. Ook geeft de gemeente Almere voor de maatschappelijke opvang een beschikking af. 2.3.1 Maatschappelijke opvang De maatschappelijke opvang in de regio Flevoland biedt onderdak en ondersteuning aan personen, die de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat zijn zich op eigen kracht of met hulp van anderen te handhaven in de samenleving. Vaak is er sprake van meerdere problemen, zoals een combinatie van dak- en thuisloosheid, schulden, psychiatrische, somatische en/of verslavingsproblemen en/of werkloosheid of het ontbreken van een zinvolle dagbesteding. De begeleiding bij opvang bestaat uit een integrale aanpak gericht op het zich weer kunnen handhaven in de samenleving waarbij aangewezen hulp en bestaande hulp zo veel mogelijk wordt gebundeld. Die is gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie. Opvang wordt bij voorkeur gerealiseerd door het college van de gemeente waar een opvangtraject voor de cliënt de meeste kans van slagen heeft. De Wmo 2015 is

5

overigens niet bedoeld om een oplossing te bieden voor de schaarste op de woningmarkt (CRVB:2020:1651, CRVB:2022:1181-VV). 2.4 Persoonlijk plan en cliëntondersteuning Nadat de cliënt zich heeft gemeld wijst het college op de mogelijkheid om een persoonlijk plan in te dienen. De wet bepaalt dat een persoonlijk plan zeven dagen na de melding bij het college kan worden ingediend. Er kunnen zich individuele omstandigheden voordoen waardoor het college van deze termijn afwijkt. Zowel het college als de cliënt is er namelijk bij gebaat dat een persoonlijk plan voldoende inzichtelijk maakt op welke maatschappelijke ondersteuning de cliënt is aangewezen. Met het indienen van een persoonlijk plan is overigens niet gezegd dat het college gehouden is, indien een aanvraag wordt ingediend, (volledig) tegemoet te komen aan de wensen zoals die in dat plan zijn beschreven. Dat zal het college wel nader moeten motiveren bij de besluitvorming. Desgewenst kan de cliënt voor het opstellen van een persoonlijk plan gebruik maken van cliëntondersteuning.

2.5 Cliëntondersteuning Cliëntondersteuning is onafhankelijke ondersteuning van de cliënt met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet). Een cliëntondersteuner kan de cliënt tijdens het onderzoek helpen zijn ondersteuningsvraag te verwoorden en keuzes te maken. Het college moet ervoor zorgen dat deze cliëntondersteuning beschikbaar is voor hen die maatschappelijke ondersteuning nodig hebben of problemen hebben op andere terreinen binnen het sociale domein. Bij de melding van de ondersteuningsvraag wijst het college erop dat gebruik kan worden gemaakt van cliëntondersteuning. Verder moet het college er zorg voor dragen dat cliëntondersteuning en het beslissen op een aanvraag niet in één hand kunnen liggen. De cliëntondersteuner moet immers onpartijdig zijn en alleen in het belang van de cliënt te handelen. De cliëntondersteuner kan ook iemand uit het netwerk van cliënt of vanuit een belangenorganisatie of een professional in dienst van een welzijnsorganisatie zijn, bijvoorbeeld een ouderenadviseur of een maatschappelijk werker.

2.6 Signaleringsfunctie aanbieder Artikel 2.1, zesde lid, van de Verordening Zoals hiervoor al is gezegd kan het college met aanbieders afspraken maken over het indienen van een ondersteuningsvraag namens cliënten. Het is logisch dat aanbieders snel kunnen constateren dat de behoefte aan ondersteuning van een cliënt toeneemt, of daar tenminste aanleiding voor is dat aan te nemen (signaleringsfunctie). Ook kan er natuurlijk sprake zijn van een afname aan de behoefte aan ondersteuning. Het college doet in ieder geval onderzoek naar de gewijzigde ondersteuningsbehoefte; dat kan door een afspraak te maken met de cliënt. De bevoegdheid om onderzoek te doen nadat een maatwerkvoorziening of een pgb is toegekend is overigens ook neergelegd in artikel 2.3.9 van de wet. 2.7 Onderwerpen van het onderzoek De wet schrijft voor dat het college een onderzoek doet naar de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als de cliënt dat bij het college heeft gemeld. De onderwerpen die tijdens het onderzoek aan bod moeten komen zijn neergelegd in artikel 2.3.2, vierde lid, van de wet. Daarin staat dat het college het volgende onderzoekt: a. de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt; b. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; c.

de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; d. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;

6

No. 22.0002017 e. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; f. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; g. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 of 2.1.4a, verschuldigd zal zijn. Voorlichting Tijdens het onderzoek wordt de cliënt ook:  vertelt welke mogelijkheden er bestaan om te kiezen voor een pgb en wordt hij/zij in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van die keuze;  geïnformeerd over het gebruik en oneigenlijk gebruik van maatwerkvoorzieningen, al dan niet in de vorm van een pgb en de manier waarop het college vorm kan geven aan de controle.

2.8 Stappenplan voor het onderzoek Volgens de CRvB zijn er zes stappen nodig om een zorgvuldig onderzoek uit te voeren, dit zijn:  Stap 1: Na de melding dient eerst de precieze ondersteuningsvraag te worden geduid.  Stap 2: Vervolgens moet bepaald worden wat – kort gezegd – de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie zijn.  Stap 3: Als deze beide vragen op papier staan, kan (en moet) inzicht worden verkregen in de aard, omvang en frequentie van de ondersteuning die nodig is.  Stap 4: Daarna wordt in kaart gebracht of: - de eigen kracht, - gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen, - gebruikelijke hulp, - mantelzorg of hulp uit het sociale netwerk, en - gebruikmaking van algemene voorzieningen, en zo ja: in welke mate – deze voorliggende oplossingen beschikbaar, geschikt en toereikend zijn.  Stap 5: Zijn de mogelijkheden onder stap 4 ontoereikend, dat zal het college een maatwerkvoorziening moeten verstrekken, tenzij een (andere) weigeringsgrond van toepassing is.  Stap 6: Voor zover dit in het individuele geval noodzakelijk is, dient specifieke deskundigheid te worden ingeschakeld. 2.9 Ondersteuning vragen Cliënten kunnen het moeilijk vinden om een ander te vragen iets voor hen te doen terwijl mensen in het netwerk vaak best bereid zijn iets voor een ander te betekenen, maar niet weten hoe ze dat moeten aankaarten.

