CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

D04 02 Transformatieplan MGN Flevoland

Gemeenteraad 31 augustus 2026, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 4: Lijst ingekomen stukken17.702 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

6 alinea's met “actuele”: 51 55 56 57 64 71

• Professionalisering: de methodiek en werkwijze worden geborgd in scholingstrajecten en kwaliteitskaders van betrokken organisaties. • Ketenontwikkeling: de samenwerking tussen domeinen wordt verder versterkt door gedeelde ICT-ondersteuning, gezamenlijke monitoring en continue kennisuitwisseling. Tot slot blijft het Mentaal Gezondheidsnetwerk Flevoland investeren in innovatie en verbreding. Er wordt onderzocht hoe de werkwijze van het verkennend gesprek kan worden toegepast binnen andere domeinen en doelgroepen — zoals jeugd, LVB en ouderen — en hoe de opgedane inzichten bijdragen aan een meer samenhangende, preventieve en veerkrachtige regionale structuur voor mentale gezondheid. Verwachtte effecten • Snellere toegang tot passende zorg en ondersteuning. • Betere (directe) doorstroom in de keten (huisartsenzorg, sociaal domein, GGZ) • Passender verwijzen en minder herverwijzingen Door multidisciplinaire kijk op vraagstukken kan er gezamenlijk met de inwoner tot een passendere verwijzing gekomen worden • Verbeterde samenwerking tussen domeinen Professionals uit verschillende domeinen werken effectief samen, wat leidt tot een meer samenhangende en efficiënte zorgverlening • Er zijn twee pilots uitgevoerd in Noordoostpolder, Urk en in Almere; resultaten laten een afbuiging van 16% zien.

Dit percentage zal dus naar verwachting hoger ligger als niet alle hulpvragen aan de GGZ een verkennend gesprek krijgen. NB: In een regio met “de grootste” arbeidsmarktkrapte en de sterkste bevolkingsgroei neemt de vraag toe, wat effecten van interventies zoals verkennend gesprek kan vertekenen; de huidige populatie en bezetting geven mogelijk een onvolledig beeld. 4.5.2. Informatievoorziening aanbod GGZ en sociaal domein Een plan voor passende zorg of ondersteuning kan pas écht waardevol zijn wanneer er een actueel inzicht is in de wachttijden en het beschikbare aanbod. In de huidige situatie ontbreekt dit actuele overzicht nog grotendeels. In de GGZ en het sociaal domein is onvoldoende inzichtelijk, vindbaar of begrijpelijk wat er precies wordt aangeboden, waar en hoe lang inwoners moeten wachten. Hierdoor lopen inwoners en professionals tegen grenzen aan en blijft de doorstroom tussen de domeinen 29 moeizaam. Het is daarom van groot belang dat er op regionaal niveau eenduidiger en meer zicht komt op aanbod en wachttijden. Wanneer (lokaal) aanbod ontbreekt of onvoldoende beschikbaar is, moet dit inzichtelijk en bespreekbaar zijn tussen betrokken partijen, zodat gezamenlijk naar oplossingen gezocht kan worden.

Bij de informatievoorziening wil Flevoland niet het wiel opnieuw uitvinden, maar zoveel mogelijk aansluiten op landelijke ontwikkelingen, bestaande innovaties en technologische oplossingen. Daarbij is het van belang om duidelijke en eenduidige afspraken te maken om de informatie bruikbaar en actueel te houden. De doelgroep • Informatievoorziening GGZ: huisartsen, POH-GGZ, vrijgevestigde en GGZ (zij- en uitstroom GGZ) • Toegang voor; welzijnscoaches, maatschappelijk werkers, klantmanagers, laagdrempelige steunpunten. • Informatievoorziening sociaal domein: zowel voor inwoners als voor professionals (huisartsen /POH GGZ,GGZ, maatschappelijk werkers) en verbinders (bv. welzijnscoaches, buurthuizen, laagdrempelige steunpunten, evt. aanwezige lokale teams). Stand van zaken Informatievoorziening GGZ De huidige informatievoorziening binnen de GGZ is onvolledig en niet actueel. Zorgdomein (digitaal verwijs- en informatieplatform) en Vecozo (gebruikt voor o.a. informatie-uitwisseling en declaratie) worden gebruikt, maar niet alle aanbieders – met name vrijgevestigde – staan hierin vermeld. De huidige systemen geven slechts algemene wachttijden weer. Er mist onderscheid in indicatie, zorgaanbod en mogelijke vorm (groep, digitaal etc.). Bovendien zijn de gegevens niet altijd up to date. Ook de in- en exclusiecriteria vormen een drempel voor het plaatsen van inwoners.

In Flevoland is de dekking van POH-GGZ goed. Zij kijken naar wachttijden en zoeken naar de best passende plek. Dit wordt in de huidige situatie zeer frequent gehinderd door ofwel dat wachtlijstinformatie op de sites niet actueel blijkt en/of dat aanmeldingen om onduidelijke inhoudelijke redenen afgewezen worden. Tijdens de pilot toeleidingspunt is, met succes, gewerkt met een dashboard wat inzicht gaf in het aanbod en wachttijden van de GGZ. Partijen willen graag structureel een vorm van een dashboard of platform opnemen in het Mentaal Gezondheidsnetwerk. Informatievoorziening sociaal domein 30 Binnen het sociaal domein is de informatievoorziening versnipperd over verschillende platforms, organisaties en lokale initiatieven. Er bestaan al diverse sociale kaarten en loketten die inwoners en verbindende schakels ondersteunen bij het vinden van passende hulp of begeleiding, maar deze zijn niet altijd volledig, actueel of goed op elkaar afgestemd. Hierdoor is het voor inwoners vaak onduidelijk waar ze terechtkunnen en voor verbindende schakels lastig om snel een volledig beeld te krijgen van het beschikbare aanbod. Om een toekomstbestendige informatievoorziening te realiseren, is het belangrijk eerst zicht te krijgen op wat er al is: welke sociale kaarten, platforms en netwerken worden nu gebruikt, hoe actueel en toegankelijk zijn deze, en waar zitten de hiaten of overlap.

De bestaande initiatieven in Flevoland – zowel digitaal als fysiek – vormen een waardevolle basis waarop verder gebouwd kan worden. In deze paragraaf worden de belangrijkste voorbeelden uit de regio beschreven, die gezamenlijk laten zien hoe breed en divers het huidige landschap van informatievoorziening binnen het sociaal domein is. • Sociale kaarten (POH-GGZ en GGD Flevoland ) Er bestaan sociale kaarten die zowel formeel als informeel aanbod weergeven. Echter veel initiatieven in het informele aanbod blijven onzichtbaar. De Sociale Kaart van GGD Flevoland is een database die continu up to date gehouden wordt door een team van 3 medewerkers en is aangesloten op een landelijke sociale kaart. • Welzijnscoaches In Lelystad en op Urk zijn alle huisartsen gekoppeld aan een welzijnscoach. In Dronten is dit voor een deel van de praktijken het geval, met de intentie dit in 2026 voor alle praktijken beschikbaar te hebben. In gemeente Noordoostpolder wordt in 2025 gewerkt aan volledige dekking van welzijnscoaches voor de huisartsenpraktijken; dat is nu nog in opbouw. In Almere wordt de welzijn op recept (WoR) coach stadsbreed ingezet. Een groot aantal huisartsenpraktijken maken inmiddels gebruik van WoR. De welzijnscoaches wijzen de inwoners naar de juiste plek voor ondersteuning.

• Noordoostpolder – Sociaal Loket Hier is het Sociaal Loket ingericht als centrale plek voor vragen over zorg, welzijn, werk, wonen, geldzaken en opvoeding. Het biedt inwoners een breed aanspreekpunt, maar de aansluiting met actuele wachttijden en beschikbaarheid ontbreekt. • Schakelteam Almere In Almere is via het schakelteam de verbinding en afstemming van inwoner met aanbod goed geregeld. Het Schakelteam wordt ingezet als levende sociale kaart in Almere. Bij de pilot TP Almere was de ervaringsdeskundige tevens lid van het Schakelteam. 31 • Pilot Toeleidingspunt (TP) Tijdens de pilot is gewerkt met “levende” sociale kaarten: Ervaringsdeskundigen die in de wijk goed zicht hadden op het aanbod. Hun netwerk was waardevol, maar dergelijke afhankelijkheid van enkele sleutelfiguren is niet toekomstbestendig. • 1SociaalDomein Wanneer er onzekerheid is over beschikbaar aanbod of doorverwijzing, kan dit platform helpen door vragen en antwoorden te bundelen. Het gebruik is echter nog niet voor alle gemeenten breed ingebed. Doel informatievoorziening GGZ en sociaal domein Het beschikbaar maken van actuele, betrouwbare informatie over wachttijden en aanbod in zowel de GGZ als van het aanbod en beschikbaarheid in het sociaal domein.

