CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Gebiedscriteria Wederopbouwgebied Noordoostpolder.pdf

Commissie Woonomgeving 16 maart 2023, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 1: Informatiebijeenkomst over afwegingskader Welstand6.234 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Flevoland

Noordoostpolder Toonbeeld van de wederopbouw

Dit document is opgesteld naar aanleiding van het deelprogramma Wederopbouw van de visie Erfgoed en Ruimte en is een nadere uitwerking van de kernkwaliteiten zoals die genoemd zijn in bijlage 3 van de Visie Erfgoed en Ruimte.

Met kennis en advies geeft de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed de toekomst een verleden.

Inhoud Wederopbouw: tonen van een tijdperk pagina 2 Methodiek en leeswijzer pagina 3 De wederopbouwperiode pagina 4 Vóór de wederopbouw pagina 8 Ruimtelijke analyse pagina 10 – Massa-ruimte pagina 14 – Verkaveling pagina 16 – Ontsluiting pagina 18 – Water pagina 20 – Groen pagina 22 – Bebouwing pagina 24 – Bijzondere elementen pagina 26 Huidige situatie pagina 28 Kernkwaliteiten pagina 30

2 —

Wederopbouwgebieden: Noordoostpolder

Wederopbouw: tonen van een tijdperk

30 wederopbouwgebieden

De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft in 2011 dertig wederopbouwgebieden geselecteerd uit de periode tussen 1940 en 1965. In deze periode is een groot deel van Nederland opnieuw ingericht. Dat gebeurde op een totaal andere manier dan vóór de oorlog. De geselecteerde gebieden geven met elkaar een goed beeld van hoe er gedacht, gebouwd en ingericht werd en kunnen worden beschouwd als toonbeelden van de Wederopbouwperiode. Ze onderscheiden zich nationaal of zelfs internationaal, bijvoorbeeld vanwege de kwaliteit van de architectuur of als bijzonder voorbeeld van stedenbouw of landschapsinrichting. De Rijksdienst heeft de gebieden in drie gebiedstypen ingedeeld: de wederopbouwkernen (herstelde oorlogsschade), de naoorlogse woonwijken (planmatigeopgezette uitbreidingswijken) en de landelijke gebieden (agrarische ruilverkavelings- en landinrichtingsgebieden).

In lijn met de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (TK 2009-2010, 32 156 nr. 13) wordt hier in juridische zin invulling aangegeven – niet door aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht – maar als uitvloeisel van de verplichting om cultuurhistorie onderdeel te laten zijn van de belangenafweging in het kader van de totstandkoming van bestemmingsplannen, zoals opgenomen in artikel 3.1.6 lid 5 onder a van het Besluit ruimtelijke ordening.

Wederopbouw is één van de vijf prioriteiten uit de rijksnota Kiezen voor karakter, de rijksvisie op erfgoed en ruimte die op 15 juni 2011 door de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de minister van Infrastructuur en Milieu namens het kabinet is aangeboden aan de Tweede en Eerste Kamer (TK 2010-2011, 32 156 nr. 29).

Kennis, inzicht en begrip van de cultuurhistorische waarden van de wederopbouwgebieden en hun ruimtelijke ontwikkelingsgeschiedenis zijn van belang bij het maken van weloverwogen keuzes in de planvormingsprocessen. Dit gebiedsdocument is bedoeld ter ondersteuning hiervan en brengt de bijzondere kernkwaliteiten van één van deze gebieden in beeld: de naoorlogse wijk Noordoostpolder.

De selectie als wederopbouwgebied zorgt in de eerste plaats vooral voor meer aandacht en waardering. Daarnaast wil het Rijk stimuleren dat de bijzondere eigenschappen, de kwaliteiten van de Wederopbouwgebieden, ook in de toekomst herkenbaar aanwezig blijven en als cultureel erfgoed een rol van betekenis spelen in de ruimtelijke ordening.

30Wederopbouwkernen wederopbouwNaoorlogse woonwijken gebieden Landelijke gebieden

Noordoostpolder 8

Wederopbouwkernen Naoorlogse woonwijken Landelijke gebieden

23 9 24 10

Nu zo’n zestig jaar na de realisatie bouw of aanleg, zijn deze wederopbouwgebieden als gevolg van maatschappelijke en sociaaleconomische veranderingen, object van (ingrijpende) vernieuwingsoperaties. De uitdaging hierbij is om ontwikkelingen en vernieuwing hand-in-hand te laten gaan met het behoud van het bijzondere karakter van deze gebieden.

25

11 13

2 14 3 15

16

26

27 4

17 5

1

28

6

18 29

19

30 20

7

21 Wederopbouwkernen 01. Hengelo binnenstad 02. Katwijk aan Zee Boulevardzone 03. Den Haag Atlantikwallzone Kijkduin-Zorgvliet 04. Rhenen binnenstad 05. 06. Nijmegen binnenstad 07. Oostburg Naoorloogse woonwijken 08. Groningen De Wijert-Noord 09. Emmen Emmermeer, Angelslo en Emmerhout

10. Nagele 11. Amsterdam Westelijke Tuinsteden 12. Hengelo Klein Driene I en II 13. Apeldoorn Kerschoten 14. Den Haag Mariahoeve 15. Leidschendam-Voorburg De Heuvel Prinsenhof 16. Utrecht De Halve Maan 17. 18. 19. Breda De Heuvel 20. Eindhoven ‘t Hool 21. Heerlen Vrieheide 22.

Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

22

Landelijke gebieden 23. Skarsterlân Haskerveenpolder 24. Noordoostpolder 25. Vriezenveen 26. Berkelland Beltrum I 27. De Groep en omgeving 28. Maas en Waal-West 29. Veere Walcheren 30. Boxtel en Best De Scheeken

12

3 —

Wederopbouwgebieden: Noordoostpolder

Methodiek en leeswijzer De methodiek is er op gericht de kernkwaliteiten uit de Wederopbouwperiode te analyseren en herkenbaar in beeld te brengen. Als basis voor de ruimtelijke analyse zijn bestaande studies gebruikt, waar nodig aangevuld met een veldbezoek om de bureaustudie te toetsen. In het colofon van dit document is opgenomen welke studies en rapporten als basis gebruikt zijn voor dit gebiedsdocument. De inhoudelijke focus van de gebiedsdocumenten ligt op de Wederopbouwperiode en de actuele situatie van het gebied. Om de context van de ontwikkelingen te begrijpen, zijn waar nodig relevante ontwikkelingen uit andere tijdsperioden meegenomen in de analyse. In het volgende hoofdstuk wordt ingegaan op de wederopbouwperiode in het algemeen en de specifieke ontwikkelingen met betrekking tot de naoorlogse woonwijken (planmatig opgezette uitbreidingswijken) in het bijzonder. In de erna volgende hoofdstukken wordt ingezoomd op het onderhavige gebied en word door middel van een gebiedsanalyse geduid wat de specifieke kernkwaliteiten zijn die dit gebied tot een wederopbouwgebied van nationaal belang maken. Bron: Nationaal Archief

4 —

Wederopbouwgebieden: Noordoostpolder

Wederopbouwperiode Nederland maakte tussen 1945 en 1965 een ongekende transformatie door. In ruimtelijk, economisch en in sociaalmaatschappelijk opzicht veranderde ons land ingrijpend. Na de Tweede Wereldoorlog was veel landelijk gebied, gebouwde omgeving en infrastructuur zwaar beschadigd geraakt, stonden onder water of lagen compleet in puin. Het herstel van de oorlogsschade en de wederopbouw begon al in de oorlog. Steden en dorpen herrezen uit het puin dankzij krachtige samenwerking en een sterke centrale sturing. In deze periode zijn veel innovatieve en ongekende ontwerpen gerealiseerd, zowel bij stedelijk herstel en uitbreiding als bij de herinrichting van het landelijk gebied en de aanleg van nieuw land. Vooroorlogse ontwikkelingen

