CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

D07 02 Bijlage 2 bij noat - Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2024 definitief.pdf

Gemeenteraad 29 januari 2024, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 4: Lijst ingekomen stukken52.549 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 6

No. 23.0001427 Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2024 Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordoostpolder; gelet op: - titel 4:3 van de Algemene wet bestuursrecht; - de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 - de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2022; - het Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Noordoostpolder 2024; overwegende dat het college het voor de beoordelingsvrijheid bij de uitvoering van de wet noodzakelijk vindt om aan te geven op welke wijze daar mee wordt omgegaan en daartoe beleidsregels wenst vast te stellen; besluit de volgende beleidsregels vast te stellen: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2024

1

No. 23.0001427

Hoofdstuk 1 Algemene uitgangspunten 1.1 Inleiding Beleidsregels ontlenen hun status aan artikel 4.81 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb): "Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid." Bij beleidsregels gaat het om een bij besluit vastgestelde algemene regel niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift zoals de Verordening maatschappelijke ondersteuning. Beleidsregels gaan over de vaststelling van feiten, wetsinterpreterend beleid of over hoe bepalingen in de Verordening door het college worden toegepast. Concreet betekent dit voor de uitvoeringspraktijk dat alle (min of meer) gelijke gevallen op een gelijke manier worden afgehandeld volgens het door het college vastgestelde beleid dat als zodanig ook is bekendgemaakt middels publicatie. 1.2 Begripsbepalingen 1.

In deze beleidsregels en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:  Bewust-keuzegesprek: een gesprek waarin de vaardigheden van de cliënt worden getoetst rondom het beheren en uitgeven van het persoonsgebonden budget (pgb),  Budgethouder: degene aan wie het pgb is toegekend (de cliënt),  Budgetperiode: de periode waar een pgb betrekking op heeft,  Besluit: Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Noordoostpolder 2024,  Derde: degene aan wie het pgb wordt besteed,  Ondersteuningsplan: een plan dat is opgesteld door de aanbieder in samenspraak met de cliënt, en indien aanwezig de mantelzorger en andere personen uit het sociale netwerk. In het ondersteuningsplan staan begrijpelijke doelen die samen met de cliënt zijn opgesteld om de resultaten te behalen. De doelen in het ondersteuningsplan zijn SMART geformuleerd. Bij de doelen horen ook activiteiten. Bij een doel kunnen meerdere activiteiten horen,  Verordening: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2022,  Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. 2. Begrippen die in deze Beleidsregels worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet en de daarop gebaseerde lagere regelgeving, de Verordening, het Besluit en de Awb.

1.3 Goed samenhangend stelsel De beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder strekken ertoe tot een goed samenhangend stelsel over de beoordeling van maatwerkvoorzieningen te komen voor inwoners van de gemeente die niet of nog niet zelf of met hulp van anderen in staat zijn tot zelfredzaamheid en/of participatie. De beleidsregels volgen in principe zoveel mogelijk de opbouw van de Verordening en zijn ook gebaseerd op de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Er zijn dus hoofdstukken over de verschillende terreinen waarop maatwerkvoorzieningen kunnen worden verstrekt en hoe de aanspraak daarop wordt beoordeeld. Kernbegrippen zijn:  eigen verantwoordelijkheid;  uitgaan van te bereiken resultaten; en  het leveren van maatwerk.

Hoofdstuk 2 Procedure Artikel 2.3.2 Wmo 2015 Artikel 2.3.3 Wmo 2015 Hoofdstuk 2 Verordening

2

No. 23.0001427 2.1 Inleiding De Wmo 2015 schrijft voor dat de burger met een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning zijn ondersteuningsvraag eerst moet melden bij het college. Dan bestaat er recht op een onderzoek. Het college kan op deze manier in samenspraak met de cliënt, zijn eventuele mantelzorger of andere personen uit het sociale netwerk eerst zorgvuldig de ondersteuningsbehoefte en de mogelijke oplossingen in kaart brengen. De Wmo 2015 voorziet in voorwaarden waaraan een goed onderzoek ten minste moet voldoen en bepaalt welke onderwerpen in ieder geval in het onderzoek (na de melding van de ondersteuningsvraag) moeten worden meegenomen. De CRvB heeft een zogeheten stappenplan opgesteld waarin staat hoe het college bij het onderzoek te werk moet gaan. Pas na het verstrekken van het onderzoeksverslag met de onderzoeksresultaten kan een aanvraag worden gedaan. De regels van de Awb zijn niet van toepassing op de procedure van de melding en het onderzoek. Het onderzoek valt wel onder de voorbereiding van het besluit als de aanvraag wordt ingediend (art. 3:2 Awb). Verordening De Verordening is voor wat betreft de toegang tot maatschappelijke ondersteuning procedureel ingericht zodat het voor de inwoners van de gemeente Noordoostpolder duidelijk is hoe het college te werk gaat nadat zij hun ondersteuningsvraag hebben gemeld.

Daarbij kan de cliënt gebruik maken van cliëntondersteuning. De Wmo 2015 schrijft voor dat het college een onderzoeksverslag aan de cliënt verstrekt met daarin de resultaten van het onderzoek. Daaruit kan de cliënt afleiden of hij in aanmerking komt voor ondersteuning. Na de melding van de ondersteuningsvraag wordt de cliënt in de gelegenheid gesteld zijn eigen persoonlijk plan in te dienen. Daaruit kan het college afleiden waarom de cliënt van mening is dat hij ondersteuning van de gemeente nodig heeft. Verder heeft het college een voorlichtingsplicht. Die bestaat uit het informeren van de cliënt onder welke voorwaarden hij in aanmerking kan komen voor een persoonsgebonden budget (pgb) en wat de eventuele hoogte is van de bijdrage in de kosten voor voorzieningen. Nadat het onderzoek is afgerond kan de cliënt een aanvraag indienen. Daarvoor kan het verslag van het onderzoek worden gebruikt. Bij de beslissing op de aanvraag vormt het onderzoeksverslag en het eventueel ingediende persoonlijk plan van de cliënt het uitgangspunt. Criteria in de Verordening In de Verordening zijn diverse criteria vastgesteld. Die criteria verschillen naar gelang de aard van de ondersteuning waarop de cliënt is aangewezen. Het college baseert de beslissing op de aanvraag mede op basis van de Verordening.

2.2 Spoedeisende gevallen Voor spoedeisende gevallen is in de Wmo 2015 een procedure opgenomen die los staat van het onderzoek ná de melding van de ondersteuningsvraag en de beslissing op de aanvraag. Het gaat om situaties waarin de cliënt het onderzoek niet kan afwachten. Daar mag het college immers zes weken over doen. Er kan één dag na de melding van de ondersteuningsvraag sprake zijn van “spoed” maar dat zou ook één week kunnen zijn. Eenvoudig gezegd: “zo spoedig als nodig en mogelijk”. Daarover moet een (tijdelijk) besluit worden genomen. Onverwijld inzetten Het college moet in spoedeisende situaties onverwijld een geschikte tijdelijke maatregel nemen in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek en de aanvraag van betrokkene (art. 2.3.3 Wmo 2015). De noodzaak om een tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken, zal slechts in bijzondere gevallen aanwezig zijn. Onder een spoedeisende situatie kan ook een tijdelijke indicatie vallen gedurende de periode van de beslissing op de aanvraag om een indicatie voor de Wet langdurige zorg (EK 2013/14, 33 841, G, p. 24). Het Centrum Indicatiestelling zorg (CIZ) kent ook een spoedprocedure: beslissen binnen twee weken. In geval van bijzondere omstandigheden bestaat de mogelijkheid om snel over een Wlz-indicatiebesluit te moeten beschikken. Dit ter beoordeling aan het CIZ.

