CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

BP Ens, Oost - fase 3 (29-09-25) vastgesteld 2.pdf

Commissie Woonomgeving 29 september 2025, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 4: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Ens, Oost fase 3'26.273 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Deze modulaire opbouw vormt een basis ontwerpprincipe van Noordoostpolder en is in afbeelding 5.3 weergegeven.

Afbeelding 5.3:

Modulaire opbouw Noordoostpolder (Bron: gemeente Noordoostpolder)

Watersysteem Het geheel van kavelsloten, tochten en vaarten vormen het watersysteem van de polder. In het plangebied vinden we zowel kavelsloten terug als ook een tocht, de Onderduikerstocht. Het watersysteem kent een vorm van hiërarchie die kenmerkend is voor het polderontwerp; van kavelsloot naar tocht, naar vaart. Deze hiërarchie in het polderontwerp is eveneens een basis ontwerpprincipe van de Noordoostpolder. De functie van het watersysteem was daarnaast tweeledig. Het zorgde enerzijds voor de ontwatering van de polder en anderzijds voor het vervoer van landbouwproducten. Met de gekozen inrichting en begrenzing van het

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

44

Bestemmingsplan “Ens, Oost – fase 3” Vastgesteld plangebied wordt het watersysteem ingezet als een kwaliteit die het oorspronkelijke ontwerp blijvend zichtbaar maken.

5.8.3

Conclusie

Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Daarnaast is in voldoende mate rekening gehouden met de aanwezige cultuurhistorische waarden in de omgeving.

5.9

Besluit milieueffectrapportage

5.9.1

Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •

•

•

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd.

5.9.2

Situatie plangebied

5.9.2.1 Artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is op ten minste 2,9 kilometer van het plangebied gelegen. Zoals in paragraaf 5.7.2.1 en bijlage 4 (stikstofberekening) van deze toelichting is beschreven is er voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden. Het voornemen is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

45

Bestemmingsplan “Ens, Oost – fase 3” Vastgesteld 5.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door het partieel herzien van het geldende bestemmingsplan. Dit betekent dat voorliggende ontwikkeling m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.’ Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. 2. 3.

een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat de in voorliggend bestemmingsplan besloten ontwikkeling van een significant kleiner schaalniveau is. Van een directe m.e.r.-plicht is in dit geval geen sprake. Echter dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Hiertoe is een vormvrije m.e.rbeoordeling opgesteld, deze is opgenomen in bijlage 7 bij deze toelichting. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat voorliggend bestemmingsplan geen belangrijke nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maakt.

5.9.3

Conclusie

Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat een MER in dit geval niet noodzakelijk is. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit plan.

5.10

Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen

5.10.1 Algemeen In het kader van de goede ruimtelijke ordening c.q. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient ook het gezondheidsaspect in de beschouwing te worden betrokken. Uit rechtspraak op grond van de Wet ruimtelijke ordening volgt dat in het kader van de goede ruimtelijke ordening per situatie dient te worden beoordeeld of sprake is van een aanvaardbaar risico op blootstelling aan drift (d.w.z. onbedoelde verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen buiten het behandelde perceel via de lucht). In deze rechtspraak wordt een aandachtszone geformuleerd van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische percelen waar gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt 1. Indien een kortere afstand wordt aangehouden tussen een gevoelige functie en gronden waar sprake kan zijn van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, dan dient een besluit, waarmee een nieuwe functie aan een locatie wordt toegekend, volgens genoemde rechtspraak te voorzien in een deugdelijke motivering middels een zogenaamd ‘locatiespecifiek onderzoek’. Een reguliere aanwezigheid in de buitenlucht dient hierbij als het bepalende blootstellingsscenario te worden beschouwd. Hiervan is bijvoorbeeld sprake in de tuin bij een woning (verblijf op een terras, spelende kinderen etc.).

Blootstelling in een gebouw is niet bepalend, alleen al omdat inpandig geen sprake zal zijn van blootstelling van de huid (druppels) en/of orale blootstelling (hand-mond bewegingen).

1

ABRvS 15 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1648

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

46

Bestemmingsplan “Ens, Oost – fase 3” Vastgesteld Deze invulling dient representatief te zijn in die zin dat in principe geen rekening hoeft te worden gehouden met een ingrijpende, of anderszins niet voor de hand liggende, omschakeling in de bedrijfsactiviteiten. De invulling dient daarentegen maximaal te zijn in relatie tot de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Idem dient rekening te worden gehouden met een maximale invulling van de beoogde gevoelige functies. Doel van deze aanpak is een worstcase benadering waarbij rekening wordt gehouden met toegelaten exploitatiemogelijkheden zonder dat dit mag leiden tot een woon- en leefklimaat dat niet aanvaardbaar is, gelet op hiermee mogelijk samenhangende gezondheidseffecten (ook op de lange termijn).

5.10.2 Situatie plangebied Ten noorden en oosten van het projectgebied zijn agrarische cultuurgronden aanwezig. Op basis van het bestemmingsplan “Landelijk gebied 2004” zijn de gronden voorzien van de bestemming ‘Agrarisch gebied’. Het is toegestaan om op deze gronden gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. Met de gebruik(ers) van de gronden ten oosten van het projectgebied zijn door de gemeente in een vroeg stadium afspraken gemaakt dat binnen een zone van 50 meter tot de dichtstbijzijnde tuinen geen gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt. Dit om mogelijke gezondheidsrisico’s te voorkomen. Ten aanzien van de gronden ten noorden van het plangebied is een locatiespecifiek onderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 11 van deze toelichting. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste bevindingen. Blijkens diverse uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak kan in principe worden gekomen tot een ruimtelijk inpasbare situatie door afscherming toe te passen tussen gewaspercelen en percelen waar regulier menselijk verblijf niet kan worden uitgesloten. Gelet op de omstandigheid dat enkel sprake zal zijn van teelten waarbij neerwaarts gespoten wordt, kan op basis van extrapolatie van de uitspraken van de Afdeling v.w.b.

de aandachtafstand van 50 meter worden uitgegaan van een voorzorgafstand van 12,5 meter (zie ook paragraaf 4.5 van het in bijlage 11 opgenomen onderzoeksrapport). Feitelijk zal sprake zijn van een onderlinge afstand van bijna 50 meter, gerekend uit de gewasrand en circa 42 meter, gerekend uit de perceelgrens. Zelfs als er in de toekomst zou worden gekozen voor teelt tot op de perceelgrens, is dus sprake van een goed inpasbare situatie. Op deze afstanden behoeft immers geen rekening te worden gehouden met blootstelling aan druppeldrift, terwijl ook dampen en aerosolen zich op deze afstand al in vergaande mate hebben verdund in de buitenlucht. Gelet hierop en gelet op het feit dat het tussengelegen terrein zal worden bestemd als bos met opgaande vegetatie, behoeft geen rekening te worden gehouden met nadelige gezondheidseffecten of mogelijke beperkingen ten aanzien van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen als gevolg van de nieuwe woonbestemmingen. Dat de bosbestemming ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd, kan middels een voorwaardelijke verplichting worden zekergesteld. Ten aanzien van speelvoorzieningen in de groenbestemming en evenementen in de groenbestemming en verkeersbestemming geldt dat sprake zal zijn van een afstand tot de perceelgrens van 30 meter of meer.

