9.2 Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Drietorensweg 36-II te Ens’.pdf
Tekst van het document
DLVge
voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven). Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. Natura 2000-gebieden De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden).
Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door 'externe werking') op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een 'habitattoets' dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. Natuurnetwerk Nederland en overige bos- en natuurgebieden Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur / EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). 4.6.1
Dit plan
In het kader van de Wet natuurbescherming is een quickscan flora en fauna uitgevoerd door MBH consultant BV, die bestaat uit een literatuuronderzoek en een veldbezoek (bijlage 2). Aan de hand van de verzamelde informatie is bepaald welke effecten kunnen optreden op beschermde gebieden en soorten door het beoogde plan. Bij de beschrijving van het nieuwe plan staat: Het nieuwe plan bestaat uit slopen van de schuren op het perceel. De woning blijft staan. Op pagina 11 van het rapport is aangegeven welk vervolgonderzoek nodig is als de woning wordt gesloopt. Soorten Vogels met jaarrond beschermd nest Binnen het plangebied zijn geen sporen zoals ontlasting, braakballen of prooiresten waargenomen. Aangezien er volop alternatieven in de omgeving beschikbaar zijn, het plangebied relatief gering van formaat is en er geen sporen zijn aangetroffen betreft het met zekerheid geen essentieel jachtgebied van roofvogels. Er is voor deze soortgroep vervolg onderzoek nodig naar de huismus in de noordelijke schuur en het woonhuis en voor de gierzwaluw en de huismus in de zuidelijke schuur. Overige broedvogels In de omgeving van het plangebied zijn aangetroffen één witte kwikstaart (Motacilla alba). Er is geen nest gezien of nest indicerend gedrag waargenomen. Vleermuizen
26
Toelichting (ontwerp)
Landelijk gebied, Drietorensweg 36-II te Ens
DLVge
Alle vleermuissoorten worden beschermd door de Wet natuurbescherming. Het plangebied wordt daarom beoordeeld op de mogelijke waarde voor vleermuizen. Hierbij wordt beoordeeld of er in en in de directe omgeving van het plangebied potentieel belangrijke vliegroutes en/of foerageergebied aanwezig zijn, zoals bomenrijen, andere groene, lijn-vormige landschapselementen en (kleinschalige) weilanden en andere half open gebieden. Hierbij wordt tevens gelet op het aanbod van geschikt foerageergebied in de omgeving van het plangebied. Wanneer de schuren gesloopt gaan worden is vervolgonderzoek noodzakelijk naar de zomer-, kraam- en paarverblijven van de laatvlieger, dwergvleermuizen en de gewone grootoorvleermuis. Wanneer het woonhuis gesloopt gaat worden is er vervolgonderzoek noodzakelijk naar de zomer- en paarverblijfplaatsen van de dwergvleermuizen en laatvlieger. Grondgebonden zoogdieren Steenmarters komen veel voor in gebouwen. De opening in de muur van één van de schuren is voldoende voor de steenmarter om in het gebouw te komen. In de schuur is een kapot ei aangetroffen dat door een steenmarter geraapt kan zijn. Verder zijn er binnen geen sporen (prooiresten, haren, uitwerpselen, braakballen) gevonden van steenmarters. De Steenmarter kan ook schuilen onder de dakplaten die het dak bedekken. Hierdoor kan de soort op voorhand niet worden uitgesloten van het plangebied.
Flora Er zijn tijdens het veldbezoek in het plangebied geen beschermde plantensoorten aangetroffen. De schubvaren (Asplenium ceterach L.) komt voor op muren. Deze soort vestigt zich op kalkrijke droge plekken zoals uitstekende of ingesleten kalkhoudende cementvoegen. De voegen van de gebouwen zijn nog in voldoende goede staat dat de schubvaren zich hier niet kan vestigen. De schubvaren is ook niet waargenomen binnen het plangebied. Amfibieën Alle amfibieën hebben water in of zeer nabij hun leefomgeving nodig. Binnen het plangebied is geen permanent oppervlakte water aanwezig waardoor het niet verwacht wordt dat beschermde soorten voorkomen in en direct om de schuren. De rugstreeppad is een pionierssoort. Deze kan zich vestigen wanneer werkzaamheden beginnen. Het is geadviseerd om tijdens werkzaamheden het ontstaan van poelen water en open zand te voorkomen. Reptielen vissen en ongewervelden Er zijn in en rondom het plangebied geen waarnemingen gedaan van beschermde reptielen. Tijdens het veldbezoek is gebleken er in het plangebied geen permanent oppervlaktewater aanwezig is. Hierdoor kan de aanwezigheid van beschermde vissoorten worden uitgesloten. Door het ontbreken van waard- en nectar houdende planten binnen het plangebied is de aanwezigheid van beschermde vlindersoorten uitgesloten.
Andere beschermde soorten als de Europese rivierkreeft (Astacus astacus) en platte schijfhoren (Anisus vorticulus) zijn op het plangebied ook uit te sluiten. De resultaten van het onderzoek is zijn vastgelegd in rapport d.d. 04-08-2022 (Bijlage 4). Er dient altijd rekening gehouden te worden met de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb). Voor de opstallen binnen het plangebied, wordt aanvullend geadviseerd onderzoek naar: Woonhuis Jaarrondbeschermde nesten van de huismus Zomer- en paarverblijfplaatsen van de laatvlieger en dwergvleermuizen Schuren Jaarrond beschermde nesten van de gierzwaluw en de huismus Zomer-, kraam en paarverblijfplaatsen van de laatvlieger, gewone grootoorvleermuis en
Toelichting (ontwerp)
27
Landelijk gebied, Drietorensweg 36-II te Ens
DLVge
dwergvleermuizen Verblijven van de steenmarter Dit plan Gezien de enorme schommelingen van energieprijzen en de onzekere marktontwikkeling zal de uitbreiding niet op korte termijn plaatsvinden. De houdbaarheid van verspreidingsgegevens is aan een maximale periode gebonden. Voor zwaar beschermde soorten als vleermuizen geldt een bruikbaarheidperiode van circa 2-3 jaar. Zodra duidelijk is wanneer het beoogde plan wordt uitgevoerd, worden de aanvullende onderzoeken uitgevoerd, zodat eventuele ontheffingen kunnen worden aangevraagd en mitigrerende maatregelen kunnen worden uitgevoerd, voordat de sloopwerkzaamheden plaatsvinden. Stikstofdepositie Het plangebied bevindt zich op korte afstand van de Natura 2000-gebieden (figuur 7).
Figuur 7: Plangebied (groene cirkel) ten opzichte v an Natura 2000 gebieden
bron: Aeriuscalculator
Er is een Aeriusberekening gemaakt van de aanlegfase.
28
Toelichting (ontwerp)
Landelijk gebied, Drietorensweg 36-II te Ens
Figuur 8: Aeriusberekening en reslutaat RQj4oDjPGAv K (24 augustus 2023)
DLVge
bron: Aeriuscalculator
In de aanlegfase vindt geen stikstofdepositie plaats op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. In Bijlage 5 is de AERIUS berekening opgenomen. Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden.