Denk ook aan plotselinge wijzigingen in de situatie van een cliënt zoals aangewezen op zorg aansluitend aan geriatrische revalidatie (Zvw) en eerstelijns verblijf (Zvw). Het ligt bij een tijdelijke Wmo-indicatie voor de hand dat

3

No. 23.0001427 ook een tijdelijke indicatie wordt afgegeven voor persoonlijke verzorging en/of verpleging op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Die indicatie wordt door de wijkverpleegkundige gesteld. Geen maatwerkoplossing Bij zo’n tijdelijke inzet van een maatwerkvoorziening met een spoedeisend karakter geldt niet het criterium van wat de (goedkoopst) passende bijdrage is. Artikel 2.3.3 Wmo 2015 kent een dergelijke voorwaarde niet. Bij het toekennen van een maatwerkvoorziening via de reguliere procedure geldt een oordeel over de (goedkoopst) passende bijdrage wel (art. 2.3.5 lid 3 en 4 Wmo 2015). Daarom kan bij de tijdelijke inzet in een spoedprocedure ook nog niet gesproken worden van een te behalen resultaat want het onderzoek heeft nog niet plaatsgevonden. Afronden onderzoek Het college zal het onderzoek (naar aanleiding van de melding) afronden volgens de reguliere procedure. De cliënt ontvangt daarvan een onderzoeksverslag. Dat wil zeggen: pas dan is het resultaat vastgesteld. Spoed tijdens toegekende maatwerkvoorziening Een spoedeisende situatie kan ook ontstaan tijdens een lopende indicatie. Strikt genomen moet de cliënt dan een nieuwe melding doen van een gewijzigde ondersteuningsbehoefte.

Volgens de Verordening kan het college afspraken maken met aanbieders op welke wijze zij, namens de cliënt, met (een gewijzigde) behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, een ondersteuningsvraag kunnen indienen (art. 2.1 lid 6 Verordening). In die gevallen kan de aanbieder dus (met toestemming van de cliënt natuurlijk) een melding van een ondersteuningsbehoefte doen. Het college beoordeelt vervolgens of er sprake is van een spoedeisend geval en zo ja, of er tijdelijk meer ondersteuning moet worden ingezet. Nadat de tijdelijke is ingezet wordt de reguliere procedure gevolgd: het college doet onderzoek en stelt een onderzoeksverslag op. De cliënt kan dan een aanvraag indienen waarop het college beslist. 2.3 Ondersteuningsvraag gericht op beschermd wonen en/of opvang Gemeente Almere is verantwoordelijk om een besluit te nemen over de aanvraag voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang. De Centrale Toegang (CT) voor beschermd wonen is belegd bij GGD Flevoland. Een melding voor beschermd wonen kan de cliënt met eventuele ondersteuning doen bij de CT. GGD Flevoland voert in opdracht van gemeente Almere een onderzoek uit naar de noodzaak voor beschermd wonen. Hiervan wordt een onderzoeksverslag gemaakt. Dit onderzoeksverslag wordt na het intakegesprek naar cliënt opgestuurd met het verzoek om dit voor akkoord te ondertekenen en retour te zenden.

Met deze handtekening is de aanvraag voor beschermd wonen bekrachtigd. In een multidisciplinair overleg (MDO) komt het advies voor de toegang tot beschermd wonen tot stand. Het team met toegangsbepalers van GGD Flevoland is alleen verantwoordelijk voor een professioneel inhoudelijk advies op het onderzoeksverslag. Het advies wordt gedeeld met gemeente Almere. Gemeente Almere neemt het besluit en brengt de cliënt hiervan met een beschikking op de hoogte. Ook geeft de gemeente Almere voor de maatschappelijke opvang een beschikking af. 2.3.1 Maatschappelijke opvang De maatschappelijke opvang in de regio Flevoland biedt onderdak en ondersteuning aan personen, die de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat zijn zich op eigen kracht of met hulp van anderen te handhaven in de samenleving. Vaak is er sprake van meerdere problemen, zoals een combinatie van dak- en thuisloosheid, schulden, psychiatrische, somatische en/of verslavingsproblemen en/of werkloosheid of het ontbreken van een zinvolle dagbesteding. De begeleiding bij opvang bestaat uit een integrale aanpak gericht op het zich weer kunnen handhaven in de samenleving waarbij aangewezen hulp en bestaande hulp zo veel mogelijk wordt gebundeld. Die is gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie.

Opvang wordt bij voorkeur gerealiseerd door het college van de gemeente waar een opvangtraject voor de cliënt de meeste kans van slagen heeft. De Wmo 2015 is overigens niet bedoeld

4

No. 23.0001427 om een oplossing te bieden voor de schaarste op de woningmarkt (CRVB:2020:1651, CRVB:2022:1181-VV). 2.4 Persoonlijk plan en cliëntondersteuning Nadat de cliënt zich heeft gemeld wijst het college op de mogelijkheid om een persoonlijk plan in te dienen. De Wmo 2015 bepaalt dat een persoonlijk plan zeven dagen na de melding bij het college kan worden ingediend. Er kunnen zich individuele omstandigheden voordoen waardoor het college van deze termijn afwijkt. Zowel het college als de cliënt is er namelijk bij gebaat dat een persoonlijk plan voldoende inzichtelijk maakt op welke maatschappelijke ondersteuning de cliënt is aangewezen. Met het indienen van een persoonlijk plan is overigens niet gezegd dat het college gehouden is, als een aanvraag wordt ingediend, (volledig) tegemoet te komen aan de wensen zoals die in dat plan zijn beschreven. Dat zal het college wel nader moeten motiveren bij de besluitvorming. De cliënt kan voor het opstellen van een persoonlijk plan gebruik maken van cliëntondersteuning.

2.5 Cliëntondersteuning Cliëntondersteuning is onafhankelijke ondersteuning van de cliënt met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Een cliëntondersteuner kan de cliënt tijdens het onderzoek helpen zijn ondersteuningsvraag te verwoorden en keuzes te maken. Het college moet ervoor zorgen dat deze cliëntondersteuning beschikbaar is voor hen die maatschappelijke ondersteuning nodig hebben of problemen hebben op andere terreinen binnen het sociale domein. Bij de melding van de ondersteuningsvraag wijst het college erop dat gebruik kan worden gemaakt van cliëntondersteuning. Verder moet het college er zorg voor dragen dat cliëntondersteuning en het beslissen op een aanvraag niet in één hand kunnen liggen. De cliëntondersteuner moet immers onpartijdig zijn en alleen in het belang van de cliënt te handelen. De cliëntondersteuner kan ook iemand uit het netwerk van cliënt of vanuit een belangenorganisatie of een professional in dienst van een welzijnsorganisatie zijn, bijvoorbeeld een ouderenadviseur of een maatschappelijk werker.

2.6 Signaleringsfunctie aanbieder Artikel 2.1 lid 6 Verordening Zoals hiervoor al is gezegd kan het college met aanbieders afspraken maken over het melden van een ondersteuningsvraag namens cliënten. Het is logisch dat aanbieders snel kunnen constateren dat de behoefte aan ondersteuning van een cliënt toeneemt, of daar tenminste aanleiding voor is dat aan te nemen (signaleringsfunctie). Ook kan er natuurlijk sprake zijn van een afname aan de behoefte aan ondersteuning. Het college doet in ieder geval onderzoek naar de gewijzigde ondersteuningsbehoefte; dat kan door een afspraak te maken met de cliënt. De wettelijke bevoegdheid om onderzoek te doen nadat een maatwerkvoorziening (al dan niet in de vorm van een pgb) is toegekend is neergelegd in artikel 2.3.9 Wmo 2015. 2.7 Onderwerpen van het onderzoek De Wmo 2015 schrijft voor dat het college een onderzoek doet naar de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als de cliënt dat bij het college heeft gemeld. De onderwerpen die tijdens het onderzoek aan bod moeten komen zijn neergelegd in artikel 2.3.2 lid 4 Wmo 2015. Daarin staat dat het college het volgende onderzoekt: a. de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt; b. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; c.

de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; d. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; 5

No. 23.0001427 e. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; f. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; g. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 of 2.1.4a, verschuldigd zal zijn. Voorlichting Tijdens het onderzoek wordt de cliënt ook:  verteld welke mogelijkheden er bestaan om te kiezen voor een pgb en wordt hij/zij in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van die keuze;  geïnformeerd over het gebruik en oneigenlijk gebruik van maatwerkvoorzieningen, al dan niet in de vorm van een pgb en de manier waarop het college vorm kan geven aan de controle.