Vóór de oorlog was er al de wens om het platteland te moderniseren. Nederland liep achter op het gebied van landbouwmechanisatie en landbouwgronden waren niet of nauwelijks ontsloten voor gemotoriseerd vervoer. Hiervoor werd het instrument ruilverkaveling ingezet om de inrichting van het landelijk gebied te verbeteren. In 1924 kwam hiervoor de eerste Ruilverkavelingswet tot stand. Er was vaak sprake van drie met elkaar samenhangende omstandigheden die nadelig werkten: versnipperd grondbezit, kleine, slecht bereikbare percelen en een slechte ontwatering. Door herverdeling van gronden ontstonden aaneengesloten eenheden grond. Modernisering van de landbouw

Na de Tweede Wereldoorlog ontstond er grote politieke en maatschappelijke aandacht voor de modernisering van het platteland. Bovendien heerste er grote overeenstemming over het doel en het resultaat van de modernisering. Drijvende kracht achter de landbouwhervormingen was Sicco Mansholt, zelf boer en minister van Landbouw in zes kabinetten in de

periode 1945-1958. Waar in de jaren 20 en 30 nog volop ontginningen en inpolderingen plaatsvonden, werd tijdens de Wederopbouwperiode vooral ingezet op een effectievere en efficiëntere landbouw door schaalvergroting, rationalisering en modernisering van de agrarische bedrijfsvoering. Men richtte zich op agrarische productieverbetering. Het eerste doel hiervan was de eigen voedselvoorziening : met de Hongerwinter nog vers in het geheugen, wilde men Nederland zelfvoorzienend maken. Ten tweede was productieverbetering nodig voor de export van landbouwproducten. Het landelijk gebied speelde dan ook een belangrijke rol bij het herstel en de groei van de Nederlandse economie. Ten derde was de vernieuwing van de agrarische sector gericht op verbetering van de positie en leefomstandigheden van de boeren. Ruilverkavelingen en het landschapsplan

Na 1945 werden ruilverkavelingen steeds omvangrijker en complexer, waardoor het bestaande juridische kader niet meer voldeed. De ruilverkavelingswet werd daarom in 1954 gewijzigd. Ruilverkavelingen die onder de nieuwe ruilverkavelingswet van 1954 vielen, werden daarom ook wel aangeduid als ruilverkavelingen ‘nieuwe stijl’. Naast de belangen voor de agrarische sector voorzag de wet nu ook in diverse andere functies, zoals infrastructuur, recreatie, streekverbetering en ontgronding en natuur- en cultuurwaarden. Een ‘landschapsplan’ werd een verplicht onderdeel van ieder ontwerp voor een ruilverkaveling of herinrichting. Het landschapsplan had tot doel om een harmonie te vinden tussen de herstructurering van de landbouw en de inrichting van het landschap. Overigens was vanaf 1944 het opstellen van een landschapsplan in feite al gangbaar: zo werd hiermee als eerste in Walcheren geëxperimenteerd. Ook voor De Scheeken (1944) en Beltrum (1950) is een landschapsplan opgesteld. Bij de wetswijziging van 1954 is deze werkwijze formeel vastgelegd.

5 —

Wederopbouwgebieden: Noordoostpolder

Grootschalige ruilverkaveling leidde tot de herinrichting van honderdduizenden hectares cultuurgrond. Verspreide percelen werden samengevoegd en nieuwe (landbouw)wegen zorgden voor een verbeterde ontsluiting. Aan deze wegen werden nieuwe boerderijen gevestigd. Een typerend kenmerk van veel ruilverkavelingsgebieden is dat veel naoorlogse boerderijen bij hun akkers en weilanden zijn gebouwd en niet meer in dorpen liggen. Maatregelen voor een betere ontwatering waren onder andere de aanleg van drainage, nieuwe gemalen, het rechttrekken en verdiepen van waterlopen, de aanleg van nieuwe waterlopen en diepploegen. Door het beplantingsplan was er ook aandacht voor beplanting langs de wegen en om en bij de erven. Om variatie en hiërarchie in het landschap aan te brengen werden verschillende soorten en dichtheden beplanting gebruikt. Het platteland en de bevolking waren in de eerste helft van de twintigste eeuw sterk achter gebleven op de ontwikkeling in de steden. Naast de fysieke verbetering van gebieden werd daarom ook de sociale structuur verbeterd door middel van streekverbeteringsplannen. In de streekverbeteringsgebieden werd met overheidssteun met een voorlichtingsprogramma getracht het boerengezin te moderniseren. Er was aandacht voor plattelandsvrouwen in hun rol als boerin en huisvrouw. En met de scholing van agrariërs kon de bedrijfsmodernisering verbeterd worden.

Inrichting van nieuw land

Bij de inrichting speelden bodemreliëf, waterhuishouding, (beoogde) bebouwing en (verwacht) grondgebruik een rol. Ook werden cultuurhistorische elementen en structuren soms gehandhaafd en in het landschap opgenomen. Het gaat bijvoorbeeld om landschapselementen als eendenkooien, molens, dijken en boomlinten. Creatieve oplossingen van ingenieurs en landschapsarchitecten voor complexe ruimtelijke

en waterstaatkundige vraagstukken, vernieuwde constructiewijzen en architectuur, standaardisering en de in het landschap aangepaste groenaanleg zijn kenmerkend voor de naoorlogse landinrichting. Wederopbouw Noordoostpolder

Dit document gaat over het gebied Noordoostpolder (Noordoostpolder). Dit gebied is door de RCE op basis van de volgende drie kenmerken aangewezen als gebied van nationaal belang: − grootschalige droogmakerij met verspreide, rationeel geordende agrarische bebouwing en erven − ring van dorpen rond de hoofdkern Emmeloord − functioneel patroon van wegen en waterwegen met bijbehorende beplantingsprofielen Bij het opstellen van dit document is gebruik gemaakt van de Atlas van de wederopbouw Nederland 1940-1965. Daarnaast is de landschapsvisie Noordoostpoldervan Feddes/Olthof landschapsarchitecten een belangrijke bron geweest voor het opstellen van dit gebiedsdocument.

6 —

Wederopbouwgebieden: Noordoostpolder

Zuiderzee 1925, Afbeelding: Kadaster

Verkavelingsplan 1937

! !

!

! ! !!

!

! !

!

!!

!!

!

!!

!

!!

!

!! ! !

!!

!

!

! !!

!!

!

!

!!

!

!

!

!!

!! !! ! ! !! !! !! !! ! !! ! ! !!

!!

!

!

!

!

!!!!

! !! ! !! !! !

!!!!

!! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !! ! !

!! ! ! ! ! ! ! !

!

!

! ! !! !! ! ! !!

!

!

!

!

!!

!

!!

!!

!! ! !! !!

!

!

!

!! !! !

!! ! !

!

!!

! ! ! ! ! !

!! ! ! !!! ! ! !!!! ! !

!

!!! ! ! !! !! ! !

!!! ! ! ! ! ! !! ! !

!

!

!! !!! ! !

!

!

! !

!

! !!

!

!

!!

!

! ! ! ! ! !! ! ! !! ! ! ! !! ! !! ! ! ! !! ! ! ! !! ! ! !!! !!

! ! ! ! ! ! ! ! ! !! !!

!

! ! ! !! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !

!

!!

!

!

!

!

!

!! !! ! !

! !!

!!

!!

!

!

!!

!!

!! ! !! !! ! !! ! ! !! ! !!

!

!

!

!

! !!

!! !! !! !!

!

!

!

!

!!

!!

!

! ! !! !

!

!!

!

!

!

!

!! !

!!

!

!!

!

!

!

!!

!

!

!!

!! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !!! !

!

!

!

!

!