4.7
Archeologie en cultuurhistorie
Erfgoedwet Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels uit de vorige wet- en regelgeving zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2023 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2019. Het gaat daarbij om de volgende zaken: Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie Bescherming van stads- en dorpsgezichten In de Erfgoedwet zijn archeologische resten beschermd. Wanneer de bodem wordt verstoord moeten archeologische resten intact blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. 4.7.1
Dit plan
Er geldt geen archeologische verwachtingswaarde in het plangebied. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in een ruimtelijk plan een beschrijving opgenomen moet worden van de manier waarop met de aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is
Toelichting (ontwerp)
29
Landelijk gebied, Drietorensweg 36-II te Ens
DLVge
gehouden. De inrichting van de Noordoostpolder is cultuurhistorisch belangrijk, en daarmee ook de inrichting van het groen. De erfsingels, de wegbeplanting en de dorpsbossen zijn groene landschappelijke karakteristieken. Door een bomenrij van eiken in een gemengde inheemse haag te plaatsen wordt er qua inrichting een kleinschalig traditioneel agrarisch erf nagestreefd. Na de Tweede Wereldoorlog kampte Nederland met een gebrek aan bouwmaterialen. De rijksoverheid vond een oplossing en importeerde woningen uit Oostenrijk die gefabriceerd werden door een firma in Wenen. In 1948 heeft het ministerie van Wederopbouw en Volkshuisvesting 100 van deze uit Oostenrijk geïmporteerde woningen aan de Noordoostpolder toegewezen. De Oostenrijkse woningen zijn nog steeds in de Noordoostpolder terug te vinden. Er werd een levensduur gegarandeerd van 50 jaar. In het plangebied staat thans een Oostenrijkse woning. Deze woning is inmiddels 75 jaar oud en helaas niet meer in goede staat. Behoud van de woning is in een veelvoud van opzichten niet haalbaar. Gedacht moet worden aan zaken als bouwveiligheid, bouwbesluitvoorschriften, brandveiligheid, omvang van de woning ten opzichte van de benodigde ruimte en ook zaken als isolatie- en energieprestatiecijfers. Het is daarom niet mogelijk om de woning in te passen in de plannen van initiatiefnemer.
Met de landschappelijke inpassing zoals in Bijlage 1 is weergegeven wordt qua inrichting een kleinschalig traditioneel agrarisch erf nagestreefd door de bomen in een gemengde inheemse haag te plaatsen. Conclusie Het plan vormt geen belemmeringen voor archeologie en cultuurhistorie.
30
Toelichting (ontwerp)
Landelijk gebied, Drietorensweg 36-II te Ens
Hoofdstuk 5
DLVge
Juridische planopzet
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze van bestemmen.
5.1
Algemeen
De Wro bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. Op de verbeelding (plankaart) zijn alle functies zodanig bestemd, dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. De regels geven duidelijkheid over de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de specifieke gebruiksregels. Navolgend wordt de systematiek, opbouw en indeling van de regels kort toegelicht. Het plan voldoet aan de landelijke standaard voor bestemmingsplannen: de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP 2012). 5.1.1
Inleidende regels
Conform de SVBP bevatten de inleidende regels artikelen met de begripsbepalingen en de wijze van meten. Begripsbepalingen zijn omschrijvingen van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. 5.1.2
Bestemmingsregels
In Bestemmingsregels zijn alle bestemmingen opgenomen met de daarbij behorende bestemmingsomschrijving. Waar noodzakelijk is gebruikgemaakt van aanduidingen om toegestaan gebruik nader te specificeren. De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies. bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding. 5.1.3
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin.
Toelichting (ontwerp)
31
Landelijk gebied, Drietorensweg 36-II te Ens
DLVge
Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Parkeerregeling: In deze regeling wordt geëist dat er voldoende parkeergelegenheid en laad- en losruimte op eigen terrein wordt gerealiseerd. 5.1.4
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet. Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.
5.2
Bestemmingen
In Hoofdstuk 2 zijn alle bestemmingen opgenomen met de daarbij behorende bestemmingsomschrijving. Waar noodzakelijk is gebruikgemaakt van aanduidingen om toegestaan gebruik nader te specificeren. Agrarisch - Glastuinbouw De voor Agrarisch aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor het agrarisch gebruik en het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke, geomorfologische en cultuurhistorische waarden.
32
Toelichting (ontwerp)
Landelijk gebied, Drietorensweg 36-II te Ens
Hoofdstuk 6 6.1
DLVge
Uitvoerbaarheid
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het ontwerpbestemmingsplan zal gedurende zes weken ter inzage worden gelegd. Gedurende deze periode worden ingezetenen en andere belanghebbenden in de gelegenheid gesteld om (mondeling of schriftelijk) zijn of haar reactie aan het college van burgemeester en wethouders bekend te maken. De ingediende inspraakreacties zullen te zijner tijd in dit hoofdstuk worden samengevat en van een beantwoording worden voorzien. In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening zal het ontwerpbestemmingsplan aan de gebruikelijke overleginstanties worden voorgelegd. Initiatiefnemer heeft omwonenden persoonlijk benaderd.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
De economische uitvoerbaarheid van een plan wordt in eerste instantie bepaald door de financiële haalbaarheid ervan. Daarnaast is de grondexploitatieregeling uit de Wro van belang voor de economische uitvoerbaarheid. Deze regeling bepaalt dat de gemeente de door haar gemaakte kosten kan verhalen. Het kostenverhaal heeft dus ook invloed op de haalbaarheid van het plan. De ontwikkeling betreft een particulier initiatief, waarmee de gemeente geen directe financiële bemoeienis heeft. Aangenomen wordt dat deze over de financiële middelen beschikt om het plan uit te kunnen voeren en alle kosten voor de uitvoering voor rekening neemt. In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de grondexploitatieregeling opgenomen om ruimere mogelijkheden te bieden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, woningbouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd.
De gemeente moet, volgens de grondexploitatieregeling in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de gemaakte gemeentelijke kosten verhalen op de initiatiefnemers van de ontwikkeling. Dit geldt overigens alleen wanneer sprake is van bouwplannen, zoals opgenomen in het Bro. Het bouwplan dat dit bestemmingsplan mogelijk maakt is aangemerkt als een bouwplan in de zin van het Bro. Het is daarom in beginsel verplicht om een exploitatieplan vast te stellen, tenzij het kostenverhaal anderszins verzekerd is. Er is een planschadeovereenkomst gesloten. Van het opstellen van een exploitatieplan wordt derhalve afgezien.