2.8 Stappenplan voor het onderzoek Volgens de CRvB zijn er zes stappen nodig om een zorgvuldig onderzoek uit te voeren, dit zijn:  Stap 1: Na de melding dient eerst de precieze ondersteuningsvraag te worden geduid.  Stap 2: Vervolgens moet bepaald worden wat – kort gezegd – de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie zijn.  Stap 3: Als deze beide vragen op papier staan, kan (en moet) inzicht worden verkregen in de aard, omvang en frequentie van de ondersteuning die nodig is.  Stap 4: Daarna wordt in kaart gebracht of: - de eigen kracht, - gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen, - gebruikelijke hulp, - mantelzorg of hulp uit het sociale netwerk, en - gebruikmaking van algemene voorzieningen, en zo ja: in welke mate – deze voorliggende oplossingen beschikbaar, geschikt en toereikend zijn.  Stap 5: Zijn de mogelijkheden onder stap 4 ontoereikend, dat zal het college een maatwerkvoorziening moeten verstrekken, tenzij een (andere) weigeringsgrond van toepassing is.  Stap 6: Voor zover dit in het individuele geval noodzakelijk is, zal specifieke deskundigheid moeten worden ingeschakeld. 2.9 Ondersteuning vragen Cliënten kunnen het moeilijk vinden om een ander te vragen iets voor hen te doen terwijl mensen in het netwerk vaak best bereid zijn iets voor een ander te betekenen, maar niet weten hoe ze dat moeten aankaarten.

Dit kan onderwerp zijn van het onderzoek, waarbij het college kan ondersteunen bij het betrekken van personen uit de sociale omgeving. Van de cliënt mag worden verwacht dat hij de personen uit het sociaal netwerk vraagt of zij hem kunnen en willen ondersteunen. Deze personen kunnen ook worden uitgenodigd bij het onderzoek. 2.10 Inlichtingen- en medewerkingsplicht Om het onderzoek volledig uit te kunnen voeren is het van belang dat de cliënt daaraan zijn medewerking verleend. In artikel 2.3.2 lid 7 Wmo 2015 is bepaald dat de cliënt dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger het college de gegevens en bescheiden verschaft die voor daarvoor nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Deze verplichting geldt naar analogie van artikel 4:2 Awb. Het komt er op neer dat de cliënt noodzakelijke informatie verstrekt die het college kan onderzoeken.

6

No. 23.0001427 2.10.1 Inlichtingenplicht Artikel 2.3.8 lid 1 Wmo 2015 bepaalt de inlichtingenplicht voor cliënten aan wie een maatwerkvoorziening is verstrekt, al dan niet in de vorm van een pgb. Dat wil zeggen dat inlichtingen die relevant zijn voor een verstrekte maatwerkvoorziening spontaan bij het college gemeld moeten worden. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat de cliënt een huisgenoot heeft gekregen die mogelijk de gebruikelijke hulp op zich kan nemen. 2.10.2 Medewerkingsplicht Artikel 2.3.8 lid 3 Wmo 2015 regelt de medewerkingsplicht die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. Onder het niet verlenen van medewerking wordt in ieder geval verstaan:  Het niet meewerken aan een onderzoek, al dan niet door een deskundige, door niet te verschijnen of relevante vragen niet te beantwoorden. Denk ook aan een onderzoek door een ergotherapeut. De medewerkingsverplichting geldt ook voor de huisgenoot ingeval van een onderzoek over het kunnen bieden van gebruikelijke hulp.  Als de vertegenwoordiger stelt dat het college de cliënt niet hoeft te zien en/of te spreken voor het onderzoek.  Gebruikmaking van het blokkeringsrecht als bedoeld in artikel 7:464 lid 2 onder b Burgerlijk Wetboek.  Het niet overleggen van het indicatiebesluit op grond van de Wlz als dat noodzakelijk is voor de beoordeling van de ondersteuningsbehoefte (RBLIM:2021:1423).

Gevolgen Niet of onvoldoende medewerking verlenen kan leiden tot weigering aanvraag als daardoor de noodzaak tot ondersteuning niet kan worden vastgesteld (CRVB:2019:224, CRVB:2020:567, CRVB:2021:1739). De gevolgen van het niet verstrekken van relevante inlichtingen kan leiden tot een herziening of intrekking van het toekenningsbesluit onder toepassing van artikel 2.3.10 Wmo 2015. En mogelijk ook tot een terugvordering. Zie verder Hoofdstuk 16 heroverweging, beëindiging, herziening of intrekking, terug- en invordering van deze beleidsregels. 2.11 Beperking, chronisch psychisch probleem en psychosociaal probleem Beperking De Wmo 2015 bepaalt niet wat onder een beperking wordt verstaan. Onder een beperking kunnen aan de cliënt verbonden factoren worden verstaan die ertoe leiden dat de cliënt niet (volledig) in staat is tot zelfredzaamheid en participatie. Denk aan: ouderdomsklachten, ziekte, aandoening of DSM-5 problematiek. Zelfredzaamheid en participatie Zelfredzaamheid bevat twee elementen: 1. het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL), 2. het voeren van een gestructureerd huishouden. Participatie heeft betrekking op deelname aan het maatschappelijk verkeer. Dit wil zeggen zoveel mogelijk op gelijke voet met anderen mee kunnen doen aan de samenleving.

Diagnose alleen geeft geen toegang Het feit dat de cliënt bekend is met een bepaalde diagnose, leidt niet zonder meer tot een noodzaak tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening. Het moet duidelijk zijn dat de cliënt door de beperkingen belemmerd wordt in de zelfredzaamheid en/of participatie én dat ‘voorliggende oplossingen’ niet passend zijn in de individuele situatie. Zie onder meer Hoofdstuk 3 Beoordeling van de aanspraak van deze beleidsregels. Chronisch psychisch probleem Psychische problemen hebben te maken met gevoelens en gedachten van mensen waarvoor vaak geen fysieke oorzaak is. Psychische problemen worden vastgesteld aan de hand van de DSM-5. Dat is een

7

No. 23.0001427 classificatiesysteem voor psychiatrische aandoeningen. De DSM-5 biedt een geclusterde beschrijving van alle stoornissen op basis van symptomen. Daaronder vallen bijvoorbeeld:  Angststoornissen  Depressie  Persoonlijkheidsproblematiek  Autisme Spectrum Stoornissen (ASS) Beoordeling ondersteuningsvraag Dat wil zeggen als uit het onderzoek blijkt dat de ondersteuningsvraag betrekking heeft op een chronisch psychisch probleem (DSM-5 problematiek), bijvoorbeeld een angststoornis, dan zal dat aannemelijk moeten worden door een diagnose. Is de aanvraag om een maatwerkvoorziening primair gericht op het oplossen van een chronisch psychisch probleem (DSM-5 problematiek), dan beoordeelt het college of de maatwerkvoorziening een therapeutisch karakter heeft (zie verder hierna). Psychosociaal probleem Psychosociale problematiek is een containerbegrip. Het gaat om problemen die cliënten kunnen ondervinden in hun relaties en contacten met andere mensen. De wetsgeschiedenis van de Wmo 2015 gaat niet concreet in op dit begrip. In de Wmo (oud) was dat wel het geval. Is het verlies van zelfstandig functioneren of een gebrek aan deelname aan het maatschappelijk verkeer het gevolg zijn van iemands problemen in zijn relatie met zijn sociale omgeving, dan is sprake van een psychosociaal probleem (TK 2004/05, 30 131, nr. 3, p. 29).