!! ! !! ! ! ! ! ! ! !! !

!

!

!

!

!

!

!

!! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !! !! !

!

! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !! ! ! ! !! !

!

!

!!

!!

!

!

!

!

!

!

!

!!

!! ! ! !! !! ! ! ! !! !

!

!

!

! !!

!! !

!! ! ! !! ! !! !!

!! !

!

!! !

! !

! ! ! ! !! ! ! ! ! ! !!

! !!!

!!

! ! ! ! !! ! ! !!!! ! !! !! ! ! !!!!! ! !! ! ! ! ! ! ! ! !! !! ! ! !!! ! ! !! ! ! !! ! ! !! !!! !!! ! ! !! ! ! !! ! ! !!! !! !! !!!! ! !! !! !

! !!

!!

!

!

!! !

!!

! !

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

! ! !

!

!! ! ! ! ! !!

!!

!! ! ! !

!! !! ! ! ! ! !

!!

!

!!

!!

!

!!

! ! ! !! ! !

!! ! !

!!!!

!!

!!

!!

! ! !

! ! ! !!

!! !

!

!! !

!!!!

!

!!

! !! ! ! ! ! !!

! ! !!

!

! ! ! !! !!!

!

!

!

!!

!!

!!

!!

!

!

!! !! !!

!

!! !! !! !!

!

!

!

!! !!

!

!!

!

!!!

!!!!!!!

!!!!!! ! ! ! ! !!

! ! !! !!!

!! ! !

!! !!!

!

!

!!!

!!

! !! !!

!!

!!

!! !!

!

!!

!

!!

!! ! !

!!

!!

! !! ! ! ! ! ! ! ! ! !

!

!

!

!

!

!

!

!!! ! ! !!

!!

!!!!! ! ! ! !! ! ! ! ! !! ! !! ! ! !

!!

!! ! ! !!

!

!! !! ! ! !

!!!!!!!!

!!

!! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !! !

!

!! !!

! !! ! !! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !!! ! ! ! !! !! ! !! ! ! ! ! ! !! ! ! ! ! !! ! !

! ! ! !!

! !! !!!

! ! !! !!

!! ! ! !

!! !!!!

!!

!!!!!!

!

!!

!

!!

!!

!

!

!

!!! !

!!

!

!

!

!

!

!!!

!

!

! ! ! !!

!!

!!

!!!

!!

!

!!

!! !! ! !!! ! ! ! ! !! ! ! ! !

! ! !!! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !

!!

!

!

! ! !! !!!!

!!!

!!! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !

!

!!

!!!

!

!

!!

! ! ! !! !! ! ! ! ! ! ! !! ! !! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !!! !!!!!!!

!! ! ! !! ! ! ! ! ! ! !! ! ! !! ! ! ! !!!

!! ! ! !!

! ! ! ! !! !! ! ! ! ! ! !! ! ! ! ! !

!! !! !

! !!

!! ! ! ! ! ! ! ! !!

! !! ! ! !! ! ! ! ! !! ! ! ! ! !! ! ! ! ! ! ! !! ! ! ! !! !! !!! !! ! ! !! ! ! !! ! !

!!!!

!! ! ! ! !! !!

!!

!

!! !! ! !!

!!

!!

! ! ! ! !!

!

!!!!!

!

! !

!

!! !!

!!

!!

!! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !!

!! !!

!!

!

!!

!!!! !! ! ! ! !

!

!

!!! ! ! !! ! !! ! !! !!! !! ! !

!! !!

! !!

!! !!!!!! !!!!!

!! !!! !

! !!

! !

!!!! !!!! !!

!! !!! ! !!

!! ! ! ! !! !

!

!

!

!

Marknesse !

!!

!! !

!

!!

!!!! !

! !! !! ! !!! !! !

!

!

!

!!

! !

!!!!

!! !! !

!!

!! ! !

! ! !! ! ! ! !! ! ! !

! ! !! ! ! ! ! ! !! ! ! !

!!

!! ! ! ! ! ! !

!

! !

!!!!!

! ! !

!

!! ! ! !!

! ! !! !!

!

!! !!

!! !!

!! ! !!

!!

!

!

! !! ! ! !

!!

!!

! !!

!

!!

!

!

!!

!!

!

!!

!

!

!!

!

!

!

!!

!!

!!

!

!!

! !

! !!

!

!!

!!

!

!

!!

!!

!

! !! !! !! ! !! ! ! !!

!

!

!!

!

!!

! !!

!!!

!

!

!

!!!

!

! !

!!

! ! ! !

!!

!

!

!!

!

!

!

! !!! ! ! !

!!

!

!

! ! ! ! ! ! !! !

!! ! ! !! ! !!!

!!! ! ! !!

!! !

! ! !!

!!!!

! ! ! ! ! ! !! !

!

! !!

!!

! ! !!!!!!! ! ! ! ! ! ! ! !! !! ! !! ! ! ! ! !! ! ! ! ! !!

!

!

!! !!!

!

!!

!!

!

!

!! !

! ! ! ! !!

!!

!

!!

! !!!

!

!

!

!

!

!

! !!

!

! !

!! ! !!

! ! ! !! ! !

! !!

!

! !!

Ketelmeer

!

!!

!

!!

!!

!! !!

!!

!

!! !

!!

!

!! !

! ! ! !! !!

!!

!

!

! !!

!

!

!! ! !! !!

!!

! !!

! ! !!

!

!

!

! ! !! !!

!! ! !

!

!

!

!

! !!

!

!!

!

!!

!

!!

!

!

! ! !

!!

!

Ens

!

!

!

!

!

!

!

!!

!

!!

!!

!!

!!

!!

!!

!!

!

! !! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !

!!

!

!!

!

!!

!

!

!!

!!

! !! ! ! ! !!

!

!

!

!

!!

!!

! ! ! !! ! ! ! !

!

!!

Nagele

!

!

!

!!

!

!

!!

!

!! !!

!!

!!

!!

Emmeloord

!

!!

!!

! !!

!!

!

!!

!

!!

!! !

!! ! !

!!

!

!!

!!

!!

Schokland

! !! ! !! ! ! !!

!

! ! !! ! ! ! ! !! ! ! ! ! !! ! ! !

!

!!

! ! ! ! ! ! ! !! ! ! ! !

!

!!

! ! ! !! ! ! ! ! ! ! !!

!

!!

! ! !!

!

!

!! !!

!

! !

!

!!!

!

!

!! ! !!!!!!!!!! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !!

!

!

!

!! !

!

!

!!

!

!

!!

!! !

!

!

!

!

! !! !! ! !

!

!

!

! !!

!

!

! ! ! !!

!

! !

!

!!

!!!!

! !

!! ! !!!

! ! ! ! !

!!

!!

!

! ! !

!! !!

!!

! !!

!!

!!!

!! !

! !! ! ! ! !

!! !!

!

!!

!!!!

!!!!! !!! !! ! ! !! ! ! !

!

!! ! ! !!

!!! ! ! !!

! !! !

!

!

!

! !! !

!

!

!

!

!

!

!

!! ! ! !

!!

! !

!

! !

! !!! !

!

! !! ! !

!! !

!!

!

!! !

!!!

!!

!! ! !

!

!

!!!

!

!

!!

!

!

!!

!!!

!! !

!

!

! !! !!

!! !! !

!!

!

! ! !!

!

!!

!

!

!!

!

! ! ! ! ! !! ! ! ! ! ! ! ! !

!!

! ! ! ! ! !! !!!!! !!!! !!! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !! ! !

!! !!!! !!!! !! !!

!!

!

! !! !!!! ! ! !! !!

!

!

!

!! ! !

!

!!

!!

!

!

! !! ! !!

!!

!

!

!

! !! ! ! ! ! !! !

!

!!

!

!

!!

!!

!

!

!!

!!

! !!

!

! !!!! !! ! !