Ook voor deze doeleinden geldt dat geen nadere afschermende maatregelen noodzakelijk zijn om een goede ruimtelijk inpasbare situatie te bereiken. Geconcludeerd wordt dat (potentiële) spuitzones van gewasbeschermingsmiddelen geen belemmeringen vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Voor de beoogde bosbestemming is een inrichtingsplan met beplantingsplan opgesteld en door middel van een voorwaardelijke verplichting vastgelegd in het bestemmingsplan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

47

Bestemmingsplan “Ens, Oost – fase 3” Vastgesteld

HOOFDSTUK 6 6.1

WATERASPECTEN

Algemeen

Sinds 1 november 2003 is de toepassing van de watertoets wettelijk verplicht door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten (naast veiligheid en wateroverlast ook bijvoorbeeld waterkwaliteit en verdroging). De watertoets is een belangrijk procesinstrument om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in de ruimtelijke ordening. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan.

6.2

Proces van de watertoets

Het proces van de watertoets is via een digitale watertoets kenbaar gemaakt bij Waterschap Zuiderzeeland. In het kader van de watertoets is de normale procedure van toepassing. Daarvoor is in een vroegtijdig stadium contact gezocht met Waterschap Zuiderzeeland. In december 2022 is een vooroverleg gehouden tussen de projectontwikkelaar, de gemeente en het waterschap. Op 12 oktober 2023 is een tweede overleg gehouden in deze samenstelling. Het waterschap geeft een wateradvies, waarin het Waterschap beoordeelt in hoeverre bij de voorgenomen ontwikkeling de effecten op de waterhuishouding en de waterschapsbelangen raken. De uitgangspuntennotitie is in bijlage 8 bij de toelichting van dit bestemmingsplan gevoegd.

6.3

Wet- en regelgeving en beleid water

6.3.1

KRW

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is in 2000 ingevoerd en heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie- en kwelgebieden). Door de inrichting van watergangen af te stemmen op de ecologie kan de ecologische toestand verbeterd worden. De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakte- en grondwater terug te dringen. De gemiddelde jaarlijkse grondwateronttrekking mag de beschikbare grondwatervoorraad op lange termijn niet overschrijden.

6.3.2

Waterbeleid voor de 21e eeuw

De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. Een andere aanpak in het licht van verwachte ontwikkelingen inzake zeespiegelstijging, toenemende neerslag en rivierwaterafvoer en verdergaande bodemdaling is noodzakelijk. De adviezen van de commissie staan in het rapport Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes(drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: 1. 2.

vasthouden, bergen en afvoeren; schoonhouden, scheiden en zuiveren.

6.3.3

Stedelijk waterplan Noordoostpolder

De watervisie van de gemeente Noordoostpolder is opgenomen in het Stedelijk Waterplan Noordoostpolder (april 2006). Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Deze Waterwet bestaat uit een achttal wetten die zijn samengevoegd tot één wet. De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de “watersysteembenadering” centraal. De verantwoordelijkheden in het oppervlaktewater- en

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

48

Bestemmingsplan “Ens, Oost – fase 3” Vastgesteld grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd. De voornaamste veranderingen zijn de invoering van de watervergunning en een verbeterde doorwerking van water in andere beleidsterreinen, met name het ruimtelijke domein. Als aanvulling op het Stedelijk waterplan is in 2011 door het waterschap Zuiderzeeland en de gemeente Noordoostpolder een bestuurlijke “Maatwerkovereenkomst stedelijk water” ondertekend. Door ondertekening van deze bestuursovereenkomst zijn tussen de waterbeheerder en de gemeente afspraken gemaakt over de invulling van de gezamenlijke taakuitoefening voor het beheer en onderhoud van het stedelijk water. De beoogde doelen op strategisch, tactisch en operationeel niveau ten aanzien van het stedelijk water zijn daardoor beter verankerd. Verdere actualisatie met het oog op onder andere de klimaatadaptatie is verwerkt in het gezamenlijk door het Waterschap Zuiderzeeland en gemeente Noordoostpolder opgesteld Watertakenplan Noordoostpolder 20192024. Op grond van o.m. de Waterwet is voor gemeenten, naast het inzamelen en transporteren van vrijkomend stedelijk afvalwater een formele taak weggelegd voor het afvoeren van overtollig regenwater.

In zoverre het inzamelen en transporteren van relatief schoon regenwater buiten de afvalwaterstroom doelmatig kan worden uitgevoerd, vindt deze gescheiden van de afvoer van het stedelijk afvalwater plaats. Het “gebiedseigen water” wordt op plaatsen waarvoor mogelijkheden aanwezig zijn, vastgehouden en geborgen in aanwezig stedelijk water en/of retentiestroken. Het bergen en vasthouden van regenwater op locatie mag niet leiden tot (water)overlast voor de woonomgeving. Tot slot heeft de gemeente een watertaak waterhuishoudkundige maatregelen te treffen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming(en) zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. In de Keur van het Waterschap Zuiderzeeland, onderdeel uitmakend van de Waterwet, is aangegeven wat wel en niet mag bij waterkeringen en wateren (de zogenaamde waterstaatswerken). De waterschapsverordening vervangt de Keur bij inwerkingtreding van de Omgevingswet.

6.3.4

Waterwet

De Waterwet (2009) stelt integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’ centraal. Één van de voornaamste veranderingen, naast invoering van de watervergunning, is de verbeterde doorwerking van water in andere beleidsterreinen, met name het ruimtelijke domain. De verantwoordelijkheden in het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd.

6.3.5

Nationaal Waterprogramma

Het Nationaal Waterprogramma bestaat uit het landelijke en regionale waterbeleid, vastgesteld op basis van de Waterwet en de Wet Ruimtelijke Ordening. In het plan zijn de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en - beheer beschreven voor de periode 2022-2027. Het programma richt zich op schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Het programma geeft invulling aan de Europese richtlijnen waaronder de KRW, Richtlijn overstromingsrisico’s, de Kaderrichtlijn Mariene Strategie en de EU-richtlijn Marine Spatial Planning. Het programma geldt als structuurvisie voor de ruimtelijke aspecten.