Ongeacht de aard van de psychosociale problematiek, de beperkingen moet wel geobjectiveerd kunnen worden aan de hand van reguliere onderzoeksmethoden (bijv. CRVB:2019:2909 en CRVB:2019:1173). 2.12 Bevorderen gezondheid Dat een maatwerkvoorziening een positief effect heeft op de gezondheid is voor de Wmo 2015 niet relevant (CRVB:2020:2644, CRVB:2023:1446). Tijdens het onderzoek wordt gekeken of de cliënt, gelet op de vastgestelde problematiek, gebruik kan maken van een andere wet. Zie verder 3.2.5 Gebruik maken van een andere wet (voorliggende voorziening) in deze beleidsregels. Therapeutisch of medisch doel Als een maatwerkvoorziening (ook) een therapeutisch of medisch doel dient, dan onderzoekt het college of er daarnaast ook beperkingen zijn in de zelfredzaamheid of participatie en gelet daarop een maatwerkvoorziening voor de cliënt is aangewezen (CRVB:2023:1508, CRVB:2023:349, CRVB:2021:1595). Zie verder 11.8.1 Individuele omstandigheden en mogelijkheden in deze beleidsregels. 2.13 De aanvraag Het college beslist in principe binnen twee weken op de aanvraag. Pas na verstrekking van een onderzoeksverslag kan een aanvraag voor een maatwerkvoorziening worden gedaan, tenzij het onderzoek niet binnen zes weken is uitgevoerd (art. 2.3.2 lid 9 Wmo 2015). Er zijn twee mogelijkheden om een aanvraag in te dienen voor een maatwerkvoorziening: schriftelijk of mondeling.

Het college stelt de identiteit van de cliënt altijd vast. 2.13.1 Schriftelijke aanvraag Een aanvraag wordt schriftelijk gedaan (art. 4:1 Awb). Dat kan op twee manieren. Als eerste kan, om administratieve lasten voor zowel de cliënt als het college te voorkomen, een onderzoeksverslag voorzien van de NAW-gegevens én een handtekening van de cliënt, als aanvraag worden aangemerkt. De cliënt mag het door hem (digitaal) ondertekende onderzoeksverslag digitaal of fysiek naar het college sturen. Dat is de reguliere procedure. Een tweede mogelijkheid om een aanvraag om een maatwerkvoorziening in te dienen is middels een aanvraagformulier dat tijdens een huisbezoek kan worden ingevuld als:  volstrekt duidelijk is dat de cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening, en

8

No. 23.0001427  het college in de beschikking volledig tegemoet komt aan de vraag van de cliënt. Het onderzoeksverslag wordt nog wel aan de cliënt verzonden. 2.13.2 Mondelinge aanvraag Het college kan bepalen dat een aanvraag mondeling kan worden gedaan (art. 3.1 lid 3 Verordening). Het gaat om situaties waarin na het onderzoek en het nog op te stellen onderzoeksverslag:  volstrekt duidelijk is dat de cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening, en  het college in de beschikking volledig tegemoet komt aan de vraag van de cliënt, en 1. het eerst moeten terugsturen van een ondertekend onderzoeksverslag (= aanvraag) of een aanvraagformulier bij de cliënt tot verwarring over de procedure kan leiden; of 2. het college op grond van het dossier of adviezen van deskundigen vindt dat de cliënt gebaat is bij het voortvarend handelen gelet op de problematiek. Het onderzoeksverslag wordt ook aan de cliënt verzonden. 2.14 Advisering Voor de uitvoering van de Wmo 2015 kan het college advies vragen omdat het zelf niet ter zake deskundig is.

Denk bijvoorbeeld aan:  de beperkingen op het gebied van de zelfredzaamheid en/of participatie vast laten stellen (wettelijk toetsingskader);  te laten beoordelen of er in het individu gelegen omstandigheden zijn die het recht op een pgb in de weg staan (wettelijke voorwaarden);  de goedkoopst passende bijdrage (maatwerkvoorziening) te laten indiceren en te selecteren zonodig aan de hand van de door een arts (of iemand die functioneert op vergelijkbaar niveau) vastgestelde (medische) beperkingen;  zaken van technische aard te laten beoordelen, zoals die bij woningaanpassingen aan de orde kunnen zijn. Denk bijvoorbeeld aan de mogelijkheden van een inpandige woningaanpassing in plaats van een aanbouw. Advies vragen Als vuistregel geldt dat, als dat oordeel betrekking heeft op een medische kwalificatie van lichamelijke of geestelijke gebreken en de beperkingen die daaruit kunnen voortvloeien, het college in beginsel niet ter zake kundig zal zijn (vergelijk CRVB:2012:BY0324). Afhankelijk van de aard van de problematiek moet het college de cliënt laten oproepen door een deskundige die (zonodig) op het niveau van een arts functioneert. Het college kan advies vragen gedurende de procedure (melding, onderzoek of alvorens te beslissen op de aanvraag). Ook als het college het besluit heroverweegt als bedoeld in artikel 2.3.9 Wmo 2015 kan er aanleiding om advies op te vragen.

Zie verder Hoofdstuk 17 Advisering bij deze beleidsregels. 2.15 Maatwerk Een cliënt die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Noordoostpolder komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening in verband met de door hem ondervonden beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet: a. op eigen kracht; b. met gebruikmaking van algemene gebruikelijke voorzieningen; c. met gebruikelijke hulp; d. met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; dan wel e. met gebruikmaking van algemene voorzieningen, kan verminderen of wegnemen. Passende bijdrage Bij de beslissing op de aanvraag om een maatwerkvoorziening gaat het om maatwerk. Uit de Wmo 2015 volgt dat de maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie

9

No. 23.0001427 waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid en/of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Dat wil zeggen dat het bij het bieden van maatwerk om een resultaatverplichting van het college gaat. Het resultaat kan op verschillende manieren worden bereikt. Daarom is het van groot belang dat het onderzoek zich richt op het bereiken van een resultaat. Dit in samenspraak met de cliënt, zijn eventuele mantelzorger of andere personen uit het sociaal netwerk. Het resultaat van de ondersteuning zal waar mogelijk én nodig zo veel mogelijk moeten aansluiten bij de wensen en mogelijkheden van de cliënt zelf en zijn eventuele sociale omgeving. Niveau van maatschappelijke ondersteuning De verplichting van het college om een maatwerkvoorziening te verstrekken, gaat niet zo ver dat de cliënt in exact dezelfde of wellicht zelfs betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 149). Het behoeft geen toelichting dat dit in bepaalde gevallen ook helemaal niet mogelijk is. De gevraagde ondersteuning moet in een redelijke verhouding staan tot wat de situatie van de cliënt was voor hij ondersteuning nodig had. Wat redelijk is laat zich niet vertalen in beleidsregels; het gaat immers om maatwerk.