Dit kan onderwerp zijn van het onderzoek, waarbij het college kan ondersteunen bij het betrekken van personen uit de sociale omgeving. Van de cliënt mag worden verwacht dat hij de personen uit het sociaal netwerk vraagt of zij hem kunnen en willen ondersteunen. Deze personen kunnen ook worden uitgenodigd bij het onderzoek. 2.10 Inlichtingen- en medewerkingsplicht Om het onderzoek volledig uit te kunnen voeren is het van belang dat de cliënt daaraan zijn medewerking verleend. In artikel 2.3.2, zevende lid, van de wet is bepaald dat de cliënt dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger het college de gegevens en bescheiden verschaft die voor daarvoor nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Deze verplichting geldt naar analogie van artikel 4:2 van de Awb. Het komt er op neer dat de cliënt noodzakelijke informatie verstrekt die het college kan onderzoeken.

7

2.10.1 Inlichtingenplicht Artikel 2.3.8, eerste lid, van de wet bepaalt de inlichtingenplicht voor cliënten aan wie een maatwerkvoorziening is verstrekt, al dan niet in de vorm van een pgb. Dat wil zeggen dat inlichtingen die relevant zijn voor een verstrekte maatwerkvoorziening spontaan bij het college gemeld moeten worden. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat de cliënt een huisgenoot heeft gekregen die mogelijk de gebruikelijke hulp op zich kan nemen. 2.10.2 Medewerkingsplicht Artikel 2.3.8, derde lid, van de wet regelt de medewerkingsplicht die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. Onder het niet verlenen van medewerking bestaat wordt in ieder geval verstaan:  Het niet meewerken aan een onderzoek, al dan niet door een deskundige, door niet te verschijnen of relevante vragen niet te beantwoorden. Dat geldt ook voor de huisgenoot ingeval van een onderzoek over het kunnen bieden van gebruikelijke hulp.  Als de vertegenwoordiger stelt dat het college de cliënt niet hoeft te zien en/of te spreken voor het onderzoek.  Gebruikmaking van het blokkeringsrecht als bedoeld in artikel 7:464, tweede lid onder b, van het BW.  Het niet overleggen van het indicatiebesluit op grond van de Wlz als dat noodzakelijk is voor de beoordeling van de ondersteuningsbehoefte (RBLIM:2021:1423).

Gevolgen Niet of onvoldoende medewerking verlenen kan leiden tot weigering aanvraag als daardoor de noodzaak tot ondersteuning niet kan worden vastgesteld (CRVB:2021:1739, CRVB:2020:567, CRVB:2019:224). De gevolgen van het niet verstrekken van relevante inlichtingen kan leiden tot een herziening of intrekking van het toekenningsbesluit onder toepassing van artikel 2.3.10 van de wet. En mogelijk ook tot een terugvordering. Zie verder Hoofdstuk 16 Heroverweging, beëindiging, herziening of intrekking, terug- en invordering van deze beleidsregels. 2.11 Beperking, chronisch psychisch probleem en psychosociaal probleem Beperking De wet bepaalt niet wat onder een beperking wordt verstaan. Onder een beperking kunnen aan de cliënt verbonden factoren worden verstaan die ertoe leiden dat de cliënt niet (volledig) in staat is tot zelfredzaamheid en participatie. Denk aan: ouderdomsklachten, ziekte, aandoening of DSM-5 problematiek. Zelfredzaamheid en participatie Zelfredzaamheid bevat twee elementen: 1. het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL), 2. het voeren van een gestructureerd huishouden. Participatie heeft betrekking op deelname aan het maatschappelijk verkeer. Dit wil zeggen zoveel mogelijk op gelijke voet met anderen mee kunnen doen aan de samenleving.

Diagnose alleen geeft geen toegang Het feit dat de cliënt bekend is met een bepaalde diagnose, leidt niet zonder meer tot een noodzaak tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening. Het moet duidelijk zijn dat de cliënt door de beperkingen belemmerd wordt in de zelfredzaamheid en/of participatie én dat ‘voorliggende oplossingen’ niet passend zijn in de individuele situatie. Zie onder meer Hoofdstuk 3 Beoordeling van de aanspraak van deze beleidsregels. Chronisch psychisch probleem Psychische problemen hebben te maken met gevoelens en gedachten van mensen waarvoor vaak geen fysieke oorzaak is. Psychische problemen worden vastgesteld aan de hand van de DSM-5. Dat

8

No. 22.0002017 is een classificatiesysteem voor psychiatrische aandoeningen. De DSM-5 biedt een geclusterde beschrijving van alle stoornissen op basis van symptomen. Daaronder vallen bijvoorbeeld:  Angststoornissen  Depressie  Persoonlijkheidsproblematiek  Autisme Spectrum Stoornissen (ASS) Beoordeling ondersteuningsvraag Dat wil zeggen als uit het onderzoek blijkt dat de ondersteuningsvraag betrekking heeft op een chronisch psychisch probleem (DSM-5 problematiek), bijvoorbeeld een angststoornis, dan zal dat aannemelijk moeten worden door een diagnose. Is de aanvraag om een maatwerkvoorziening primair gericht op het oplossen van een chronisch psychisch probleem (DSM-5 problematiek), dan beoordeelt het college of de maatwerkvoorziening een therapeutisch karakter heeft (zie verder hierna). Psychosociaal probleem Psychosociale problematiek is een containerbegrip. Het gaat om problemen die cliënten kunnen ondervinden in hun relaties en contacten met andere mensen. De wetsgeschiedenis van de Wmo 2015 gaat niet concreet in op dit begrip. In de Wmo 2007 was dat wel het geval. Is het verlies van zelfstandig functioneren of een gebrek aan deelname aan het maatschappelijk verkeer het gevolg zijn van iemands problemen in zijn relatie met zijn sociale omgeving, dan is sprake van een psychosociaal probleem (TK 2004/05, 30 131, nr. 3, p. 29).