Wanneer verwijzers – zoals huisartsen, POH -GGZ, wijkteams en andere professionals – én inwoners zelf inzicht hebben in deze informatie, kunnen zij sneller en beter beslissingen nemen over passende vervolgstappen. Een efficiënte overdracht leidt daarbij tot snellere toegang tot de juiste ondersteuning. Flevoland wil met het gebruik van systemen aansluiten op wat er landelijk wordt ontwikkeld op dit gebied. Het doel voor Flevoland is als volgt: In Flevoland is actuele, betrouwbare en gedeelde informatie over wachttijden en aanbod vanzelfsprekend beschikbaar voor alle betrokkenen in de zorg en het aanbod en de beschikbaarheid in het sociaal domein. De regio wil voor de informatievoorziening aanbod en wachttijden GGZ graag aansluiten op de landelijke aanbevolen route. Wanneer deze bekend is en wat de kosten daarvoor zijn is nog niet bekend. In de Business Case is, in overleg met Zilveren Kruis, een schatting van dit bedrag opgenomen.

Welke partners doen mee? Informatievoorziening GGZ: GGZ-partijen inclusief vrijgevestigde, huisarts en POH- GGZ Informatievoorziening Sociaal Domein: organisaties voor maatschappelijk werk, welzijnsorganisaties, ervaringsdeskundigen, GGD Flevoland Hoe werken we toe naar informatievoorziening GGZ? Binnen de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) sluit Flevoland aan bij de landelijke ontwikkelingen om de informatievoorziening beter te organiseren en de transparantie over het zorgaanbod te vergroten. Het doel is om regionaal inzicht te krijgen in het actuele aanbod en de wachttijden binnen de GGZ, zodat inwoners sneller en gerichter kunnen worden doorverwezen naar passende ondersteuning. 32 Met deze regionale aanpak versterken we de samenwerking tussen aanbieders, gemeenten, huisartsen en het sociaal domein. Dit draagt bij aan een betere toegankelijkheid van GGZ-ondersteuning. Het resultaat is een meer samenhangende, transparante en toegankelijke informatievoorziening. Flevoland sluit aan bij de landelijke ontwikkeling richting een uniforme informatievoorziening, voor zover dit in de pas loopt met de planning van de uitvoering van dit transformatieplan. Zo is het bijvoorbeeld noodzakelijk voor een goed functionerend transfermechanisme actueel inzicht te hebben in het aanbod van de GGZ en de bijbehorende wachttijden.

Deze informatievoorziening vormt een essentiële bouwsteen voor de verdere opbouw van een samenhangend, transparant en efficiënt Mentaal Gezondheidsnetwerk in Flevoland. Stap 0 – Gelijke definities Een belangrijke eerste stap in de ontwikkeling van de informatievoorziening binnen de GGZ is het creëren van uniforme definities. Begrippen zoals wachttijd, wachtende ect. worden op dit moment nog verschillend geïnterpreteerd. Deze verschillen maken vergelijking en gezamenlijke sturing moeilijk. In deze fase worden de definities geharmoniseerd voor de hele regio Flevoland, zodat alle partijen dezelfde taal spreken. Er wordt bepaald welke gegevens nodig zijn om wachttijden betrouwbaar te kunnen meten en op welke categorieën van zorg (zoals basis-GGZ, specialistische GGZ en digitaal aanbod) dit wordt uitgevraagd. Resultaat: Het resultaat van deze stap is een gezamenlijk vastgestelde begrippenlijst en registratiestandaard die door alle betrokken GGZ-aanbieders wordt gebruikt. Hiermee ontstaat een eenduidige basis voor het verzamelen, vergelijken en duiden van wachttijdinformatie — een noodzakelijke voorwaarde voor verdere dataverzameling en regionale sturing binnen het Mentaal Gezondheidsnetwerk Flevoland.

Hoe werken we toe naar informatievoorziening sociaal domein? Het toewerken naar de informatievoorziening sociaal domein is opgedeeld in een aantal stappen die uitgevoerd moeten worden. Sommige stappen moeten gelijktijdig worden ingezet en hoeven niet te wachten op de afronding van een voorgaande stappen ervoor. Stap 0 - In kaart brengen van verbindende schakels en ophalen van huidige knelpunten in het inzicht in aanbod. In deze stap brengen we in beeld: • waar in Flevoland de verbindende schakels zich bevinden en wie deze mensen, organisaties of welke functies dat zijn. Zij vormen het hart van het sociaal netwerk rondom inwoners: de mensen die signaleren, verbinden en doorgeleiden tussen formele zorg, welzijn en het sociaal domein. Het gaat om professionals en 33 betrokkenen zoals het Schakelteam Almere, welzijnscoaches, wijkteammedewerkers, ervaringsdeskundigen, sleutelfiguren in de wijk, woningbouwcorporaties, onderwijs, buurtwerkers en andere lokale initiatieven of locaties die in direct contact staan met inwoners. We onderzoeken welke rollen zij vervullen, welke informatie zij nodig hebben, en hoe hun onderlinge samenwerking verloopt. We sluiten hierbij zoveel mogelijk aan bij de bestaande ontwikkelingen op het terrein van de sociale kaart.

Daarbij wordt gekeken naar zowel formele verbindingen (zoals verwijzingen en overlegstructuren) als informele lijnen, waar kennisuitwisseling en samenwerking vaak spontaan ontstaan. Door deze schakels systematisch in kaart te brengen, ontstaat een helder beeld van het bestaande netwerk van ondersteuners in de regio – waar de verbindingen sterk zijn, maar ook waar nog witte vlekken of versnippering voorkomen. • onderzoeken we wat nodig is om de bestaande sociale kaarten beter bruikbaar en toegankelijk te maken voor inwoners én de verbindende schakels. We brengen in kaart hoe sociale kaarten en interventies in de praktijk worden gebruikt en verzamelen ervaringen van de verbindende schakels zoals onder andere; welzijnscoaches, wijkteammedewerkers, ervaringsdeskundigen en de inwoners zelf. Zij geven inzicht in hoe zij nu informatie vinden over aanbod, wachttijden en routes naar ondersteuning, en waar ze nog tegenaan lopen. Centrale vragen zijn: o Hoe vinden inwoners de verbindende schakels het beschikbare aanbod? o Welke informatie missen zij of ervaren zij als onduidelijk? o Wat is er nodig dat er nu nog niet is? o Hoe kunnen sociale kaarten actueel en betrouwbaar worden gehouden? Door deze inzichten te bundelen ontstaat een duidelijk beeld van de bruikbaarheid, toegankelijkheid en actualiteit van de sociale kaarten.

Dit vormt de basis voor de probleemdefinitie: wat werkt goed, waar zitten de hiaten, en welke aanpassingen zijn nodig om de informatievoorziening toekomstbestendig te maken. Stap 1 – Gemeenschappelijke taal en basisafspraken. Orqanisaties werken aan een gemeenschappelijke taal en een set basisafspraken. Heldere definities van begrippen als aanbod en beschikbaarheid zorgen voor eenduidigheid. Ook wordt bepaald met behulp van stap 0 welke informatie minimaal nodig is om het aanbod in beeld te brengen, zoals bijvoorbeeld; doelgroep, locatie, wachttijd en contactgegevens en bijvoorbeeld of er bepaalde kwaliteitscriteria zijn voor toevoeging aan de sociale kaart. Deze gegevens worden vastgelegd in een 34 gedeeld format dat wordt getoetst bij de verbindende schakels in de praktijk. Zo ontstaat een gezamenlijke basis waarop iedere gemeente kan voortbouwen. Stap 2 – In kaart brengen van de klantreis om de gebruikerservaring centraal te stellen. In deze stap wordt onderzocht hoe inwoners en verbindende schakels de informatievoorziening daadwerkelijk gebruiken en wat zij nodig hebben om deze optimaal te benutten. Het doel is om niet alleen informatie te bundelen, maar om de gebruikservaring centraal te stellen.