6.3.6

Watervisie en waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap Zuiderzeeland

De Watervisie verbindt waterthema’s en maatschappelijke opgaven. Voor een gezonde en duurzame ontwikkeling van het gebied is het nodig om het natuurlijke systeem (bodem en water) en de ruimtelijke en economische ontwikkelingen met elkaar te verbinden in een gezamenlijke aanpak. Niet met maakbaarheid als vertrekpunt, maar toekomstbestendigheid. Het Waterbeheerprogramma bevat de strategische en tactische doelen voor de komende planperiode en beschrijft op hoofdlijnen welke maatregelen het waterschap neemt om deze doelen te behalen. Het beheergebied wordt waterrobuust en klimaatbestendig ingericht. Investeringen in het watersysteem zorgt dat er ook in de toekomst voldoende water is bij langdurige droogte én voldoende bescherming bij hoogwater.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

49

Bestemmingsplan “Ens, Oost – fase 3” Vastgesteld

6.4

Beschrijving van het watersysteem

6.4.1

Veiligheid/Waterkeringen

Het plangebied ligt niet in de beschermingszone van een (primaire) waterkering. Op basis van de ingevoerde gegevens over het plangebied zijn er geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing.

6.4.2

Voldoende Water

Wateroverlast Het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, is op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen. Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. De planontwikkeling is gelegen in een watersysteem dat op basis van de toetsing in 2012 voldoet aan de normering voor wateroverlast. Een dergelijk systeem kan het water verwerken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Het verharden van grond met bebouwing of bestrating leidt tot een versnelling van de afvoer van neerslag naar het watersysteem. Waar het verharde oppervlak als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling toeneemt, dienen compenserende maatregelen te worden genomen om piekafvoeren te verwerken. Afwenteling op omliggende gebieden wordt voorkomen en de bergingsruimte in het watersysteem blijft behouden. De beleidsregel 'Compensatie toename verhard oppervlak en versnelde afvoer' is begin 2013 door het waterschap vastgesteld. Vanaf het moment van vaststelling van de beleidsregel is de situatie van het beheergebied op dat moment het referentiekader geworden, oftewel de nulsituatie. De compensatieplicht geldt zodanig voor de netto toename van het verhard oppervlak voor een bouwvlak sinds begin 2013. Het plangebied ligt in stedelijk gebied.

Het verhard oppervlak neemt als gevolg van de ontwikkeling netto met circa 3,2 hectare toe ten opzichte van de huidige feitelijke situatie. Dit betreft nog een grove schatting. Deze toename is hoe dan ook groter dan 750 m2, waardoor watercompensatie noodzakelijk is. Voor het plangebied geldt op basis van het Waterkader van Waterschap Zuiderzeeland een compensatie van 5%. Echter wordt voor Ens Oost fase 3 hetzelfde peil gehanteerd als die van Ens Oost fase 1, dit betreft peilgebied Ensertocht 1. Hiervoor geldt een bergingsnorm van 6%. Dit betekend dat voor elke m2 verharding 6% watercompensatie gerealiseerd dient te worden. Deze bergingsnorm geldt alleen wanneer gecompenseerd wordt in open water. Voor alternatieve waterberging is de bergingsnorm niet toepasbaar. Met een maatwerkberekening moet worden aangetoond dat bij maatgevende gebeurtenissen (T100 situatie volgens nieuwste klimaatscenario) geen afwenteling (maximaal 1,5 l/(s.ha)) en/of inundatie zal plaatsvinden. De huidige afvoersituatie mag niet verslechteren. Hierover zal afstemming met het waterschap plaatsvinden vóór het indienen van de aanvraag om een watervergunning. In het stedenbouwkundigplan is rekening gehouden met de toekomstige waterbergingsopgave door het inpassen van wadi’s. Dit is weergegeven in afbeelding 6.1.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

50

Bestemmingsplan “Ens, Oost – fase 3” Vastgesteld

Afbeelding 6.1:

Afwatering Ens Oost fase 3 (Bron: Atelier Dutch)

In principe wordt al het hemelwater (bebouwing, openbare ruimte) oppervlakkig afgevoerd naar de wadi’s, incidenteel gebeurt dit ‘ondergronds’ maar dan staat dit systeem wel in verbinding met het waterafvoerstelsel. Het regenwater kan namelijk gebruikt worden als ontwerpprincipe. Er wordt zo min mogelijk gebruik gemaakt van kolken en zoveel mogelijk van groene wadi’s en eventueel molgoten (verhard). Wadi’s hebben een dubbele functie, deze kunnen immers ingeplant worden met verschillende typen beplanting voor een hogere biodiversiteit. In het gebied bevinden zich verschillende hoogteverschillen. Om het water zo goed mogelijk te kunnen afvoeren is er voor een robuuste waterstructuur gekozen. Het voornemen is om de waterberging te laten bestaan uit sloten in combinatie met wadi’s. De waterberging zorgt ervoor dat het hemelwater kan worden opgevangen en niet via het riool wordt afgevoerd. Via de wadi’s wordt het vastgehouden en vertraagd afgevoerd. De waterberging wordt verbonden met de omliggende waterstructuren. Door de nieuwe waterstructuur aan te sluiten op de bestaande sloten in de omgeving, ontstaan er nieuwe waterverbindingen in het gebied. Dit zorgt niet alleen voor een sterkere beleving van het water in de wijk, maar zorgt ook voor een duurzame omgeving.

Omdat er meer groen en open oppervlak (niet verhard) is, kan bij hevige regenval het hemelwater in de waterberging langer gebufferd worden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

51

Bestemmingsplan “Ens, Oost – fase 3” Vastgesteld Aangrenzend aan de ontwikkeling Ens Oost fase 3 worden de ontwikkelingen Ens Oost fase 2 en fase 4 voorbereid. Eerst moeten gewenste bouwhoogtes bepaald worden. In vervolgoverleg kan dan de afwateringsroute, het maximaal toelaatbare peil en de bergingscompensatie in samenhang voor de verschillende fasen bepaald worden. De afvoer vanuit de waterberging van fase 2 vindt mogelijk via fase 3 plaats. Goed functionerend watersysteem Het watersysteem zorgt in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en maakt het realiseren van het (maatschappelijk) gewenste grond- en oppervlaktewaterwaterregime (GGOR) mogelijk. Waterschap Zuiderzeeland streeft er naar dat de feitelijke situatie van het watersysteem overeenkomt met de legger. Op die manier kan het waterschap weloverwogen anticiperen op en reageren in extreme situaties. Randvoorwaarden: Het waterschap streeft naar een robuust en klimaatbestendig watersysteem met grote peilvakken. Versnippering van het watersysteem is een ongewenste situatie. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan op bestaande peilvakken en de inrichting wordt afgestemd op de functie van het water. In nieuwe watersystemen wordt gestreefd naar aaneengesloten waterelementen met een minimum aantal duikers en/of andere kunstwerken en zonder doodlopende einden.

Het watersysteem wordt dusdanig ingericht dat het goed controleerbaar en beheersbaar is. Daar waar de beoogde ontsluitingswegen zijn gepland over een bestaande te behouden erfsloot/greppel, dient deze te worden overbrugd. Hiervoor wordt gewerkt met een duiker of soortgelijk kunstwerk.