Het gaat erom dat de cliënt in redelijke mate in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie (CRVB:2022:224). 2.16 Weigeren aanvraag maatwerkvoorziening (Wet langdurige zorg) De Wmo 2015 kent slechts één weigeringsgrond (art. 2.3.5 lid 6 Wmo 2015). Het college is bevoegd om een aanvraag om een maatwerkvoorziening te weigeren als: • de cliënt een indicatie heeft op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), of • een Wlz-indicatie kan krijgen maar daar geen aanvraag voor wil indienen. Geen Wlz-aanvraag willen indienen Een hogere bijdrage op grond van de Wlz, in vergelijking met de Wmo 2015, is geen reden om geen aanvraag op grond van de Wlz te doen. Het niet willen indienen van een aanvraag op grond van de Wlz, als er aanleiding is om aan te nemen dat zo’n aanvraag door het CIZ zal worden toegekend, leidt tot een afwijzing van de aanvraag om een maatwerkvoorziening. Het college kan zonder Wlz-indicatie de noodzaak tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening niet vaststellen. Wet langdurige zorg en mantelzorg (kortdurend verblijf) Ook kan mantelzorg worden verleend aan een cliënt die thuis woont. Heeft de cliënt een Wlz-indicatie of kan hij deze krijgen, dan wordt een aanvraag om kortdurend verblijf geweigerd. Op grond van de Wlz bestaat namelijk aanspraak op logeeropvang in een instelling (art. 3.1.1 lid 1 onder g Wlz).

2.16.1 Toegang Wlz verruimd Sinds 1 januari 2021 hebben verzekerden die vanwege een psychische stoornis blijvend behoefte hebben aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg toegang tot de Wlz. Zij worden dan niet anders behandeld dan verzekerden met een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap, of verzekerden met een somatische of psychogeriatrische beperking of aandoening. 2.16.2 Verblijf in een Wlz-instelling In dit onderdeel staan een aantal aandachtspunten die van belang zijn bij de beoordeling van een aanvraag om maatwerkvoorziening van een cliënt die in een Wlz-instelling woont (al dan niet in deeltijd). Outillagemiddelen Wlz -instelling Er worden op grond van de Wmo geen outillagemiddelen verstrekt aan een client die in een Wlzinstelling verblijft. Voor de uitleg van het begrip outillage kan worden aangesloten bij het algemene spraakgebruik. Het gaat om datgene waarmee een Wlz-instelling is uitgerust ter operationalisatie van zijn doelstelling. De inrichting van een instelling moet zijn uitgerust met die standaardvoorzieningen die nodig zijn om de doelgroep waarop de instelling zich richt adequaat te kunnen verzorgen. Daarbij is van belang of de gevraagde voorziening door meerdere mensen, eventueel na elkaar en met een geringe individuele aanpassing, te gebruiken is of dat sprake is van een op het individu toegesneden

10

No. 23.0001427 voorziening, die alleen na een kostbare aanpassing door verschillende personen na elkaar te gebruiken is (CRVB:2013:CA0312 Wmo). Mobiliteitshulpmiddelen Sinds 1 januari 2020 is het Zorgkantoor verantwoordelijk voor mobiliteitshulpmiddelen (zoals een rolstoel en een scootmobiel) voor individueel gebruik voor verzekerden met een Wlz-indicatie die in een Wlz-instelling verblijven. Voor hen worden deze voorzieningen verstrekt vanuit de Wlz en niet meer vanuit de Wmo. Per die datum is ook art. 2.3 Regeling langdurige zorg gewijzigd waarmee het recht van verzekerden op het individueel gebruik van een mobiliteitshulpmiddel is verruimd. In dat artikel is een limitatieve opsomming van mobiliteitshulpmiddelen opgenomen. De Minister van VWS heeft wel afspraken gemaakt met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en Zorgverzekeraars Nederland dat gemeenten verantwoordelijk blijven voor onderhoud, aanpassing en reparatie van het vóór 1 januari 2020 verstrekte mobiliteitshulpmiddel tot aan het moment dat het hulpmiddel vervangen moet worden. Sociaal Vervoer Cliënten die in een Wlz-instelling wonen kunnen een maatwerkvoorziening sociaal vervoer aanvragen, zoals de Regiotaxi. Bedenk dat deze bewoners mogelijk aanspraak kunnen maken op een mobiliteitshulpmiddel voor individueel gebruik op grond van de Wlz (zie hiervoor).

Deeltijdverblijf Wlz Deeltijdverblijf is een combinatie van thuis wonen en in een Wlz-instelling wonen. Met ingang van 1 januari 2020 is het eenvoudiger om deels thuis te wonen en daar Wlz-zorg te ontvangen en deels in een Wlz-instelling te wonen. Deeltijdverblijf maakt het mogelijk om langer thuis te blijven wonen en/of te wennen aan verblijf in een instelling. In de regelgeving is er niets geregeld bij deeltijdverblijf voor wat betreft hulpmiddelen. Het is de bedoeling om per categorie hulpmiddelen afspraken te maken over een verdeling van verantwoordelijkheden (www.regelhulp.nl). Bezoekbaar maken woning Onder het bezoekbaar maken van een woning wordt verstaan: het bereikbaar maken van de woning, de woonkamer en het toilet. Cliënten met een Wlz-indicatie die in een Wlz-instelling wonen kunnen een maatwerkvoorziening aanvragen voor het bezoekbaar maken van de woning zodat de cliënt op bezoek kan komen bij partner of kinderen. Bedenk ook dat de partner of kinderen ook bij de cliënt op bezoek kunnen gaan. Als uitgangspunt geldt dat de woning niet logeerbaar gemaakt hoeft te worden. Logeerbaar houden woning (bestuursafspraken) Het gaat hier om de vraag of het college een toekenningsbesluit voor bijvoorbeeld een tillift, toiletstoel of traplift, kan intrekken omdat de cliënt verhuist naar een Wlz-instelling (art. 2.3.10 lid 1 onder b Wmo 2015).

Er gelden landelijke bestuursafspraken voor cliënten die in een Wlz-instelling gaan wonen en die minimaal 18 dagen per jaar thuis logeren. De eerder verstrekte hulpmiddelen kunnen thuis achterblijven. Het gaat hierbij om hulpmiddelen die redelijkerwijs niet vanuit de Wlz-instelling zijn mee te nemen. Het gaat om hulpmiddelen uit de Wmo 2015 en de Zvw. De hulpmiddelen uit de Wmo 2015 die mogelijk in aanmerking komen om thuis te blijven staan zijn vooral tilliften en douchezitjes/stoelen. De afspraken zijn: 1. De uitvoering van deze afspraken zal plaatsvinden met zo weinig mogelijk administratieve lasten voor betrokkenen, in het bijzonder de hulpmiddelengebruiker en hun naasten. 2. De hulpmiddelen blijven thuis staan als de cliënt de intentie heeft minimaal 18 dagen per jaar thuis te logeren. 3. Voor de hulpmiddelen geldt het volgende:  Het gaat uitsluitend om hulpmiddelen die op basis van de Wmo 2015 thuis al eerder zijn verstrekt (natura of pgb) op het moment van de verhuizing en niet redelijkerwijs vanuit de Wlzinstelling zijn mee te nemen in geval van thuis logeren. Het al dan niet kunnen meenemen van

11

No. 23.0001427 een hulpmiddel beoordeelt de Wlz-instelling in overleg met de cliënt (vertegenwoordiger), waarbij de woonsituatie thuis wordt meegewogen.  Een traplift valt ook onder de afspraken, als dit hulpmiddel nodig is om thuis te logeren.  Mobiliteitshulpmiddelen (zoals rolstoelen en aangepaste fietsen) worden niet op twee plekken verstrekt en vallen daarmee niet onder deze landelijke afspraken. Mogelijk vallen deze hulpmiddelen onder het verhuisconvenant dat is gesloten.  Onderhoud, reparatie en het vervangen van de verstrekte hulpmiddelen thuis op een later moment door hulpmiddelen met dezelfde functionaliteiten vallen onder deze afspraken. Zolang de Wmo 2015 of de Wlz niet wijzigt, houdt het college zich aan deze landelijke afspraken. 2.16.3 Samenloop Wlz en Wmo Volgens de CRvB kunnen de Wmo en de Wlz naast elkaar bestaan (CRVB:2018:3933). Dat wil zeggen dat het college verantwoordelijk kan zijn voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening als de beperkingen van de verzekerde betrekking heeft op maatschappelijke participatie. Dat valt namelijk niet binnen de reikwijdte van de Wlz. Denk bijvoorbeeld aan sociaal vervoer.