Daarvoor wordt een klantreis opgeschreven die laat zien hoe een inwoner met een ondersteuningsvraag zijn of haar weg vindt naar passende hulp, en welke rol verbindende schakels – zoals wijkteammedewerkers, welzijnscoaches en ervaringsdeskundigen – daarin spelen. Deze klantreis maakt duidelijk op welke momenten informatie nodig is, via welke kanalen die beschikbaar moet zijn en hoe doorverwijzing soepel kan verlopen. Door de inzichten uit de klantreis te gebruiken, ontstaat een praktisch en mensgericht systeem waarin inwoners snel passende ondersteuning vinden en verbindende schakels beschikken over een betrouwbare sociale kaart om hun werk effectief te doen. Stap 3 – Benutten van bestaande innovaties In deze stap gaan we op zoek naar bestaande innovaties en technologische oplossingen die elders al hun waarde hebben bewezen. Voorbeelden zoals De Welbevinder in Brabant en AI-toepassingen in Den Bosch laten zien hoe informatie sneller en slimmer kan worden ontsloten. We onderzoeken welke mogelijkheden er zijn en of deze innovaties toepasbaar zijn binnen de Flevolandse context. Stap 4 – Actualiseren en uitbreiden van het aanbod op de sociale kaart De uitkomsten van stap 0 vormen de basis voor stap 4, waarin we bestaande sociale kaarten actualiseren. We voegen daarbij formele en informele voorzieningen toe die nog ontbreken volgens gemaakte basisafspraken.

Stap 5 – Digitale verbinding van de verbindende schakels. In deze stap worden de verbindende schakels digitaal met elkaar verbonden. Via een netwerkplatform – bijvoorbeeld 1SociaalDomein – kunnen verbindende schakels informatie delen, vragen stellen en inwoners sneller doorverwijzen. Zo ontstaat een dynamisch digitaal netwerk dat samenwerking en kennisuitwisseling bevordert. Stap 6 – Borging, communicatie en doorontwikkeling Het succes van de vernieuwde informatievoorziening binnen het sociaal domein staat of valt met de mate waarin inwoners en verbindende schakels deze weten te vinden én gebruiken. Daarom richt deze fase zich op het blijvend verankeren van de 35 informatievoorziening in het dagelijkse werk van betrokken organisaties en partners, en op het zichtbaar maken van de informatievoorziening zoals de digitale sociale kaart en de verbindende schakels voor iedereen die er gebruik van wil maken. Om de informatievoorziening actueel en betrouwbaar te houden, wordt een vaste governance-structuur ingericht met duidelijke rollen en verantwoordelijkheden voor beheer, actualisatie en monitoring. Samenwerkingspartners spreken af hoe gegevens worden onderhouden en wie verantwoordelijk is voor de kwaliteitsbewaking van de informatie.

Daarnaast wordt een communicatieaanpak ontwikkeld om het aanbod zichtbaar en toegankelijk te houden — zowel voor inwoners als voor verbindende schakels. Hierbij wordt ingezet op begrijpelijke informatie, herkenbare vindplaatsen (zoals websites, bibliotheken en ontmoetingsplekken) en periodieke updates via de bestaande lokale media (zowel fysiek als digitaal). Het doel is dat inwoners eenvoudig de weg vinden naar passende ondersteuning en dat verbindende schakels beschikken over actuele informatie die hen helpt in hun dagelijkse werk. Tot slot blijft het netwerk lerend en in ontwikkeling door structurele kennisdeling, gezamenlijke bijeenkomsten en regelmatige evaluaties. Nieuwe inzichten, technologische ontwikkelingen en praktijkervaringen worden benut om de informatievoorziening verder te verbeteren. Zo blijft het systeem niet alleen actueel, maar ook toekomstbestendig, transparant en gericht op de behoefte van inwoners en verbindende schakels. Deze aanpak bouwt niet iets nieuws vanaf nul, maar brengt bestaande kennis, initiatieven, technologie en de mensen om wie het gaat samen. Zo ontstaat een informatievoorziening die niet alleen goed werkt op papier, maar ook in de praktijk het verschil maakt. Inwoners vinden sneller passende ondersteuning, ervaren meer duidelijkheid en regie, en verbindende schakels kunnen doelgerichter samenwerken.

Dat leidt tot minder druk op de huisarts en de GGZ, en tot een sterkere sociale basis in de regio. 4.5.3. Transfermechanisme Bij een transfermechanisme hebben deelnemers inzicht in de aantallen en soorten zorgvragers die op hun afzonderlijke wachtlijsten staan. En maken aanbieders generieke en structurele werkafspraken over in- door- en uitstroom criteria over meerdere partijen heen. Ook wordt er gezamenlijk bekeken hoe vraag en aanbod beter bij elkaar gebracht kunnen worden om zo te komen tot het daadwerkelijk transfereren van wachtende inwoners. Ook geeft deze aanpak direct inzicht in de knelpunten en de beschikbare capaciteit van de betrokken GGZ aanbieders, zodat hier adequaat op kan worden ingespeeld. 36 De doelgroep Alle inwoners van Flevoland van 18 jaar en ouder met mentale klachten die wachten op passende zorg of ondersteuning, met bijzondere aandacht voor mensen die dreigen vast te lopen. Het gaat dus niet alleen om inwoners met mentale klachten op de wachtlijst boven de treeknormen, maar juist ook om vroegtijdige signalering en het vinden van alternatieven voordat wachttijden te lang worden. Stand van zaken In de regio is in het verleden al ervaring opgedaan met het overdragen van patiënten tussen wachtlijsten via de zogenoemde Transfertafel. Dit initiatief bestaat inmiddels niet meer.

De structurele verplaatsing van groepen patiënten bleek destijds geen duurzame oplossing te bieden en leidde niet tot de gewenste resultaten. Op basis van deze ervaringen is in Flevoland bewust gekozen voor een bredere benadering van het transfermechanisme. In plaats van uitsluitend te focussen op het overdragen van groepen cliënten, ligt de nadruk nu op het vaststellen van knelpunten in de regio en het ondernemen van gerichte acties om vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen. Daarmee ontstaat ruimte om beter gebruik te maken van het bestaande online- en groepsaanbod binnen zowel de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) als het sociaal domein. Zoals in de inleiding beschreven, heeft de Regionale Taskforce wachttijden in de afgelopen jaren al gewerkt aan het verkorten van wachttijden via diverse interventies. Door de komst van het Integraal Zorgakkoord (IZA) is deze groep minder actief geworden. Het ligt echter voor de hand om dit succesvolle samenwerkingsverband opnieuw te activeren ten behoeve van het Mentale Gezondheidsnetwerk (MGN). Ook het regionaal veiligheidsoverleg en het RET worden genoemd als mogelijk passend platform om thema’s als wachttijden, doorstroom en samenwerking tussen ketenpartners te bespreken en gezamenlijk tot oplossingen te komen. Het aansluiten bij een bestaande structuur wordt als effectiever beschouwd dan het opnieuw opzetten van een Transfertafel.

Een belangrijke kans binnen het transfermechanisme ligt in het beter benutten van groepsbehandelingen en online aanbod binnen de GGZ. Momenteel wordt hier nog onvoldoende gebruik van gemaakt. Hierdoor starten groepsbehandelingen soms met te weinig deelnemers, terwijl anderen juist onnodig lang wachten, ook ondanks beschikbare onlinemogelijkheden zonder wachtrij. Door het transfermechanisme in te zetten om deze mismatch tussen capaciteit en vraag te verminderen, kan de doorstroom aanzienlijk worden verbeterd. De eerdere Transfertafel liep destijds tegen verschillende knelpunten aan, waaronder onduidelijkheid over verantwoordelijkheden, beperkte informatie-uitwisseling tussen aanbieders en onvoldoende gezamenlijke regie. Deze lessen vormen waardevolle input voor de verdere ontwikkeling van het nieuwe transfermechanisme binnen het MGN Flevoland: 37 • Veel GGZ-partijen hanteren hoge exclusiecriteria, waardoor crisisgevoelige patiënten vaak alleen bij GGZ Centraal terechtkunnen. Dit leidt tot een scheve verdeling en een hoge instroom van complexe problematiek bij één partij. Vanaf 2027 • Er is geen krachtig instrument of mandaat om instellingen te bewegen hun aannamebeleid aan te passen, waardoor weigeringen moeilijk zijn te corrigeren. • Het administratieve proces rondom het overschrijven van cliënten bleek zeer arbeidsintensief en complex.