Toelichting (ontwerp)
33
Landelijk gebied, Drietorensweg 36-II te Ens
34
DLVge
Toelichting (ontwerp)
Landelijk gebied, Drietorensweg 36-II te Ens
DLVge
Bijlagen bij de toelichting
Toelichting (ontwerp)
35
Landelijk gebied, Drietorensweg 36-II te Ens
DLVge
Bijlage 1 Landschappelijke inpassing
36
Toelichting (ontwerp)
LANDSCHAPPELIJK INPASSINGSPLAN Drietorensweg 36-2 Ens
LANDSCHAPPELIJK INPASSINGSPLAN Drietorensweg 36-2 Ens
Tit e l:
Landschappelijk inpassingsplan Drietorensweg 36-2 Ens
P ro je ct lo ca t ie :
Drietorensweg 36-2 Ens
O p d ra ch t n e m e r:
GV Advies Middelweg 4 3281 KH Numansdorp
Au t e u r:
de heer G. (Geert) Vink 0627-119742 info@gvadvies.nl
Da t u m :
20 september 2023
Ve rs ie :
1.2
Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en GV Advies worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
LANDSCHAPPELIJK INPASSINGSPLAN - Drietorensweg 36-2 Ens
TOPOGRAFISCHE KAART
Het plangebied Plangebied is centraal gelegen aan de doorgaande weg Drietorensweg ten zuiden van Ens. Plangebied en verkaveling ligt parallel aan de N50 en kent een intensieve bedrijfsstructuur (kassen). Omgeving plangebied kenmerkt zich als intensief agrarisch gebied met glastuinbouw, bedrijfsbebouwing en woningen. Langs de Drietorensweg (rond de woningen) bevind zich erfbeplanting aan de wegzijde. GV Ad vie s Middelweg 4 3281 KH Numansdorp info@gvadvies.nl 06-27119742
Projectlocatie: Drietorensweg 36-2 Ens
Ontwerper: Omgeving plangebied
Datum:
20-9-2023
G. Vink
20-9-2023
Bladnr.:
1/7
LANDSCHAPPELIJK INPASSINGSPLAN - Drietorensweg 36-2 Ens
Afbeelding 1. AANGEZICHT PLANGEBIED (MEI 2019)
Afbeelding 2. AANGEZICHT PLANGEBIED (MEI 2019)
Afbeelding 3. AANGEZICHT PLANGEBIED (MEI 2019)
Afbeelding 4. AANGEZICHT PLANGEBIED (MEI 2019)
GV Ad vie s Middelweg 4 3281 KH Numansdorp info@gvadvies.nl 06-27119742
Projectlocatie: Drietorensweg 36-2 Ens
Afbeeldingen plangebied (opstallen en landschap)
Ontwerper: Datum:
20-9-2023
G. Vink
20-9-2023
Bladnr.:
2/7
LANDSCHAPPELIJK INPASSINGSPLAN - Drietorensweg 36-2 Ens Bestemming en zonering
Plangebied
Bron: Structuurvisie Noordoostpolder
GV Ad vie s Middelweg 4 3281 KH Numansdorp info@gvadvies.nl 06-27119742
Projectlocatie: Drietorensweg 36-2 Ens
Ontwerper: G. Vink Bestemmingsplan en landschappelijke structuur plangebied Datum: 20-9-2023
20-9-2023
Bladnr.:
3/7
LANDSCHAPPELIJK INPASSINGSPLAN - Drietorensweg 36-2 Ens
GV Ad vie s Middelweg 4 3281 KH Numansdorp info@gvadvies.nl 06-27119742
Projectlocatie: Drietorensweg 36-2 Ens
Ontwerper: Ontwikkelingen (ontwerp)
Datum:
20-9-2023
G. Vink
20-9-2023
Bladnr.:
4/7
LANDSCHAPPELIJK INPASSINGSPLAN - Drietorensweg 36-2 Ens
La n d s ch a p p e lijke in p a s s in g Met de landschappelijke inpassing wordt aansluiting gezocht op de omgeving waarin (bedrijfs-) bebouwing parallel aan de doorgaande weg is gesitueerd en de ruimte als kleinschalig erf is ingericht. Daarnaast geeft dit een kwalitatieve impuls aan het voorerf van plangebied gelegen op korte afstand van de Drietorensweg. De ingtekende boomstructuur (eikenbomen) sluit aan bij de bestaande boomstructuur die reeds langs de Drietorensweg aanwezig is en neemt een groot deel van het zicht op de uitbreiding weg zonder hierbij een masale groenstrook te realiseren. Door de bomen in een gemengde inheemse haag te plaatsen wordt er qua inrichting een kleinschalig traditioneel agrarisch erf nagestreefd.
Schaal 1: 500
Met de opgenomen inrichtingsmaatregelen en de beplantingskeuze ontstaat er langs de Drietorensweg een ecologisch aantrekkelijke voorerf met onderbegroeiing onder de bomenrijen. De maatregelen breken het zicht op de kassenstructuur en het levert een geleidelijke overgang van de Drietorensweg naar de bedrijfsbebouwing.
D.
De toegepaste (haag)beplanting zal met behulp van frequent beheer (scheren van hagen) gesloten en op specifieke hoogte blijven.
A.
D.
Le g e n d a A. Uitbreiding bedrijfsbebouwing B. Bestaande bedrijfsbebouwing C. Bestaande (bedrijfs-)woning D. Parkeerplaatsen (nieuw, 60 plaatsen)
C. Gemengde geschoren inheemse haag (westzijde, 80 - 100 cm. hoog)
B.
(laan-)Bomenrij (eikenbomen)
C. B
Plangebied
B
GV Ad vie s Middelweg 4 3281 KH Numansdorp info@gvadvies.nl 06-27119742
Projectlocatie: Drietorensweg 36-2 Ens
Ontwerper: Landschappelijke inpassing (maatregelen)
Datum:
20-9-2023
G. Vink
20-9-2023
Bladnr.:
5/7
LANDSCHAPPELIJK INPASSINGSPLAN - Drietorensweg 36-2 Ens
Sorbus aucuparia
Ligustrum ovalifolium
Amelanchier lamarckii
Prunus spinosa
Coryllus avellana
Quercus robur
GV Ad vie s Middelweg 4 3281 KH Numansdorp info@gvadvies.nl 06-27119742
Projectlocatie: Drietorensweg 36-2 Ens
Detailleringen (aantallen, plantafstanden en referentiebeelden)
Ontwerper: Datum:
20-9-2023
G. Vink
20-9-2023
Bladnr.:
6/7
LANDSCHAPPELIJK INPASSINGSPLAN - Drietorensweg 36-2 Ens
Algemeen
Heesters
Keuze Beplanting in onderhavig inpassingsplan is geselecteerd op basis van inheemse soorten. Deze soorten komen van oorsprong in de regio voor waarmee er enerzijds een bijdrage wordt gegeven aan de oorspronkelijke uitstraling van de regio en anderzijds betreft dit plantmateriaal wat past bij de groeiomstandigheden uit het gebied.
Aanplant Zorg voor een ruim plantgat en grond waar de wortels goed in kunnen doordringen. Als je in lichte grond (zandgrond) plant is het goed dat te verbeteren door organisch materiaal (compost/vochtige potgrond) door de uitgegraven grond te mengen. Door zware kleigrond kun je fijn grind of grof zand mengen. Dat bevordert de drainage.
Keurmerk Bij de keuze van beplanting is het mogelijk om de keuze te maken voor autochtoon plantmateriaal. Deze keuze wordt aanbevolen omdat hiermee meer duurzaam plantmateriaal wordt aangeschaft. Het is mogelijk dat de beplanting in onderhavig plan niet met autochtoon keurmerk leverbaar is, er kan dan worden gekozen voor regulier plantmateriaal.
Beheer Zorg de eerste drie jaar na aanplant dat er geen concurrentie komt door de groei van onkruid. Hiervoor wordt geadviseerd om handmatig de beplantingstrook te schoffelen.