6.4.3

Schoon water

Goede structuurdiversiteit en goede oppervlaktewaterkwaliteit Bij de inrichting van het nieuw aan te leggen watersysteem wordt gestreefd naar het realiseren van een ecologisch gezond watersysteem. Het grond- en oppervlaktewater biedt leef-, verblijf- en voortplantingsmogelijkheden voor de aquatische flora en fauna in het beheergebied. De chemische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor. In het ontwerp van het watersysteem wordt uitgegaan van de trits “schoon houden, scheiden, zuiveren”. Bij de dimensionering van het watersysteem wordt rekening gehouden met de te verwachten waterkwaliteit. Het gebruik van uitlogende bouwmaterialen, bijvoorbeeld zinken dakgoten, wordt vermeden. Voor aanwezige openbare parkeerplaatsen wordt, daar waar mogelijk, gebruik gemaakt van halfverhardingen. Goed omgaan met afvalwater Verontreiniging van het oppervlaktewater door vervuild hemelwater wordt voorkomen. Voor nieuw te ontwikkelen terreinen geldt dat het hemelwater niet naar een centrale rioolwaterzuivering wordt afgevoerd maar in of in de nabijheid van het plangebied wordt geloosd, zonodig voorafgegaan door een lokale zuivering. Bij nieuwbouwgebieden (bijvoorbeeld woonwijk, industrieterrein) is de aanleg van een gescheiden rioolstelsel een voorwaarde. Afstromend hemelwater van vervuilde oppervlakken wordt gezuiverd.

Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het water. Het waterschap zorgt met de regulering of behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan. Het Waterschap zuivert dit, door de gemeente ingezameld en afgevoerd, afvalwater op de afvalwaterzuiveringsinstallatie te Tollebeek. Door deze behandeling in de afvalwaterketen vindt in het plangebied zelf geen onoverkomelijke vuillast op het aanwezige oppervlaktewater plaats. Alle vrijkomende stedelijk afvalwater afkomstig van het plangebied wordt afgevoerd via de gemeentelijke riolering. In de directe omgeving is sprake van een gescheiden riool. Het afvalwater wordt hierop aangesloten. Hiervoor wordt tevens een pompgemaal gerealiseerd. Verontreiniging van het oppervlaktewater door stedelijk afvalwater wordt voorkomen. Met het plan worden meer dan 50 parkeerplaatsen gerealiseerd. Op grond van beleid van het waterschap wordt hemelwater afkomstig van meer dan 50 parkeerplaatsen beschouwd als vervuild. De wijze van zuivering wordt afgestemd met het waterschap, vooruitlopend op de melding in het kader van het Besluit lozen buiten inrichtingen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

52

Bestemmingsplan “Ens, Oost – fase 3” Vastgesteld

6.5

Conclusie

Gelet op het vorenstaande vormt het milieuaspect ‘water’ geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

53

Bestemmingsplan “Ens, Oost – fase 3” Vastgesteld

HOOFDSTUK 7 7.1

JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

7.2

Opzet van de regels

7.2.1

Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.

7.2.2

Inleidende regels (begripsbepalingen en wijze van meten); Bestemmingsregels; Algemene regels (o.a. afwijkingsregels); Overgangs- en slotregels.

Algemene regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •

Begrippen (Artikel 1)

In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. •

Wijze van meten (Artikel 2)

Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. De op de verbeelding of in de regels aangegeven bouwhoogte wordt gemeten vanaf peil tot het hoogste punt (exclusief elementen zoals een schoorsteen, liftopbouw en dergelijke).

7.2.3

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: •

Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan;

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

54

Bestemmingsplan “Ens, Oost – fase 3” Vastgesteld • •

7.2.4

Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage, etc.); Specifieke gebruiksregels: omschrijving van gebruiksactiviteiten die niet zijn toegestaan.

Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •

Anti-dubbeltelregel (Artikel 10)

Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. •

Algemene gebruiksregels (Artikel 11)

Deze regel is opgenomen om aan te geven welk gebruik in elk geval strijdig is met de aan de grond gegeven bestemming; •

Algemene afwijkingsregels (Artikel 12)

In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. •

Overige regels (Artikel 13)

In dit artikel is aangegeven dat de wettelijke regeling waarnaar in de regels van het plan wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan. Daarnaast zijn er regels opgenomen omtrent parkeren.

7.2.5

Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

7.3

Verantwoording van de regels

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld.

Bos (Artikel 3) De voor ‘Bos’ aangewezen gronden zijn bestemd voor bos, (hoog) opgaande afschermende beplanting, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, het behoud, de bescherming en/of herstel van de natuurwetenschappelijke en/of landschappelijke waarde, ontsluitingswegen, voer-, rijwiel- en ruiterpaden, kunstwerken en nutsvoorzieningen. Verder zijn de bij deze bestemming behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde en andere-werken toegestaan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

55

Bestemmingsplan “Ens, Oost – fase 3” Vastgesteld Groen (Artikel 4) Gronden met de bestemming 'Groen' zijn bestemd voor groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen en wadi's, voet- en fietspaden, in- en uitritten ten behoeve van aangrenzende percelen, parkeerplaatsen, kunstwerken, nutsvoorzieningen en evenementen. Verder zijn de bij deze bestemming behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde en andere werken toegestaan. Op deze gronden zijn geen gebouwen toegestaan. Bouwwerken, geen gebouw zijnde ten behoeve van speelvoorzieningen, hekwerken, kunstwerken en lichtmasten zijn onder voorwaarden wel toegestaan.

Tuin (Artikel 5) De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen en paden, behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen woningen. Binnen de bestemming tuin mogen onder voorwaarden uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. Een uitzondering geldt voor hoeksituaties langs de openbare weg.

Verkeer (Artikel 6) De belangrijkste wegen en (openbare) parkeerplaatsen in het plangebied hebben de bestemming ‘Verkeer’ gekregen. De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen en straten, voet- en rijwielpaden, kunstwerken, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen. Verder zijn de hierbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bruggen, viaducten en landhoofden daar onder begrepen, andere-werken, watergangen en waterhuishoudkundige voorzieningen en groenvoorzieningen toegestaan. Binnen de bestemming ‘Verkeer’ kunnen geen gebouwen worden opgericht. Bouwwerken, geen gebouw zijnde zijn wel toegestaan. Voor licht- en vlaggenmasten en bruggen en viaducten gelden aparte bouwhoogten.