De benodigde tijd en inzet stonden niet in verhouding tot het uiteindelijke resultaat, waardoor dit te weinig opleverde in de praktijk. • Kans op suïcidaliteit is een problematiek die veel speelt in de regio. Deze problematiek legt extra druk op gespecialiseerde diensten. Meer voorlichting en kennisdeling binnen andere organisaties kan helpen de druk beter te verspreiden. Ook invullingen of meedraaien in de crisisdienst door andere GGZ-partijen kan hierbij helpend zijn. Zowel in verdeling van de extra druk op de crisisdienst als het (te snel) doorverwijzen naar GGz Centraal van crisisgevoelige patiënten en complexe problematiek. De gemeenten zijn vanaf 1 januari 2026 verantwoordelijk voor lokaal beleid gericht op suïcidepreventie. Dit zijn aandachtspunten die we mee willen nemen bij de inrichting van het transfermechanisme. Doel transfermechanisme Het transfermechanisme heeft als overkoepelend doel om inzicht te creëren in de zorgbehoeften binnen de regio. Zorgaanbieders hebben inzicht in hoeveel mensen op de wachtlijst staan en welk type zorg nodig is, zodat vraag en aanbod beter op elkaar kunnen worden afgestemd. Dit draagt bij aan een soepele en tijdige overgang naar passende zorg en bevordert een efficiënter gebruik van beschikbare capaciteit.

Het doel voor Flevoland is als volgt: Binnen Flevoland wordt het transfermechanisme vooral ingezet op beleidsmatig en op regionaal niveau. Het doel is om knelpunten tussen vraag en aanbod vroegtijdig te signaleren en daar gezamenlijk actie op te ondernemen. Door het inzicht in aanbod en wachttijden (met behulp van informatievoorziening GGZ en sociaal domein), doorstroom en de aard van zorgvragen kunnen aanbieders gezamenlijk structurele oplossingen ontwikkelen. Dit kan uiteenlopen van het verbeteren van doorverwijzingen tot het ontwikkelen van nieuw of aanvullend aanbod in de regio of het transfereren van lang wachtende naar alternatief aanbod, zoals groeps- of online aanbod. In het geval van transfereren blijft de keuze hier akkoord mee te gaan bij de inwoner, wat vraagt om volledige transparantie over beschikbaarheid van zorg en exclusiecriteria. 38 Het transfermechanisme richt zich daarnaast op het signaleren van onevenwichtigheden in de verdeling van zorgcapaciteit binnen Flevoland. Een belangrijke voorwaarde voor effectief handelen is dat het mechanisme beschikt over mandaat om aanbevelingen te doen en beleidsadvies te geven, bijvoorbeeld over het aanpassen van exclusiecriteria of het ontwikkelen van nieuwe samenwerkingsafspraken. Concreet betekent het dat we eind 2026 het transfermechanisme hebben ontwikkeld voor start in 2027.

In 2027 zal ieder kwartaal de groep afspreken om de regio beter op elkaar af te stemmen. Welke partners doen mee? • GGZ partijen inclusief vrijgevestigde • Gemeente en/of Sociaal Domein (in het plan werken we uit welke rol vanuit de gemeente en/of het sociaal domein aan zal sluiten). • Huisartsen en POH-GGZ voor het inzicht in de vraag We gaan onderzoeken of het toevoegen van extra domeinen aan het transfermechanisme wenselijk is. Domeinen die genoemd zijn; maatschappelijke opvang, beschermd wonen en woning coöperaties. Hoe werken we toe naar een transfermechanisme? De informatievoorziening vormt de basis voor het starten van het transfermechanisme. Vanuit een gezamenlijk inzicht in vraag, aanbod en knelpunten kunnen partners effectief samenwerken. Daarom wordt deze functie opvolgend aan de functie informatievoorziening aanbod en wachttijd GGZ en SD opgestart. Het toewerken naar het transfermechanisme is opgedeeld in een aantal stappen die uitgevoerd moeten worden. Sommige stappen moeten gelijktijdig worden ingezet en hoeven niet te wachten op de afronding van een voorgaande stappen ervoor. Stap 1 – Inrichting en samenwerking Het transfermechanisme wordt vormgegeven. De regio bepaalt of de focus naast beleidsmatige sturing zich ook op casusoverdrachten richt en welke data nodig is om het overleg goed te kunnen voeren en wie waar verantwoordelijk voor is.

Het regionale overleg met een afvaardiging van GGZ partijen, huisartsen, gemeenten en/of sociaal domein stellen samenwerkingsafspraken hierover op. Welke afgevaardigde dit zijn moet uitgewerkt worden in deze stap. Vrijgevestigden worden ook actief betrokken. We willen onderzoeken of we de vrijgevestigden kunnen verenigen zodat er één aanspreekpunt is binnen het transfermechanisme. Resultaat: een duidelijke en gedragen samenwerkingsstructuur met heldere rollen en verantwoordelijkheden tezamen met andere gemaakt afspraken verwerkt in een samenwerkingsovereenkomst. 39 Stap 2 – Analyse inzicht in aanbod en wachttijden GGZ en sociaal domein Voorafgaand aan ieder overleg wordt de actuele situatie geanalyseerd met behulp van informatievoorziening GGZ en sociaal domein. En wordt de input opgehaald bij de huisartsen en POH-GGZ met betrekking tot hun ervaringen over waar inwoners vastlopen en welke hulp ontbreekt. Op basis daarvan wordt een analyse gemaakt wat dient als basis voor het overleg waarop concrete acties/interventies worden afgesproken tussen deelnemers, bijvoorbeeld het tijdelijk openstellen van groepsaanbod of het herverdelen van verwijzingen ect. Resultaat: een actueel, gedeeld beeld van vraag en aanbod, waardoor partners gericht kunnen sturen.

Stap 3 – Innovatie en ontwikkeling De regio ontwikkelt vernieuwende manieren om vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen — denk aan een digitaal platform of regionale samenwerkingsvormen. Ook wordt onderzocht hoe AI kan helpen bij het analyseren van wachttijden en matchingsprocessen. Resultaat: een flexibel systeem dat niet alleen signaleert, maar ook actief oplossingen biedt. Stap 4 – Structurele borging en doorontwikkeling Na een jaar volgt een evaluatie: werkt de governance zoals bedoeld, is de informatie- uitwisseling goed geregeld en welke onderdelen vragen structurele financiering? Resultaat: het transfermechanisme krijgt een vaste plek binnen de regionale samenwerking voor mentale gezondheid. Verwachtte effecten • Door betere sturing op beleidsmatig niveau wordt het beleid van de verschillende organisaties beter op elkaar afgestemd. Met als gevolg dat inwoners betere ondersteuning krijgen. • Betere afstemming en verdeling binnen het mentaal gezondheidsnetwerk. • Meer gebruik van groepsaanbod in alle domeinen, meer gevulde groepen. • Voorkomen van onnodige instroom in de gespecialiseerde GGZ Door tijdige en passende ondersteuning in het juiste domein wordt escalatie van problemen en onnodige instroom in de gespecialiseerde GGZ voorkomen • Betere benutting van beschikbare capaciteit .

Door inwoners naar het meest geschikte domein te verwijzen, wordt de beschikbare zorgcapaciteit optimaal ingezet. 40 4.5.4. Domeinoverstijgend Casusoverleg Het Domeinoverstijgend Casusoverleg (DOCO) is een overlegvorm waarin professionals uit verschillende domeinen – zoals de geestelijke gezondheidszorg (GGZ), huisartsen en POH GGZ en het sociaal domein – gezamenlijk (complexe) casussen bespreken. Door deze integrale benadering ontstaat een bredere kijk op de situatie en behoeften van de inwoner, wat leidt tot een gerichtere en beter afgestemde aanpak. In tegenstelling tot het verkennend gesprek, dat mét de inwoner plaatsvindt, is het DOCO een overleg tussen professionals over een inwoner. Het doel is om snel en gezamenlijk tot passende oplossingen te komen, zonder dat de inwoner tussen de tussen wal en schip valt. De doelgroep Het domeinoverstijgend casusoverleg is om casussen te bespreken waarvan de complexiteit hoog is doordat de hulpvraag zich in verschillende domeinen afspeelt en waarbij het nog niet gelukt is de juiste zorg/begeleiding binnen sociaal domein en/of GGZ ingezet te krijgen. Het grote verschil tussen dit DOCO en het verkennend gesprek is dat dit een overleg is zonder aanwezigheid van de inwoner.