Ongeacht de aard van de psychosociale problematiek, de beperkingen moet wel geobjectiveerd kunnen worden aan de hand van reguliere onderzoeksmethoden (bijv. CRVB:2019:2909 en CRVB:2019:1173). Verder wordt nog opgemerkt dat in artikel 2.3.5, derde lid, van de wet chronische psychische problemen of psychosociale problemen niet worden genoemd maar wel in artikel 2.3.5, vierde lid, van de wet (beschermd wonen en opvang). 2.12 Therapeutisch karakter Blijkt uit het onderzoek dat er met de maatwerkvoorziening primair een medisch of therapeutisch doel is gediend, dan heeft de gevraagde voorziening een therapeutisch karakter. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn bij een aanvraag om ondersteuning (begeleiding) of een PTTS-hulphond. In RBOBR:2019:478 legt de medisch adviseur van het college in kwestie uit dat een behandeling kan aangrijpen op verschillende aspecten van een ziekte en de daaruit voortkomende problemen en dat de behandeling verschillende doelen kan hebben. Daarbij zijn vier manieren van behandeling beschreven, te weten het aangrijpen op:  de aandoening zelf;  de stoornissen;  op de beperkingen die door de stoornissen ontstaan; en  op de handicap die de cliënt ervaart als gevolg van de beperkingen.

Beoogde doelen maatwerkvoorziening De met de inzet van de PTSS-hulphond (in RBOBR:2019:478) beoogde doelen hebben volgens de medisch adviseur allen betrekking op aangrijpingspunt 2.: behandeling van de stoornissen, te weten het verminderen van de angst- en paniekklachten en/of zorgen voor stabilisatie. Deze therapeutische doelen hebben (bij positief effect) weliswaar mede tot gevolg dat het de zelfredzaamheid en met name de participatie van cliënt zal bevorderen, maar dit betreft slechts een secundair gevolg. In het algemeen is het zo dat (vrijwel) elke behandeling die positief aanslaat tot gevolg zal hebben dat de zelfredzaamheid en/of participatie van degene die de behandeling ondergaat wordt bevorderd. De beoogde doelen van de inzet van bijvoorbeeld een PTSS-hulphond zijn dan primair gericht op de behandeling van de stoornissen van cliënt en hebben daarmee een therapeutische functie (zie ook RBGEL:2018:5165).

9

Weigeren maatwerkvoorziening Omdat de behandeling van stoornissen niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt, zal het college de aanvraag om een maatwerkvoorziening met een primair therapeutisch karakter weigeren. Een uitzondering kan aan de orde zijn bij cliënten die, blijkens een verklaring van een deskundige, zijn uitbehandeld. Bevorderen zelfredzaamheid en participatie Het kan echter ook voorkomen dat een mogelijk therapeutisch werkende maatwerkvoorziening wordt aangevraagd met als primair doel de bevordering van de zelfredzaamheid of participatie. Denk bijvoorbeeld aan een cliënt wiens gezondheid is verbeterd en waarvoor de eerder toegekende scootmobiel geen passende bijdrage meer is. De cliënt wil de scootmobiel inruilen voor bijvoorbeeld een driewielfiets met trapondersteuning (RBLIM:2021:1824). Vormt de gevraagde drielwielfiets een passende bijdrage omdat het de cliënt in staat stelt tot zelfredzaamheid en de participatie, dan vormt dat therapeutische karakter geen afwijzingsgrond. Het feit dat de cliënt met deze fiets ook zijn gezondheid verbetert, omdat zijn conditie verbetert, vormt ook geen afwijzingsgrond. Zie verder 11.8.1 van deze beleidsregels. 2.13 De aanvraag Het college beslist in principe binnen twee weken op de aanvraag.

Pas na verstrekking van een onderzoeksverslag kan een aanvraag voor een maatwerkvoorziening worden gedaan, tenzij het onderzoek niet binnen zes weken is uitgevoerd (art. 2.3.2, negende lid, van de wet). Er zijn drie mogelijkheden om een aanvraag in te dienen voor een maatwerkvoorziening. Het spreekt voor zich dat het college bij elke mogelijkheid de identiteit van de cliënt heeft vastgesteld. 2.13.1 Schriftelijke aanvraag Een aanvraag wordt schriftelijk gedaan (art. 4:1 Awb). Dat kan op twee manieren. Als eerste kan, om onnodige administratieve lasten voor zowel de cliënt als het college te voorkomen, een onderzoeksverslag voorzien van de NAW-gegevens én een handtekening van de cliënt, als aanvraag worden aangemerkt. Dat is de reguliere procedure. Een tweede mogelijkheid om een aanvraag om een maatwerkvoorziening in te dienen is middels een aanvraagformulier dat tijdens een huisbezoek kan worden ingevuld als:  volstrekt duidelijk is dat de cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening, en  het college in de beschikking volledig tegemoet komt aan de vraag van de cliënt. Het onderzoeksverslag wordt ook aan de cliënt verzonden. 2.13.2 Mondelinge aanvraag Het college kan bepalen dat een aanvraag mondeling kan worden gedaan (art. 3.1, derde lid, van de Verordening).

Het gaat om situaties waarin na het onderzoek en het nog op te stellen onderzoeksverslag:  volstrekt duidelijk is dat de cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening, en  het college in de beschikking volledig tegemoet komt aan de vraag van de cliënt, en 1. het eerst moeten terugsturen van een ondertekend onderzoeksverslag (= aanvraag) of een aanvraagformulier bij de cliënt tot verwarring over de procedure kan leiden; of 2. het college op grond van het dossier of adviezen van deskundigen tot het oordeel komt dat de cliënt gebaat is bij het voortvarend handelen gelet op de problematiek. Het onderzoeksverslag wordt ook aan de cliënt verzonden. 2.14 Advisering Voor de uitvoering van de wet kan het zijn dat het college advies moet vragen omdat het zelf niet ter zake deskundig is. In het algemeen geldt dat het college allereerst een standpunt moet innemen of het zelf over de deskundigheid beschikt om de aanspraak op een maatwerkvoorziening te kunnen beoordelen. Daarvoor moet het college zelf in staat zijn:

10

No. 22.0002017  de beperkingen op het gebied van de zelfredzaamheid en/of participatie vast te stellen (wettelijk toetsingskader);  te beoordelen of er in het individu gelegen omstandigheden zijn die het recht op een pgb in de weg staan (wettelijke voorwaarden);  de goedkoopst passende bijdrage (maatwerkvoorziening) te indiceren en te selecteren zonodig aan de hand van de door een arts (of iemand die functioneert op vergelijkbaar niveau) vastgestelde (medische) beperkingen;  zaken van technische aard te beoordelen, zoals die bij woningaanpassingen aan de orde kunnen zijn. Denk bijvoorbeeld aan de mogelijkheden van een inpandige woningaanpassing in plaats van een aanbouw. Advies vragen Als vuistregel geldt dat, als dat oordeel betrekking heeft op een medische kwalificatie van lichamelijke of geestelijke gebreken en de beperkingen die daaruit kunnen voortvloeien, het college in beginsel niet ter zake kundig zal zijn (vergelijk CRVB:2012:BY0324). Afhankelijk van de aard van de problematiek moet het college de cliënt laten oproepen door een deskundige die (zonodig) op het niveau van een arts functioneert. Het college kan advies vragen gedurende de procedure (melding, onderzoek of alvorens te beslissen op de aanvraag). Ook indien het college het besluit heroverweegt als bedoeld in artikel 2.3.9 van de wet kan er aanleiding om advies op te vragen.

Het college is dus niet verplicht om advies op te vragen. Zie verder Hoofdstuk 17 Advisering bij deze beleidsregels. 2.15 Maatwerk Een cliënt die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Noordoostpolder komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening in verband met de door hem ondervonden beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet: a. op eigen kracht; b. met gebruikmaking van algemene gebruikelijke voorzieningen; c. met gebruikelijke hulp; d. met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; dan wel e. met gebruikmaking van algemene voorzieningen, kan verminderen of wegnemen. Passende bijdrage Bij de beslissing op de aanvraag om een maatwerkvoorziening gaat het om maatwerk. Uit de wet volgt dat de maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid en/of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Dat wil zeggen dat het bij het bieden van maatwerk om een resultaatverplichting van het college gaat. Het resultaat kan op verschillende manieren worden bereikt. Daarom is het van groot belang dat het onderzoek zich richt op het bereiken van een resultaat.

Dit in samenspraak met de cliënt, zijn eventuele mantelzorger of andere personen uit het sociaal netwerk. Het resultaat van de ondersteuning zal waar mogelijk én nodig zo veel mogelijk moeten aansluiten bij de wensen en mogelijkheden van de cliënt zelf en zijn eventuele sociale omgeving. Niveau van maatschappelijke ondersteuning De verplichting van het college om een maatwerkvoorziening te verstrekken, gaat niet zo ver dat de cliënt in exact dezelfde of wellicht zelfs betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 149). Het behoeft geen toelichting dat dit in bepaalde gevallen ook helemaal niet mogelijk is. De gevraagde ondersteuning moet in een redelijke verhouding staan tot wat de situatie van de cliënt was voor hij ondersteuning nodig had. Wat redelijk is laat zich niet vertalen in beleidsregels; het gaat immers om maatwerk. Het gaat erom dat de cliënt in redelijke mate in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie (CRVB:2022:224).

11

2.16 Weigeren aanvraag maatwerkvoorziening (Wet langdurige zorg) De wet kent slechts één weigeringsgrond (art. 2.3.5, zesde lid, van de wet). Het college is bevoegd om een aanvraag om een maatwerkvoorziening te weigeren als: • de cliënt een indicatie heeft op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), of • een Wlz-indicatie kan krijgen maar daar geen aanvraag voor wil indienen. Een hogere bijdrage op grond van de Wlz, in vergelijking met de Wmo, is geen reden om geen aanvraag op grond van de Wlz te doen. Het niet willen indienen van een aanvraag op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), als er aanleiding is om aan te nemen dat zo’n aanvraag door het CIZ zal worden toegekend, leidt tot een afwijzing van de aanvraag om een maatwerkvoorziening. Het college kan zonder Wlz-indicatie de noodzaak tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening niet vaststellen. Wet langdurige zorg en mantelzorg (kortdurend verblijf) Ook kan mantelzorg worden verleend aan een cliënt die thuis woont. Heeft de cliënt een Wlz-indicatie of kan hij deze krijgen, dan wordt een aanvraag om kortdurend verblijf geweigerd. Op grond van de Wlz bestaat namelijk aanspraak op logeeropvang in een instelling (art. 3.1.1, eerste lid onder g, van de Wlz).

2.16.1 Toegang Wlz verruimd Sinds 1 januari 2021 hebben verzekerden die vanwege een psychische stoornis blijvend behoefte hebben aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg toegang tot de Wlz. Zij worden dan niet anders behandeld dan verzekerden met een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap, of verzekerden met een somatische of psychogeriatrische beperking of aandoening. 2.16.2 Uitzondering weigeringsgrond bij thuis wonen Er geldt één uitzondering op het mogen weigeren van een aanvraag om een maatwerkvoorziening: voor de cliënt die thuis woont mag een aanvraag om een hulpmiddel of woningaanpassing (nog) niet worden geweigerd (art. 8.6a van de wet). Voor huishoudelijke ondersteuning, begeleiding, dagactiviteiten of kortdurend verblijf geldt de uitzondering dus niet. Het is van belang dat het college bij de melding van de ondersteuningsvraag onderzoekt of de cliënt in aanmerking kan komen voor een Wlz-indicatie of zo’n indicatie heeft, tenzij er geen enkele aanleiding is om dat aan te nemen. 2.16.3 Wat is thuis wonen Het kan voorkomen dat een cliënt met een Wlz-indicatie op een locatie woont waar wonen en zorg gescheiden is. Dat wil zeggen dat een afzonderlijke huurovereenkomst is gesloten voor het wonen; de cliënt betaalt huur. In zo’n geval zal de cliënt huurbescherming genieten tegen de huuropzegging door de verhuurder.

