CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

D07 02 Bijlage 2 bij noat - Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2024 definitief.pdf

Gemeenteraad 29 januari 2024, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 4: Lijst ingekomen stukken52.549 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 6 van 6

Om te zorgen dat een pgb ook daadwerkelijk wordt besteed waarvoor het is verstrekt kan het college of de toezichthoudende ambtenaar de budgethouder maar ook de derde aan wie het pgb wordt besteed, vragen daar verantwoording over af te leggen. Denk bijvoorbeeld aan de wel of niet uitgevoerde activiteiten met het oog op het te behalen resultaat. Daar kan aanleiding voor zijn als het college daar twijfels over heeft. Onder de derde wordt ook een aan die derde gelieerde (rechts)persoon verstaan. 15.2 Onderzoeksbevoegdheid college Het college is op grond van artikel 2.3.9 Wmo 2015 en artikel 12.1 Verordening bevoegd om onderzoeken in te stellen die betrekking hebben op de naleving van regels uit de Wmo 2015, de Verordening en de voorwaarden die voortvloeien uit overeenkomsten met aanbieders. Deze onderzoeken hebben betrekking op zowel de rechtmatigheid als de kwaliteit van de geboden ondersteuning. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om de beoordeling van de inhoudelijke activiteiten met bijbehorende resultaatafspraken. De aanbieder, budgethouder en/of de derde aan wie het pgb wordt besteed zijn desgevraagd verplicht om hun medewerking te verlenen aan de verantwoording hierover (art. 12.3 Verordening). Afhankelijk van de uitkomsten van zo’n onderzoek (controle), kan het college daar vanzelfsprekend gevolgen aan verbinden.

86

No. 23.0001427 15.2.1 Rapport van bevindingen Het college is gerechtigd tot het uitvoeren van controles (onderzoeken) waaraan aanbieders verplicht zijn om kosteloos hun medewerking aan te verlenen. Rapporten van bevindingen van de Wmotoezichthouder worden niet alleen openbaar gemaakt aan belanghebbenden, maar in beginsel ook actief openbaar gemaakt, zodat derden daarvan kennis kunnen nemen. 15.3 Weigering pgb Artikel 12.5 lid 1 aanhef en onder a Verordening Er kunnen zich situaties voordoen waarin het college vindt dat er sprake is van een belangenstrengeling tussen de budgethouder en de derde aan wie het pgb wordt besteed. Dat is het geval als die derde ook degene is die de budgethouder helpt. De invloed van de derde op het zogeheten pgb-beheer is niet in lijn met het doel van het pgb en kan oneigenlijk gebruik van de wet in hand werken. Immers deze derde (in ieder geval een Zzp’er of ondersteuner in dienst bij een professionele organisatie) kan niet twee belangen dienen (CRVB:2019:2803, RBGEL:2018:3911). Denk ook aan de situatie waarin de professionele organisatie in een bijvoorbeeld een andere BV. activiteiten heeft ondergebracht gericht op bemiddeling. Het kan ook gaan om medewerkers die bij deze derde in dienst zijn of op een andere wijze aan de derde zijn verbonden (CRVB:2019:2803).

In het geval de derde een persoon is uit het sociaal netwerk (niet beroepshalve werkzaam) kan ook sprake zijn van een belangenverstrengeling. Artikel 12.5 lid 1 aanhef en onder b Verordening Het spreekt voor zich dat het college het ingevulde Budgetplan met de cliënt (budgethouder) wenst te bespreken. Dat is niet vrijblijvend. Wordt er geen Budgetplan ingediend, dan wordt het pgb in principe geweigerd. Dat geldt ook als de budgethouder of diens vertegenwoordiger een bespreking daarover weigert of zonder tegenbericht niet verschijnt op een uitnodiging van het college. Het college zal de budgethouder dan wel diens vertegenwoordiger in ieder geval twee keer uitnodigen om een Budgetplan in te dienen dan wel het ingediende Budgetplan te bespreken. Artikel 12.5 lid 2 Verordening (gewaarborgde hulp) De budgethouder (cliënt) kan afhankelijk zijn van gewaarborgde hulp. Dat wil zeggen hulp van een andere persoon ter compensatie van het gebrek aan capaciteiten of bekwaamheden om zelf de regie te voeren over de aan het pgb verbonden taken. Uit onderzoek moet blijken dat dergelijke hulp gewaarborgd is. Dat wil zeggen dat deze persoon moet kunnen instaan voor de nakoming van de aan het pgb verbonden verplichtingen zoals:  de keuze van de ondersteuner,  de kwaliteit en het behalen van het resultaat van de ondersteuning, en  de financiële verantwoording rondom het pgb.

Deze persoon zal moeten verklaren inhoudelijke verantwoordelijkheid te willen dragen voor het nakomen van de pgb-verplichtingen.

Niet ingestaan voor nakomen verplichtingen Als de derde aan wie de budgethouder het pgb wenst te besteden eerder niet heeft ingestaan voor het nakomen van de pgb-verplichtingen, zal het college het pgb in principe weigeren. Denk bijvoorbeeld aan:  onjuiste declaraties of onregelmatigheden daarin,  de situatie dat eerder is gebleken dat geen of niet voldoende kwalitatieve ondersteuning is ingekocht. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Artikel 12.5 lid 3 Verordening Het staat de budgethouder, die voldoet aan de voorwaarden, vrij om het pgb te besteden aan een derde. Ook kan de budgethouder besluiten om een andere derde in te schakelen, mits wederom wordt voldaan aan de voorwaarden. Daarnaast kan het voorkomen dat de omstandigheden wijzigingen en het college 87