!!

!

!

!!

! !

!

!

!

!

!!

!

!! ! !!

! !

!

!! !

!!!! !!!!!!

! ! !! !

! !

!!

!!

! !

!! !! ! ! !

!! !! ! !! ! ! ! !! ! ! !!

! !

!!!!

!! !!

!!

!

!!!! ! !

!

!

!!!! !! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !

!

! !!

!

!

!!!

! !

!

! ! ! ! ! !! !

! ! !! !

! ! ! ! !! !

!

!! !

!

!

!! ! ! ! !! ! !

!!!! !

!

!!

! !

!!

! !

! ! !!! !! ! ! ! ! !! ! ! ! !! !!!

!

! !

!

!!

Rutten !

! ! ! !!

!

! !!

!!!! !!!!

!

!

!

! !

!!

!

!

! ! ! !!

!!

!

!

!

!

! ! !! !

!! ! !

!

Urk

!

!

!!

!

!

!! !!

! !!

! ! ! !!

!

!

!

!!

!! ! ! !! ! ! ! !!

! ! !!

!

!

!!

! ! ! ! ! ! !! ! !

!!

!!

!!

!

!!

!!

!

! !! !! ! !! !!! ! ! ! ! ! !! ! ! !!

!!

! !!

Vollenhove !!

!

!!

!

!!

! ! !! !

!

!

!!!!

!! !!

Schokland !!

!

!

!! !!

!! ! !

!!

! !! !!!

!!!!

!! ! !! ! ! !

! ! !! ! ! ! ! ! !

!!!!

!!

! !! ! ! !!

! ! ! ! ! ! !!

!!

!

!!

!!

!! !! ! ! !! ! ! ! ! !! ! ! ! !

! !! ! !! ! !!!

!!! !!!

!! !

!!

! ! !! !!!!

!

!!

! ! ! ! !!

!

!

! !!

! ! !! ! !!

! !!!

Urk ! !! !

!

!

!!

!!!!

r ! !

! !!!! !!!! ! ! !! ! ! !!

!! ! ! !

Zuiderzee !!

!

!

!

Blokzijl !

!

!

!!

Tjeukemeer !

Lemmer

!

2010 !

!

!

Lemmer

!! ! ! ! ! !

!

!!

!

!! !! !!

!

Kaarten: MUST Tjeukemeer

! ! !!

!! !! !! ! !

!

!

1930

!!! !!! !!

!

Wederopbouwgebieden: Noordoostpolder

7 —

!

! ! !! ! !! !

!

!

!

!

!! !!

!

!

! ! !

!

!

Blokzijl

!

Vollenhove !

!

!!

!

!

Zwarte Meer

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

!

8 —

Wederopbouwgebieden: Noordoostpolder

Vóór de wederopbouw Vanaf het midden van de negentiende eeuw zijn plannen gemaakt om de Zuiderzee (gedeeltelijk) in te polderen. Na de watersnood van 1916 is besloten om het ontwerp van C. Lely te gaan uitvoeren; uiteindelijk werd zijn tweede ontwerp uit 1925 het uitgangspunt. In 1918 is de Zuiderzeewet aangenomen, waardoor besloten werd om de Zuiderzee af te sluiten en (gedeelten) droog te maken. De Noordoostpolder is -na de Wieringermeerpolder - de tweede Zuiderzeepolder die is drooggemalen. Bij het maken van de plannen voor de Noordoostpolder is dan ook voortgebouwd op de ervaringen die eerder zijn opgedaan met de aanleg van de Wieringermeerpolder. In 1932 is het ontwerp voor de droogmakerij Noordoostpolder (NOP) gepresenteerd door de Dienst der Zuiderzeewerken en de Directie van de Wieringermeer. In datzelfde jaar sloot de Afsluitdijk en daarmee werd de Zuiderzee het IJsselmeer.

Globale tijdlijn Vóór drooglegging (ca. 1932-1942) − Ontwerp bedijking, drooglegging en in cultuurbrenging − Aanleg dijk − Drooglegging − Hoofdwatergangen inclusief gemalen − Eerste idee voor de polderstad met omliggende kernen en globale inrichting en verkaveling voor de Noordoostpolder − Schetsontwerpen voor 6 polderdorpen en polderstad binnen verkavelingsplan

Na drooglegging (ca. 1942-1962) − Definitieve inrichting en verkaveling − Eerste bebouwing Emmeloord − Wederopbouwboerderijen en (eventuele) arbeiderswoningen − Om Emmeloord heen liggende gehuchten/ kernen − Dorpsvaarten inclusief hoge bruggen en loswallen − Hiërarchisch wegenpatroon inclusief beplanting − Erfbeplanting − Recreatiebossen − Poldertoren

10 —

Wederopbouwgebieden: Noordoostpolder

Ruimtelijke analyse Bij het droogvallen van de polder in 1942 ontstond een oppervlakte nieuw land van zo’n 48.000 hectare. In 1943 is de eerste bebouwing van Emmeloord gerealiseerd. Vanaf dat moment werd in de polder gewoond en aan de ontginning gewerkt. Ook tijdens de Tweede Wereldoorlog gingen deze werkzaamheden gewoon door, omdat de Duitsers de Noordoostpolder als proefproject voor kolonisatie wilden gebruiken. Tegelijkertijd was de polder een onderduiklocatie en probeerden veel mannen onder de ‘Arbeitseinsatz’ uit te komen door werkzaam te zijn in de Noordoostpolder. De afkorting N.O.P. (Noord Oost Polder) stond dan ook wel voor Nederands Onderduik Paradijs. De idealen van de Wederopbouwperiode zoals de modernisering van de landbouw en de heersende opvattingen over het inrichten van nieuw land hebben een sterke invloed gehad op de inrichting van de Noordoostpolder. Het belangrijkste doel van de inpoldering was het uitbreiden van het landbouwareaal en daarmee de voedselvoorziening. Een efficiënte bedrijfsvoering was daarbij van belang. Daarnaast was er de maatschappelijke opvatting over het maken van een nieuw woongebied met hechte sociale verbanden. Men wilde een overzichtelijke wereld maken die een zekere mate van beslotenheid en beschutting bood. De nieuwe bewoners werden zorgvuldig geselecteerd (o.a.

op grond van maatschappelijke antecedenten en kennis van de agrarische bedrijfsvoering) om een - in economisch, sociaal en cultureel opzicht - welvarende gemeenschap te vormen, die een afspiegeling zou vormen van de bevolking van Nederland.

Bij de inrichting zijn de volgende vier plannen leidend geweest: 1. Het Verkavelingsplan (definitief in 1942) 2. Het Uitgifteplan (1947) 3. Het Dorpenplan (1946) 4. Het Landschapsplan (1947) Het definitieve Verkavelingsplan dateert uit 1942. Hierna is gestart met het voorbereiden van het Uitgifteplan. Het Uitgifteplan is in 1947 door de Tweede Kamer goedgekeurd, met een herziening in 1950. In 1946 is besloten om het aantal dorpen van vijf uit te breiden tot tien. Het definitieve landschapsplan is in 1947 vastgesteld. Bij de planuitwerking zijn meerdere disciplines betrokken. Stedenbouwkundigen (waaronder C. Pouderoyen en M.J. Granpré Molière en C. Van Eesteren) waren verantwoordelijk voor de ruimtelijke inrichting en verkaveling. Staatsbosbeheer zorgde voor het beplantingsplan (waaronder. G.A. Overdijkink, J.T.P. Bijhouwer en P. Boodt). Ook werkten geografen, sociografen en sociologen mee (waaronder H.N. ter Veen, E.W. Hofstee, C.A.P Takes, S. Groenman, P. de Groot en A.J. Venstra). De werkzaamheden in de polder werden onder andere door de Heidemij, Grontmij, de Mij. Wegenbouw N.V. en Gebr. Van Oord en Zonen uitgevoerd. In 1962 was de inrichting afgerond.