Ontvangst Beplanting moet altijd weer zo snel mogelijk na ontvangst geplant worden. Mocht dit niet mogelijk zijn dan is het raadzaam beplanting tijdelijk met de wortels in zand te planten. Dit mag waar mogelijk gebundeld, doel is dat de wortels geen kans lopen uit te drogen.
Hagen
Bescherming tegen vraat Bescherm bomen, vruchtbomen, hagen en singels goed door op ruime afstand van beplanting gaas te spannen of een hekwerk te plaatsen.
Aanplant algemeen De voorkeur van aanplant gaat uit naar de rustperiode van beplanting (november-februari) waarbij het van belang is dat aanplant in een vorstvrije periode plaatsvind. Zorg voor aankoop dat betreffende plantlocatie vrij is van beplanting en plantklaar is. Hierbij gaat het erom dat de plantlocatie is gespit/gefreesd. Dit bevordert het gemak tijdens de aanplant. Volg bij de aanplant de plantafstand en het plantverband zoals opgenomen in onderhavig plan om te komen tot een evenwichtig en gezond eindbeeld van de beplantingstrook. Maak een royaal plantgat dat ook onderin goed wordt losgemaakt. Planten met een kale wortel zet je net zo diep als ze bij de kweker gestaan hebben. Dit kun je zien aan de verkleuring op de bast. Vaak is de stam groenachtig en de wortel roodbruinig. De overgang hiertussen is de wortelhals. Dat is de diepte die de beplanting moet krijgen. Na het planten moet de grond aangetrapt worden en moet de plant iets omhoog getrokken worden zodat het zand goed tussen de wortels komt. Niet te hard de grond aanstampen want dat zorgt ervoor dat de kieming van de wortels vertraagt.
De periode waarin gesnoeid wordt hangt af van de doelstelling van de beplanting. Gangbare perioden zijn 5-10 jaar of 10-15 jaar (afhankelijk van de soort).
Aanplant Een gemengde haag heeft meerdere voordelen ten opzichte van beukenhagen of coniferenhagen: ·Een gemengde haag draagt optimaal bij aan de biodiversiteit. ·Een gemengde haag geeft een meer gevarieerd beeld in het landschap. ·Een haag welke bestaat uit één soort is extra gevoelig voor plagen en ziekten. In een gemengde haag kan een plaag of ziekte zich minder makkelijk uitbreiden. Verdeel eerst het plantmateriaal over de gehele lengte. Bevochtig de wortels, zet het plantsoen in de sleuf met de wortels goed uitgespreid. Schud tijdens het vullen het plantsoen iets om de aarde goed om de wortels te laten sluiten. Snoei vervolgens na het planten direct 1/3 van de hoogte van de hagen terug (dus 2/3 laten staan). Door in de beginjaren een haag regelmatig te knippen ontstaat een dicht vertakte haag. Wordt met het knippen te laat begonnen dan ontstaat er een brede slappe haag die kaal van onderen is. Door hagen van boven iets smaller te houden dan onderin komt er lager in de hagen ook voldoende licht bij, dit voorkomt kaal worden. Beheer Afhankelijk van het type haag wordt het beheer bepaald. Een beukenhaag moet bij voorkeur jaarlijks gesnoeid worden en bij een knip- en scheerheg mag dit eenmaal per twee jaar.
(Fruit-) bomen Aanplant
Beheer algemeen Na aanplant (gedurende het eerste jaar) is het noodzakelijk de beplanting voldoende water te geven. Dit is geheel afhankelijk van weertype en voorkomt sterfte van beplanting. Bij water geven moet je rekening houden met de verdamping. Een plant zonder blad verdampt bijna geen water en ook met donker en regenachtig weer verliest uw plant nauwelijks vocht. Bij hogere temperaturen en niet te vergeten schrale (oosten)wind verdampt uw plant veel meer en droogt dan snel uit. Het is dus belangrijk om dan goed water te geven. Let wel: overmatig water geven is ook niet goed. Het gevaar bestaat dan dat de plant aan de wortels gaat rotten.
GV Ad vie s Middelweg 4 3281 KH Numansdorp info@gvadvies.nl 06-27119742
Projectlocatie: Drietorensweg 36-2 Ens
Het is altijd aan te raden een boompaal te zetten. Deze moet niet in de bodem van het plantgat worden geslagen als de boom daar al staat. Dan beschadig je de wortels. Dus bij voorkeur wordt eerst het gat gegraven, en daarna wordt de boompaal in de bodem geslagen, daarna zet je de boom erbij. Spreid de boomwortels er omheen uit. Gebruik een paal van onbehandeld hout. De boompaal moet minimaal 75 cm in de grond komen te staan. Let hierbij op voor kabels en leidingen. De boompalen altijd plaatsen aan noordwest- en zuidoostzijde van de boom. De boom zal zo bij de meest voorkomende windrichtingen in de boomband hangen, wat voorkomt dat de bast langs de boompaal kapot schuurt. Beheer Belangrijk is dat de boom zolang hij jong is geen last van onkruidgroei bij zijn wortels heeft. Houd een ruime cirkel grond (een zogenaamde boomspiegel) rond de stam vrij van onkruid door het eerst goed te wieden en daarna de grond af te dekken met een bijvoorbeeld boombastsnippers.
Ontwerper: Aanleg- en beheeradvies (algemene adviezen)
Datum:
20-9-2023
G. Vink
20-9-2023
Bladnr.:
7/7
Landelijk gebied, Drietorensweg 36-II te Ens
DLVge
Bijlage 2 Bodemonderzoek
46
Toelichting (ontwerp)
Kwekerij Baas Verkennend bodem- en asbestonderzoek op de locatie aan de Drietorensweg 36-2 te Ens Projectnummer: 220868/lvh/sh Datum: 23 september 2022
Opdrachtgever Kwekerij Baas Enserweg 4 8307 PL ENS Hunneman Milieu-Advies Raalte BV Postbus 253 8100 AG RAALTE Tel: 0572-360998 E-mail: info@hunneman-milieu.nl
BRL-SIKB 2000
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING............................................................................................................................. 1
2
VOORONDERZOEK ............................................................................................................ 2
2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 3
VELD- EN LABORATORIUM ONDERZOEK .................................................................. 6
3.1 3.2 3.3 3.4 4
ONDERZOEKSAANLEIDING ................................................................................... 2 ACHTERGRONDINFORMATIE................................................................................. 2 HISTORISCHE INFORMATIE ................................................................................... 3 BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE ................................................................. 4 HYPOTHESE EN ONDERZOEKSSTRATEGIE ............................................................. 4 BETROUWBAARHEID ONDERZOEK ........................................................................ 5 VELDONDERZOEK ................................................................................................. 6 LABORATORIUM ONDERZOEK .............................................................................. 7 TOETSINGSCRITERIA EN ANALYSERESULTATEN NEN-PARAMETERS................... 7 TOETSINGSCRITERIA EN ANALYSERESULTATEN ASBEST ................................... 10
INTERPRETATIE ONDERZOEKSRESULTATEN ....................................................... 11
4.1 4.2 4.3 4.4
ASBESTONDERZOEK ........................................................................................... 11 VASTE BODEM EN GRONDWATER ....................................................................... 11 VASTE BODEM, AANVULLEND ONDERZOEK ....................................................... 12 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ...................................................................... 12
BIJLAGEN: 1 2 3 4 5
Kadastraal overzicht Boorbeschrijvingen Toetsingstabellen en analyserapporten vaste bodem, grondwater en asbest Monsternemingsplan en -formulier asbest Historische informatie
TEKENING 1-1 Situatie met monsterpunten, boringen en peilbuizen
_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________
1
INLEIDING
In opdracht van Kwekerij Baas is in augustus en september 2022, door Hunneman MilieuAdvies Raalte BV, een verkennend bodemonderzoek, in combinatie met een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd op de locatie aan de Drietorensweg 36-2 te Ens. Voor een kadastraal overzicht van de onderzoekslocatie en omgeving verwijzen wij naar bijlage 1. Het onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de voorgenomen transactie, bestemmingsplanwijziging en nieuwbouw op de locatie. Het onderzoek heeft tot doel een actueel en betrouwbaar inzicht te geven in de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Het veldwerk, de grond- en/of grondwaterbemonstering en het laboratoriumonderzoek is uitgevoerd conform de geldende beoordelingsrichtlijn “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek” BRL-SIKB 2000. Voor deze richtlijn is Hunneman Milieu-Advies Raalte BV in het bezit van een procescertificaat, welke is afgegeven door KIWA.