No. 23.0001427 aanleiding heeft om de ondersteuningsbehoefte gewijzigd vast te stellen of het recht op het pgb in te trekken. Daarom is in de Verordening bepaald dat een overeenkomst met een derde waarin ook huurbepalingen van de woonruimte zijn opgenomen, in principe niet is toegestaan. Dit voorkomt dat de budgethouder (cliënt) zonder woonruimte komt te zitten als hij het pgb niet meer besteed aan de derde met wie hij de overeenkomst voor ondersteuning én woonruimte is aangegaan. De cliënt geniet dan namelijk geen huurbescherming. 15.4 Opschorten betaling pgb en opschorting inzet maatwerkvoorziening Om misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet te voorkomen zal het college niet in alle gevallen direct over kunnen (of willen) gaan tot het herzien of intrekken van het toekenningsbesluit. Opschorting betaling pgb algemeen Een opschorting van de pgb-betaling is een beter instrument om ruimte te bieden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Opschorting van de pgb-betaling is een bevoegdheid, waarvoor het college een gegrond vermoeden moet hebben. Daarnaast brengt gebruikmaking van de bevoegdheid een belangenafweging met zich mee. Het belang van de budgethouder (cliënt) aan wie een maatwerkvoorziening (in de vorm van een pgb) is toegekend, wordt afgezet tegen (de ernst van) het gegronde vermoeden en de opschorting van de pgb-betaling.

Er zijn situaties denkbaar waarbij de toepassing van de opschorting niet proportioneel is en/of (ook) niet voldoet aan het subsidiariteitsbeginsel. Dat wil zeggen dat het college - gelet op het belang van de budgethouder (cliënt) - een minder belastend middel zal moeten inzetten om het beoogde doel te bereiken. De toezichthoudende ambtenaar kan bijvoorbeeld op bezoek gaan bij de derde of de derde uitnodigen voor een gesprek waarbij desgevraagd bepaalde gegevens overlegd moeten worden. Aan de hand van de uitkomsten van dit gesprek kan het college bijvoorbeeld volstaan met een waarschuwing en een volgend onderzoek in de vorm van een gesprek aankondigen. Daaruit moeten dan in ieder geval verbeterpunten blijken. Een dergelijke werkwijze kan het college ook hanteren als het onderzoek zich richt op de budgethouder (cliënt). Aan de andere kant kan de ernst van het gegronde vermoeden juist zwaar wegen waardoor er toch tot opschorting van de pgb-betaling wordt overgegaan. Denk aan situaties waarin het belang van de budgethouder (cliënt) onder druk staat omdat een gegrond vermoeden bestaat dat hij niet de juiste ondersteuning (aard/omvang/kwaliteit) krijgt waarop hij is aangewezen. In de Verordening zijn twee mogelijkheden neergelegd over de opschorting van de pgb-betaling.

15.5 Opschorting betaling pgb aan de Svb Artikel 12.6 Verordening Het college kan de betaling van het pgb aan de Svb voor maximaal 13 weken opschorten. Het gaat om situaties waarin het college het pgb heeft toegekend, maar het voorschot nog niet heeft uitbetaald aan de Svb en er aanleiding is om dat ook niet te doen. Daarvoor moet het college een gegrond vermoeden hebben. Dat wil zeggen er moet een aanwijzing (of meerdere) zijn om tenminste de conclusie te kunnen trekken dat er sprake kan zijn van het niet of onvoldoende voldoen aan verplichtingen die voortvloeien uit artikel 2.3.10 lid 1 aanhef en onder a, d of e Wmo 2015. Het gaat om de volgende drie verplichtingen en/of voorwaarden. 1. Gegevens (inlichtingenplicht) Artikel 2.3.10 lid 1 aanhef en onder a Wmo 2015 gaat over het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt die bij de juiste of volledige verstrekking tot een ander besluit zou hebben geleid. 2. Voorwaarden Artikel 2.3.10 lid 1 aanhef en onder d Wmo 2015 gaat over de cliënt die niet voldoet aan de voorwaarden die aan de maatwerkvoorziening of het pgb zijn verbonden. 3. Gebruik

88

No. 23.0001427 Artikel 2.3.10 lid 1 aanhef en onder e Wmo 2015 gaat over de cliënt die de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt. Cliënt of derde Die aanwijzingen kunnen over de budgethouder (cliënt) gaan, maar volgens de Verordening ook op de derde (of daaraan gelieerde rechtspersoon). Het gaat dus (nog) niet om vaststaande feiten of bewijs dat daar sprake van is. Gedurende de termijn van de opschorting voert het college en/of de toezichthoudende ambtenaar een onderzoek uit naar het gegronde vermoeden. Voorbeelden van gegronde vermoedens zijn:  Een door de Svb -op arbeidsrechtelijke aspecten- geaccordeerde overeenkomst die afwijkt van bijvoorbeeld het Budgetplan. Het college geeft dan geen akkoord voor de overeenkomst.  Een concrete tip of signaal die het college of de toezichthoudende ambtenaar heeft ontvangen.  Onduidelijkheid over de rechtmatigheid bij bijvoorbeeld de heroverweging van een besluit, de tussentijdse evaluatie of een verzoek om verlenging (herindicatie).  Een (plotselinge) toename van het aantal cliënten waar een derde ondersteuning aan biedt die qua omvang een 40-urige werkweek overschrijdt. Schriftelijke kennisgeving Het opschorten van de betaling van een pgb moet worden aangemerkt als besluit in de zin van een rechtshandeling. Immers, de opschorting van die betaling wijkt af van het toekenningsbesluit.