2.16.4 Uitzondering weigeringsgrond bij thuis wonen Er geldt één uitzondering op het kunnen weigeren van een aanvraag om een maatwerkvoorziening: voor de cliënt die thuis woont mag een aanvraag om een hulpmiddel of woningaanpassing (nog) niet worden geweigerd (art. 8.6a Wmo 2015). Voor huishoudelijke ondersteuning, begeleiding, dagactiviteiten of kortdurend verblijf geldt de uitzondering niet. Het is van belang dat het college bij de melding van de ondersteuningsvraag onderzoekt of de cliënt in aanmerking kan komen voor een Wlzindicatie of zo’n indicatie heeft, tenzij er geen aanleiding is om dat aan te nemen. 2.16.5 Thuis wonen Een cliënt met een Wlz-indicatie kan op een locatie (woning) wonen waar wonen en zorg gescheiden is. Dat wil zeggen dat een afzonderlijke huurovereenkomst is gesloten voor het wonen; de cliënt betaalt zelf huur en geniet huurbescherming. De Wlz-zorg wordt ambulant geboden. De cliënt kan in de woning blijven wonen ongeacht de aard en (toename van de) omvang van de benodigde Wlz-zorg of bij welke organisatie de cliënt de Wlz-zorg inkoopt. Voor cliënten die thuis wonen mag het college een maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing niet weigeren (art. 8.6a Wmo 2015). 2.16.6 Niet thuis wonen Is de zorg en het wonen onlosmakelijk met elkaar verbonden, dan is geen sprake van thuis wonen.

Dat wil zeggen: de cliënt verliest zijn woonruimte als bijvoorbeeld de zorgvraag te groot is (RBOBR:2022:448, RBGEL:2023:4967). Het college is bevoegd de aanvraag voor een hulpmiddel of woningaanpassing af te wijzen onder toepassing van art. 2.3.5 lid 6 Wmo 2015 (zie verder hierna). Bij twijfel vraagt het college de huurovereenkomst op bij de cliënt. Voorbeelden niet thuis wonen Uit het onderzoek blijken dat de cliënt een ondersteuningsbehoefte heeft die niet door de Wlz wordt gedekt. Cliënten met een Wlz-indicatie die niet thuis wonen (maar niet in een Wlz-instelling) kunnen een maatwerkvoorziening aanvragen:  Voor het sociaal vervoer, zoals de Regiotaxi, of  hulpmiddel of woningaanpassing). - Het college onderzoekt of:  in redelijkheid verwacht mag worden dat de ‘exploitant’ van het wonen zorgt voor de aanwezigheid van de noodzakelijke hulmiddelen en geschikte woonruimte. Mogelijk kan de cliënt de ‘exploitant’ daarop aanspreken,  de exploitant van het wonen meerdere cliënten heeft die eenzelfde hulpmiddel nodig hebben. Mogelijk kan worden volstaan met het verstrekken van één hulpmiddel.

12

No. 23.0001427 2.16.7 Toepassingsvoorwaarden Eerst beoordeelt het college of aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 2.3.5 lid 6 Wmo 2015 is voldaan. Dat wil zeggen: 1. heeft de cliënt een Wlz-indicatie of kan hij daarvoor in aanmerking komen. 2. en zo ja, is er sprake is van een uitzondering als bedoeld in art. 8.6a Wmo 2015 (zie 2.16.4 Uitzondering weigeringsgrond bij thuis wonen van deze beleidsregels). Onderzoek De procedure van artikel 2.3.2 Wmo 2015 moet volledig worden doorlopen, zie 2.8 Stappenplan voor het onderzoek. Uit het onderzoek zal moeten blijken wat het doel, inhoud en omvang van de ondersteuningsvraag is en of er een noodzaak van ondersteuning op grond van de Wmo 2015 bestaat. Daar kan sprake van zijn als de cliënt een ondersteuningsbehoefte heeft die niet door de Wlz wordt gedekt. Toepassing kan-bepaling Het college kan de maatwerkvoorziening weigeren: 1. De cliënt heeft een tekort in zijn zelfredzaamheid of participatie die niet wordt gedekt door de Wlz. 2. Weigeren maatwerkvoorziening is een bevoegdheid (geen verplichting om te verstrekken). 3. Wordt gebruik gemaakt van de bevoegdheid om de maatwerkvoorziening te weigeren. 2.16.8 Motivatie weigeren maatwerkvoorziening De beslissing op de aanvraag is gebaseerd op art. 2.3.5 lid 6 Wmo 2015. Daarbij heeft het college een zeer ruime beslisruimte (CRVB:2018:3933 en CRVB:2019:3171).

Het gaat om de vraag of het college in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om de aanvraag om een maatwerkvoorziening, bij een behoefte die niet door de Wlz wordt gedekt, af te wijzen of toe te kennen. De belangen van de cliënt spelen een rol bij de motivatie (RBGEL:2023:4967). Passende bijdrage geldt niet Het gaat om een redelijkheidstoets. Er hoeft bij een toekenning in ieder geval niet te worden vastgesteld of de maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie. 2.16.9 Subsidie of natura-verstrekking woonvorm Het college kan er ook voor kiezen om een hulpmiddel te verstrekken aan de exploitant van de woonvorm, al dan niet in de vorm van een subsidie. Dit is te vergelijken met outillagemiddelen waarover een Wlz-instelling beschikt voor de bewoners. De exploitant kan het betreffende hulpmiddel voor meerdere cliënten gebruiken.

Hoofdstuk 3 Beoordeling van de aanspraak Artikel 2.3.5 Wmo 2015 Hoofdstuk 4 Verordening Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 3.1 Inleiding De cliënt die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Noordoostpolder kan aanspraak maken op ondersteuning van de gemeente Noordoostpolder. Door de toevoeging ‘zal hebben’ wordt cliënten niet de mogelijkheid ontnomen naar de gemeente Noordoostpolder te verhuizen. Dat staat ook in de begripsbepaling van hoofdverblijf in de Verordening. Wel zal de cliënt bij de keuze van een woning nadrukkelijk rekening moeten houden met de aanwezige of redelijkerwijs te verwachten beperkingen. 3.2 Algemene criteria In deze paragraaf komen de belangrijkste algemene criteria aan bod die van belang zijn bij de beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening. 13

No. 23.0001427 3.2.1 Geen tekort in de zelfredzaamheid of participatie Uit het onderzoek kan blijken dat er geen tekort is in de zelfredzaamheid of participatie omdat de cliënt:  al dan niet door een ergotherapeut gebruik kan (leren) maken van ergonomische hulpmiddelen, een juiste werkhouding aan te nemen en/of de huishoudelijke werkzaamheden in een rustig tempo verdeelt over de week uit te voeren (CRVB:2022:308, CRVB:2018:2272),  met het gebruik van het OV in redelijke mate kan participeren (CRVB:2022:224),  met de beschikbare voorzieningen (bijv. scootmobiel en/of gebruikerspas Regiotaxi) kan voorzien in de vervoersbehoefte (CRVB:2020:2644, CRVB:2021:511, CRVB:2021:3222). 3.2.2 Eigen kracht De eigen kracht vormt een belangrijk onderdeel van de beoordeling of de cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening. Daaronder wordt dat verstaan wat volgens het college binnen het vermogen van de cliënt ligt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid en/of participatie te komen. De cliënt zal zich, in een door het college te beoordelen mate, moeten inspannen om dat aan te wenden wat binnen zijn eigen bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te voorzien. Dat is wat de wetgever voor ogen heeft gehad. Zo zou iemand bijvoorbeeld maatschappelijk nuttige activiteiten kunnen verrichten om zijn participatieprobleem aan te pakken.