Wederopbouwgebieden: Noordoostpolder

Wederopbouwgebied Noordoostpolder

11 —

12 —

Wederopbouwgebieden: Noordoostpolder

Ontwerpgedachte

De Noordoostpolder werd aan de hand van vier basisprincipes ingericht: 1. modulair systeem De verkaveling vond plaats volgens een modulair systeem. De basis is een regelmatig raster met een rationele agrarische verkaveling, waarin de agrarische erven op een regelmatige manier werden gespreid. De vaste kavelmaat van 800 x 300 meter is zoveel mogelijk toegepast. 2. anticiperen op de ondergrond Bij het inrichten is gereageerd op de ondergrond en de omgeving. Als er vanwege de bodemgesteldheid geen akkerbouw mogelijk was, werden de kavels gebruikt voor veeteelt. Tweederde van de polder werd als akkerbouwbedrijf uitgegeven en het overige deel als gemengd bedrijf. Ook waren er 200 fruit- en groenteteeltbedrijven gepland op het klei- en zavelgebied bij Marknesse, Luttelgeest en Kraggenburg. Op gronden waarvan de bodem minder geschikt was voor agrarisch gebruik, werden de (radiale) hoofdafwatering en de groenstructuren voor recreatie gerealiseerd. 3.concentrische opbouw De concentrische opbouw komt voort uit de toenmalige maatschappelijke opvattingen. Het idee van de concentrische opbouw (middelpunt – veld – lijst) is op verschillende schaalniveaus ruimtelijk vertaald.

4.hiërarchische inrichting Bij de inrichting is een onderscheid tussen centrum en periferie gemaakt of er is een getrapte opeenvolging van elementen toegepast. De hiërarchische opbouw geldt voor de nederzettingen, de wegen en de waterlopen en zet zich voort in de beplanting. Deze vier lagen reageren onderling op elkaar. Daardoor heeft de Noordoostpolder een unieke inrichting. Sociografisch en planologisch onderzoek leidde ertoe dat de dorpen via een ideaal schema werden ontwikkeld, waarbij de onderlinge vaste afstand en een zekere mate van zelfvoorziening leidende uitgangspunten waren. De plannen voor de positionering van de dorpen zijn waarschijnlijk geïnspireerd op de centrale plaatsen theorie van de Duitse geograaf W. Christaller. De hoofdplaats, Emmeloord, werd in het midden van de polder gepositioneerd. Om Emmeloord werd een krans van kleinere dorpen op fietsafstand van elkaar gesitueerd. Om per dorp een sociale gemeenschap te laten groeien kreeg ieder dorp eigen voorzieningen. In de plannen voor de dorpen is men uitgegaan van een brink, drie kerken, drie scholen, een dorpsbos en een winkel- of voorzieningencentrum. De boerderijen liggen verspreid in de polder langs de wegen. Bewust werd gekozen voor het groeperen van boerderijen in clusters van twee, drie of vier erven. Bij grote bedrijven werden arbeiderswoningen aan deze clusters gekoppeld.

Deze clustering paste bij het ideaal om hechte sociale verbanden te creëren: men verwachtte dat de dit het onderlinge contact zou stimuleren. Ook had clustering financiële voordelen: er zou bijvoorbeeld maar één brandkraan en één transformator nodig zijn.

De polder is opgebouwd uit ringen en radialen.Vier monumentale radiale lijnen vormen het assenkruis: de verbinding van het middelpunt van de polder (Emmeloord) met de ‘buitenwereld’. Het assenkruis is niet eenduidig van opbouw, maar bestaat meestal uit een vaart (die uitmondt in een sluis en poldergemaal) en een hoofdweg, die van elkaar gescheiden zijn door een dichte beplantingsstrook. Ook maakt een beplante parallelweg onderdeel uit van deze zone. De dijkring om de polder heeft geen ontsluitingsfunctie. De Noordoostpolder is niet op het buitenwater georiënteerd, maar op het middelpunt: Emmeloord. Een tweede ring wordt gevormd door de dorpenringweg: de verbinding tussen de dorpen binnen de polder.

Wederopbouwgebieden: Noordoostpolder

Algemeen beplantingsplan 1947, directie van de Wieringermeer)

13 —

14 —

Wederopbouwgebieden: Noordoostpolder

Massa-ruimte De robuuste dijken langs het IJsselmeer en Ketelmeer vormen harde randen, die bijdragen aan de beslotenheid van de polder. Deze dijken zelf zijn georiënteerd op herkenningspunten op het ‘oude’ land, zoals kerktorens en het Woudagemaal. Aan de oostzijde wordt de meer besloten rand gevormd door de aanhechting op het vaste land. Het middengedeelte van de polder heeft een open en agrarisch karakter. De meeste polderwegen zijn beplant met één of meer rijen laanbomen die de polder ruimtelijk opdelen. Er is steeds een vaste maat van 1600 meter (twee kaveldieptes) tussen twee parallelle polderwegen gehanteerd. Hierdoor zijn kamers ontstaan van min of meer gelijke grootte en is de ervaring van de maat van de ruimte ongeveer gelijk. Uitzondering op het open, agrarische landschap vormen de recreatiebossen die zijn aangelegd op bodems die ongeschikt waren voor landbouw. De randen van de landschappelijke kamers zijn transparant: vanaf de wegen is het agrarisch land veelal beleefbaar. Het assenkruis is een zone die door zijn maat (800 meter breed: één kaveldiepte) verschillend is van de overige ruimtes in de polder. De polderranden zijn, ten opzichte van het open middengebied, relatief dicht.

Dit kwam voor een deels voort uit de ondergrond en het zoeken naar beschutting tegen de wind, maar had ook te maken met de maatschappelijke opvattingen (zoals overzichtelijkheid en een zeker mate van beslotenheid). Het aanwijzen van tuinbouwgebieden tussen de dorpenringweg en de zuidoostrand van de polder heeft ook bijgedragen hier een meer verdichte rand is ontstaan. De agrarische erven hebben vrijwel dezelfde maat en vorm: 100 x 100 meter of 80 x 100 meter. De erven liggen meestal in de hoek van de kavel. Zo ontstond een maatverhouding van 1:2 met 100 meter erf ten opzichte van 200 meter open kavel.

Besloten polder door dijken, dijken gericht op oriëntatiepunten op het land

Kernkwaliteiten uit Wederopbouwperiode: − Polder als geheel vormt besloten ruimte. − Dijken gericht op oriëntatiepunten op vaste land. − Kamers van min of meer gelijke grootte, met transparante randen. − Vaste maat (1600m) tussen polderwegen. − Open middengedeelte – besloten.

Wederopbouwgebieden: Noordoostpolder

15 —

16 —

Wederopbouwgebieden: Noordoostpolder

Verkaveling De basis van de verkaveling in de Noordoostpolder wordt - net al bij de andere Zuiderzeepolders- gevormd door een regelmatig raster. Het modulaire systeem van het regelmatige verkavelingsraster en de regelmatige spreiding van agrarische erven is karakteristiek en duidelijk herkenbaar in de Noordoostpolder. De kavels hebben veelal de ideale maat van 800 meter diep en 300 meter breed. Deze kavelgrootte geeft de toenmalige stand van de (drainage)techniek weer. De vaste kavelmaat is vanuit de randen en hoofdvaarten uitgezet met de kavelrichting haaks op de polderrand. Hierdoor is een spinnenwebstructuur met verschillende kavelrichtingen ontstaan en komt rond Emmeloord een waaier van agrarische blokken samen. In het terrein zelf zijn de verschillende kavelrichtingen niet duidelijk waar te nemen, omdat de verkaveling altijd loodrecht op de polderwegen ligt en het landschap vanaf de wegen wordt beleefd. Door de oriëntatie van de verkavelingen vormen de randen van de polder vormen aparte zones. Aan de oostelijke zijde van de polder is sprake van een ‘rafelrand’ vanwege de aanhechting op het vaste en ‘oude land’. De diepte van de kavels varieert hier. Kernkwaliteiten uit Wederopbouwperiode: − Regelmatig kavelpatroon. − Modulair systeem. − Vaste kavelmaat. − Randen aparte zones. − Oriëntatie/richting op de randen, hoofdvaarten.