De van toepassing zijnde protocollen in dit onderzoek zijn: ☒ 2001: Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen ☒ 2002: Het nemen van grondwatermonsters ☐ 2003: Veldwerk bij milieuhygiënisch waterbodemonderzoek ☒ 2018: Maaiveldinspectie en monsterneming van asbest in bodem Het procescertificaat van Hunneman Milieu-Advies Raalte BV (certificaatnummer K26828) en het hierbij behorende keurmerk zijn uitsluitend van toepassing op de activiteiten inzake “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek”. Hunneman MilieuAdvies Raalte BV is geen eigenaar van de te onderzoeken percelen en is onafhankelijk van de opdrachtgever en/of terreineigenaar. Het rapport is als volgt ingedeeld: • Vooronderzoek • Veld- en laboratorium onderzoek • Interpretatie onderzoeksresultaten
Verkennend bodem- en asbestonderzoek, Drietorensweg 36-2 te Ens
(hoofdstuk 2); (hoofdstuk 3); (hoofdstuk 4).
1
_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________
2
VOORONDERZOEK
In de NEN-5725 zijn 7 aanleidingen tot vooronderzoek naar landbodems geformuleerd. Voor elke afzonderlijke aanleiding tot vooronderzoek dienen verschillende onderzoeksvragen te worden beantwoord. De verplicht te onderzoeken aspecten zijn per aanleiding omschreven in tabel 1. Tabel 1:
verschillende onderzoeksaspecten ONDERZOEKSASPECTEN
1. locatiegegevens
eigendomssituatie hoogteligging 2.bodemopbouw en bodemopbouw geohydrologie antropogene lagen in de bodem geohydrologie 3. verwachting t.a.v. de geval van ernstige bodemverontreiniging bodemkwaliteit kwaliteit o.b.v. BKK o.b.v. uitgevoerde bodemonderzoeken 4. gebruik/beïnvloeding van voormalig de locatie, verdachte huidig situatie, activiteiten, toekomst ongewoon voorval asbestverdacht 5. terreinverkenning voorafgaand aan de uitvoering
Aanleidingen tot vooronderzoek A
B
O
O
O O
C
D
E
F
O
G
A. bodemonderzoek, par. 6.2.1; E. opstellen/ actualiseren bodemkwaliteitskaart (Bbk), par. 6.2.5; F. gebruik bodemkwaliteitskaart (Bbk), par. 6.2.6; B. nul‐ en eindsituatieonderzoek, par. 6.2.2; G. inschatten van arbeidshygiënische risico’s, par. 6.2.7. C. bodemkwaliteitsklasse (Bbk), par. 6.2.3; D. partijkeuring, par. 6.2.4; Verplicht onderzoeksaspect. Indien niet van toepassing, wordt dit vermeld en gemotiveerd O Optioneel
2.1
Onderzoeksaanleiding
Het vooronderzoek is uitgevoerd conform de paragraaf 6.2.1 “opstellen hypothese bodemkwaliteit ten behoeve van een bodemonderzoek” uit de NEN-5725. Voor het vooronderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd: informatie verstrekt door de opdrachtgever; terreininspectie voorafgaand aan de veldwerkzaamheden; informatie Gemeente Noordoostpolder; informatie Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek; omgevingsrapportage informatie Provincie Flevoland www.bodemloket.nl; www.topotijdreis; Bagviewer; Kadaster; grondwaterkaart van Nederland. De onderzoeksvragen voor het opstellen van de onderzoekshypothese en de gekozen onderzoeksstrategie zijn, voor zover relevant, in de onderstaande paragrafen nader toegelicht. De relevante gegevens zijn opgenomen in bijlage 5. 2.2
Achtergrondinformatie
De onderzoekslocatie is gesitueerd aan de Drietorensweg 36-2 te Ens en staat kadastraal bekend als: gemeente Noordoostpolder, sectie C, nummer 3775. Op de locatie is een woonhuis en een werkplaats gesitueerd. Ter plaatse was tot 2017 een meubelmakerij gesitueerd. Het voornemen bestaat om op de locatie een nieuwe bedrijfsruimte te realiseren. De onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van circa 3.300 m2. Op de locatie is een puin-/grindverharding aanwezig. Voor de inrichting van het terrein verwijzen wij naar tekening 1-1.
Verkennend bodem- en asbestonderzoek, Drietorensweg 36-2 te Ens
2
_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________
2.3
Historische informatie
Op de locatie is, voor zover bekend, niet eerder bodemonderzoek uitgevoerd. In de meubelmakerij is o.a. een showroom, een werkplaats en een lakkerij aanwezig.Volgens de Bagviewer dateert de woning op de locatie uit 1949. De bijgebouwen dateren uit 1975 en 1979. Uit informatie van “Topotijdreis” blijkt dat de onderzoekslocatie omringd wordt door watergangen. Een deel van de noordelijke watergang is gedempt. De onderzoekslocatie is gesitueerd in een gebied dat grotendeels in gebruik is voor glastuinbouw. Volgens de asbestdakenkaart van de Provincie Flevoland bevatten de schuren asbesthoudende daken (zie figuur 7). Figuur 1: situatie 1955
Figuur 2: situatie 1964
Figuur 3: situatie 1974
Figuur 4: situatie 1988
Figuur 5: situatie 1995
Figuur 6: situatie 2021
Figuur 7:
asbestdakenkaart provincie Flevoland
Verkennend bodem- en asbestonderzoek, Drietorensweg 36-2 te Ens
3
_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________
2.4
Bodemopbouw en geohydrologie
Regionale bodemopbouw Voor de bodemgegevens en geohydrologische informatie is gebruik gemaakt van de grondwaterkaart van Nederland. De regionale bodemopbouw is weergegeven in tabel 2. Tabel 2:
schematische voorstelling van de regionale bodemopbouw
pakket
diepte (m-mv)
Deklaag Form. van Twente 1e WVP Form. van Kreftenheye Scheidende laag Eem Formatie 2e WVP Form. van Kreftenheye, Drenthe en Urk
samenstelling
0-3 3 - 12 12 -16 16 > 50
klei matig grof t/m matig fijn zand klei uiterst grof t/m matig fijn zand
Grondwaterstroming De stroming van het ondiepe grondwater wordt beïnvloed door polderbemaling. Door het nabij gelegen Zwarte Water is deze waarschijnlijk noordoostelijk gericht. 2.5
Hypothese en onderzoeksstrategie
Op basis van de geïnventariseerde gegevens is de locatie grotendeels onverdacht voor bodemverontreiniging, met uitzondering van de mogelijke aanwezigheid van asbest in de actuele contactzone/drupzones en de puinverharding en OCB’s in de bovengrond. Het bodemonderzoek is grotendeels uitgevoerd conform de onderzoeksstrategie bij een verkennend bodemonderzoek op niet verdachte locaties (strategie “ONV” uit de NEN 5740). De grond(water)monsters zijn aanvullend geanalyseerd op arseen en chroom. Gezien de ligging binnen een gebied van glastuinbouw zijn de bovengrondmonsters aanvullend geanalyseerd op OCB’s (conform strategie VED-HE), hierbij zijn maximaal 4 grondmonsters gemengd. Naar aanleiding van de analysereuslaten is aanvullend chemisch onderzoek uitgevoerd. Ter plaatse van de voor bodemverontreiniging verdachte deellocaties is het onderzoek uitgevoerd in aansluiting op de onderzoeksstrategie bij een verkennend bodemonderzoek op verdachte locaties, met een plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern (strategie “VEP” uit de NEN 5740). In aanvulling op het verkennend bodemonderzoek is een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd, conform de onderzoeksstrategie op een verdachte locatie strategie 6.4.5 uit de NEN-5707 en onderzoeksstrategie 6.5.2 (halfverhardingslagen) uit de NEN-5897.