Problematiek waarbij zorg is vastgelopen en naast afstemming tussen sociaal werk en zorg, ook zorgmijding, overlast en veiligheidsrisico’s spelen, vallen buiten beschouwing van het DOCO. Het Regionaal Meldpunt OGGZ van de GGD Flevoland behandelt meldingen van verward of onbegrepen gedrag, zorgmijding en verwaarlozing en kan advies geven of hulp bieden. Het Zorg- en Veiligheidshuis Flevoland coördineert de samenwerking tussen verschillende instanties voor complexe situaties met een veiligheidsrisico, zoals huiselijk geweld en criminele activiteiten. Stand van zaken Er zijn grote verschillen tussen de gemeenten in GGZ-aanbod, SGGZ, basis-GGZ en POH-GGZ-bezetting. Hier moet rekening worden gehouden bij de inrichting van de DOCO's. Het is noodzakelijk dat probleem én oplossing bij elkaar aan tafel zitten, met juiste gebiedsafbakening en juiste en voldoende netwerkpartners. Er bestaan op dit moment verschillende domeinoverstijgende casusoverleggen verspreid over de regio: • Overlegtafel Almere; SGGZ, BGGZ, huisarts/POH GGZ, professional met mandaat uit het sociaal domein, ervaringsdeskundigheid, forensische- en verslavingszorg. • Overlegtafel Noordoost-Flevoland; SGGZ, BGGZ, huisarts/ POH GGZ, ervaringsdeskundigheid en verslavingszorg, Aanvullend op casus: 41 gemeentelijke vertegenwoordiging met mandaat vanuit sociaal domein en LVB.

NB: In noordoost Flevoland is op dit moment de inbreng van casussen beperkt, mede omdat na overleg vaak geen oplossing ontstaat; dit geldt voor 99% van de gevallen, oorzaak is voornamelijk wachttijden en ontbrekend aanbod. • Sociaal Stedelijk Team Almere (SST), sociaal domein, verslavingszorg, LVB, GGZ, BW. Leden sluiten ook aan bij wijkteams. • Stedelijk integraal team in Lelystad, vangnet en advies (regionaal) (gemeente, GGD, politie, sociaal wijkteam, GGZ, verslavingszorg, Triade Vitree, WZF, Kwintes en Centrada). • Regionaal expertteam (pilot 18+ start november); Consulatie functie en advies op locatie vanuit GGZ in beschermd wonen. Doel Domeinoverstijgend Casusoverleg In het domeinoverstijgend casusoverleg wordt (complexe) problematiek vanuit verschillende invalshoeken besproken. Met als doel dat de inwoner passende zorg en/of ondersteuning op de juiste plek krijgt. We bespreken casussen die complex zijn vanwege de verschillende domeinen die het raakt, die niet op de juiste plek zijn aangemeld en die nergens terecht lijken te kunnen. De ervaring is dat de casusbespreking beter verloopt wanneer er vooraf en tijdens het overleg concrete invulling gegeven wordt aan onderwerpen als situatie, vraag, de mogelijke oplossingen en de gekozen oplossing.

Het doel voor Flevoland is als volgt: Zoals al eerder te lezen zijn er veel verschillende overleggen met verschillende samenstellingen en doelen in Flevoland. In de ontwikkeling van een DOCO willen we onderzoeken wat we willen/moeten behouden aan overleggen en wat we kunnen samenvoegen, waar het kan, om het aantal (dubbele) overleggen te verminderen. Zo bouwen we aan een effectief en efficiënt mentaal gezondheidsnetwerk in Flevoland. In Flevoland werken professionals domeinoverstijgend samen als één betrokken netwerk rondom de inwoner met complexe problematiek. Er wordt minstens een DOCO netwerk per sub-regio ingericht en maximaal een per gemeente. Vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid kijken we gezamenlijk naar de hele mens achter de vraag, zodat inwoners met (complexe) problematiek passende ondersteuning en/of zorg krijgen, op de juiste plek en op het juiste moment. De harde kern van deelnemers bestaat per DOCO tenminste uit een GGZ partij, gemeente, een sociaal domein leverancier en een ervaringsdeskundige. Door elkaars expertise te benutten, versterken we samenhang, vertrouwen en slagkracht in de regio. Een 1x per jaar zullen we een fysieke regionale bijeenkomst organiseren om van elkaar te 42 leren.

Het overleg draagt zo bij aan een lerend netwerk, waarin we continu verbeteren, samen leren van casuïstiek en knelpunten in het systeem signaleren om de samenwerking verder te versterken. Welke partners doen mee? De (gewenste) samenstelling (al dan niet structureel) is: GGZ-partijen, verslavingszorg, ervaringsdeskundigheid, professional met mandaat uit sociaal domein, huisarts/POH-GGZ. Welke functie binnen het sociaal domein met kennis en mandaat aansluit bij het DOCO kan per gemeente verschillen. Deze invulling wordt in het plan nader uitgewerkt. Een mogelijke aanvullingen op de bestaande tafels die we verder willen onderzoeken zijn: LVB en beschermd wonen/maatschappelijke opvang Hoe werken we toe naar een domeinoverstijgend casusoverleg? Het toewerken naar het domeinoverstijgend casusoverleg is opgedeeld in een aantal stappen. Sommige stappen moeten gelijktijdig worden ingezet en hoeven niet te wachten op de afronding van een voorgaande stappen ervoor. Stap 0 – Voorbereiding: aansluiten bij bestaande initiatieven. De eerste stap is een inventarisatie van bestaande overlegstructuren binnen de regio, dit is grotendeels al gedaan maar kan nog worden aangevuld. We brengen in kaart welke tafels er al zijn, met wie, met welk doel en welke casuïstiek besproken wordt. Dit biedt inzicht in waar overlegstructuren elkaar overlappen en waar nog lacunes bestaan.

Door met vertegenwoordigers van deze bestaande tafels in gesprek te gaan, verzamelen we waardevolle ervaringen: wat werkt goed, wat zijn knelpunten en welke elementen verdienen behoud? Zo bouwen we voort op bestaande energie in plaats van opnieuw te beginnen. Resultaat: een overzicht van bestaande overleggen, witte vlekken en een voorstel voor behoud, samenvoeging of afbouw van overlegstructuren ten behoeve van de nieuwe DOCO structuur. Keuze voor inrichting van een DOCO per sub-regio of per gemeente. Overzicht van de gewenste vaste deelnemers per DOCO. Stap1 – Fundament en werkwijze: één herkenbare aanpak. In deze stap wordt een eenduidige werkwijze ontwikkeld voor casusbesprekingen binnen DOCO. Deze werkwijze beschrijft stap voor stap hoe casussen worden besproken: van situatieschets tot besluit en regievoering. Bestaande inzichten, zoals uit de evaluatie van de overlegtafel Almere, worden benut 43 als bouwstenen. Door halfjaarlijkse evaluaties wordt de werkwijze continu verbeterd op basis van praktijkervaringen. Resultaat: een uniforme, herkenbare en overdraagbare werkwijze die bij alle DOCO kan worden toegepast. Stap 2 – Positionering en governance: helderheid in rollen en verantwoordelijkheden.

Er wordt vastgesteld welke deelnemers vanuit de verschillende domeinen (zoals GGZ, sociaal domein, ervaringsdeskundigen, huisartsen) structureel deelnemen aan de overlegtafel en welke specifieke expertise afhankelijk van de casus (en soms afhankelijk van gemeente) aansluit. Tevens wordt bepaald wie voorzit en hoe besluiten worden genomen wanneer partijen verschillen van inzicht. De positie van het DOCO wordt duidelijk afgegrensd ten opzichte van andere domeinoverstijgende overleggen, zoals het verkennend gesprek. Ook wordt de inzet van ervaringsdeskundigheid structureel geborgd. Resultaat: een duidelijke rolverdeling, vastgelegde besluitvormingsprocessen en een herkenbare positie van DOCO binnen het regionale samenwerkingslandschap. Stap 3 – Implementatie en doorontwikkeling: leren van de praktijk. De vastgestelde werkwijze wordt in de praktijk gebracht binnen geselecteerde overleggen. Tijdens deze stap worden casussen benut als leermateriaal: successen en knelpunten worden gedeeld en besproken. Daarnaast wordt inzicht verkregen in beschikbare regionale en bovenregionale oplossingen, zodat de juiste zorg en ondersteuning sneller inzetbaar is. Casussen die vastlopen worden besproken op regionaal niveau om structurele verbeteringen mogelijk te maken.