Verkaveling in een vaste maat

Wederopbouwgebieden: Noordoostpolder

17 —

18 —

Wederopbouwgebieden: Noordoostpolder

Ontsluiting Het wegenpatroon is hiërarchisch opgebouwd. Er zijn vier lagen te onderscheiden: − 1e: De hoofdontsluiting (vier verbindingswegen) die deel uitmaken van het ‘assenkruis’; ze verbinden de polder met de buitenwereld. − 2e: Rond Emmeloord is een dorpenringweg aangelegd. Alle dorpen (inclusief Schokland, maar met uitzondering van Rutten) liggen aan deze weg. − 3e: De hoofdwegen − 4e: Het wegensysteem in de polder bestaat uit een raster van polderwegen met een ruimtemaat van 1600 meter tussen twee parallel liggende wegen. De ontsluitingswegen lagen naast de dorpen: zij gingen niet dwars door de dorpen heen. Kernkwaliteiten uit Wederopbouwperiode: − Hiërarchie in wegen. − Concentrisch systeem. − Radiale hoofdontsluiting, assenkruis. − Ringweg langs de dorpen. − Hoofdontsluiting niet door de dorpen heen, maar er langs. − Lange rechte (polder)wegen. − Vaste maat – afstand polderwegen. Hiërarchisch systeem van wegen

Wederopbouwgebieden: Noordoostpolder

19 —

20 —

Wederopbouwgebieden: Noordoostpolder

Water Het watersysteem is in de periode 1932 – 1942 ontworpen en is net als het wegenpatroon hiërarchisch opgebouwd. Er zijn vier lagen te onderscheiden: − 1e: drie radiale hoofdwatergangen − 2e: dorpsvaart − 3e: poldertocht − 4e: kavelsloot De drie hoofdwatergangen waren nodig voor een goede afwatering en het in ontginning brengen van de Noordoostpolder. Ze lopen vanuit het middelpunt van de polder naar de drie gemalen en sluizen bij Lemmer, Urk en Vollenhove aan de randen van de polder. Ze maken, net als de hoofdwegen, deel uit van het eerder genoemde ‘assenkruis’. De hoofdwatergangen verdelen de polder in drie segmenten en hebben elk een peilvak met eigen peilbeheer. Alle dorpen waren gelegen aan een vaarverbinding (een hoofdwatergangen of een dorpsvaart). Hierlangs had elk dorp een eigen loswal. De vaarverbindingen zijn herkenbaar aan de hoge bruggen. De overige watergangen zijn de poldertochten en de kavelsloten. Zij vormen een regelmatig patroon met vaste afstanden. Kernkwaliteiten uit Wederopbouwperiode: − Hiërarchisch watersysteem. − Drie radiale hoofdwatergangen inclusief gemalen. − Dorpsvaarten, poldertochten en kavelsloten. − Regelmatig patroon van watergangen. − Hoge bruggen over de vaarverbindingen. − Loswal in ieder dorp.

Hiërarchisch systeem van watergangen

Wederopbouwgebieden: Noordoostpolder

21 —

22 —

Wederopbouwgebieden: Noordoostpolder

Groen Het beplantingsplan ontstond na het opstellen van het verkavelingsplan en de infrastructuur. Diverse bureaus maken hiervoor vanaf 1938 ontwerpen, zoals J.T.P. Bijhouwer, C. Pouderoyen, M.J. Granpré Molière en Piet Verhagen. Het definitieve Landschapsplan dateert van 1947. In de beplanting is de concentrische opbouw herkenbaar. Globaal zijn drie schalen te onderscheiden: polderschaal, dorpsschaal, en de schaal van afzonderlijke boerenerven (erfbeplanting). In het oorspronkelijke polderontwerp werd recreatie in het open agrarische landschap niet als aantrekkelijk gezien. Daarom werden recreatievoorzieningen gesitueerd in de beplanting. Het groen werd ook gezien als belangrijke kwaliteit voor de leefomgeving. De hoofdwegen en hoofdvaarten kregen een zware beplanting. De hoofdvaarten worden aan één zijde door een bossingel begeleid. Waar langs de weg op één zijde een vaart ligt, zijn tussen water en weg bosstroken aangelegd. Smalle bossingels werden onder meer aangelegd langs de ringwegen. De dorpenringweg had volgens het ontwerp zwaarder beplant moeten worden dan de overige wegen; dit is echter niet altijd consequent gebeurd. Langs de overige wegen bracht lichtere beplanting een onderverdeling aan. In het oorspronkelijke beplantingsplan is bij de keuze voor boomsoorten de concentrische opbouw terug te zien.

Voor de weg- en erfbeplanting werden boomsoorten zoals es, iep, populier en eik toegepast. Veelal werd de beplanting in eerste instantie in een hogere dichtheid aangeplant om deze later weer uit te dunnen. Langs de rand van de polder, langs doorgaande wegen, en als erfafscheidingen werden schermen van bomen met een windkerende functie aangelegd. Op die manier werd de vlakte in ruimtelijke compartimenten verdeeld en werden wegen zichtbaar. De keuze om een wegbeplanting uit te voeren als eenzijdige beplanting of als laan hing af van de bezonning en van de mate waarin bomen schaduw werpen op

de landbouwgrond. Hierdoor valt de hiërarchie in beplanting niet altijd samen met de functionele hiërarchie van de wegen. Langs de noordwest rand van de polder was het oorspronkelijk de bedoeling om een dichte beplanting te realiseren, onder andere door de aanleg van hagen op de kavelgrenzen, als beschutting tegen de wind. Dit is echter niet gerealiseerd. De essen en populieren zijn inmiddels vaak vervangen voor andere boom soorten, zoals de eik. Rondom alle dorpen is een groene wal voor beschutting en recreatie aangebracht. De dorpen zijn door deze groene mantel afgeschermd van de open polder. Hierin zijn recreatie- en sportvoorzieningen aangebracht en een voetpad rond het dorp. Ook het oorspronkelijke bedrijventerrein grensde meestal met één kant aan de groene wal. Verder zijn de dorpen voorzien van een landschappelijke binnenruimte (dorpsweide of groene as). De geclusterde agrarische erven vormen als het ware groene eilanden in het open landschap. De erven worden aan drie zijden omzoomd door een erfsingel. Aan de kant van de openbare weg is het erf transparant begrensd. De soortenkeuze van de erfbeplanting is afgestemd op de soortenkeuze van de wegbeplantingen ter plaatse.

Kernkwaliteiten uit Wederopbouwperiode: − Concentrische en hiërarchische structuur. − Recreatiebossen op ongeschikte landbouwgronden. − Groene mantel rondom dorp. − Laanbeplanting langs wegen. − Geclusterde erven met erfbeplanting.