Afhankelijk van het gegronde vermoeden, stelt het college de cliënt in kennis van de opschorting. Heeft het gegronde vermoeden betrekking op de schending van de inlichtingenplicht van de cliënt, dan ligt het niet voor de hand dat het college de bedoelde schriftelijke kennisgeving verstuurt. Het uitkomsten van het onderzoek kunnen daardoor mogelijk beïnvloed worden. Dit laat onverlet dat de cliënt tegen de opschorting van de betaling van het pgb rechtsmiddelen kan inzetten. Inzet in natura Heeft het gegronde vermoede betrekking op de derde of een daaraan gelieerde (rechts)persoon, dan verstrekt het college hangende het onderzoek een tijdelijke maatwerkvoorziening in natura. Immers, middels het toekenningsbesluit is bepaald dat er voor de cliënt een noodzaak bestaat voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening (al dan niet in de vorm van een pgb). Het college kan van de derde niet verwachten dat hij op de gok de ondersteuning - zonder daarvoor betaald te worden voortzet. Er bestaat immers ook een risico voor die derde dat het pgb-besluit met terugwerkende kracht wordt ingetrokken. 15.6 Verzoek opschorting betaling door de Svb Artikel 12.7 Verordening Zoals gezegd zal het college niet in alle gevallen direct over kunnen (of willen) gaan tot het herzien of intrekken van het toekenningsbesluit.

Het college kan de Svb verzoeken om de betaling van het pgb voor maximaal 13 weken op te schorten. Het gaat om situaties waarin het college het pgb heeft toegekend, al heeft uitbetaald aan de Svb en er aanleiding is om de Svb te verzoeken eventuele declaraties (nog) niet uit te betalen. Daarvoor moet het college een gegrond vermoeden hebben. Dat wil zeggen er moet een aanwijzing (of meerdere) zijn om tenminste de conclusie te kunnen trekken dat er sprake kan zijn van het niet of onvoldoende voldoen aan verplichtingen die voortvloeien uit artikel 2.3.10 lid 1 aanhef en onder a, d of e Wmo 2015. Die aanwijzingen kunnen betrekking hebben op de budgethouder maar, volgens de Verordening, ook op de derde (of daaraan gelieerde rechtspersoon). Zoals gezegd gaat het dus niet om vaststaande feiten of bewijs dat er sprake is van onjuistheden of iets dergelijks, maar van een gegrond vermoeden dat daar sprake van kan zijn. Gedurende de termijn van opschorting voert het college en/of de toezichthoudende ambtenaar een onderzoek uit naar het gegronde vermoeden. Schriftelijke kennisgeving 89

No. 23.0001427 Of het college de budgethouder schriftelijk in kennis stelt van de opschorting is afhankelijk van de situatie. Zie toelichting bij opschorting betaling. Inzet in natura Of het college voor de budgethouder tijdelijk een maatwerkvoorziening in natura inzet, is afhankelijk van de situatie. Zie toelichting bij opschorting betaling. Gevolgen onderzoek Het gevolg van het onderzoek kan zijn dat het besluit wordt herzien of ingetrokken en bij gevolg daarvan wordt overgegaan tot terugvordering. Zie verder Hoofdstuk 16 Heroverweging, beëindiging, herziening of intrekking, terug- en invordering van deze beleidsregels. Opschorting inzet maatwerkvoorziening Net als bij de pgb-besluiten zal het college bij maatwerkvoorziening in natura niet in alle gevallen direct over kunnen (of willen) gaan tot het herzien of intrekken van het toekenningsbesluit. Schriftelijke kennisgeving Of het college de cliënt schriftelijk in kennis stelt van de opschorting is afhankelijk van de situatie. Vergelijk de toelichtingen bij opschorting betaling. 15.7 Opschorting inzet maatwerkvoorziening Artikel 12.8 Verordening Net als bij de pgb-besluiten zal het college bij maatwerkvoorziening in natura niet in alle gevallen direct over kunnen (of willen) gaan tot het herzien of intrekken van het toekenningsbesluit.

Schriftelijke kennisgeving Of het college de cliënt schriftelijk in kennis stelt van de opschorting is afhankelijk van de situatie, vergelijk de verschillende toelichtingen onder opschorting betaling pgb van deze beleidsregels.

Hoofdstuk 16 Heroverweging, beëindiging, herziening of intrekking, terug- en invordering Artikel 2.3.9 Wmo 2015 Hoofdstuk 13 Verordening 16.1 Inleiding Dit hoofdstuk gaat over de bevoegdheid van het college om terug te komen op een eerder afgegeven besluit. Daarvoor kan rechtvaardiging worden gevonden als er sprake is van de situaties zoals genoemd in de wet of de Verordening. Denk in dit verband ook aan de verplichting van de cliënt om op verzoek van het college maar ook uit eigen beweging relevante feiten en omstandigheden bij het college te melden (art. 2.3.8 Wmo 2015). Omdat het in alle gevallen om een bevoegdheid van het college (kanbepaling) gaat zal er een belangenafweging moeten plaatsvinden. Dat wil zeggen waarom het college wel of geen gebruik maakt van de bevoegdheid. 16.2 Beleidsuitgangspunt Het college hanteert als uitgangspunt dat als er: geen recht, slechts een gedeeltelijk recht of een gewijzigd recht bestaat op ondersteuning dat gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid. In het geval van de terugvordering van het pgb, de geldswaarde van de maatwerkvoorziening of de tegemoetkoming meerkosten, maakt het college in beginsel gebruik van de bevoegdheid omdat terugvordering een geschikt middel is wat bijdraagt aan een zorgvuldige besteding van middelen (vergelijk CRVB:2022:2207).

Het college weegt mee of betrokkene redelijkerwijs kon begrijpen dat hij ten onrechte een voorziening of een tegemoetkoming meerkosten heeft ontvangen. Dringende redenen kunnen aan (herziening/intrekking) terugvordering in de weg staan.