Het onderzoek is gecombineerd met het onderzoek ter plaatse van de “drupzones” van de asbestdaken. Het uitgevoerde veld- en laboratoriumonderzoek is samengevat in tabel 3. Tabel 3:
veld- en laboratoriumonderzoek veldonderzoek boringen tot waarvan tot 0,5 m-mv > 2 m-mv
sublocatie/onderdeel verkennend NEN-5740 <4.000 m2 uitsplitsing MM-01 verdachte deellocaties
laboratoriumonderzoek met peilbuis
14
3
1
-
-
-
4
4
1
14@ +1
3
-
vaste bodem
grondwater
3 x NEN-grond 3 x OCB’s 9 x zink 2 x NEN-grond 1 x min.olie/BTEX
1 x NEN-water
4 x asbest (grond)
-
1 x NEN-water
2
asbestonderzoek < 4.000 m # erf + drupzones asbestonderzoek puin < 500 m2 #
5
@: in combinatie met onderzoek onverdacht
1 x asbest (puin) 5 1 x asbest (materiaal) #: putjes van 30 x 30 cm
Verkennend bodem- en asbestonderzoek, Drietorensweg 36-2 te Ens
-
4
_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________
De samenstelling van de in tabel 3 genoemde “NEN-pakketten” is samengevat in tabel 4. Tabel 4:
samenstelling NEN Pakketten
Parameters zware metalen barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink PCB’s PAK polycyclische aromatische koolwaterstoffen minerale olie vluchtige aromaten (incl. naftaleen en styreen) VCK (vluchtige chloorkoolwaterstoffen) bromoform
2.6
NEN-grond
NEN-grondwater
X
X
X X X -
X X X X
Betrouwbaarheid onderzoek
Onderhavig onderzoek beschrijft de actuele bodemkwaliteit en heeft alleen betrekking op de bodem van de terreindelen, welke zijn beschreven in het vooronderzoek van deze rapportage. De in het vooronderzoek geraadpleegde bronnen kunnen mogelijk onvolledig zijn. Het kan voorkomen dat niet alle bronnen zijn geraadpleegd, doordat ze niet voorhanden waren. Hierdoor kan informatie ontbreken. Dit onderzoek is op een zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de huidige richtlijnen en methoden op het gebied van bodemonderzoek. Het onderzoek is gebaseerd op het nemen van een, conform de geldende richtlijnen, representatief geacht aantal monsters. Bij het interpreteren van de onderzoeksresultaten moet rekening worden gehouden met het feit dat analyses mogelijk zijn uitgevoerd op basis van mengmonsters, waardoor lokaal hogere concentraties van de onderzochte stoffen niet zijn uit te sluiten. Tevens kan geen uitspraak worden gedaan omtrent de bodemkwaliteit van niet onderzochte (verdachte) deellocaties en blijft het mogelijk dat lokaal voorkomende verontreinigingen niet zijn ontdekt. Een bodemonderzoek betreft een momentopname. De resultaten van het onderzoek kunnen minder representatief worden naarmate de tijd verstrijkt. Eventuele toekomstige activiteiten, calamiteiten, sloopwerkzaamheden, bouwrijp maken en/of aanvoer van grond van elders, kunnen de bodemkwaliteit (sterk) beïnvloeden.
Tijdens werkzaamheden in de bodem dient men alert te blijven op waarneembare bijzonderheden, die kunnen duiden op eventuele verontreinigingen. Het onderzoek moet worden beoordeeld als één geheel, en betreft een inschatting van de bodemkwaliteit, op een bepaald moment. Het onderzoek is gebaseerd op informatie van derden en het verrichten van een beperkt aantal boringen en analyses, conform de geldende richtlijnen. Hierdoor is het mogelijk dat niet alle informatie is verkregen, dan wel dat niet alle afwijkingen in de bodem zijn geconstateerd. Voor eventueel hieruit voortvloeiende schade en/of gevolgen aanvaardt Hunneman Milieu-Advies Raalte BV op geen enkele wijze aansprakelijkheid.
Verkennend bodem- en asbestonderzoek, Drietorensweg 36-2 te Ens
5
_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________
3
VELD- EN LABORATORIUM ONDERZOEK
3.1
Veldonderzoek
Het veldonderzoek is uitgevoerd op 4 en 11 augustus en 8 september 2022 door de gecertificeerde medewerkers dhr. J. Postma en dhr. R. Roelofs van Hunneman MilieuAdvies Raalte BV. Voor het verkennend bodemonderzoek zijn 24 handboringen uitgevoerd (1 t/m 24), waarvan 2 boringen zijn afgewerkt als peilbuis. De maximale boordiepte bedraagt 2,4 m-mv. Voorafgaand aan het verkennend asbestonderzoek is een maaiveldinspectie uitgevoerd. Tijdens de maaiveldinspectie is op het maaiveld geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Voor het verkennend asbestonderzoek zijn de monsterpunten 1 t/m 21 uit het verkennend bodemonderzoek, waar mogelijk, handmatig gegraven tot maximaal 0,5 m-mv, met een minimale oppervlakte van 0,09 m2 (30 x 30 cm). De monsterpunten zijn met behulp van een grondboor (diameter 12 cm) doorgezet tot de onderliggende/ongeroerde bodemlaag. De opgegraven grond/ puin is uitgespreid over een zeef, met een maaswijdte van 20 mm. Het achterblijvende residu op de zeef is geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal en afval- en puinrestanten. Van de uitgezeefde grond/ puin zijn mengmonsters samengesteld van de drupzone (0,0-0,2 m-mv), actuele contactzone (0,00,5 m-mv) en/of puinverharding (0,0-0,5), voor de analytische bepaling van asbest in grond/ puin. Binnen RE-05 is in het laboratorium 1 asbesthoudend plaatje (> 20 mm) aangetroffen.