Erven als groene eilanden in het open landschap

Wederopbouwgebieden: Noordoostpolder

23 —

24 —

Wederopbouwgebieden: Noordoostpolder

Bebouwing De hoofdkern Emmeloord ligt in het midden van de polder en heeft een centrumfunctie. Het oorspronkelijke plan voor Emmeloord dateert van vóór de Wederopbouwperiode; het definitieve ontwerp werd gemaakt door Pouderoyen in de periode 1942-1948. De stad verschilt van de dorpen door de grotere ruimtelijke complexiteit en de aanwezigheid van een regionaal winkelcentrum. Het centrumgebied wordt omringd door kleinschaliger woonwijken. Midden in Emmeloord is de Poldertoren gerealiseerd. Deze staat in het exacte middelpunt van de polder en vormt een duidelijk zichtbaar en herkenbaar baken. Er is bewust voor een niet-kerkelijke toren gekozen, omdat geen van de kerken over de ander mocht domineren. De poldertoren kreeg als hoogste toren van de Noordoostpolder de functie van watervoorziening. Rondom Emmeloord is een kring van tien dorpen gerealiseerd (van groot naar klein): Marknesse, Ens, Luttelgeest, Nagele, Tollebeek, Rutten, Creil, Kraggenburg, Bant en Espel. De dorpen liggen op een regelmatige afstand van elkaar en de samenhang tussen de dorpen is groot. Wel heeft ieder dorp zijn eigen karakteristiek door de specifieke ligging in de polder, de manier waarop het dorp aan de dorpenring ligt en de inzet van verschillende architecten. Vooral Nagele heeft een duidelijke architectonische identiteit: dit dorp is ontworpen naar de ideeën van het ‘nieuwe bouwen’.

Het dorp heeft een functioneel modern ontwerp met veel groene en onbebouwde ruimte, woningen met platte daken, simpele rechthoekige vormen, grote ramen, industriële materialen en geveldelen in witte kleuren. De bebouwing in de andere dorpen heeft een overwegend behoudende architectuur van de Delftse School. In totaal werden bijna 1.800 boerenbedrijven in de polder geplaatst. Op grond van economische en sociale afwegingen werd geconcludeerd dat er verschillende bedrijfsgroottes nodig waren. In het Uitgifteplan werd gekozen voor een bedrijfsgrootte van 12 tot 48 hectare (een halve kavel tot 2 kavels).

Kernkwaliteiten uit Wederopbouwperiode: − Karakteristieke Wederopbouwboerderijen, met veelal gescheiden woonhuis en bedrijfsgedeelte, verbonden door een tussenlid (hals). Kop-hals-romp. − Verspreide, verspringende ligging langs de zogenaamde boerderijstraten − Betonnen plaatbruggen. − Gemaal de Welle (zie ook bij p.18 water).

Met de wijze van clustering van de agrarische erven is gevarieerd: clusters van 4, van 3 en van 2 erven komen voor, evenals solitair gelegen erven. Om bedrijfseconomische redenen werden de boerderijen meestal langs een weg en een kavelsloot geplaatst. Met de plaatsing van de woning ten opzichte van de schuur werd ingespeeld op de bezonning. Vaak bevindt de woning in zich in de voorzone van het erf met de gevel naar de weg. De schuur met een groot volume, een lage goot en een grote kap bevindt zich in de achterzone. De nutstuinen zorgden voor een geleidelijke overgang tussen de voortuin en het agrarische erf. Voor de boerderijen is een aantal standaardtypen gebruikt. Het type ‘montageschuur’ met een losse woning komt veel voor in de polder. Na de Tweede Wereldoorlog werd door gebrek aan bouwmaterialen gekeken naar andere bouwmaterialen dan baksteen. Daarom werd voor de schuren gekozen voor een montagebouwsysteem van schokbetonelementen. Daarnaast komt ook de Zeeuwse langgevelboerderij (waarbij woning en schuur één bouwkundig geheel vormen) en de Wieringermeerboerderij (waarbij huis en schuur aan elkaar vastzitten) voor. In het oosten komen tuinderswoningen (woonhuizen met opslaggebouwen) voor. Vooral de kleinere boerenbedrijven hadden kenmerken van de herkomstgebieden

Typische Wederopbouwboerderij

van de pioniers. Ook komt de Oostenrijkse Noodwoning in de Noordoostpolder voor: zowel in de dorpsranden als woning op een erf met montageschuur. De woningen voor de landarbeiders werden verspreid over de polder aangelegd en zijn meestal gekoppeld aan de clusters van erven. Enkele arbeiderswoningen liggen los van de erfclusters. De arbeiderswoningen vormen een rijtje van drie of vier woningen en liggen meestal aan de noordzijde van de weg. Vanwege de bezonning hebben de woningen een diepe voortuin aan de wegzijde en een ondiepe achtertuin die begrensd wordt door een erfsingel.

Wederopbouwgebieden: Noordoostpolder

25 —

26 —

Wederopbouwgebieden: Noordoostpolder

Bijzondere elementen De oude zeedijk, de eilanden Urk en Schokland en Oud Kraggenburg zijn behouden gebleven als relicten in het landschap. Rond het voormalige eiland Schokland wordt het strakke verkavelingspatroon doorbroken. Door middel van beplanting zijn de contouren van Schokland zichtbaar gemaakt. Omdat de Noordoostpolder geen randmeer heeft, grenst de polder aan de oostzijde direct aan de voormalige zeedijk tussen Lemmer en Blokzijl. De randen van de polder hebben daardoor een heel verschillend karakter gekregen. Deze oude zeedijk heeft - in tegenstelling tot de nieuw aangelegde dijken - een kronkelig verloop en vormt de grens tussen het oude en jonge cultuurlandschap. Kernkwaliteiten behouden in Wederopbouwperiode: − Oude zeedijk − Urk en Schokland − Aanhechting oud land − Oud Kraggenburg − Waterloopbos

Contouren van voormalig eiland Schokland zichtbaar in het landschap

Wederopbouwgebieden: Noordoostpolder

27 —

28 —

Wederopbouwgebieden: Noordoostpolder

Huidige situatie De bij de inrichting van de polder toegepaste basisprincipes zijn ruimtelijk nog herkenbaar. De oorspronkelijke concentrische opbouw met een hoofdkern en een kring van kleine dorpen is nog altijd aanwezig. Wel zijn de kernen – en met name Emmeloord – gegroeid. Vaak is bij dorpsuitbreidingen opnieuw een groene wal aangelegd. Recent worden ook dorpsuitbreidingen zonder groene dorpswal gerealiseerd. Bedrijventerreinen groeiden tot buiten de groene wal en er zijn nieuwe bedrijventerreinen in het open landschap ontwikkeld. Rondom Luttelgeest en Ens heeft schaalvergroting in de tuinbouw plaatsgevonden en zijn glastuinbouwcomplexen ontwikkeld waardoor het landschap hier minder open is. De poldertoren is niet langer meer in gebruik als watertoren en is sinds 2014 aangewezen als Rijksmonument. De grootste verandering in het wegenpatroon is de aanleg van de autosnelweg A6 in de jaren ’70. Deze weg doorsnijdt ten noorden van de Ketelbrug het polderpatroon en ligt verder gebundeld met de noord-zuidlijn van het assenkruis van de polder. Naast de vier hoofdradialen van het assenkruis hebben meer polderwegen een doorgaande functie gekregen. Verder is op diverse plaatsen de verkeersinfrastructuur verbreed, uitgebreid en zijn langs drukke wegen fietspaden aangelegd.

Door wegverbreding van de dorpenringweg en de toevoeging van een fietspad is hier geen monumentale laanbeplanting waardoor de inrichting is gefragmenteerd is. Dit doet afbreuk aan de herkenbaarheid van de dorpenringweg. De Kuindervaart is door de aanleg van de A6 van de rest van het vaarnetwerk afgesneden. Behalve in Rutten en Kraggenburg worden de dorpsvaarten en loswallen nauwelijks meer gebruikt. Het waterschap past oevers van waterlopen aan (zoals de aanleg van natuurvriendelijke oevers). In 2016 is het Waterloopbos aangewezen als Rijksmonument.