90

No. 23.0001427 16.3 Heroverweging besluit Het college is verplicht om besluiten (natura en pgb) te heroverwegen (art. 2.3.9 Wmo 2015). De Wmo 2015 schrijft niet voor wanneer het college dat moet doen. Het is aan de professional van Noordoostpolder om daar een inschatting van maken. Ook kan het college planmatig te werk gaan. Het gaat bij de heroverweging om besluiten waarvan de indicatieduur nog niet is verstrekken, het college heroverweegt dus een bestaand besluit waarbij ondersteuning is toegekend. Inhoud heroverweging Bij de heroverweging zijn artikel 2.3.2 lid 2 tot en met lid 6 Wmo 2015 (onderzoek) en artikel 2.3.5 lid 6 Wmo 2015 (aanspraak Wlz) onverkort van toepassing. Dat wil ook zeggen dat de beoordeling of (nog) wordt voldaan aan de voorwaarden van het pgb onderdeel kan zijn van de heroverweging. Het college hoeft bij de heroverweging echter niet het verslag van het onderzoek op te stellen. Het ligt minder voor de hand dat er aanleiding is om een besluit waarmee een woningaanpassing is verstrekt te heroverwegen. Bij diensten zoals huishoudelijke ondersteuning of begeleiding ligt dat in het algemeen anders omdat deze maatwerkvoorzieningen eenvoudig beëindigd kunnen worden. Periodiek onderzoek maatwerkvoorziening in natura Het college bepaalt in het individuele geval wanneer er aanleiding is om het besluit te heroverwegen. Het gaat immers om maatwerk.

Zo’n heroverweging kan bijvoorbeeld samenhangen met de evaluatie van de geboden ondersteuning. Denk aan het wel of niet behalen van het resultaat dat met ondersteuning is beoogd. Mogelijk dat het bestaande besluit moet worden bijgesteld. Bijvoorbeeld omdat ondersteuningsbehoefte daarvan bijgesteld kan (of moet) worden. Wordt de indicatie voor een korte periode verstrekt, dan ligt het niet voor de hand dat het besluit wordt heroverwogen. De cliënt zal zich doorgaans opnieuw melden met een ondersteuningsvraag (verzoek om verlenging van de indicatie). Periodiek onderzoek pgb Ook in geval van een toegekend pgb bepaalt het college in het individuele geval wanneer er aanleiding is om het besluit te heroverwegen. Ook hier gaat het immers om maatwerk. Zo’n heroverweging kan bijvoorbeeld samenhangen met de evaluatie van de geboden ondersteuning tussen de cliënt en degene aan wie het pgb wordt besteed. Dat zal ook moeten blijken uit het door de cliënt opgestelde Budgetplan. Ook hier geldt dat als de indicatie voor een korte periode verstrekt dat het niet voor de hand ligt dat het besluit wordt heroverwogen. De cliënt zal zich doorgaans opnieuw melden met een ondersteuningsvraag (verzoek om verlenging van de indicatie). Nieuwe melding ondersteuningsvraag Het kan voorkomen dat de cliënt een nieuwe melding doet van een ondersteuningsvraag.

Heeft die melding betrekking op de toegekende ondersteuning, dan beoordeelt het college of er aanleiding is om het bestaande besluit te heroverwegen. De cliënt kan bijvoorbeeld een wijziging melden in de ondersteuningsbehoefte. In zo’n geval volgt uit de Wmo 2015 dat er geen verslag van het onderzoek wordt opgesteld. Wel of geen nieuw besluit Nadat het college een bestaand besluit heeft heroverwogen kan daar een ander (nieuw) besluit op volgen, maar dat hoeft niet. Dat ligt vanzelfsprekend aan de uitkomst van de heroverweging. Het bestaande besluit kan dus intact blijven, maar kan ook worden herzien of ingetrokken onder toepassing van artikel 2.3.10 Wmo 2015 of een verordeningsbepaling. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat:  de cliënt of de partner aanspraak kan maken op een indicatie op grond van de Wlz,  de ondersteuningsbehoefte van de cliënt is gewijzigd. Het college kan bijvoorbeeld bij begeleiding of dagactiviteiten arbeidsmatig tijdelijk opschalen als daar een noodzaak voor is maar ook (tijdelijk) afschalen als de te behalen resultaten eerder zijn bereikt dan was verwacht. Het op- of afschalen kan een gevolg zijn van een life-event.

91

No. 23.0001427 Bij het afschalen kan het hanteren van een overgangsperiode aan de orde zijn. 16.4 Beëindiging Artikel 12.1 Verordening Er wordt gesproken van een beëindiging als de inwerkingtreding van het besluit ingaat vanaf het heden of naar de toekomst toe. Beëindiging heeft dus, in tegenstelling tot een herziening/intrekking, geen terugwerkende kracht. De beëindiging van de maatwerkvoorziening of het pgb kan het gevolg zijn van de heroverweging van het besluit. Andere voorbeelden zijn: verhuizing naar een andere gemeente, inwoning van een persoon die de gebruikelijke hulp op zich kan nemen, het niet meer aangewezen zijn op ondersteuning of het overlijden van de cliënt. Datum beëindiging De datum waarop het besluit wordt beëindigd is afhankelijk van de situatie. Bij de verhuizing naar een andere gemeente zal dat de datum zijn waarop de cliënt feitelijk niet meer woonachtig is in de gemeente Noordoostpolder. Overlijden Wanneer de cliënt aan wie een pgb is verstrekt is overleden, kunnen gedurende de maand van overlijden nog betalingen door de Svb worden gedaan uit het nog beschikbare (resterende) pgb. Dat is bestemd voor de ondersteuning die vóór het overlijden is geboden maar nog niet is gedeclareerd. 16.5 Herziening of intrekking Artikel 13.2 Verordening Het (deels) ongedaan maken van het recht over een periode in het verleden, wordt herzien/intrekken genoemd.

Een herziening of intrekking van het besluit is het met terugwerkende kracht opnieuw beslissen over de aanspraak over een periode in het verleden. Daarbij kan het recht afwijkend worden vastgesteld (herzien) of worden ingetrokken als er in het geheel geen aanspraak heeft bestaan. Aanleiding De aanleiding om tot herziening of intrekking van het besluit over te gaan heeft te maken:  met het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens en de verstrekking van juiste of volledige gegevens zou tot een andere beslissing hebben geleid,  met het niet voldoen aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden,  als de maatwerkvoorziening of het pgb wordt niet of voor een ander doel gebruikt. Het college beoordeelt of er aanleiding is om het besluit te herzien of in te trekken (art. 2.3.10 lid 1 aanhef en onder a, d of e Wmo 2015). 16.6 Terugvordering geldswaarde: opzettelijke schending inlichtingenplicht Artikel 13.3 Verordening Artikel 2.4.1 Wmo 2015 bepaalt de bevoegdheid van het college tot het (geheel of gedeeltelijke) vorderen van de geldswaarde van een maatwerkvoorziening, een financiële tegemoetkoming of een pgb (terugvordering) als het college het besluit heeft herzien of ingetrokken onder toepassing van artikel 2.3.10 lid 1 aanhef en onder a Wmo 2015 (schending inlichtingenplicht).

Omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al verstrekte maatwerkvoorziening in natura terug te vorderen, kan het college de waarde van die maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt. Schending aannemelijk maken De terugvordering op grond van Wmo 2015 heeft - net als in de Participatiewet - een reparatoir karakter. Dat wil zeggen: het terugbrengen in de rechtmatige toestand (vergelijk CRVB:2017:1688 en CRVB:2017:2213). Gelet op het reparatoire karakter van de terugvordering wordt aangenomen dat het college het opzettelijk (willens en wetens) schenden van de inlichtingenplicht op grond van artikel 2.3.8 Wmo 2015 aannemelijk moet maken en niet hoeft aan te tonen. Voor het aannemelijk maken (van de opzettelijke schending) gelden geen vaste regels. Dat wil zeggen dat ook uit een gedraging van

92

No. 23.0001427 betrokkene - en niet alleen op basis van diens belastende verklaring - aannemelijk kan zijn dat sprake is van het opzettelijk schenden van de inlichtingenplicht. Daarbij wordt opgemerkt naar mate het financieel belang toeneemt (hoogte van de terugvordering), de eisen die gesteld worden aan de bewijskracht zwaarder zullen zijn. Zie bijvoorbeeld CRVB:2020:667 waarin de hoogte van de terugvordering € 115.843,58 bedroeg. Het ligt in ieder geval op de weg van het college om voldoende feiten aan te dragen op grond waarvan de opzettelijke schending aannemelijk is (CRVB:2020:943, CRVB:2021:824). Terugvordering cliënt Heeft het college de opzettelijke schending van de inlichtingenplicht aannemelijk gemaakt, dan wordt in principe overgegaan tot terugvordering. Terugvordering derde Bij de bevoegdheid om van een derde terug te kunnen vorderen geldt een dubbele opzetvereiste. Dat wil zeggen eerst moet de opzettelijke schending door de cliënt aannemelijk zijn. Is dat het geval, dan moet het college aannemelijk maken dat derde hieraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend. Hoogte terugvordering maatwerkvoorziening in natura Ingeval van diensten zal de geldswaarde bestaan uit het bedrag van de facturen die het college daarvoor (ten onrechte) aan de aanbieder heeft betaald. Hulpmiddel In geval van een hulpmiddel, zoals een scootmobiel, kan dat anders liggen.

Het college zal ook in dat geval het besluit intrekken waarmee de publiekrechtelijke grondslag voor het leveren van het hulpmiddel ontvalt. De aanbieder zal om die reden het hulpmiddel terughalen bij de cliënt. In het algemeen zal er door het gebruik van het hulpmiddel sprake zijn van een waardevermindering. Indien en zolang de facturen voor het gebruik door het college zijn betaald is er geen reden voor de aanbieder om het college hierop aan te spreken. Dat neemt echter niet weg dat de waardevermindering gevolgen heeft voor de gebruikersduur van het hulpmiddel dat aan een andere cliënt kan worden verstrekt. Het college kan daarom vanaf de datum waarop het toekenningsbesluit is ingetrokken, de ten onrechte betaalde facturen aan de aanbieder van de cliënt terugvorderen. Woningaanpassing en hulpmiddel in eigendom Ingeval van een woningaanpassing en hulpmiddel in eigendom bedraagt de terugvordering het volledige bedrag van de maatwerkvoorziening. Bij een hulpmiddel wordt de geldswaarde berekend over de periode dat ten onrechte van de maatwerkvoorziening gebruik is gemaakt (daar zal de economische afschrijvingstermijn een rol spelen). Voor een woningaanpassing geldt dat een dergelijke maatwerkvoorziening niet door het college kan worden teruggehaald. De gevolgen van de opzettelijke schending komen in zo'n geval volledig voor rekening en risico van de cliënt.

Hoogte terugvordering pgb In geval van een pgb bedraagt de hoogte van de terugvordering het bedrag dat ten onrechte is verstrekt. Het kan wel zo zijn dat de Svb nog niet het (gehele) pgb heeft uitbetaald. In dat geval zal de Svb overgaan tot het terugstorten van het (resterende) pgb en is er voor dat deel geen aanleiding om tot terugvordering over te gaan. 16.7 Terugvordering overig Artikel 13.4 Verordening Er zijn ook andere situaties denkbaar waarin het college kan overgaan tot terugvordering, namelijk:  bij het niet voldoen aan voorwaarden verbonden aan de maatwerkvoorziening of het pgb,  als de maatwerkvoorziening of het pgb niet of wordt gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het is verstrekt,  bij een onverschuldigde betaling,

93

No. 23.0001427  als de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid in geval van een tegemoetkoming meerkosten of financiële tegemoetkoming. Niet voldoen aan de voorwaarden Alvorens over te kunnen gaan tot terugvordering moet het college eerst een herziens- of intrekkingsbesluit nemen onder toepassing van artikel 2.3.10 lid 1 aanhef en onder d Wmo 2015. Als gevolg van het herziens- of intrekkingsbesluit ontstaat of kan de vordering ontstaan. Dat is afhankelijk van de datum van inwerkingtreding van het besluit. Niet of voor een ander doel gebruikt Alvorens over te kunnen gaan tot terugvordering moet het college eerst een herziens- of intrekkingsbesluit nemen onder toepassing van artikel 2.3.10 lid 1 aanhef en onder e Wmo 2015. Als gevolg van het herziens- of intrekkingsbesluit ontstaat of kan de vordering ontstaan. Dat is afhankelijk van de datum van inwerkingtreding van het besluit. Onverschuldigde betaling Bij een onverschuldigde betaling gaat het om een betaling die zonder rechtsgrond wordt gedaan. Denk aan de administratieve vergissing door bijvoorbeeld de Svb (zie art. 2.6.2 Wmo 2015), of het college in geval van mandaat. Ook de financiële tegemoetkoming die rechtstreeks onverschuldigd aan de cliënt wordt uitbetaald valt hier onder.