Het verrichten van dergelijke activiteiten is echter niet verplicht. Onder eigen kracht kan ook letterlijk de eigen kracht worden verstaan. Denk bijvoorbeeld aan het in staat zijn om bepaalde huishoudelijke taken (deels) zelf uit te voeren. 3.2.3 Eigen verantwoordelijkheid is ook eigen kracht In de Wmo 2015 is de eigen verantwoordelijkheid van burgers nog meer verankerd en wordt daarom betrokken bij het onderzoek en de beslissing op aanvraag. Zelf of met anderen Als het college vindt dat de cliënt eigen verantwoordelijkheid kan nemen (lees: de beperkingen zelf kan oplossen), dan wordt de aanvraag om ondersteuning afgewezen. Het spreekt voor zich dat het college dat telkens in het individuele geval moet beoordelen. In hoeverre medewerking of hulp kan worden gevergd van de cliënt, diens huisgenoten, zijn mantelzorger of van anderen in diens omgeving, zoals familieleden, is afhankelijk van de individuele situatie. Voorbeelden Tijdens het onderzoek (meestal een gesprek met de cliënt) kunnen allerlei oplossingen aan de orde komen die kunnen leiden tot het oplossen dan wel verminderen van de beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie. Hierna staan een aantal voorbeelden genoemd wanneer de cliënt in staat kan worden geacht zijn zelfredzaamheid en/of participatie te verbeteren of op te lossen.

De voorbeelden zijn ook gebaseerd op de jurisprudentie die onder de Wmo oud tot stand is gekomen en van toepassing zijn op de Wmo 2015. Herinrichting woning Van de cliënt kan worden verwacht dat de woning zodanig wordt ingericht of heringericht zodat wordt voorkomen dat een woningaanpassing moet worden verstrekt (vergelijk CRVB:2011:BQ8290 en CRVB:2016:429). Aanspreken woningeigenaar Van de cliënt mag worden verwacht dat hij de woningeigenaar regelmatig met goede pogingen aanspreekt om gebreken in de woning te doen wegnemen. Denk bijvoorbeeld aan het oplossen van vocht en schimmelplekken. Is er mede gelet op de gezondheidstoestand van de cliënt binnen redelijkerwijs aanvaardbaar tijdsbestek geen uitzicht op opheffing van die gebreken, dan zal het college een maatwerkvoorziening al dan niet in de vorm van een financiële tegemoetkoming (verhuiskostenvergoeding) moeten verstrekken (CRVB:2013:2509). Is de aanvrager de eigenaar van de woning, dan zal hij dat zelf moeten realiseren.

14

No. 23.0001427

Privaatrechtelijke verbintenis Het college kan verlangen dat de cliënt een aanspraak op grond van een privaatrechtelijke verbintenis naar volle vermogen te gelde probeert te maken. Dat is gebruikelijk om te doen (vergelijk CRVB:2011:BQ4115). Het gaat om de situatie waarin de cliënt mag verwachten dat de woning in overeenstemming is of wordt gebracht met de contractuele bepalingen. 3.2.4 Feitelijk eigen kracht Uit het onderzoek kan blijken dat de cliënt de huishoudelijke taken verdeeld over de week in rustig tempo zelf kan (leren) uitvoeren (bijv. CRVB:2022:308, CRVB:2018:2272). De cliënt heeft in dat geval geen tekort in diens zelfredzaamheid of participatie (zie ook hiervoor). Om dat vast te stellen kan een deskundigenadvies nodig zijn, zie 2.14 Advisering van deze beleidsegels. 3.2.5 Gebruik maken van een andere wet (voorliggende voorziening) Artikel 4.3 lid 2 onder a en 1.1 lid 1 onder w Verordening (begripsbepaling) Onder de 'eigen kracht' valt ook aanspraak maken op voorzieningen die op grond van een andere wettelijke regeling bestaan (CRVB:2023:1046). Volgens de CRvB heeft de wetgever op dit punt geen inhoudelijke wijziging beoogd ten opzichte van de Wmo (oud) en is de rechtspraak die eerder is gedaan ook van toepassing voor de Wmo 2015.

Dat betekent ook dat evenmin recht op maatschappelijke ondersteuning bestaat als de specifieke regeling, zoals de Zvw, slechts in een gedeeltelijke vergoeding van de kosten voorziet door de eigen bijdrage die iemand moet betalen (CRVB:2013:CA1427). Dat is ook te vergelijken met de kosten van het verplicht eigen risico op grond van de Zvw. Ook de aanspraak op gelden met het oog op een specifieke bestemming valt onder de voorliggende voorziening, zoals een vervoerskostenvergoeding op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (CRVB:2012:BV9433). Onderzoek aanspraak andere wet Uit onderzoek moet blijken voor welke problemen of beperkingen de cliënt een beroep kan doen op een andere wettelijke regeling en/of de Wmo 2015 (CRVB:2022:441, CRVB:2023:1046). Denk bijvoorbeeld aan een sta-op stoel die op grond van de Zvw verstrekt kan worden. Als dat nodig is, neemt het college contact op met bijvoorbeeld de zorgverzekeraar om duidelijkheid te krijgen over een mogelijke aanspraak op grond van de Zvw. Reële mogelijkheden van behandeling Behandeling op grond van de Zvw is geen voorliggende voorziening. Maar van de cliënt mag wel worden verwacht dat als er reële mogelijkheden van behandeling zijn, dat de cliënt daar gebruik van maakt en zich ten volle inspant om deze zo optimaal mogelijk te laten verlopen (CRVB:2023:1508).

Denk aan (laagdrempelig toegankelijke) paramedische zorg als bedoeld in de Zvw vanwege lichamelijke of psychische klachten (CRVB:2011:BT7241, CRVB:2018:1444). Het college is dan niet gehouden een maatwerkvoorziening te verstrekken. Onderzoek maatwerkvoorziening en behandeling Uit onderzoek moet blijken voor welke problemen of beperkingen de cliënt een beroep kan doen op een andere wettelijke regeling. Maar ook of er daarnaast nog een behoefte is aan bijvoorbeeld begeleiding of huishoudelijke ondersteuning en of na de behandeling eventueel enige behoefte daarop zal blijven bestaan. 3.2.6 Gebruik maken van ergotherapie Ergotherapie heeft als doel de zelfzorg en zelfredzaamheid te bevorderen of te herstellen. Bij ergotherapie is de behandeling gericht op het opheffen, verminderen of compenseren van lichamelijke of psychische stoornissen, beperkingen of handicaps. De ergotherapeut geeft advies, instructie of behandeling om weer algemene dagelijkse of arbeidsgerelateerde handelingen te kunnen doen en weer zo zelfstandig mogelijk te kunnen functioneren in zijn leefsituatie, woonsituatie of werksituatie. De Zvw (basis) dekt de kosten voor maximaal 10 behandeluren per kalenderjaar.

15

No. 23.0001427

Huishoudelijke ondersteuning Gebruik maken van ergotherapie kan de aanspraak op huishoudelijke ondersteuning voorkomen of de omvang daarvan verminderen. Het college onderzoekt, in samenspraak met een ergotherapeut, of dat het geval is of kan zijn. De cliënt is verplicht om medewerking te verlenen aan dat onderzoek maar ook om gebruik te maken van ergotherapie als dat de inzet van huishoudelijke ondersteuning voorkomt of vermindert. Dit geldt ook voor de huisgenoot. Verplicht eigen risico De kosten van ergotherapie vallen binnen het verplicht eigen risico. Dat is geen reden om geen gebruik te maken van ergotherapie. Immers iedereen die gebruik maakt van zorg kan met deze kosten worden geconfronteerd, het is inherent aan het zorgstelsel. Wordt er geen huishoudelijke ondersteuning verstrekt, dan is de cliënt ook geen maandelijkse eigen bijdrage (abonnementstarief) verschuldigd. De kosten van het verplicht eigen risico mogen betaald worden uit de tegemoetkoming meerkosten, zie Hoofdstuk 14 Tegemoetkoming meerkosten van deze beleidsregels. 3.2.7 Algemeen gebruikelijke voorziening Artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015 bepaalt dat als de cliënt de beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie, volgens het college, met gebruikmaking van een algemeen gebruikelijke voorziening kan verminderen of wegnemen, er geen maatwerkvoorziening verstrekt hoeft te worden.