Het aangetroffen plaatmateriaal is als verzamelmonster geanalyseerd. In bijlage 4 zijn de monsternameformulieren asbest opgenomen. Voor de situatie van de monsterpunten, boringen en peilbuizen verwijzen wij naar tekening 1-1. Bodemopbouw In het veld zijn de fysische bodemeigenschappen per monsterpunt en bodemlaag beschreven. De beschrijvingen van de bodemprofielen zijn opgenomen in bijlage 2, en samengevat in tabel 5. Tabel 5:
samenvatting van het lokaal aangetroffen bodemprofiel hoofdnaam zand, matig fijn, lokaal puin/grindverharding
toevoeging zwak siltig, zwak humeus
0,5 ~ 1,5
zand, matig fijn
matig siltig
1,5 ~ 2,4
zand, matig fijn tot zeer fijn
matig tot sterk siltig
traject (m-mv) 0,0 ~ 0,5
grondwaterstand: circa 0,9 m-mv
Zintuiglijke waarnemingen Tijdens het veldonderzoek is de opgeboorde grond beoordeeld op zintuiglijk waarneembare verontreinigingsindicaties. Hierbij is gebruik gemaakt van de olie/watertest (O/W-test) en is gelet op afwijkende kleur of geur van de bodem. Zintuiglijk zijn in de vaste bodem lokaal zwakke bijmengingen aan puin waargenomen. Ter plaatse van de monsterpunten 15 t/m 19 is een puin/grindverharding aanwezig tot maximaal 0,5 m-mv. Zintuiglijk zijn in de vaste bodem geen oliecomponenten waargenomen. In de bodem/puin is zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Eventuele bijzonderheden zijn weergegeven in de boorbeschrijvingen (bijlage 2). Monstername Voor het chemisch onderzoek zijn uit de boringen, van iedere 0,5 m (0,2 m bij monstername met steekbus) of onderscheiden bodemlaag, monsters genomen. Op de deellocaties, waar de vluchtige verbindingen de kritische parameters zijn, is de monstername, voor zover technisch mogelijk, verricht met een steekbus.
Verkennend bodem- en asbestonderzoek, Drietorensweg 36-2 te Ens
6
_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________
Het grondwater uit de geplaatste peilbuizen is na een standtijd van minimaal een week bemonsterd. De zuurgraad (pH), de elektrische geleidbaarheid (EC) en de troebelheid (NTU) van het grondwater zijn in het veld gemeten. De meetresultaten zijn weergegeven in tabel 7. 3.2
Laboratorium onderzoek
Op basis van de gehanteerde onderzoeksstrategie en waarnemingen uit het veld zijn (meng)monsters samengesteld voor analyse. De samenstelling van de (meng)monsters is weergegeven in tabel 6 en 8. De analyses zijn uitgevoerd door een door de RvA geaccrediteerd laboratorium, welke door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu is erkend om, in het kader van de Wet Bodembescherming (Wbb) en het Besluit bodemkwaliteit (Bbk), analyses uit te voeren conform AS-3000 en AP-04. De analyserapporten van het laboratorium zijn opgenomen in bijlage 3. De resultaten van de analyses zijn weergegeven in tabel 6 t/m 8. 3.3
Toetsingscriteria en analyseresultaten NEN-parameters
Het toetsingskader voor de vaste bodem en het grondwater is afkomstig uit de “Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013” (Staatscourant 27 juni 2013, nr. 16675). De toetsing van de analyseresultaten vindt plaats conform de door het Rijk beschikbaar gestelde Bodem Toets- en Validatieservice (BoToVa). De vaste bodem wordt getoetst aan de achtergrond- en interventiewaarden. Het grondwater wordt getoetst aan de streef- en interventiewaarden. De meetwaarden voor de vaste bodem zijn afhankelijk gesteld van de gemeten organische stof- en/of lutumgehalten van de bodem, die meestal afwijken van de gehalten van de Standaardbodem. De volgende toetsingswaarden worden onderscheiden: AW/S(•)1:De achtergrond- en/of streefwaarden geven het niveau aan waar beneden sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. De waarden hebben betrekking op de in de natuur voorkomende achtergrondgehalten of detectiegrenzen bij stoffen die niet in natuurlijke milieus voorkomen. T (••)1:
De tussenwaarde betreft het gemiddelde van de interventiewaarde + achtergrondwaarde of streefwaarde waarboven, in beginsel, een nader onderzoek noodzakelijk is.
I (•••)1 :
De interventiewaarden geven het concentratieniveau voor verontreinigende stoffen aan, waarboven sprake is van ernstige bodemverontreiniging. In bijzondere situaties kan ook bij gehaltes beneden de interventiewaarden sprake zijn van een geval van ernstige verontreiniging. De interventiewaarden zijn gebaseerd op de risico’s voor de volksgezondheid en het ecosysteem.
1
De symbolen tussen haakjes corresponderen met de “overschrijdingssymbolen” van tabel 6 en 7.
Van een geval van ernstige bodemverontreiniging is sprake indien de verontreiniging is ontstaan voor 1987, waarbij de gemiddelde concentratie van een verontreinigende stof in minimaal 25 m3 grond of 100 m3 grondwater hoger is dan de interventiewaarde. Bodemverontreiniging die is ontstaan na 1 januari 1987 (nieuwe verontreiniging) valt onder de zgn. zorgplicht en dient zo spoedig mogelijk te worden gesaneerd.
Verkennend bodem- en asbestonderzoek, Drietorensweg 36-2 te Ens
7
_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________
Tabel 6:
analyseresultaten vaste bodem en toetsing
% H* = 10 % L*= 25 monster
gestandaardiseerde resultaten en overschrijdingen toetsingswaarden [BoToVa-toetsing is opgenomen in de bijlage] MM-01 MM-02 MM-03 21-03 22-05 MM-10
boring
1t/m8+12
9t/m11 +13+14
1+6+13
21
22
23+24
traject (m-mv) arseen barium cadmium chroom kobalt koper kwik lood molybdeen nikkel zink PAK (10)-tot. PCB’s min.olie BTEX totaal
0,0~0,5 < @ < < < 42• 0,20• 63• < < 550•• < < < -
0,0~0,5 < @ < < 16• < < < < 36• 160• < < < -
0,5~2,0 < @ < < < < < < < 37• < 1,7• < < -
0,5-1,0 < @ < < < < < < < < < < < < -
1,0-1,2 < <
0,9~1,5 < @ < < < < < < < < < < < < -
Toelichting bij tabel: < : geen overschrijding van de achtergrondwaarde • : overschrijding van de achtergrondwaarde •• : overschrijding van de tussenwaarde ••• : overschrijding van de interventiewaarde
Tabel 7:
AWwaarde
½ (AW+I)
Iwaarde
20 @ 0,6 55 15 40 0,15 50 2 35 140 1,5 0,02 190 @
48 @ 6,8 117,5 102,5 115 18,08 290 96 67,5 430 20,8 0,51 2595 @
76 @ 13 180 190 190 36 530 190 100 720 40 1 5000 @
-: niet geanalyseerd @: geen toetsoordeel mogelijk * : lutum- en humusgehalten standaard bodem H : organisch stof L : lutum
analyseresultaten vaste bodem en toetsing
% H* = 10 gestandaardiseerde resultaten en overschrijdingen toetsingswaarden [BoToVa-toetsing is opgenomen in de bijlage] % L*= 25 monster MM-04 MM-05 MM-06 1+3+4+7 5+6+8+12 9+10+11+14 boring traject (m-mv) 0,0-0,25 0,0-0,25 0,0-0,25 DDD < < < DDE < < < DDT < < < drins (som) < < < chloordaan (som) < < < α-HCH < < < β-HCH < < < γ-HCH 0,0081• 0,0095• < Toelichting bij tabel: < : geen overschrijding van de achtergrondwaarde • : overschrijding van de achtergrondwaarde •• : overschrijding van de tussenwaarde ••• : overschrijding van de interventiewaarde
Tabel 8:
standaard bodem (mg/kg d.s.)