Jaarlijks vindt kennisuitwisseling plaats tussen de subregio’s in Flevoland om van elkaar te leren en de aanpak verder te versterken. Resultaat: een werkende en lerende overlegstructuur waarin domeinoverstijgende samenwerking structureel is ingebed en voortdurend wordt verbeterd. Verwachtte effecten • Snellere toegang tot passende hulp, steun of zorg, specifiek voor complexe situaties. Vanwege het beperkte aanbod in Noordoostpolder en Urk zal niet hetzelfde effect hebben als in de andere gemeenten. • Beter inzicht in verschillende hulp en ondersteuning die ook tegelijk kunnen worden ingezet. • De ambitie is domeinoverstijgend verantwoordelijkheid te nemen, zodat passende zorg niet binnen één domein blijft hangen. • Dit zal leiden tot gezondheidswinst, doordat inwoners minder lang hoeven te wachten (lagere kosten wachtlijsten en minder inzet POH GGZ). 44 • Vermindering van het aantal herhaaldelijk terugkerende/mislukte verwijzingen ('van kastje naar muur'). Minder administratiekosten en tijd voor organisaties, minder lang wachten op de wachtrij. • Sneller signalen over ontbrekend aanbod of toenemende vraag rondom het zorgaanbod. • Over domeinen heen wordt de kennis van professionals vergroot m.b.t. aanbod, werkwijzen ed. zodat volgende keren een vergelijkbare casus direct juist wordt opgepakt/verwezen.

• Heldere overzicht van bestaande overleggen en wat waar besproken wordt, waarbij dubbeling / overlap wordt voorkomen en er minder tijd aan overleggen plaatsvindt op regionale basis dan voorheen. 4.5.5. Laagdrempelige steunpunten Laagdrempelige steunpunten dragen bij aan het maatschappelijk herstel van mensen die, door problemen met hun mentale gezondheid, hun rollen in de samenleving (deels) zijn kwijtgeraakt. Deze steunpunten bevinden zich midden in de maatschappij en staan naast — niet binnen — de geestelijke gezondheidszorg (GGZ). De VNG heeft tien kenmerken beschreven waaraan laagdrempelige steunpunten voldoen zoals deze bedoeld zijn bij de IZA –afspraken, deze kenmerken zijn belangrijke input voor de criteria van Flevoland. De tien kenmerken zijn als volgt: 1. Toegankelijkheid: Het steunpunt is voor iedereen toegankelijk, met speciale aandacht voor mensen met psychische en/of sociaal-emotionele kwetsbaarheid en hun naasten. 2. Focus op herstel: De ondersteuning is gericht op leren, herstel en persoonlijke ontwikkeling, wat verder gaat dan alleen een luisterend oor of een kop koffie. 3. Co-creatie en gezamenlijk eigenaarschap: Zowel bezoekers/deelnemers als medewerkers dragen bij ('hebben iets te halen en te brengen'). 4. Behoeftegerichte ondersteuning: De ondersteuning wordt vormgegeven vanuit de behoeften van de mensen, niet vanuit stappenplannen of protocollen. 5.

We zien elkaar als mens, niet als cliënt of hulpverlener. 6. Gelijkwaardigheid: Er is sprake van wederkerigheid en gelijkwaardigheid, op basis van wederzijds begrip, herkenning en erkenning. 7. Er wordt gewerkt vanuit ‘wat past bij jou’, zonder stappenplannen of protocollen, er is een aanbod van methodische zelfhulp dat zich vanuit co- creatie en peer-support steeds verder ontwikkelt. 8. Ervaringskennis: Het steunpunt brengt collectieve ervaringskennis samen. 9. Rol van ervaringsdeskundigen: Ervaringsdeskundigen en/of ervaringswerkers hebben een leidende rol. 10. Samenwerking met ketenpartners: Er is samenwerking met de formele en informele ketenpartners zodat makkelijk afstemming kan plaatsvinden en 45 mensen wanneer nodig kunnen worden gekoppeld aan de voor hen juiste persoon. Daarnaast zijn er per gemeente specifieke omgevingsfactoren en specifieke doelgroepen die bepalen hoe een laagdrempelig steunpunt er uit ziet. We onderscheiden drie verschillende soorten steunpunten: • Grote steunpunten Grote steunpunten worden voornamelijk ingezet bij gebieden waarvan bekend is dat er een relatief grote populatie bewoners is met psychische en sociaal- emotionele kwetsbaarheid. Daarnaast dient ook een grote stadskern aanwezig te zijn.

• Middelgrote steunpunten Gemiddelde steunpunten vormen de brug tussen gebieden met een grote stadskern en de meer plattelandse gebieden met lagere inwonersaantallen, waarbij de inwoners verder verspreid van elkaar wonen. Hierbij wordt de inzet van deze steunpunten tevens afgestemd op de grootte van de populatie bewoners met psychiatrische en emotionele kwetsbaarheid. • Kleine steunpunten Kleine steunpunten of 'satelliet locaties’ worden ingezet voor de meer plattelandse gebieden met lagere inwonersaantallen, waarbij de bewoners verder verspreid van elkaar wonen en er bekend is dat er een kleine populatie bewoners leeft met psychische en sociaal emotionele kwetsbaarheid. De doelgroep De doelgroep is breder dan alleen EPA-doelgroep; in principe is iedereen welkom. Er wordt geschat dat 10 tot 15 procent, en in de toekomst mogelijk zelfs 25 tot 45 procent, van de EPA-doelgroep hier gebruik van zou kunnen maken. Maar er kan ook breder worden ingezet op preventie bijvoorbeeld van (lokale) thema’s zoals eenzaamheid en suïcide. Stand van zaken Veel mensen met onbegrepen gedrag en hun naasten missen een plek waar zij zich welkom en gesteund voelen. Lange wachtlijsten en beperkte toegang tot zorg vergroten hun isolement. Reguliere zorg sluit vaak niet aan op hun behoeften, en naasten raken overbelast omdat ze nergens terecht kunnen voor steun of advies.

Bij laagdrempelige steunpunten bieden we veel mensen een plek om te herstellen en in contact te komen met anderen. Het landschap van de huidige voorzieningen is volop in ontwikkeling. Er wordt al veel laagdrempelig georganiseerd, echter zijn er nog weinig laagdrempelige steunpunten die voldoen aan de tien kernmerken zoals hierboven beschreven of steunpunten die officieel aangemerkt zijn als laagdrempelig steunpunt. Volgens de NZVH zijn er drie laagdrempelige steunpunten in Almere; 46 Bruis Buiten, Bruis haven en Stip. In Lelystad heeft de NVZH vier steunpunten geregistreerd allen van Clip/Stip. In Dronten, Noordoostpolder en op Urk zijn geen officieel gekenmerkte laagdrempelige steunpunten. Doel laagdrempelige steunpunten Laagdrempelige steunpunten (zoals herstel- of zelfregiecentra) zijn er voor iedereen, maar vooral voor mensen met ernstige/langdurige psychische kwetsbaarheid (EPA- doelgroep), sociaal-emotionele kwetsbaarheid, en hun naasten. Ze bieden een toegankelijke plek waar mensen kunnen werken aan hun herstel en persoonlijke groei. Door aandacht te besteden aan zelfregie, ervaringsdeling en wederzijdse ondersteuning, helpen ze mensen om opnieuw grip te krijgen op hun leven. Deze plekken worden gerund door en met ervaringsdeskundigen en hebben een preventieve functie, met als doel mensen uit de ernstige psychiatrische zorg (EPA) te houden.