Wonen (Artikel 7) De beoogde grondgebonden woningen hebben de bestemming ‘Wonen’ gekregen. De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen met de hierbij behorende gebouwen en bijbehorende bouwwerken, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, andere-werken, tuinen, erven en paden, waterhuishoudkundige voorzieningen en parkeervoorzieningen. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend woonhuizen worden gebouwd. Bij een woning mag onder voorwaarden een aan huis verbonden beroep- of bedrijfsactiviteit worden uitgevoerd. Hoofdgebouwen moeten binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken worden gebouwd. Met aanduidingen is vastgelegd welk type woning per bouwvlak is toegestaan. Verder is per bouwvlak vastgelegd hoeveel woningen per bouwvlak zijn toegestaan. In totaal zijn binnen de bestemming ‘Wonen’ 80 woningen toegestaan. Bijbehorende bouwwerken dienen minimaal 1 meter achter de voorgevel van de woning te worden gebouwd. De maximale oppervlakte bedraagt 50% van het bij de woning behorende achtererfgebied met een maximum van 100 m2 . De oppervlakte van binnen het bouwvlak gebouwde bijbehorende bouwwerken telt niet mee in de bepaling van de gezamenlijke oppervlakte. In afwijking van het vorenstaande geldt dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen bergingen' maximaal 4 bergingen per aanduiding mogen worden gebouwd ten behoeve van het wonen, met dien verstande dat: 1. 2.

de oppervlakte per berging niet meer dan 25 m2 bedraagt; de bouwhoogte niet meer dan 3,5 m bedraagt.

De voorgenoemde aanduiding is opgenomen ter plaatse van de beoogde rug-aan-rugwoningen.

Waarde – Archeologische verwachtingswaarde WA8 (Artikel 8) Overeenkomstig de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart is een deel van het plangebied voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachtingswaarde WA8’. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

56

Bestemmingsplan “Ens, Oost – fase 3” Vastgesteld De voor ‘Waarde – Archeologische verwachtingswaarde WA8’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de aldaar in of op de grond aanwezige archeologische verwachtingswaarden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

57

Bestemmingsplan “Ens, Oost – fase 3” Vastgesteld

HOOFDSTUK 8

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten zijn beperkt tot de ambtelijke kosten, welke worden verhaald middels de gemeentelijke legesverordening. Wel wordt met de initiatiefnemer een planschadeovereenkomst gesloten zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

58

Bestemmingsplan “Ens, Oost – fase 3” Vastgesteld

HOOFDSTUK 9 9.1

Vooroverleg

9.1.1

Het Rijk

VOOROVERLEG, INSPRAAK EN ZIENSWIJZEN

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke plannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

9.1.2

Provincie Flevoland

In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro is voorliggend bestemmingsplan voorgelegd aan de provincie Flevoland. De vooroverlegreactie van de provincie is opgenomen in bijlage 9 van deze toelichting. De provincie heeft een inhoudelijke reactie gegeven op het bestemmingsplan en bijhorende onderzoeken. Na aanleiding van de reactie zijn tekstuele aanpassingen doorgevoerd.

9.1.3

Waterschap Zuiderzeeland

In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro is voorliggend bestemmingsplan voorgelegd aan waterschap Zuiderzeeland. De vooroverlegreactie van het waterschap is opgenomen in bijlage 10 van deze toelichting. Het waterschap heeft een inhoudelijke reactie gegeven op de waterparagraaf. Na aanleiding van de reactie van de waterschap zijn tekstuele aanpassingen doorgevoerd. Het waterschap stemt in met de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

9.2

Zienswijzen

Het ontwerp van het bestemmingsplan ‘Ens, Oost - fase 3’ lag met ingang van 28 december 2023 gedurende een periode van zes weken (tot en met 7 februari 2024) voor een ieder ter inzage. Op het ontwerp bestemmingsplan is één zienswijze ingediend. De zienswijze is samengevat en voorzien van een reactie. Daarnaast is aangegeven op welke punten het bestemmingsplan is gewijzigd. De zienswijzennota is opgenomen in bijlage 12 van de toelichting.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

59

Bestemmingsplan “Ens, Oost – fase 3” Vastgesteld

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING Bijlage 1

Beeldkwaliteitsplan

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

60

Ens Oost fase 3 | Beeldkwaliteitplan 11 december 2023

a t e l i e r

DUTCH

1

Contex t......................................... ........................ 4 1.1 Locat ie............................................................. 5 1.2 Ruimtelijke structuu r....................................... 6 1.3 Omgeving in b e eld .................. ........................ 7 1.4 Ru imtelijk con cept . . ................. ........................ 8 1.5 Ste denb ou wk un d ig plan.......... ........................ 9 1.6 P rofielen.................................. ...................... 1 0

2 3

Ru imtelijke Een h e den . . .................. ....................... 1 2 Open b are Ruimte................................................. 1 4 3.1 Sferen...................................... ....................... 1 5 3.2 Beplant ing ............................... ....................... 1 6 3.3 Natu u rin clusiviteit......................................... 1 8 3.4 Geb ou wde omgeving als e cos yste e m . ........... 1 9 3.5 S pelen en ont moeten .................................... 2 0 3.6 Afwatering.............................. ...................... 2 2 3.7 Toelicht ing sferen......................................... 2 4 3.8 Materialis ering ........................ ...................... 3 2 3.8 S pe cifieke criteria - open b are ru i mte ........... 3 4

4

Beb ou wing.................................... ...................... 3 6 4.1 Be eld re g ie............................... ...................... 3 7 4.2 Materialis ering . . ............................................ 3 8 4.3 Een h e den...................................................... 42 4.4 Pergola’s................................. ...................... 48 4.5 Erfafs ch eid ingen.. ......................................... 5 0 4.6 S pe cifieke criteria - b eb ou wing . ................. 5 2

Context

Ens Oost | Beeldkwaliteitplan

1.1 Locat ie

5

tussen een reeks

Ens Oost | Beeldkwaliteitplan

van erven

1. 2 Rui mtel i j ke Struct u u r

dr

in het verlengde van het dorpsbos

iet or en sw eg

ca .4 0.

zu

00 0 2

m

6

ide

ng rri

we

g

weids uitzicht

Ens Oost | Beeldkwaliteitplan

1. 3 Omgevi ng i n b e e ld

Drietorensweg

Rotonde vanaf de Zuiderringweg

Nieuwe ontwikkelingen in de omgeving

Akkerlandschap

Bestaand erf

Bestaande wijk

7

Ens Oost | Beeldkwaliteitplan

1. 4 Rui mtel i j k Con ce pt

4

1

3 2

5 6

Bestaande landschappelijke kwaliteiten 1 dorpsbos 2 bomenlaan Drietorensweg 3 met bomen omzoomde erven 4 poldersloten 5 bossloot 6 sportpark

Dorpsbos als drager • wonen in het parkbos • landschap als drager • grote centrale groene ruimte • inpassen + aansterken bestaande groenstructuur