Wordt ‘het wonen’ ook geboden door de partij die de Wlz-zorg biedt? Dan beoordeelt het college of zorg en wonen onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Dat wil zeggen: de cliënt verliest zijn woonruimte als bijvoorbeeld de zorgvraag te groot is (RBOBR:2022:448). In dat geval is geen sprake van thuis wonen en is het college bevoegd de aanvraag voor een hulpmiddel of woningaanpassing afwijzen onder toepassing van art. 2.3.5, zesde lid, van de wet (zie verder hierna). 2.1.6.4 Verblijf in een instelling In dit onderdeel staan een aantal aandachtspunten die van belang zijn bij de beoordeling van een aanvraag om maatwerkvoorziening van een cliënt die in een Wlz-instelling woont (al dan niet in deeltijd). Outillagemiddelen Wlz -instelling Er worden op grond van de Wmo geen outillagemiddelen verstrekt aan een client die in een Wlzinstelling verblijft. Voor de uitleg van het begrip outillage kan worden aangesloten bij het algemene spraakgebruik. Het gaat om datgene waarmee een Wlz-instelling is uitgerust ter operationalisatie van zijn doelstelling. De inrichting van een instelling moet zijn uitgerust met die standaardvoorzieningen die nodig zijn om de doelgroep waarop de instelling zich richt adequaat te kunnen verzorgen. Daarbij is van belang of de gevraagde voorziening door meerdere mensen, eventueel na elkaar en met een 12

No. 22.0002017 geringe individuele aanpassing, te gebruiken is of dat sprake is van een op het individu toegesneden voorziening, die alleen na een kostbare aanpassing door verschillende personen na elkaar te gebruiken is (CRVB:2013:CA0312 Wmo). Mobiliteitshulpmiddelen Sinds 1 januari 2020 is het Zorgkantoor verantwoordelijk voor mobiliteitshulpmiddelen (zoals een rolstoel en een scootmobiel) voor individueel gebruik voor verzekerden met een Wlz-indicatie die in een Wlz-instelling verblijven. Voor hen worden deze voorzieningen verstrekt vanuit de Wlz en niet meer vanuit de Wmo. Per die datum is ook art. 2.3 Regeling langdurige zorg gewijzigd waarmee het recht van verzekerden op het individueel gebruik van een mobiliteitshulpmiddel is verruimd. In dat artikel is een limitatieve opsomming van mobiliteitshulpmiddelen opgenomen. De Minister van VWS heeft wel afspraken gemaakt met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en Zorgverzekeraars Nederland dat gemeenten verantwoordelijk blijven voor onderhoud, aanpassing en reparatie van het vóór 1 januari 2020 verstrekte mobiliteitshulpmiddel tot aan het moment dat het hulpmiddel vervangen moet worden. Deeltijdverblijf Wlz Deeltijdverblijf is een combinatie van thuis wonen en in een Wlz-instelling wonen.

Met ingang van 1 januari 2020 is het eenvoudiger om deels thuis te wonen en daar Wlz-zorg te ontvangen en deels in een Wlz-instelling te wonen. Deeltijdverblijf maakt het mogelijk om langer thuis te blijven wonen en/of te wennen aan verblijf in een instelling. In de regelgeving is er niets geregeld bij deeltijdverblijf voor wat betreft hulpmiddelen. Het is de bedoeling om per categorie hulpmiddelen afspraken te maken over een verdeling van verantwoordelijkheden (www.regelhulp.nl). Thuis logeren Bron: VNG 29 november 2022 De bedoeling is landelijke afspraken te maken voor cliënten die minimaal 18 dagen per jaar thuis logeren en de hulpmiddelen thuis kunnen achterblijven. Het gaat hierbij om hulpmiddelen die redelijkerwijs niet vanuit de zorginstelling zijn mee te nemen. Het betreft hulpmiddelen uit de Wmo 2015 en de Zvw. De hulpmiddelen uit de Wmo die er mogelijk voor in aanmerking komen om thuis te blijven staan zijn vooral tilliften en douchezitjes/stoelen. Een traplift valt ook onder de te maken afspraken. Mobiliteitshulpmiddelen (zoals rolstoelen en aangepaste fietsen) worden geen onderdeel van de landelijke afspraken. Landelijk hebben de VNG, ZN en Firevaned (koepel van hulpmiddelenleveranciers) met VWS afgesproken dat gemeenten en verzekeraars de hulpmiddelen desgevraagd zullen laten staan wanneer de inwoner verhuist naar een Wlz-instelling.

Deze partijen hebben wel aangegeven dat ze van VWS de garantie willen dat ze adequaat worden vergoed. VWS is momenteel op zoek naar een manier om hier invulling aan te geven. Vervolgens worden hierover bestuurlijke afspraken gemaakt. Het is nog onduidelijk wanneer dit mogelijk is, vermoedelijk begin 2023. 2.16.4 Samenloop Wlz en Wmo Volgens de CRvB kunnen de Wmo en de Wlz naast elkaar bestaan (CRVB:2018:3933). Dat wil zeggen dat het college verantwoordelijk kan zijn voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening als de beperkingen van de verzekerde betrekking heeft op maatschappelijke participatie. Dat valt namelijk niet binnen de reikwijdte van de Wlz. Toepassingsvoorwaarden Eerst beoordeelt het college of aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 2.3.5, zesde lid, van de wet is voldaan. Dat wil zeggen: heeft de cliënt een Wlz-indicatie of kan hij daarvoor in aanmerking komen. Is dat het geval, dan wordt beoordeeld of er sprake is van een uitzondering als bedoeld in art. 8.6a van de wet (zie 2.16.2 van deze beleidsregels). Het college is gehouden om een onderzoek te doen.

13

Onderzoek De procedure van art. 2.3.2 van de wet moet in zo’n situatie volledig worden doorlopen. Uit het onderzoek zal moeten blijken wat het doel, inhoud en omvang van de ondersteuningsvraag is en de noodzaak van ondersteuning op grond van de Wmo 2015. Daaruit dat onderzoek kan blijken dat de cliënt een ondersteuningsbehoefte heeft die niet door de Wlz wordt gedekt. Voorbeelden Voor de cliënt die niet thuis woont kan uit het onderzoek blijken dat de cliënt een ondersteuningsbehoefte heeft die niet door de Wlz wordt gedekt. Denk bijvoorbeeld aan:  Cliënten met een Wlz-indicatie die in een Wlz-instelling wonen o Maatwerkvoorziening sociaal vervoer, zoals de Regiotaxi. Bedenk dat deze bewoners mogelijk aanspraak kunnen maken op een mobiliteitshulpmiddel voor individueel gebruik op grond van de Wlz (zie onder 2.1.6.4 van deze beleidsregels). o Maatwerkvoorziening bezoekbaar maken woning zodat de cliënt op bezoek kan komen bij partner of kinderen. Bedenk dat de partner of kinderen ook bij de cliënt op bezoek kunnen gaan.  Cliënten met een Wlz-indicatie die nog thuis wonen maar in een Wlz-instelling (gaan) wonen o Maatwerkvoorziening bezoekbaar houden van de woning zodat de cliënt op bezoek kan blijven komen bij partner of kinderen. Het gaat hier om de vraag of het college een toekenningsbesluit voor bijvoorbeeld een tillift, toiletstoel of traplift, kan intrekken (art.