Onder een zonder rechtsgrond verrichte betaling kunnen ook de (gemaakte) kosten van een maatwerkvoorziening in natura worden verstaan (art. 13.4 lid 1 Verordening). Daarmee sluit het college aan bij de wettelijke mogelijkheid van het vorderen van de geldswaarde. Uit CRVB:2006:AX5819 kan onder meer worden afgeleid dat in het geval van het ontbreken van een wettelijke bepaling op grond waarvan van de cliënt kan worden teruggevorderd, niet aan terugvordering in de weg staat, nu (ook) in het publiekrecht als in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel is aanvaard, dat een zonder rechtsgrond verrichte betaling ongedaan moet worden gemaakt. Bevoegdheid Deze terugvorderingsbevoegdheid kan alleen worden uitgeoefend als de cliënt redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat ten onrechte een:  maatwerkvoorziening in natura is ontvangen,  financiële tegemoetkoming werd uitbetaald,  tegemoetkoming meerkosten werd uitbetaald,  pgb werd uitbetaald. Zelfstandig terugvorderingsbesluit Het gaat bij de onverschuldigde betaling om een zelfstandig terugvorderingsbesluit. Dat wil zeggen dat het college niet eerst een herzienings- of intrekkingsbesluit hoeft te nemen.

Verjaringstermijn Op grond van artikel 3:309 BW verjaart de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgend op die waarop de schuldeiser (het college) zowel van het bestaan van zijn vordering, als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden. De verjaringstermijn vangt aan voor het nemen van een terugvorderingsbesluit over de onverschuldigde betaling op het moment waarop het college bekend is geworden met feiten of omstandigheden op basis waarvan voldoende duidelijk is dat een besluit over terugvordering in de rede ligt (vergelijk CRVB:2007:BA2284 en CRVB:2008:BD6928). Schending inlichtingenplicht tegemoetkoming meerkosten De Wmo 2015 sluit niet uit dat het college de tegemoetkoming meerkosten kan terugvorderen in het geval de cliënt de inlichtingenplicht heeft geschonden zonder dat er sprake is van opzet. Zie artikel 13.4 lid 2 Verordening.

94

No. 23.0001427 16.8 Invordering Artikel 13.3 en 13.4 Verordening De cliënt of de derde is in beginsel verplicht om binnen zes weken na het verzenden van het terugvorderingsbesluit het gehele bedrag ineens terug te betalen (art. 4:87 lid 1 Awb). Het college kan uitstel van betaling geven en daarbij als voorwaarde stellen dat de cliënt of de derde zich houdt aan de vast te stellen aflosregeling (art. 4:94 Awb). Als de cliënt of de derde zich niet houdt aan de aflosregeling kan het college het uitstel van betaling weer intrekken (art. 4:96 Awb). Het college stelt de aflosbedragen zo vast dat de cliënt of de derde nog de beschikking heeft over een inkomen van tenminste de beslagvrije voet. Het college kan het terug te vorderen bedrag invorderen bij dwangbevel (art. 2.4.1 lid 2 Wmo 2015). Verder biedt de Verordening ook de bevoegdheid tot verrekenen met de verstrekte uitkering voor het levensonderhoud. Dringende redenen Geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering (invordering) is mogelijk in het geval van dringende redenen. Deze dringende redenen moeten betrekking hebben op de gevolgen van de terugvordering (invordering) en dus niet op de omstandigheden die daartoe hebben geleid.

Het gaat daarbij dan om een zodanige bijzondere situatie dat terugvordering (invordering) leidt tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties voor de cliënt of de derde (vergelijk CRVB:2015:4067). Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Denk bijvoorbeeld aan voortdurende psychische problematiek en zelfs verergering van de klachten door de terugvordering (CRVB:2021:1475 en CRVB:2020:832). Door de bescherming van de beslagvrije voet zal er praktisch gezien zelden sprake zijn van alleen onaanvaardbare financiële consequenties (vergelijk bijv. CRVB:2016:3749).

Hoofdstuk 17 Advisering 17.1 Inleiding Voor de uitvoering van de Wmo 2015 kan het zijn dat het college niet zelf ter zake deskundig is en om die reden advies moet vragen, zie ook 2.14 Advisering van deze beleidsregels. Vereist is namelijk dat de beperkingen van de cliënt objectiveerbaar zijn, dat wil zeggen vast te stellen aan de hand van reguliere onderzoeksmethoden (CRVB:2019:2909 en CRVB:2009:BK4567). Het college kan advies vragen gedurende de procedure (melding, onderzoek of alvorens te beslissen op de aanvraag). Ook als het college het besluit heroverweegt als bedoeld in artikel 2.3.9 Wmo 2015, kan er aanleiding om advies op te vragen. Het is van belang dat het college een juiste vraagstelling formuleert voor de adviseur. 17.2 Beoordeling advies In dit onderdeel van de beleidsregels staat een overzicht van eisen die gebruikt kunnen worden om te beoordelen of het advies zorgvuldig tot stand is gekomen. Het overzicht is niet-limitatief beschreven, er zijn dus meer criteria of voorbeelden denkbaar. Het advies moet volledig en zorgvuldig zijn en de bestaande informatie moet bij de advisering betrokken zijn. Verder moet de adviseur in ieder geval alle de aan hem gestelde vragen beantwoorden, tenzij daar gemotiveerd van kan worden afgeweken.