Laagdrempelige steunpunten spelen zo een belangrijke rol in het voorkomen van instroom en terugval in de GGZ het ondersteunen tijdens de behandeling en in het versnellen van de uitstroom uit behandeling. Ze vangen mensen aan de “voorkant” op, nog voordat zwaardere zorg nodig is. Het doel voor Flevoland is als volgt: In Flevoland denken we 18 steunpunten nodig te hebben voor een dekkend netwerk. Het precieze aantal en het gewenste formaat van ieder steunpunt wordt nog verder uitgewerkt in dit plan. In dit plan ontwikkelen we voor iedere gemeente één (extra) steunpunt die voldoet aan de tien kenmerken vastgesteld door de VNG. In Almere en Lelystad betekent dit dat we in iedere gemeente nog met 1 punt willen uitbreiden en gaan we voor een eerste steunpunt in de gemeentes Noordoostpolder, Dronten en op Urk. Waar mogelijken wenselijk worden bestaande voorzieningen getransformeerd tot een laagdrempelig steunpunt die voldoet aan de 10 kenmerken. Waar dit niet het geval is wordt een nieuw steunpunt opgezet volgens de afgesproken ambitie. Het soort steunpunten (groot, gemiddeld, klein) sluit aan op de lokale context. Welke partners doen mee? Een belangrijk kenmerk van een LSP is voor, door en met ervaringsdeskundigen. Daarnaast kan er gebouwd worden aan de samenwerkingen met de andere partijen. • GGZ organisaties • Gemeente • Sociaal Domein (incl.

welzijn + maatschappelijk werk + andere vormen van hulp en ondersteuning (schuldhulp bijvoorbeeld)) • Verslavingszorg • Ouderenzorg 47 De kracht van de inlooppunten ligt in de verbinding met andere partijen. Het is cruciaal dat huisartsen (inclusief POH-GGZ), de GGZ en de gemeente (sociaal domein en welzijn) aangehaakt zijn, als mens en niet zozeer profilerend als zorgprofessional. Mogelijke andere partijen die genoemd zijn: • Religieuze instellingen • Mantelzorgsteunpunten • Vrijwilligersorganisaties • Onderwijs MBO • Bibliotheken • Windesheim lectoraat herstelnetwerken, jeugdzorgaanbieders Hoe gaan we toewerken naar laagdrempelige steunpunten? Om de doelstelling — een dekkend netwerk van laagdrempelige steunpunten voor inwoners met (mentale) gezondheidsvragen — te realiseren, worden de volgende stappen uitgevoerd. Sommige stappen moeten gelijktijdig worden ingezet en hoeven niet te wachten op de afronding van een voorgaande stap.. Stap 1 - Inventariseren van de benodigde hoeveelheid steunpunten voor een dekkend netwerk. Bepaalde doelgroepen kunnen specifieke of complexe vraagstukken hebben die extra aandacht vereisen. Daarnaast kan in sommige gemeenten de (reis)afstand tot een steunpunt aanzienlijk groter zijn, wat de toegankelijkheid belemmert. In grotere gemeenten wordt daarom gekeken naar de vraag of één steunpunt voldoende is, of dat meerdere steunpunten nodig zijn.

Het optimale aantal steunpunten per gemeente wordt bepaald aan de hand van de bevolkingsomvang, geografische spreiding en de specifieke ondersteuningsbehoefte van inwoners. De inventarisatie vindt plaats in de eerste helft van 2026. Stap 2 - Inventariseren van de benodigde digitale/telefonische infrastructuur. Naast fysieke steunpunten zijn ook digitale vormen van ondersteuning nodig om een dekkend netwerk te waarborgen. Dit voorkomt dat inwoners die verder van een steunpunt wonen, wat in Flevoland een realistisch scenario is, geen toegang hebben tot passende hulp. Ook kunnen inwoners met een voorkeur voor digitale middelen of beperkte mobiliteit zo beter worden bereikt. Daarbij wordt gekeken naar de bestaande digitale/telefonische infrastructuur, websites en (indien relevant) applicaties waarop inwoners terechtkunnen met vragen over mentale gezondheid. De koppeling tussen fysieke en digitale steunpunten moet goed worden geborgd, zodat beide vormen elkaar versterken. Deze inventarisatie wordt uitgevoerd parallel aan stap 1. 48 Stap 3 - Uitwerken van en/of aansluiten bij landelijke en regionale financieringsmogelijkheden. Een belangrijke randvoorwaarde voor realisatie is structurele financiering. Momenteel lopen er (op landelijk niveau) gesprekken over een duurzame bekostiging van deze steunpunten.

Om continuïteit te waarborgen, is het van belang dat deze landelijke afspraken tot stand komen. Tegelijkertijd worden ook regionale en lokale financieringsmogelijkheden verkend, zodat gemeenten en partners kunnen aansluiten bij reeds bestaande fondsen en initiatieven. Deze stap start in 2026 en loopt door tot 2027. Stap 4 - Uitwerken van een roadmap-aanpak voor het opzetten van laagdrempelige steunpunten. Om niet ieder steunpunt het wiel opnieuw uit te laten vinden zullen we een roadmap ontwikkelen voor het opzetten van fysieke steunpunten. We gebruiken hiervoor de kennis die is opgedaan bij de ontwikkeling van bestaande laagdrempelige steunpunten en voorzieningen in de verschillende gemeentes en houden rekening met de richtlijnen van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). De roadmap moet voldoende flexibiliteit bieden om lokale verschillen en behoeften te integreren. Stap 5 - Implementatie van ten minste één steunpunt per gemeente. Op basis van de uitkomsten van de bovenstaande stappen wordt in elke gemeente ten minste één steunpunt gerealiseerd voor inwoners met mentale gezondheidsklachten. Dit kan ook een doorontwikkeling van een bestaand steunpunt zijn of, waar nog geen voorziening is, de oprichting van een nieuw punt. De uitvoering gebeurt in lijn met de landelijke richtlijnen en afgestemd op de lokale context.

De implementatie start in de tweede helft van 2026 en loopt door in 2027. Stap 6 - Ontwikkelen en uitvoeren van een communicatiecampagne. Het succes van de steunpunten hangt in sterke mate af van de bekendheid onder inwoners én “de verbinders” naar het sociaal domein (voor toelichting van de term “verbinders” lees paragraaf informatievoorziening sociaal domein). Daarom wordt een gerichte communicatiecampagne ontwikkeld die zich richt op twee doelgroepen: • Inwoners, zodat zij weten waar ze terechtkunnen met vragen over mentale gezondheid. Hierbij spelen lokale ontmoetingsplekken, scholen, bibliotheken en sportverenigingen een belangrijke rol als vindplaatsen. • De Verbinders; de levende sociale kaarten, zoals wijkteams en welzijnsorganisaties, zodat zij op de hoogte zijn van de functie van de steunpunten en inwoners adequaat kunnen doorverwijzen. Stap 7 - Trainen en versterken van vrijwilligers en ervaringsdeskundigen. 49 Om de kwaliteit en continuïteit van de laagdrempelige steunpunten te waarborgen, wordt ingezet op de training en versterking van vrijwilligers en ervaringsdeskundigen in de regio. Deze trainingen zijn gericht op het versterken van kennis, vaardigheden en persoonlijke ontwikkeling, zodat ervaringsdeskundigen bezoekers beter kunnen ondersteunen bijvoorbeeld een training bijvoorbeeld een suïcide preventie training.

Door structurele begeleiding en intervisie ontstaat bovendien een lerend netwerk, waarin ervaringsdeskundigen van en met elkaar leren. Dit draagt bij aan de professionele kwaliteit, continuïteit en herkenbaarheid van de steunpunten in Flevoland. 5. Impactanalyse Het Transformatieplan MGN richt zich op een fundamentele verschuiving van zorg en ondersteuning binnen de regio MGN: van gespecialiseerde GGZ naar meer passende, laagdrempelige zorg en preventie in het sociaal domein. De kerninterventies zijn: • DOCO – doorontwikkeling consultatie & coördinatie • Verkennend gesprek – vroegsignalering en triage aan de poort • Informatievoorziening – datagedreven sturing en casusondersteuning • Transfermechanisme – knelpunten tussen vraag en aanbod aanpakken • Laagdrempelige steunpunten – versterking informele en ervaringsdeskundige ondersteuning Het programma heeft een looptijd van 2025–2030 met een totale investering van € 3,06 miljoen, waarvan: • GGZ: € 1,12 mln • Huisartsen/POH: € 0,35 mln • Sociaal domein: € 1,59 mln 5.1. Financiële impact per interventie Interventie Totale uitvoeringskosten (2025–2030) Belangrijkste baten (ZVW) Effect sociaal domein DOCO ca. € 430 k Minder complexe en specialistische GGZ, afbuiging naar sociaal domein Beperkte toename zorgkosten sociaal domein Verkennend gesprek ca.