De CRvB heeft in november 2019 een uitspraak gedaan met betrekking tot het begrip algemeen gebruikelijke voorziening (CRVB:2019:3535). De CRvB geeft aan dat een voorziening algemeen gebruikelijk is als deze: 1. niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; 2. daadwerkelijk beschikbaar is; 3. een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie en; 4. financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. De beoordeling Het college beoordeelt aan de hand van de vier genoemde punten of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening die aan het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de weg staat. 1. Niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking Bij het eerste criterium wordt bepaald of een voorziening specifiek bedoeld is voor de doelgroep van de Wmo 2015. Dat betekent (eenvoudig gezegd) dat iemand hierover beschikt of zou kunnen beschikken ongeacht het hebben van beperkingen (CRVB:2016:614). Of een beoogde algemeen gebruikelijke voorziening niet specifiek bestemd is voor personen met een beperking is ook afhankelijk van technische ontwikkelingen en nieuwe maatschappelijke normen. In het algemeen zijn algemeen gebruikelijke voorzieningen in de reguliere handel verkrijgbaar.

Bijvoorbeeld een eenhendelmengkraan, toiletverhoger of wandbeugel in een bouwmarkt, een elektrische fiets, een robotstofzuiger, een spoelföhn installatie of een boodschappendienst bij de supermarkt. 2. Daadwerkelijk beschikbaar Bij het tweede criterium geldt dat als de voorziening niet daadwerkelijk beschikbaar is voor de aanvrager, deze niet als algemeen gebruikelijke voorziening kan worden aangemerkt. Een boodschappenservice moet bijvoorbeeld wel door de supermarkt worden geboden. 3. Levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is Bij het derde criterium gaat het om maatwerk. Dat wil zeggen: er wordt bekeken of de beoogde algemeen gebruikelijk voorziening een passende bijdrage levert aan de situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid en participatie in staat is. Een elektrische fiets kan bijvoorbeeld een passende bijdrage zijn. Of een voorziening passend is, hangt af van de concrete situatie van de cliënt. De

16

No. 23.0001427 boodschappendienst moet bijvoorbeeld wel gebruikt kunnen worden door de cliënt gelet op diens beperkingen. 4. Kan financieel worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. Onder een minimum inkomen wordt een inkomen op bijstandsniveau verstaan. Het vierde en laatste criterium gaat over de hoogte van de kosten van de beoogde algemeen gebruikelijke voorziening. Het gaat bij de hoogte om de ondergrens van een inkomen op minimumniveau: Er wordt dus niet gekeken of de persoon van de aanvrager het kan betalen. Voor de “eenmalige” aanschaf van een algemeen gebruikelijke voorziening hanteert het college het volgende beleidsuitgangspunt. Hoogte van de kosten Het bedrag dat kan worden gedragen met een minimum inkomen is gebaseerd op: 1. de aflossingsduur van 36 maanden die in Noordoostpolder geldt voor leenbijstand in de vorm van bijzondere bijstand (gebruiksgoederen); 2. een aflossing van 5% van de norm voor personen (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwden, art. 21 van de Participatiewet). Er wordt bij de norm geen onderscheidt gemaakt tussen personen die wel of niet de pensioengerechtigde leeftijd hebben. Het percentage van 5% sluit aan op dat wat buiten de beslagvrije voet valt. Aansluiting op deze systematiek is in de rechtspraak redelijk bevonden (RBDHA:2021:2084, RBDHA:2022:5272).

Datum aanvraag De datum van de aanvraag is bepalend voor welke bijstandsnorm wordt toegepast voor de berekening. Berekening alleenstaande of alleenstaande ouder 5% van de bijstandsnorm € 1.216,62 [bedrag per 1 juli 2023] = € 60,83 x 36 maanden = € 2.189,88. Dit bedrag geldt voor een periode van 36 maanden. Voor de hoogte van de bijstandsnorm geldt het bedrag van 1 januari of 1 juli. Dat zijn de momenten waarop de bijstandsnormen worden aangepast. Rekenvoorbeeld Cliënt dient een aanvraag in voor een maatwerkvoorziening. Uit onderzoek is gebleken dat een elektrische fiets een passende oplossing is. De fiets kost € 1.525,00. De kosten zijn lager dan € 2.189,88 [bedrag geldt per 1 juli 2023] en komt daarom niet voor verstrekking in aanmerking. Is de cliënt binnen 36 maanden opnieuw aangewezen op een maatwerkvoorziening en dan resteert voor een beoogde algemeen gebruikelijke voorziening nog een bedrag van € 664,88 (€ 2.189,88 minus € 1.525,00). Het gaat om eenmalige aanschafkosten en niet de periodieke kosten van bijvoorbeeld de maaltijdservice of boodschappendienst. Tweedehands en inruil Een tweedehands elektrische fiets kan ook als algemeen gebruikelijke voorziening worden aangemerkt. Net als voor een nieuwe elektrische fiets moet bij een tweedehands ook worden voldaan aan ‘kwaliteitseisen’.

Bij de aankoop bij een reguliere fietsenhandelaar kan daar van uit worden gegaan maar de afschrijvingstermijn zal wel korter zijn. Verder kan het zijn dat de cliënt een korting krijgt op de aanschaf wegens inruil. Het college houdt dan het bedrag minus de korting aan. Meerkosten Het kan ook voorkomen dat het college alleen de noodzakelijke meerkosten bij een algemeen gebruikelijke voorziening verstrekt. Het gaat dan om (een deel van) de voorziening die specifiek voor personen met een beperking bestemd is. Voorbeelden hiervan zijn:  De aanpassingen aan een bakfiets die nodig zijn voor bijvoorbeeld het vervoer van de buggy of zuurstoffles.  Geveerde zijwielen aan een fiets.

17

No. 23.0001427 Dit is geen limitatief overzicht, er zijn meer voorbeelden denkbaar. Kosten Tafeltje Dekje, maaltijdservice Gebruikmaking van Tafeltje Dekje of een andere maaltijdservice kan voor een cliënt een passende bijdrage leveren aan het realiseren van een situatie waarin hij/zij in staat is tot zelfredzaamheid. De kosten van een maaltijd behoren tot de algemene kosten van het bestaan en zijn, mede gezien de keuzes die nu eenmaal in de besteding van het beschikbare inkomen worden gemaakt, niet zodanig dat deze in financiële zin niet passend zijn (CRVB:2018:2182). Voor de meerkosten, bijvoorbeeld de bezorgkosten kan een aanvraag om bijzondere bijstand worden gedaan. Het op deze manier invulling geven aan de ondersteuningsplicht, zodat de kosten financieel draagbaar zijn, is een aanvaardbare keuze (CRVB:2014:1403, CRVB:2015:97). Zowel deze maaltijden als ook de kant-en-klaar maaltijden van de supermarkt kunnen een voorliggende oplossing zijn. Kosten boodschappendienst Een boodschappendienst kan worden aangemerkt als een algemeen gebruikelijke voorziening die aan het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de weg staat (CRVB:2019:3690, CRVB:2019:397). Bezorgkosten van een boodschappendienst die bijvoorbeeld € 4,95 per keer bedragen waarbij een minimum bestelbedrag van € 70 geldt kunnen in ieder geval worden gedragen uit een inkomen op minimumniveau (CRVB:2017:1302).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/2116/documents/37193