Het middengebied van de polder kent nog altijd het regelmatige, agrarische verkavelingspatroon en open karakter. In de loop van de tijd zijn nieuwe functies toegevoegd. Zo loopt er een hoogspanningsleiding door de polder, zijn er op diverse plaatsen windturbines toegevoegd (waaronder een Windmolenpark langs de IJsselmeerkust). Op een aantal plekken is agrarische grond omgezet naar natuur. Ook zijn er verspreid over de polder recreatieve voorzieningen toegevoegd door transformatie van voormalige erven en door toevoeging van nieuwe elementen zoals een recreatief fietspad en recreatie- en natuurgebied de Wellerwaard. Windmolenpark langs IJsselmeerkust

Een aantal boerderijerven is uitgebreid en er zijn bedrijfsgebouwen toegevoegd. Hierdoor verdwijnen de vaste maatverhoudingen van de ervenclusters en zijn op diverse plaatsen uitbreidingen zichtbaar buiten de erfbeplanting. Ook heeft een aantal boerderijen een woonbestemming gekregen. Moestuinen en boomgaarden zijn vaak van het erf verdwenen. Omdat de arbeiderswoningen naar de huidige maatstaven klein zijn is er een tendens om woningen te combineren. Ondanks deze autonome ontwikkelingen zijn de kernkwaliteiten uit de Wederopbouwperiode zijn nog goed zichtbaar en herkenbaar, zoals het volgende kaartbeeld laat zien. Agrarische schaalvergroting

29 —

Wederopbouwgebieden: Noordoostpolder

glastuinbouw

A6

hoogspanning sli

jn

windmolenpark

wellerwaard

glastuinbouw

uitbreiding na 1970

30 —

Wederopbouwgebieden: Noordoostpolder

Kernkwaliteiten De idealen van de Wederopbouwperiode zoals de modernisering van de landbouw en de heersende opvattingen over het inrichten van nieuw land hebben een sterke invloed gehad op de inrichting van de Noordoostpolder. De inrichting van de polder wordt gekenmerkt door een concentrische en hiërarchische opbouw. De centrale verzorgingskern Emmeloord ligt in het midden van de polder met hieromheen een kring van dorpen om regelmatige afstand van elkaar. De poldertoren staat in het midden van de polder en vormt een oriëntatiepunt. Het wegen, water- en groenpatroon is hiërarchisch ingericht met radiale lijnen als hoofdstructuur. Tevens karakteristiek voor de Noordoostpolder is het modulaire systeem van het regelmatige verkavelingsraster en de regelmatige spreiding van agrarische erven. De kavels hebben veelal de vaste maat van 800 meter diep en 300 meter breed. De randen vormen aparte zones. De polder wordt aan de west- en zuidkant omsloten door een robuuste polderdijk. Aan de oostkant is bij de aanhechting op het oude land een rafelrand ontstaan. De boerderijen zijn veelal in groepen van 2, 3 of 4 geclusterd. De erven zijn voorzien van een erfsingel. Soms is aan een ervencluster een perceel met een rijtje arbeiderswoningen toegevoegd, waardoor de arbeiderswoningen verspreid over het buitengebied zijn gesitueerd.

Op een slechte ondergrond is gereageerd door de aanleg van recreatiebossen. Om elk dorp is voor beschutting en recreatie een groene mantel aangelegd. De voormalige eilanden Urk en Schokland liggen als relicten in de polder.

Massa-ruimte

groen

− Polder als geheel vormt besloten ruimte. − Dijken gericht op oriëntatiepunten op vaste land. − Kamers van min of meer gelijke grootte. − Vaste maat (1600m) tussen polderwegen. − Open middengedeelte – besloten randen.

− Concentrische en hiërarchische structuur. − Recreatiebossen op ongeschikte landbouwgronden. − Groene mantel rondom dorp. − Laanbeplanting langs wegen. − Geclusterde erven met erfbeplanting.

verkaveling

bebouwing

− Regelmatig kavelpatroon. − Modulair systeem. − Vaste kavelmaat. − Randen aparte zones. − Oriëntatie/richting op de randen, hoofdvaarten.

− Emmeloord als centrale verzorgingskern − Kring van dorpen rondom, op regelmatige afstand van elkaar − Ervenclusters − Wederopbouwboerderijen en montageschuren, met kenmerkende architectuur − Arbeiderswoningen bij de boerderijen − Poldertoren

ontsluiting

− Hiërarchie in wegen. − Concentrisch systeem. − Radiale hoofdontsluiting, assenkruis. − Ringweg langs de dorpen. − Hoofdontsluiting niet door de dorpen heen, maar er langs. − Lange rechte (polder)wegen. − Vaste maat – afstand polderwegen. water

− Hiërarchisch watersysteem. − Drie radiale hoofdwatergangen inclusief gemalen. − Dorpsvaarten, poldertochten en kavelsloten. − Regelmatig patroon van watergangen. − Hoge bruggen over de vaarverbindingen. − Loswal in ieder dorp.

behouden bijzondere elementen

− Oude zeedijk − Urk en Schokland − Aanhechting oud land − Oud Kraggenburg − Waterloopbos

Wederopbouwgebieden: Noordoostpolder

31 —

Bronnen: Berendsen, H. J. A. (2005): Landschap in delen. Overzicht van de geofactoren. Blom, A. (red.) (2013): Atlas van de Wederopbouw Nederland 1940-1965, ontwerpen aan Nederland. Feddes|Olthof (2012). Landschapsvisie Noordoostpolder. Landschap van rust en regelmaat. H+N+S Landschapsarchitecten (2003). Toekomstvisie gemeente Noordoostpolder 2030, ruimte voor kwaliteit. H+N+S, (2014): Wederopbouwgebied Ruilverkaveling Beltrum. Analyse en aanbevelingen. KuiperCompagnons (2013). Structuurvisie Noordoostpolder 2025. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (2011) Ruilverkaveling. Gids Cultuurhistorie 18 , 2011. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2015: Beltrum I. Een landelijk gebied van nationaal belang. Van De Bergh , S. (2009): Verdeeld land. De geschiedenis van de ruilverkaveling in Nederland vanuit een lokaal perspectief, 18901985. Wetenschappelijke Raad voor het regeringsbeleid. De functies van de verzorgingsstaat.Geraadpleegd via: http://www.wrr.nl/ publicaties/samenvattingen/samenvatting-deverzorgingsstaat-herwogen/2-de-functies-vande-verzorgingsstaat/. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: Wederopbouwgebieden. Geraadpleegd via: http://erfgoedmonitor.nl/ onderwerpen/wederopbouwgebieden www.canonnoordoostpolder.nl www.flevolanderfgoed.nl www.noordoostpolder.nl http://schatkamer.nai.nl/nl/projecten/ noordoostpolder

Colofon

Gebiedsdocument Noordoostpolder Samenstelling en tekst: Land-id Afbeeldingen en foto’s: zijn afkomstig van Land-id tenzij anders vermeld. De tekeningen en het kaartmateriaal zijn vervaardigd door Land-id. Coverfoto: Land-id Ontwerp: Tegenwind grafisch ontwerp Bij het tot stand komen van deze publicatie is zoveel mogelijk getracht toestemming te krijgen voor het beeldgebruik van de oorspronkelijke rechthebbenden of hun uitgevers. Indien een rechthebbende denkt aanspraak te kunnen maken op een beeld, dan kunt u contact opnemen met InfoDesk info@cultureelerfgoed.nl Er heeft geen nader gedetailleerd veldonderzoek plaatsgevonden in het kader van deze gebiedsbeschrijving. ©Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2016

De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed staat voor de bescherming van het roerende en onroerende erfgoed van nationaal belang. Met specialistische kennis stimuleert de dienst een goede zorg voor archeologie, monumenten, cultuurlandschap, beeldende kunst en kunstnijverheid. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed Smallepad 5 | 3811 MG Amersfoort Postbus 1600 | 3800 BP Amersfoort 033 – 421 7 421 | fax 033 – 421 7 799 info@cultureelerfgoed.nl www.cultureelerfgoed.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/2012/documents/33590