Onderzoeksmethode en informatie  Hieruit moet blijken op welke datum, manier en plaats door welke adviseur (naam en zijn deskundigheid) onderzoek is verricht. Dat kan door een huisbezoek, een telefoongesprek, maar ook zonder de cliënt te spreken. In dat laatste geval heeft mogelijk alleen dossieronderzoek plaatsgevonden of heeft de adviseur contact gehad met de behandelende sector, bijvoorbeeld de huisarts of een andere behandelaar. Dat moet blijken uit het advies waarbij de opgevraagde informatie een juist en actueel beeld moeten geven van de gezondheidstoestand. Ook moet het advies vermelden of de adviseur zelf (lichamelijk) onderzoek heeft gedaan, en zo niet, wat daarvan de reden is.

95

No. 23.0001427  Is het advies alleen gebaseerd op een anamnese, dan kan het advies onvolledig zijn. Uit het advies moet blijken hoe de anamnese zich verhoudt tot resultaten van het (eigen) onderzoek en/of de conclusies die daaraan worden verbonden.  Uit advies moet blijken wat de deskundigheid is van de adviseur. Dat kan blijken uit de ondertekening van het advies.  Is de cliënt onder behandeling en is zijn behandelaar niet geraadpleegd, dan moet het advies vermelden waarom de adviseur dat niet noodzakelijk acht.  Het advies moet gebaseerd zijn op actuele feiten en gegevens. De term 'actueel' laat zich niet als standaard kwantificeren, maar is afhankelijk van de individuele situatie.  Uit het advies moet blijken volgens welke maatstaven het onderzoek is verricht.  Heeft de adviseur intercollegiaal overleg gevoerd, dan moet het advies vermelden waar dat overleg betrekking op had en wat de invloed is geweest op de inhoud en de conclusie(s) van het advies.  De bevindingen van de adviseur moeten zodanig zijn gepresenteerd dat controle ervan (ook) door een andere deskundige mogelijk is.  Als de adviseur (namens het college) een expertiseonderzoek laat uitvoeren, dan mag aan die deskundige worden gevraagd beperkingen vast te stellen. In die gevallen worden zware eisen gesteld aan de deskundigheid van die adviseur.

Probleemanalyse in het advies  Hieruit moet inzichtelijk blijken of de cliënt beperkingen ondervindt in zijn zelfredzaamheid en/of participatie. En zo ja, welke dat zijn en in welke mate. Het is aan het college om te bepalen welke maatwerkvoorziening is aangewezen.  In het advies moeten allereerst alle relevante feiten worden vermeld die tijdens het onderzoek naar voren zijn gekomen en vervolgens moeten deze feiten zijn betrokken in de probleemanalyse en de conclusie(s).  Het advies moet vermelden wat bijvoorbeeld de stoornis (verlies van functies of anatomische eigenschappen) is en welke beperkingen (problemen bij uitvoeren van activiteiten) daar uit voorvloeien.  Het advies zelf mag geen diagnose bevatten, omdat het advies dan niet meer objectief is.  Het is van belang dat het advies vermeldt wat de prognose van de beperkingen is, zo mogelijk met een tijdpad. Een prognose kan progressief of stationair zijn. Inhoud, motivering en gegevens van het advies  Het advies moet inzichtelijk en logisch zijn en de bestaande informatie moet bij de advisering betrokken worden.  De bevindingen en de overwegingen van de adviseur moeten zodanig zijn gepresenteerd dat controle ervan (ook) door een andere deskundige mogelijk is (zie ook hiervoor).  Het advies moet zijn voorzien van een deugdelijke en voor derden kenbare schriftelijke motivering.

Conclusie(s) en ondertekening van het advies  De conclusie(s) van de adviseur moeten aansluiten op zijn bevindingen en mogen daar zeker niet mee in tegenspraak zijn. Het advies moet concludent zijn; uit de overwegingen van het advies volgt logischerwijs de conclusie. Dat wil zeggen: het advies is inzichtelijk op basis waarvan waarnemingen en verklaringen en de getrokken conclusies zijn gebaseerd en langs welke weg vervolgens die conclusies zijn bereikt.  Het advies wordt ondertekend door de adviseur zelf en eventueel (ook) door de adviseur (meestal een arts) onder wiens verantwoordelijkheid het advies tot stand is gekomen.  Het advies moet vermelden dat de strekking ervan is verteld aan de cliënt en of deze zich daarin kan vinden.

96

No. 23.0001427

Hoofdstuk 18 Slotbepalingen 18.1 Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze beleidsregels treden in werking op 1 januari 2024 onder gelijktijdige intrekking van de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2023. 2. Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2024. Ondertekening Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van 12 december 2023. De secretaris,

de burgemeester

97

No. 23.0001427

Bijlage 1 Onderzoek naar (dreigende) overbelasting Algemeen Het college onderzoekt, als daar aanleiding voor is, of er in de individuele situatie moet worden afgeweken van de algemene regels. Reden om in de individuele situatie af te wijken, kan zijn dat degene van wie wordt verwacht dat hij taken of activiteiten overneemt in het kader van gebruikelijke hulp, overbelast dreigt te raken. Overbelasting is: meer belasten dan het prestatievermogen toelaat. In medische kringen praten we over het(on)evenwicht tussen draagkracht(belastbaarheid) en draaglast (belasting). Overbelasting kan veroorzaakt worden door een combinatie van symptomen van lichamelijke of psychische aard en wordt bepaald door in- en uitwendige factoren. Factoren die van invloed zijn op de draagkracht  lichamelijke conditie huisgenoot  geestelijke conditie huisgenoot  wijze van omgaan met problemen (coping)  motivatie voor ondersteunings- en/of zorgtaak  sociaal netwerk Factoren die van invloed zijn op de draaglast  omvang en mate van (on)planbaarheid van ondersteuningstaken; ziektebeeld en prognose  inzicht van persoon in ziektebeeld van de cliënt  woonsituatie  bijkomende sociale problemen  bijkomende emotionele problemen  bijkomende relationele problemen Onderzoek naar de draaglast en draagkracht Het kan soms heel duidelijk zijn dat de huisgenoot/mantelzorger overbelast is.