8

Verbonden met de omgeving • middengebied ‘vrijspelen’ van auto’s • aantakken omgeving met langzaamverkeerverbindingen • woonlus en achterpaden voor afwikkeling autoverkeer (+ calamiteiten/vuilophaal/verbezorging etc.) • parkeren binnen de bouwvelden en op eigen terrein

poldersloot verbreden

1. 5 Ste den b ou w k u n d ig P la n

Ens Oost | Beeldkwaliteitplan wadi’s

natuurlijk spelen

centrale groene ruimte achterpaden parkeren op eigen terrein

parkeren uit het zicht

verbonden met het dorpsbos

aanhaken op de bestaande blauw/ groene structuur

9

1. 6 Profielen A

AA zuiderringweg 2-3 zuiderringweg 2-3

9.3 9.3

3.6 1 3.6 1

6.2 6.2

2

2

3.2 1.5 5.5 3.2 1.5 5.5

4.0 4.0

4.0 4.0

5.5 1.5 1.5 4.5 2.8 5.5 1.5 1.5 4.5 2.8

11

11

14.5 14.5

3.1 2.0 3.1 2.0

19.5 19.5

2.2 2.2

15.4 15.4

meter meter

B

6.0 6.0

3.5 3.5

3

3

9.0 9.0

15.0 15.0

6.0 6.0

9.0 9.0

C

CC

7.8 7.8

2.0 2.0

5.1 5.1

1.5 4.8 1.5 4.8

5.0 1.5 4.4 5.0 1.5 4.4

10.5 10.5

15.0 15.0

meter meter

14.3 14.3

2.0 4.0 2.0 4.0

11.0 11.0

13.8 13.8

6.0 6.0

Ens Oost | Beeldkwaliteitplan

BB

C

BB B CC

16.7

10.0

3.6

1.5

3.5

6.5

AA

meter

A

11

Ruimtelijke Eenhe den

Ens Oost | Beeldkwaliteitplan

Het stedenbouwkundig plan is op te delen in twee gebieden: Openbare ruimte In het hoofdstuk ‘openbare ruimte’ worden uitspraken gedaan met betrekking tot de inrichting hiervan. Dit betreft onder andere de materialisering, beplanting, spelen en ontmoeten en de afwatering. Bebouwing In dit hoofdstuk wordt de beoogde beeldkwaliteit voor de bebouwing en erfafscheidingen beschreven. Hierin wordt aandacht besteed aan onder andere oriëntatie, bouwhoogten, materialisering en de erfafscheidingen.

13

Openbare Ruimte

Ens Oost | Beeldkwaliteitplan

3.1 Sfe ren Het plangebied dient een overduidelijke eenheid uit te stralen en samenhang te hebben, waarin het onderscheidend is ten opzichte van de andere woonbuurten van het dorp Ens. Deze samenhang wordt in de openbare ruimte gezocht door de toepassing van dezelfde kleur en materialisering in de bestrating en bepaalde beplanting. De beeldkwaliteitseisen zijn in dit hoofdstuk toegelicht.

2

1

4 3 4

In het samenhangende plangebied zijn vier verschillende sferen in de openbare ruimte te onderscheiden: 1 het polderbos 2 de groene straatjes 3 de groene hof 4 de parkeerhof Deze sferen hebben een afwijkende functie, uitstraling of invulling van elkaar. Om die reden is gekozen deze verderop in dit hoofdstuk apart toe te lichten.

15

Ens Oost | Beeldkwaliteitplan

3. 2 Be plant i ng Het plan dient een landschappelijke uitstraling te krijgen. Aan de zuid-westzijde van het plangebied ligt het dorpsbos. Qua sfeer en beleving dient het plangebied hierop aan te sluiten, en als het ware het verlengde van dit dorpsbos te vormen. Dit houdt in dat in het plangebied geen strakgemaaide grasvelden voorkomen, maar juist wordt gezocht naar een natuurlijke, landschappelijke uitstraling. Door wildere, streekeigen beplanting toe te passen, dat vooral rondom speeltoestellen korter gemaaid zal worden, ontstaat een gevarieerd straatbeeld. Bovendien is de toepssing van zowel lage- als hogere beplanting goed voor de biodiversiteit.

Circul

leme aire e

nten

Lage

16

en ho

plan ge be

ting

be Wilde

plant

ing

Ens Oost | Beeldkwaliteitplan

Zomereik

Ratelpopulier

De beplanting dient, naast dat het aansluit op de beplanting die in de omgeving van het plangebied voorkomt, ook bestemd te zijn tegen korte perioden van overstroming. In het bospark en in de groene straatjes zal het overtollige water namelijk opgevangen worden. In perioden van droogte moet de beplanting bestemd zijn tegen zandige kleigronden, hetgeen wat in het plangebied voorkomt. De hiernaast afgebeelde bomen voldoen daaraan. Bovendien is deze beplanting streekeigen en sluit het aan bij de in en rondom het plangebied voorkomende biodiversiteit. De bomen dienen door elkaar heen over het gebied verspreid geplaatst te worden. Hierdoor ontstaat een natuurlijk, gevarieerd en samenhangend straatbeeld en een bosachtige sfeer.

17

Zachte Es

Ens Oost | Beeldkwaliteitplan

3. 3 Natu u r i n c l usi v ite it Door natuurinclusief te bouwen wordt niet alleen bijgedragen aan de waterhuishouding van het plan, het heeft tevens een verkoelend effect. Om hier in het plan een bijdrage aan te leveren, worden de daken van de bergingen plat uitgevoerd met groene daken. Naast de eerder genoemde voordelen, zorgt het ook voor een aangename leefomgeving van insecten en vogels. Het ontwikkelen van mens- en milieuvriendelijke woonmilieus biedt kansen om meer te vergroenen en verhardingen in de private en openbare ruimte tegen te gaan. Nieuwe gebouwen kunnen worden voorzien van neststenen voor vogels; een relatief goedkope inpassing die geschikt is voor mussen, gierzwaluwen en spreeuwen. Ook voor vleermuizen kunnen voorzieningen worden ingepast. Door de toepassing van zogenaamde insectenhotels in tuinen en de openbare ruimte kunnen allerlei soorten dieren er een thuis vinden. Iets wat uitstekend past bij de ambitie om de bebouwing in het gebied te verweven met het omliggende landschap.

18

Ens Oost | Beeldkwaliteitplan

3. 4 Ge bou wde omgev i ng a ls e cos yste em Elke plek heeft zijn eigen geschiedenis in structuren en landschap met abiotische factoren. Gebruik dit om een passende invulling van natuur te geven. Voor allerlei soorten dieren en planten vormen steden en dorpen een steeds meer een belangrijke leefomgeving. De verschillende overgangen zoals: schaduw naar zon, open en beschut, droog naar nat en hoog naar laag zorgen voor een grote diversiteit voor biotopen. Dit zorgt voor variatie aan leefgebieden en habitats. Het dorp is een dynamisch ecosysteem met veel afwisseling in groen, water, verharding en bebouwing. Met de juiste verbinding met het polderlandschap van Ens versterk je de inrichting en gelijk de identiteit van de plek. Het is belangrijk om een ecologisch evenwicht te creëren, waarin de verschillende soorten elkaar in toom houden. Het is belangrijk om alle soorten binnen het voedselweb een plek te geven maar ook voldoende predatoren om een plaagdruk te voorkomen. Zo kan een plaag van bladluizen, muggen en eikenprocessierups onderdrukt worden door de natuurlijke vijanden zoals de lieveheersbeestjes, koolmeesjes en vleermuizen. Groen en water kom je veel verschillende soorten tegen die zich huisvesten. Het trekt insecten aan maar het is belangrijk om er ook voor te zorgen dat amfibieën, sluipwespen, roofkevers en diverse vogels zich ook thuis voelen.