€ 950 k Sterk dalende instroom in specialistische GGZ en huisartsenzorg Hogere vraag in sociaal domein Verbeterde sturing, | Kleine toename Informatievoorziening | ca. € 70 k | beperkte directe | beheerkosten financiële baten Beperkte stijging Transfermechanisme | ca. € 55 k | Kortere wachttijden | kosten sociaal domein Grote reductie in | Minder inzet Laagdrempelige | ca. € 1,1 mln | GGZ-zorgvraag en | formele steunpunten | wachttijden | ondersteuning sociaal domein Totaal verwachte baten (ZVW, 2025– | 2030): ruim | € 6,5 mln besparing | op zorgkosten, waarvan het grootste aandeel komt uit “Minder GGZ-zorg nodig” en “Minder complexe GGZ-zorg”. Totaal verwachte effecten sociaal domein: • | ca. € 1,7 mln stijging aan inzet en ondersteuning, deels gecompenseerd door preventieve werking van steunpunten. 5.2. | Operationele impact • | Instroomreductie GGZ: door afbuiging en vroegsignalering is de verwachting dat de instroom richting specialistische GGZ vermindert met 12% tegen 2030. • | Wachttijdreductie: door betere triage en overdracht daalt de wachttijd gemiddeld met 15– | 20%. • | Toegankelijkheid GGZ: De daling van de Zvw-uitgaven in de GGZ neemt vanaf 2026 snel toe: van ongeveer € 0,4 miljoen in 2026 tot € 2,6 miljoen in 2030.

Op basis van de interventies levert dit tussen 95 en 470 extra behandelplekken per jaar op, oplopend naar ruim 1.400 extra cliënten in totaal over de periode 2026– | 2030. Deze extra behandelcapaciteit vergroot de toegankelijkheid van de GGZ aanzienlijk. Door de inzet van vroegsignalering, consultatie en laagdrempelige ondersteuning wordt instroom naar zwaardere zorg verminderd, waardoor de beschikbare middelen direct kunnen | worden ingezet voor cliënten die wachten op behandeling. Dit draagt bij aan een structurele afname van wachttijden en een stabielere doorstroming binnen de 50 keten. De verwachting is dat deze effecten zich vanaf 2027 versterken, wanneer de interventies volledig zijn ingebed in de regio.

• | FTE-ontwikkeling: er is te maken met een FTE impact van de interventies en van de effecten, d | it ziet er zo uit: FTE overzicht totaal interventies | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 Inzet vanuit ggz in uren | 0,7 | 1,3 | 2,0 | 2,4 | 2,9 Inzet vanuit POH / huisarts | 0,1 | 0,1 | 0,1 | 0,1 | 0,1 Inzet vanuit het sociaal domein/Ervaringsdeskundige 1,3 | 2,6 | 4,0 | 5,3 | 6,5 FTE overzicht totaal effecten | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 Inzet vanuit ggz in uren | -3,2 | -6,8 | -11 | , | 1 -14,4 | -17,9 Inzet vanuit POH / huisarts | -0,1 | -0,2 | -0,3 | -0,4 | -0,5 Inzet vanuit het sociaal domein/Ervaringsdeskundige 0,5 | 1,0 | 1,8 | 2,3 | 2,7 FTE overzicht totaal | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 Inzet vanuit ggz in uren | -2,5 | -5,5 | -9,0 | -12,0 | -15,1 Inzet vanuit POH / huisarts | 0,0 | -0,1 | -0,2 | -0,3 | -0,4 Inzet vanuit het sociaal domein/Ervaringsdeskundige 1,8 | 3,6 | 5,9 | 7,5 | 9,2 51 De totale impact is dus 15 FTE reductie in de ggz en 9 FTE toename in het sociaal domein. Dit is van alle interventies. Bij de berekeningen is uitgegaan van een situatie waarin alle andere factoren gelijk blijven. • | Huisartsenzorg: reductie van consulten met ca. 8–10 %, mede door afname herhaalcontacten. 5.3.

| Businesscase – Kosten versus baten Jaar | Totale kosten (€) Besparingen ZVW (€) Net effect (€) 2025 | 117.981 | -304.000 | +186.000 (besparing) 2026 | 1.192.394 | -711.000 | +520.000 2027 | 1.193.183 | -1.480.000 | +287.000 2028 | 555.026 | -1.800.000 | +1,2 mln Totaal (2025–2028) 3,06 mln | -4,3 mln | +1,2 mln netto voordeel Conclusie: De businesscase laat een positief saldo zien vanaf 2026, met een cumulatief maatschappelijk rendement van circa 40% over de programmaperiode. De structurele baten nemen jaarlijks toe naarmate de interventies volwassen worden. 5.4. | Kwalitatieve en maatschappelijke impact • | Betere toegankelijkheid: burgers krijgen eerder en laagdrempeliger hulp. • | Meer eigen regie: nadruk op zelfredzaamheid en preventie. • | Integraal werken: samenwerking tussen GGZ, huisartsenzorg en sociaal domein structureel verankerd. • | Duurzame besparing: vermeden zwaardere zorgtrajecten zorgen voor structureel lagere zorgkosten. Duurzaamheid De regio zet in op het voeren van v | erkennende gesprekken in hybride of volledig online vorm. Door deze digitale werkwijze neemt het aantal fysieke reisbewegingen van zowel cliënten als professionals substantieel af. Dit leidt naar verwachting tot een vermindering van woon- | werkverkeer, minder autokilometers en daarmee een lagere CO₂-uitstoot.

Daarnaast wordt het gebruik van fysieke gesprekslocaties beperkt bij de volledig online variant, wat een lager energieverbruik (zoals verwarming, verlichting en gebouwgebonden voorzieningen) met zich meebrengt. Hoewel de exacte omvang nog niet is gekwantificeerd, draagt deze digitaliseringsslag aantoonbaar bij aan een duurzame werkwijze, waarbij efficiëntie en milieubelasting hand in hand gaan. 52 53 5.5. Conclusie Het Transformatieplan MGN levert zowel financiële baten als maatschappelijke meerwaarde. De grootste impact wordt bereikt via: • Verkennend gesprek – vroegsignalering en triage • Laagdrempelige steunpunten – duurzame preventie en ontlasting formele zorg 6. Onderbouwing opbouw business case 6.1. Berekening gemiddelde zorgkosten sociaal domein De berekening van de gemiddelde zorgkosten in het sociaal domein binnen de businesscase Flevoland is gebaseerd op de verwachte afbuiging van cliënten vanuit de GGZ naar het sociaal domein als gevolg van het verkennend gesprek. Ambitie is dat 16% van de deelnemers aan een verkennend gesprek wordt afgeboekt richting het sociaal domein. Van deze groep wordt aangenomen dat 60% nieuw instroomt (en dus extra kosten genereert) en 40% reeds zorg ontvangt binnen het sociaal domein. Van de afgebogen clienten hebben we een inschatting gemaakt welke zorgpaden deze cliënten mogelijk bewandelen.

Op basis van de doelgroep voor een verkennend gesprek valt te verwachten dat de afgebogen cliënten binnen het sociaal domein worden verdeeld over twee hoofdsegmenten: • 45% richting welzijn en sociale basis - voornamelijk de zwaardere welzijn voorzieningen • 55% richting Wmo en schuldhulpverlening - verdeeld over: dagbesteding; begeleiding; thuisondersteuning en schuldhulpverlening (met name niet: beschermd wonen en mobiliteit en vervoersvoorzieningen) Binnen de Wmo is onze verwachting dat de zorgpaden als volgt verdeeld worden over de verschillende voorzieningen. We maken een onderscheid naar typen ondersteuning: • 20% dagbesteding - aannemelijke resultante na een afbuiging om een cliënt te voorzien van dagbesteding en onderdeel van de maatschappij te laten zijn. • 25% begeleiding - aannemelijke resultante na een afbuiging om een cliënt goed op weg te helpen. • 20% thuisondersteuning - wanneer een afbuiging berust op het meer op order krijgen van de thuissituatie. • 35% financiële hulp/schuldenproblematiek - wanneer financiële problematiek een onderliggend probleem is voor andere mentale hulpvragen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/2388/documents/45231