Is dit minder duidelijk, dan zal hier in het onderzoek maar zeker bij de beoordeling van de aanspraak (indicatie) duidelijkheid over moeten komen. De beperkingen in de belastbaarheid vanwege de gezondheid worden in principe beoordeeld door een deskundige. In voorkomende gevallen kan het opnemen van contact met de behandelende sector volstaan om hierover een oordeel te vormen. In andere gevallen zal om een extern medisch advies moeten worden gevraagd. Symptomen die zouden kunnen wijzen op overbelasting Diverse symptomen zijn waar te nemen bij (dreigende) overbelasting. De mate waarin ze zich manifesteren, zal van persoon tot persoon verschillen. Bedenk daarnaast dat het hierbij om veelal aspecifieke symptomen gaat die ook bij andere stoornissen kunnen passen. Dit is een van de redenen waarom de beoordeling hiervan bij een deskundige moet worden neergelegd. Het bestaan van deze symptomen moet dus als een mogelijk signaal worden opgevat. Mogelijke symptomen van overbelasting zijn:  Gespannen spieren, vaak in schoudergordel en rug.  Hoge bloeddruk.  Gewrichtspijn.  Gevoelens van slapte.  Slapeloosheid.  Migraine, duizeligheid.  Spierkrampen.  Verminderde weerstand, ziektegevoeligheid.  Opvliegingen.  Ademnood en gevoelens van beklemming op de borst.

98

No. 23.0001427              

Plotseling hevig zweten. Gevoelens van beklemming in de hals. Spiertrekkingen in het gezicht. Verhoogde algemene prikkelbaarheid, boosheid, (verbale) agressie, zwijgen. Ongeduld. Vaak huilen. Neerslachtigheid. Isolering. Verbittering. Concentratieproblemen. Dwangmatig denken, niet meer kunnen stoppen. Rusteloosheid. Perfectionisme. Geen beslissingen kunnen nemen. Denkblokkades.

Onderzoeksvragen Onderzoeksvragen die zouden kunnen helpen bij het verkrijgen van een indruk over de eventuele overbelasting van de huisgenoot:  Wat zegt de huisgenoot er zelf over, hoe ervaart hij of zij het ondersteunen en/of bieden van zorg?  Hoe is de (lichamelijke en geestelijke) gezondheid van de huisgenoot?  Zijn er signalen van overbelasting: nervositeit, vermoeidheid?  Heeft de huisgenoot een uitlaatklep? Heeft hij of zij de mogelijkheid om activiteiten buitenshuis te doen?  Kan iemand zijn verhaal kwijt bij vrienden, familie of professionals? Wordt er respijtzorg geboden zodat de huisgenoot even op adem kan komen?  Hoe is de relatie tussen de huisgenoot en de cliënt? Hoe stelt de cliënt zich op, veeleisend of juist dankbaar? Kan de huisgenoot grenzen aangeven en ‘nee’ zeggen? Is er irritatie tussen de huisgenoot en de cliënt?  Heeft de huisgenoot inzicht in de beperkingen van de cliënt? (Als men weet dat bepaald gedrag uit bijvoorbeeld een ziekte of aandoening voortkomt, kan het gemakkelijker zijn dat gedrag te accepteren)  Hoeveel tijd heeft de huisgenoot? Heeft iemand een baan, een eigen gezin, een ander familielid dat ondersteuning of zorg (verpleging en verzorging) behoeft? Voorbeeld. Een echtgenoot ondervindt beperkingen terwijl zijn vrouw ook al voor haar ouders zorgt.

 Is de ondersteuning of de zorg te plannen of is er continu controle en toezicht nodig?  Hoe is de prognose? (Een terminale situatie is altijd zwaar, maar een situatie die langdurig en stabiel is, kan ook veeleisend zijn)  Wat zijn de knelpunten in de ondersteuning en/of de zorg?  Hoe is de woonsituatie? Woont men afgelegen, of in een flat zonder lift zodat de cliënt en de huisgenoot min of meer samen opgesloten zitten.

99

No. 23.0001427

Bijlage 2 Richtlijn gebruikelijke hulp van ouder(s) voor minderjarige kinderen Deze richtlijn is (mede) gebaseerd op de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014. Voor kinderen geldt dat er een bandbreedte is in het normale ontwikkelingsprofiel. Daarmee wordt een omvang bedoeld van gemiddeld meer dan een uur per etmaal. Dit uur per etmaal is geen boven-gebruikelijke hulp, maar hoort nog tot gebruikelijke hulp. Kinderen van 0 tot 3 jaar  hebben bij alle activiteiten zorg van een ouder nodig;  ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig;  zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen;  hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;  hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Kinderen van 3 tot 5 jaar  kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijv.

ouder kan was ophangen in andere kamer);  hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;  kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen;  ontvangen zindelijkheidstraining van ouders/verzorgers;  hebben gedeeltelijk hulp en volledig stimulans en toezicht nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen;  hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding;  zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven;  hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Kinderen van 5 tot 12 jaar  hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur/week;  kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijv.

kind kan buitenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is);  hebben toezicht nodig en nog maar weinig hulp bij hun persoonlijke verzorging;  hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;  zijn overdag zindelijk, en 's nachts merendeels ook; ontvangen zonodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers;  hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrije tijdsbesteding gaan;  hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Kinderen van 12 tot 18 jaar  hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen;  kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden;  kunnen vanaf 16 jaar dag en nacht alleen gelaten worden;  kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen;  hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig;  hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding;  hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk of het zelfstandig gaan wonen);  hebben tot 17 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/2116/documents/37193