Een natuurinclusief dorp staat in verbinding met het buitengebied. Het robuuste groenblauw netwerk van Ens breidt zich uit in de wijken en buurten. Het buitengebied staat door het verfijnde netwerk in verbinding met de wijken en maakt het mogelijk dat plant- en diersoorten zich kunnen verspreiden. Het robuuste groenblauwe netwerk is essentieel om het dorp klimaatbestendig te maken.

19

Ens Oost | Beeldkwaliteitplan

3. 5 S pelen en Ont m o ete n hart van de wijk speeltuin ha

park

rt va n

moestuin

de w

wandelroutes

ij k

Het autovrije hof en het bospark zullen in het teken staan van spelen en ontmoeten. Hierdoor wordt het gebruik van de openbare ruimte gestimuleerd en zijn geen kale, strakgemaaide grasvelden te vinden. Er zullen kleine hoogteverschillen aangebracht worden en zullen natuurlijke speelelementen of hergebruikte materialen zoals bijvoorbeeld een rioolbuis, boomstammen en houten balken worden toegepast. Naast speelvoorzieningen zal ook ruimte ‘leeg’ blijven die naar wens van de bewoners en gebruikers kan worden gebruikt. Hier kan bijvoorbeeld gevoetbald worden of kan een buurtbarbecue plaatsvinden.

20

Ens Oost | Beeldkwaliteitplan

ho og te ve r sc hi l

na tu ur lij ke el e m en

te n

21

Ens Oost | Beeldkwaliteitplan

3. 6 Afwater i ng Het klimaat verandert en door hevige regenval krijgen we steeds meer te maken met piekmomenten waar een wijk veel regenwater te verduren krijgt. Belangrijk is dat we hier nu al op inspelen en de buurt hiervoor weerbaar maken. Dit vraagstuk is niet alleen een probleem, maar ook een kans. In principe wordt al het hemelwater (bebouwing, openbare ruimte) oppervlakkig afgevoerd naar de wadi’s, incidenteel gebeurt dit ‘ondergronds’ maar dan staat dit systeem wel in verbinding met het waterafvoerstelsel. Het regenwater kan namelijk gebruikt worden als ontwerpprincipe. Er wordt zo min mogelijk gebruik gemaakt van kolken en zoveel mogelijk van groene wadi’s en eventueel molgoten (verhard). Wadi’s hebben een dubbele functie, deze kunnen immers ingeplant worden met verschillende typen beplanting voor een hogere biodiversiteit. In het gebied bevinden zich verschillende hoogteverschillen. Om het water zo goed mogelijk te kunnen afvoeren is er voor een robuuste waterstructuur gekozen. Het watersysteem bestaat uit sloten in combinatie met wadi’s. Het watersysteem zorgt ervoor dat het hemelwater kan worden opgevangen en niet via het riool wordt afgevoerd. Via de wadi’s wordt het vastgehouden en vertraagd afgevoerd. Het watersysteem is verbonden aan de omliggende waterstructuren.

Door de nieuwe waterstructuur aan te sluiten op de bestaande sloten in de omgeving, ontstaan er nieuwe waterverbindingen in het gebied. Dit zorgt niet alleen voor een sterkere beleving van het water in de wijk, maar zorgt ook voor een duurzame omgeving. Omdat er meer groen en open oppervlak (niet verhard) is, kan bij hevige regenval het hemelwater in oppervlaktewater gebufferd worden.

22

Ens Oost | Beeldkwaliteitplan

va n. ..

... vi a. ..

... na ar 23

Ens Oost | Beeldkwaliteitplan

3. 7 Toelic ht i ng sfe re n 3. 7.1 H et Polder bos Het polderbos ligt in het verlengde van het dorpsbos en zorgt daarmee voor een zachte overgang van het bos richting de open polder.

24

Ens Oost | Beeldkwaliteitplan

25

Ens Oost | Beeldkwaliteitplan

3. 7. 2 H et Au tovr ije Bin n e n h of Het autovrije binnenhof zal in het teken staan van spelen en ontmoeten. Hierdoor wordt het gebruik van de openbare ruimte gestimuleerd en wordt het hof geen kaal en strakgemaait grasveld. Er zullen natuurlijke speelelementen of hergebruikte materialen zoals bijvoorbeeld een rioolbuis, boomstammen en houten balken worden geplaatst. Het hof zal niet volledig ingericht worden met speelelementen. Er zal ook ruimte ‘leeg’ blijven die naar wens van de bewoners en gebruikers kan worden gebruikt. Hier kan bijvoorbeeld gevoetbald worden of kan een buurt buurtbarbecue plaatsvinden. Eventuele doorgang voor calamiteiten blijft wel mogelijk, door middel van een overrijdbare groenstrook langs het trottoir. De hofjes zullen een natuurlijke uitstraling krijgen waarbij de opvang van regenwater in de hofjes kan worden opgelost. Om dit te realiseren worden er hoogteverschillen aangebracht, zal er bloemrijke beplanting worden toegepast en zullen er bomen verspreid over het hofje staan. De voetpaden liggen tegen de toekomstige perceelsgrenzen aan. Hierdoor kan het middengebied vrijgespeeld en natuurlijk ingericht worden. De woningen komen mede daardoor ook met hun ‘voeten in het groen’ te staan. Om deze ambitie te waarborgen worden er in hoofdstuk 4.5 uitspraken gedaan over de beeldkwaliteitseisen van de erfafscheidingen.

26

Ens Oost | Beeldkwaliteitplan

27

Ens Oost | Beeldkwaliteitplan

3. 7. 3 De Par ke er h of Het parkeren vindt uit het zicht plaats achter de woningen in twee parkeerhoven. Deze beginnen en eindigen met parkeerkoffers waar daarnaast ruimte is voor parkeren op eigen terrein, bereikbaar via een achterpad van 6 meter breed.