2.3.10 lid 1 onder b Wmo 2015). Bedenk ook dat de partner of kinderen ook bij de cliënt op bezoek kunnen gaan. o Let op. Voor cliënten die minimaal 18 dagen per jaar thuis logeren worden in 2023 landelijk afspraken gemaakt om toegekende hulpmiddelen te laten staan in de woning (zie hiervoor).  Cliënten met een Wlz-indicatie die niet thuis wonen (scheiden wonen en zorg, maar onlosmakelijk met elkaar verbonden) o Maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing. Het college mag in redelijkheid verwachten dat de ‘exploitant’ die zowel het wonen als ook de zorg biedt zorgt draagt voor de aanwezigheid van de noodzakelijke hulmiddelen en geschikte woonruimte. De cliënt zal de ‘exploitant’ daarop moeten aanspreken. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Bezoekbaar maken woning Onder het bezoekbaar maken van een woning wordt verstaan: het bereikbaar maken van de woning, de woonkamer en het toilet. Toepassing kan-bepaling Het college kan de maatwerkvoorziening weigeren: 1. De cliënt heeft een tekort in zijn zelfredzaamheid of participatie die niet wordt gedekt door de Wlz. 2. Weigeren maatwerkvoorziening is een bevoegdheid (geen verplichting om te verstrekken). 3. Wordt gebruik gemaakt van de bevoegdheid om de maatwerkvoorziening te weigeren. En zo ja, wat is de motivatie van het besluit.

Motivatie weigeren maatwerkvoorziening Het gaat om de vraag of het college in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om de aanvraag om een maatwerkvoorziening, bij een behoefte die niet door de Wlz wordt gedekt, af te wijzen of toe te kennen. De beslissing op de aanvraag wordt gebaseerd op art. 2.3.5, zesde lid, van de wet. Daarbij heeft het college een zeer ruime beslisruimte (CRVB:2018:3933 en CRVB:2019:3171). Dat wil zeggen dat de beslissing niet zo uitgebreid gemotiveerd hoeft te worden als bij reguliere aanvragen waarbij de vraag of de cliënt een Wlz-indicatie heeft of kan krijgen geen rol speelt. Het gaat om een redelijkheidstoets. Er hoeft bij een toekenning in ieder geval niet te worden vastgesteld of de maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie.

14

No. 22.0002017

Hoofdstuk 3 Beoordeling van de aanspraak Artikel 2.3.5 van de wet Hoofdstuk 4 van de Verordening Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 3.1 Inleiding De cliënt die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Noordoostpolder kan aanspraak maken op ondersteuning van de gemeente Noordoostpolder. Door de toevoeging ‘zal hebben’ wordt cliënten niet de mogelijkheid ontnomen naar de gemeente Noordoostpolder te verhuizen. Verwezen wordt naar de begripsbepaling van hoofdverblijf in de Verordening. Wel zal de cliënt bij de keuze van een woning nadrukkelijk rekening moeten houden met de aanwezige of redelijkerwijs te verwachten beperkingen. Het gaat om situaties waarin het voor de hand ligt dat de cliënt op relatief korte termijn problemen in de woning van zijn keuze zal gaan ondervinden. Daaronder wordt in ieder geval een periode van een jaar verstaan. 3.2 Algemene criteria In deze paragraaf komen de belangrijkste algemene criteria aan bod die van belang zijn bij de beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening. 3.2.1 Eigen kracht De eigen kracht vormt een belangrijk onderdeel van de beoordeling of de cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening. Daaronder wordt dat verstaan wat naar oordeel van het college binnen het vermogen van de cliënt ligt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid en/of participatie te komen.

De cliënt zal zich, in een door het college te beoordelen mate, moeten inspannen om dat aan te wenden wat binnen zijn eigen bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te voorzien. Dat is wat de wetgever voor ogen heeft gehad. Zo zou iemand bijvoorbeeld maatschappelijk nuttige activiteiten kunnen verrichten om zijn participatieprobleem aan te pakken. Het verrichten van dergelijke activiteiten is echter niet verplicht. Onder eigen kracht kan ook letterlijk de eigen kracht worden verstaan. Denk bijvoorbeeld aan het in staat zijn om bepaalde huishoudelijke taken (deels) zelf uit te voeren. Daarbij zal het college bijvoorbeeld rekening kunnen houden met een (rustiger) tempo waarbinnen dat gebeurt maar ook met redelijkerwijs in acht te nemen leefregels waardoor de huishoudelijke taken verspreid over de week kunnen worden uitgevoerd. 3.2.2 Algemeen gebruikelijke voorziening Artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015 bepaalt dat als de cliënt de beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie, naar oordeel van het college, met gebruikmaking van een algemeen gebruikelijke voorziening kan verminderen of wegnemen, er geen maatwerkvoorziening verstrekt hoeft te worden. De CRvB heeft in november 2019 een uitspraak gedaan met betrekking tot het begrip algemeen gebruikelijke voorziening (CRVB:2019:3535).

De CRvB geeft aan dat een voorziening algemeen gebruikelijk is als deze: 1. niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; 2. daadwerkelijk beschikbaar is; 3. een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie en; 4. financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. De beoordeling Het college beoordeelt aan de hand van de vier genoemde punten of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening die aan het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de weg staat. 1. Niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking Bij het eerste criterium wordt bepaald of een voorziening specifiek bedoeld is voor de doelgroep van de Wmo 2015. Dat betekent (eenvoudig gezegd) dat iemand hierover beschikt of zou kunnen

15

beschikken ongeacht het hebben van beperkingen (CRVB:2016:614). Of een beoogde algemeen gebruikelijke voorziening niet specifiek bestemd is voor personen met een beperking is ook afhankelijk van technische ontwikkelingen en nieuwe maatschappelijke normen. In het algemeen zijn algemeen gebruikelijke voorzieningen in de reguliere handel verkrijgbaar. Bijvoorbeeld een eenhendelmengkraan, toiletverhoger of wandbeugel in een bouwmarkt, een elektrische fiets, een spoel-föhn installatie of een boodschappendienst bij de supermarkt. 2. Daadwerkelijk beschikbaar Bij het tweede criterium geldt dat als de voorziening niet daadwerkelijk beschikbaar is voor de aanvrager, deze niet als algemeen gebruikelijke voorziening kan worden aangemerkt. Een boodschappenservice moet bijvoorbeeld wel door de supermarkt worden geboden. 3. Levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is Bij het derde criterium gaat het om maatwerk. Dat wil zeggen: er wordt bekeken of de beoogde algemeen gebruikelijk voorziening een passende bijdrage levert aan de situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid en participatie in staat is. Een elektrische fiets kan bijvoorbeeld een passende bijdrage zijn. Of een voorziening passend is, hangt af van de concrete situatie van de cliënt.