28

Ens Oost | Beeldkwaliteitplan

29

Ens Oost | Beeldkwaliteitplan

3. 7. 4 De Gro en e St raat je s Tegen de perceelgrens aan ligt een trottoir en een weg die de twee-onder-één-kap- en vrijstaande woningen ontsluit en daarnaast de hoofdontsluitingsweg in de wijk is. Aan minimaal één zijde van de weg ligt een riant groenvak van ca. 5 meter breed. Hierin is voldoende ruimte aanwezig voor het plaatsen van bomen, wadi’s en hoogteverschillen. Hierdoor kan het overtollig regenwater opgevangen worden. Qua beplanting wordt ook hier gestreefd naar een natuurlijke uitstraling. Om dit te realiseren, en daarnaast de verbinding te zoeken met de rest van het plan, wordt dezelfde beplanting gebruikt. Dit houdt in dat ook hier bloemrijke beplanting zal worden toegepast en er dezelfde bomen te vinden zullen zijn.

30

Ens Oost | Beeldkwaliteitplan

31

Ens Oost | Beeldkwaliteitplan

3. 8 Mate r ial i s er i ng

Hoofdrijbaan

Molgoten hoofdrijbaan weerszijden

Klinker keiformaat (beton of gebakken) roodbruin, keperverband Achterpad

Wandelpad Polderbos

halfverharding Graustabil

Molgoot achterpad centraal

Woonpad en trottoir

Klinker dikformaat grijs, halfsteensverband

Klinker dikformaat (beton of gebakken) roodbruin, halfsteensverband

Verkeersdrempel

Lijngoot als wadi’s

Doorgeklinkerd, geen ‘band’ boven

Lijngoot (mogelijkheid n.t.b.)

Parkeren halfverharding

Hydrolineo of vergelijkbaar 32

Ens Oost | Beeldkwaliteitplan

33

Ens Oost | Beeldkwaliteitplan

3. 8 S pe ci fieke cr ite r ia - op e n b a re r u i mte vereist

gewenst

• aansluiten op het dorpsbos • natuurlijke en landschappelijke uitstraling • bestemt tegen korte perioden van overstroming

• wilde en streekeigen beplanting • grote inheemse groenstroken en grote bomen

• bergingen zijn voorzien van groene daken

• insectenhotels in de oenbare ruimte en tuinen

Beplanting

Natuurinclusiviteit

• nieuwe bebouwing is voorzien van nestkasten voor vogels Spelen en ontmoeten

• ontmoetingsplek centraal in de wijk • hoogteverschillen in de openbare ruimte • speeltoestellen zijn van hout of andere natuurlijk ogende, duurzame materialen

• hergebruikte materialen • speeltoestellen worden gekozen d.m.v. participatie

Afwatering

• hemelwater wordt zo veel als mogelijke oppervlakkig afgevoerd naar de wadi’s • het watersysteem is verbonden aan de omliggende waterstructuren • molgoot

• regenton • tegengaan verstening • wadi’s zijn interactief

Verkeer en parkeren

• de wegen worden gematerialiseerd met gebakken klinkers • de rijbaan heeft een breedte van maximaal 5 meter • het achterpad heeft een breedte van maximaal 6 meter • in het autovrije hofje bevind zich een eventuele doorgang voor calamiteiten/pakketdiensten/verhuiswagens, door middel van een overrijdbare groenstrook langs het trottoir

• parkeerplaatsen worden aangelegd in halfverharding • parkeerplaatsen worden waar mogelijk ingeakt en afgeschermd met hagen • verharding waar het moet, groen waar het kan

34

Bebouwing

Ens Oost | Beeldkwaliteitplan

4.1 Be e ldre g ie Om de kwaliteiten van het ruimtelijke ontwerp maximaal te benutten moet bij de invulling van de bouwvelden goed gekeken worden naar het raamwerk. In het raamwerk bevinden zich ruimtelijke elementen die met extra zorg ontworpen dienen te worden. Denk aan zicht-assen, hoofdroutes, verblijfplekken etc. Om te voorkomen dat in het plan een oriëntatie ontstaat die ongewenst is, of blinde gevels ontstaan, worden er in dit hoofdstuk uitspraken gedaan over de oriëntatie van de woningen. Zo dienen de woningen aan het hof hier verplicht op georiënteerd te zijn. De hoekwoningen dienen daarnaast verplicht een tweezijdige oriëntatie te hebben, zodat aan de entreeweg geen blinde gevels ontstaan en er sociale controle is op het polderbos en de straat. Tweezijdige oriëntatie wordt bereikt door het verplichten van een raampartij op zowel de begane grond als de eerste verdieping. De hoofdentree (voordeur) is in de oriëntatie van de woning opgenomen.

oriëntatie twee-zijdige oriëntatie langskap dwarskap plat dak plat of hellend dak

37

Ens Oost | Beeldkwaliteitplan

4 . 2 Mate r ial i s er i ng M at e ri aal h o u t

M ateriaal bak steen

o

aa ho

ho

ur materi

38

f

le dk

ur materi

aa l

f

le dk

lic h t bruin/ beige metselw er k

l

o

licht br uin/g r ij s ho ut

3.2 SFEREN BINNEN HET VELD

denbouwkunige aansluiting op veld 3 zuid om als totaal een geheel te men. mtelijke opbouw, kaprichting, kapverdraaiing, begeleiding van de weg etc.

Het ontwerp voor Blos, LATEI en Heijmans, sluit in architectuur aan op het ruimtelijk raamwerk door: Wonen aan de groene wiggen

Ens Oost | Beeldkwaliteitplan

- Hedendaagse authenthieke vormgeving in een bruin en beige kleurstelling. Bij stedenbouwkundige verkavelingen is het altijd een - Lokale geproduceerde genuanceerde bakstenen alsom basis met natuurlijk zoektocht te komen tot de goede balans tussen samenhang en variatie. Ook voor veld 3 is dit aan de eriaalgebruik & Detaillering vergrijzend hout als tweede materiaal. orde. De bebouwing aan deveranda’s groene wiggen zoekt in vo- Ontworpen overgangen privé openbaar, afhankelijk van situering, lume en structuur aansluiting op de bebouwing in veld ogwaardig materiaalgebruik (duurzaam, natuurlijk en niet giftig). waar deze goed op de zon en groen liggen. 3 zuid. Hier dient te worden gekeken naar ruimtelijke orkeur naar lokalen materialen. - Toepassing van groene gevels op de gewenste plaatsen vanuit het ruimtelijk begeleiding van opbouw, kaprichting, kapverdraaiingen, 3.3 MATERIAALGEBRUIK & DETAILLERING straling architectuur wordt gepaald door materialisering. raamwerk. de weg etc om zo te zorgen dat veld 3 als totaal een gegaat vormen. Een goede manier van aansluiting is epassing groene gevels en groene of bruine daken voor waterhuishou- Toepassing van sedemdaken op bergingen heel en garages. door op dezelfde manier als in veld 3 zuid variatie aan g, natuurinclusiviteit, tegengaan van hittestress en duurzame uitstraling. - Inmetselen van soortspecifieke nestkasten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/2226/documents/42577