De boodschappendienst moet bijvoorbeeld wel gebruikt kunnen worden door de cliënt gelet op diens beperkingen. 4. Kan financieel worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. Onder een minimum inkomen wordt een inkomen op bijstandsniveau verstaan. Het vierde en laatste criterium gaat over de hoogte van de kosten van de beoogde algemeen gebruikelijke voorziening. Het gaat bij de hoogte om de ondergrens van een inkomen op minimumniveau: Er wordt dus niet gekeken of de persoon van de aanvrager het kan betalen. Voor de “eenmalige” aanschaf van een algemeen gebruikelijke voorziening hanteert het college het volgende beleidsuitgangspunt. Hoogte van de kosten Het bedrag dat kan worden gedragen met een minimum inkomen is gebaseerd op: 1. de aflossingsduur van 36 maanden die in Noordoostpolder geldt voor leenbijstand in de vorm van bijzondere bijstand (gebruiksgoederen); 2. een aflossing van 5% van de norm voor personen (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwden, art. 21 van de Participatiewet). Er wordt bij de norm geen onderscheidt gemaakt tussen personen die wel of niet de pensioengerechtigde leeftijd hebben. Het percentage van 5% sluit aan op dat wat buiten de beslagvrije voet valt. Aansluiting op deze systematiek is in de rechtspraak redelijk bevonden (RBDHA:2021:2084, RBDHA:2022:5272).

Datum aanvraag De datum van de aanvraag is bepalend voor welke bijstandsnorm wordt toegepast voor de berekening. Berekening alleenstaande of alleenstaande ouder 5% van de bijstandsnorm € 1.195,66 [bedrag per 1 januari 2023] = € 59,78 x 36 maanden = € 2.152,19. Dit bedrag geldt voor een periode van 36 maanden. Voor de hoogte van de bijstandsnorm geldt het bedrag van 1 januari of 1 juli. Dat zijn de momenten waarop de bijstandsnormen worden aangepast. Rekenvoorbeeld Cliënt dient een aanvraag in voor een maatwerkvoorziening. Uit onderzoek is gebleken dat een elektrische fiets een passende oplossing is. De fiets kost € 1.525,00. De kosten zijn lager dan € 2.152,19 [bedrag geldt per 1 januari 2023] en komt daarom niet voor verstrekking in aanmerking. Is 16

No. 22.0002017 de cliënt binnen 36 maanden opnieuw aangewezen op een maatwerkvoorziening en dan resteert voor een beoogde algemeen gebruikelijke voorziening nog een bedrag van € 627,19 (€ 2.152,19 minus € 1.525,00). Het gaat om eenmalige aanschafkosten en niet de periodieke kosten van bijvoorbeeld de maaltijdservice of boodschappendienst. Tweedehands en inruil Een tweedehands elektrische fiets kan ook als algemeen gebruikelijke voorziening worden aangemerkt. Net als voor een nieuwe elektrische fiets moet worden voldaan aan kwaliteitseisen. Bij de aankoop bij een reguliere fietsenhandelaar kan daar van uit worden gegaan maar de afschrijvingstermijn kan wel korter zijn. Verder kan zijn dat de cliënt een korting krijgt op de aanschaf wegens inruil. Het college houdt dan het bedrag minus de korting aan. Meerkosten Het kan ook voorkomen dat het college alleen de noodzakelijke meerkosten bij een algemeen gebruikelijke voorziening verstrekt. Het gaat dan om (een deel van) de voorziening die specifiek voor personen met een beperking bestemd is. Voorbeelden hiervan zijn:  De aanpassingen aan een bakfiets die nodig zijn voor bijvoorbeeld het vervoer van de buggy of zuurstoffles.  Geveerde zijwielen aan een fiets. Dit is geen limitatief overzicht, er zijn meer voorbeelden denkbaar.

Kosten Tafeltje Dekje, maaltijdservice Gebruikmaking van Tafeltje Dekje of een andere maaltijdservice kan voor een cliënt een passende bijdrage leveren aan het realiseren van een situatie waarin hij/zij in staat is tot zelfredzaamheid. De kosten van een maaltijd behoren tot de algemene kosten van het bestaan en zijn, mede gezien de keuzes die nu eenmaal in de besteding van het beschikbare inkomen worden gemaakt, niet zodanig dat deze in financiële zin niet passend zijn (CRVB:2018:2182). Voor de meerkosten, bijvoorbeeld de bezorgkosten kan een aanvraag om bijzondere bijstand worden gedaan. Het op deze manier invulling geven aan de ondersteuningsplicht, zodat de kosten financieel draagbaar zijn, is een aanvaardbare keuze (CRVB:2014:1403, CRVB:2015:97). Zowel deze maaltijden als ook de kant-en-klaar maaltijden van de supermarkt kunnen een voorliggende oplossing zijn. Kosten boodschappendienst Een boodschappendienst kan worden aangemerkt als een algemeen gebruikelijke voorziening die aan het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de weg staat (CRVB:2019:397). Bezorgkosten van een boodschappendienst die bijvoorbeeld € 4,95 per keer bedragen waarbij een minimum bestelbedrag van € 70 geldt kunnen in ieder geval worden gedragen uit een inkomen op minimumniveau (CRVB:2017:1302). Bedenk ook dat bepaalde boodschappen opgespaard kunnen worden.

Besteding pgb Het spreekt voor zich dat de cliënt het pgb niet mag besteden aan een algemeen gebruikelijke voorziening (zie art. 9.2, eerste lid, van de Verordening). 3.2.3 Gebruikelijke hulp Gebruikelijke hulp heeft alleen betrekking op personen die binnen de leefeenheid van de cliënt vallen (zie begripsbepalingen van de Verordening). Als naar oordeel van het college gebruikelijke hulp kan worden verlangd, bestaat er geen (of slechts gedeeltelijk) aanspraak op een maatwerkvoorziening. Zie verder Hoofdstuk 4 Gebruikelijke hulp van deze beleidsregels. 3.2.4 Mantelzorg en hulp van personen uit het sociale netwerk Mantelzorg is niet afdwingbaar; het is vrijwillig en wordt onbetaald geboden. Maar het ontvangen van mantelzorg kan bijdragen aan het in staat zijn tot zelfredzaamheid en participatie door de cliënt. Het is

17

ook van groot belang dat het college tijdens het onderzoek ook nagaat of, en zo ja welke behoefte de mantelzorger heeft aan hulp zodat de taken kunnen worden volgehouden. Zie verder Hoofdstuk 5 Mantelzorg van deze beleidsregels. Bij het sociaal netwerk gaat het om personen uit de huiselijke kring (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet). Daaronder kunnen een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot, geregistreerd partner of andere personen vallen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt. Ook het bieden van ondersteuning door personen uit het sociale netwerk is niet afdwingbaar. Wel is het zo dat het in principe aan cliënt is om zijn sociale netwerk te vragen of zij hem kunnen en willen ondersteunen opdat zijn beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie worden verminderd of weggenomen. 3.2.5 Gebruikmaking algemene voorzieningen De wet geeft het college opdracht om algemene voorzieningen te treffen. Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten die, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is. Algemene voorzieningen zijn gericht op maatschappelijke ondersteuning (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet).

De wetgever heeft met algemene voorzieningen beoogd dat het in de daarvoor geschikte situaties een voorliggend en volwaardig alternatief is voor een maatwerkvoorziening (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 34). Algemene voorzieningen kunnen ook een belangrijke bijdrage leveren aan het meer inclusief maken van de samenleving, zodat mensen met beperkingen zoveel mogelijk in staat worden gesteld om op gelijke voet te participeren (TK 2013/14, 33 841, nr. 34, p. 21). Uit het onderzoek kan blijken dat gebruikmaking van een algemene voorziening voor de cliënt als passende oplossing kan worden aangemerkt. Daarvoor hoeft de cliënt geen aanvraag in te dienen; gebruikmaking van algemene voorzieningen kan zonder indicatie. 3.2.6 Overige voorliggende oplossingen In 2.7 Onderwerpen van het onderzoek van deze beleidsregels staat wat het college onderzoekt als de cliënt zijn ondersteuningsvraag heeft gemeld. Daarin staat ook het wettelijk beoordelingskader volgens het stappenplan van de CRvB waarop de beslissing van de aanvraag om een maatwerkvoorziening wordt gebaseerd. Dat roept de vraag op of andere faciliteiten in Noordoostpolder ook onder het beoordelingskader kunnen vallen. Het zal namelijk niet altijd zo zijn dat het college deze ’faciliteiten’ heeft gecontracteerd als algemene voorziening en daarom niet precies bekend is waaruit deze bestaan.

Denk bijvoorbeeld aan een inloopmiddag bij een buurthuis die activiteiten organiseert in het kader van dagbesteding of vrijwilligers die als boodschappenmaatje kunnen fungeren. Het kan ook gaan om vrijwilligers bij een manege. Denk in dat kader ook aan een rijinstructeur die een cliënt kan helpen (CRVB:2018:3348). Dergelijke faciliteiten tellen wel mee in het beoordelingskader. Het kan namelijk zo zijn dat deze faciliteiten een passende oplossing bieden voor de beperkingen die de cliënt ondervindt in zijn zelfredzaamheid en/of participatie. Omdat de partijen die faciliteiten bieden niet zijn gecontracteerd zal het college in het individuele geval moeten vaststellen waaruit de activiteiten van bijvoorbeeld het buurthuis bestaan en of de activiteiten een passende oplossing zijn voor de problemen die de cliënt heeft. Wanneer het gaat om vrijwilligers zal het college moeten vaststellen dat zij beschikbaar en geschikt zijn. 3.2.7 Eigen verantwoordelijkheid In de Wmo 2015 is de eigen verantwoordelijkheid van burgers nog meer verankerd en wordt daarom betrokken bij het onderzoek en de beslissing op aanvraag. Zelf of met anderen Als het college van oordeel is dat de cliënt zijn eigen verantwoordelijkheid kan nemen (lees: de beperkingen zelf kan oplossen), dan wordt de aanvraag om ondersteuning afgewezen.

Het spreekt voor zich dat het college dat telkens in het individuele geval moet beoordelen. In hoeverre medewerking kan worden gevergd van de cliënt, diens huisgenoten, zijn mantelzorger of hulpverlener of van anderen in diens omgeving, zoals familieleden, is dan ook afhankelijk van de individuele situatie.

18

No. 22.0002017 Voorbeelden Tijdens het onderzoek (meestal een gesprek met de cliënt) kunnen allerlei oplossingen aan de orde komen die kunnen leiden tot het oplossen dan wel verminderen van de beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie. Hierna staan een aantal voorbeelden genoemd wanneer de cliënt in staat kan worden geacht zijn zelfredzaamheid en/of participatie te verbeteren of op te lossen. De voorbeelden zijn ook gebaseerd op de jurisprudentie die onder de Wmo oud tot stand is gekomen. Aangenomen wordt dat ‘de uitkomsten’ van deze uitspraken ook van toepassing zijn op de Wmo 2015. Herinrichting woning Van de cliënt kan worden gevergd dat de woning zodanig wordt ingericht of heringericht zodat wordt voorkomen dat een woningaanpassing moet worden verstrekt (vergelijk CRVB:2011:BQ8290 en CRVB:2016:429). Voorliggende voorziening Artikel 4.3 tweede lid onder a en 1.1 lid 1 onder w van de Verordening (begripsbepaling) Zoals gezegd speelt de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt in de Wmo 2015 een hele belangrijke rol. Dat betekent dat het in principe onder de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt valt om een beroep te doen op een ‘andere wettelijke regeling’ waarmee aanspraak bestaat gelet op het oog op de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/1996/documents/33119