standaard bodem (mg/kg d.s.) AWwaarde 0,02 0,1 0,2 0,015 0,002 0,001 0,002 0,003
½ (AW+I) 17,01 1,2 0,95 2,008 2,001 8,501 0,801 0,602
Iwaarde 34 2,3 1,7 4 4 17 1,6 1,2
-: niet geanalyseerd @: geen toetsoordeel mogelijk * : lutum- en humusgehalten standaard bodem H : organisch stof L : lutum
analyseresultaten vaste bodem en toetsing uitsplitsing MM-01
% H* = 10 gestandaardiseerde resultaten en overschrijdingen toetsingswaarden standaard bodem [BoToVa-toetsing is opgenomen in de bijlage] (mg/kg d.s.) % L*= 25 Monster 1-02 2-01 3-02 4-02 5-02 6-01 7-02 8-01 12-01 Boring 1 2 3 4 5 6 7 8 12 AW½ Itraject(m-mv) 0,25-0,5 0,0-0,25 0,25-0,5 0,25-0,5 0,25-0,5 0,0-0,25 0,25-0,5 0,0-0,25 0,0-0,25 waarde (AW+I) waarde zink < 220• 360• 940••• 550•• 290• 170• 140• 150• 140 430 720 Toelichting bij tabel: < : geen overschrijding van de achtergrondwaarde • : overschrijding van de achtergrondwaarde •• : overschrijding van de tussenwaarde ••• : overschrijding van de interventiewaarde
-: niet geanalyseerd @: geen toetsoordeel mogelijk * : lutum- en humusgehalten standaard bodem H : organisch stof L : lutum
Verkennend bodem- en asbestonderzoek, Drietorensweg 36-2 te Ens
8
_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________
Tabel 9:
analyseresultaten grondwater
analyseresultaten (µg/l) peilbuis 1 filter (m-mv) 1,4-2,4 pH 7,56 EC (µs/cm) 712 troebelheid (NTU) 5,8 grondwater [m-mv] 1,3 zware metalen arseen < barium 86• cadmium < chroom < kobalt < koper < kwik < lood < molybdeen < nikkel < zink < vluchtige aromaten benzeen < tolueen < ethylbenzeen < xylenen (som) < styreen < naftaleen < gechloreerde koolwaterstoffen 1,1-dichloorethaan < 1,2-dichloorethaan < 1,1-dichlooretheen < cis 1,2-dichlooretheen < trans 1,2-dichlooretheen < dichloormethaan < dichloorpropanen < tetrachlooretheen (per) < tetrachloormethaan (tetra) < 1,1,1-trichloorethaan < 1,1,2-trichloorethaan < trichlooretheen (tri) < trichloormethaan (chloroform) < vinylchloride < < minerale olie < bromoform Toelichting bij tabel: < : geen overschrijdingen detectiegrens en/of streefwaarde • : overschrijding van de streefwaarde •• : overschrijding van de tussenwaarde ••• : overschrijding interventiewaarde
toetsingswaarden (µg/l) 21 1,4-2,4 7,48 546 6,3 1,3
Swaarde
½ (S+I)
Iwaarde
< 53• < < < < < < < < <
10 50 0,4 1 20 15 0,05 15 5 15 65
35 337,5 3,2 15,5 60 45 0,17 45 152,5 45 432,5
60 625 6 30 100 75 0,30 75 300 75 800
< < < < < <
0,2 7 4 0,2 6 0,01
15,1 503,5 77 35,1 153 35
30 1000 150 70 300 70
< < < < < < < < < < < < < < < <
7 7 0,01 0,01 0,01 0,01 0,8 0,01 0,01 0,01 0,01 24 6 0,01 50 #
453,5 203,5 5 10 10 500 40,4 20 5 150 65 262 203 2,5 325 315
900 400 10 20 20 1000 80 40 10 300 130 500 400 5 600 630
# : geen toetsingswaarden voor gegeven -: niet geanalyseerd
Verkennend bodem- en asbestonderzoek, Drietorensweg 36-2 te Ens
9
_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________
3.4
Toetsingscriteria en analyseresultaten asbest
Voor asbestonderzoek is de interventiewaarde uit de “Circulaire bodemsanering van 1 juli 2013” voor asbest in grond of puin (100 mg/kg d.s. gewogen) van toepassing. Conform de NEN 5707 wordt in een verkennend onderzoek asbest beoordeeld of sprake is van een verdachte of een onverdachte locatie op het voorkomen van asbest. Het resultaat van het verkennend onderzoek is een uitspraak over de mogelijke verontreiniging van de bodem op basis van verzamelde stukken asbesthoudend materiaal en (meng)monsters grond. Aan de hand van het verkregen indicatieve gehalte aan asbest wordt nagegaan of nader onderzoek al dan niet noodzakelijk is. Door de lagere onderzoeksintensiteit van het verkennend onderzoek kan in deze fase niet direct worden getoetst aan de interventiewaarde. In het verkennend onderzoek wordt het gehalte getoetst aan de interventiewaarde, gecorrigeerd met een factor 2. Deze correctiefactor is een maat voor de betrouwbaarheid van het verkennend onderzoek in relatie tot het nader onderzoek. Alleen indien in het verkennend onderzoek de onderzoeksintensiteit (hoeveelheid geïnspecteerde grond in de gaten en het aantal analyses) op hetzelfde niveau zit als in het nader onderzoek, dan is een directe toetsing aan de interventiewaarde mogelijk.
Indien het asbestgehalte kleiner is dan de helft van de interventiewaarde is het statistisch aannemelijk dat ook in een nader onderzoekstraject de interventiewaarde niet zal worden overschreden. In deze gevallen geldt geen noodzaak tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest. Bij een asbestgehalte groter dan de helft van de interventiewaarde is een nader onderzoek asbest verplicht. De hoogste bepaalde waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Toetsing van de concentratie aan respirabele vezels (<0,5 mm) vindt plaats door toetsing van de gemeten concentratie aan de maximale waarde van 10 mg/kg d.s. (gewogen). Bij overschrijding van deze waarde is sprake van ‘onaanvaardbare risico’s buiten’. Uit onderzoek dat TNO (RIVM rapport 711701034/2003) heeft uitgevoerd blijkt dat zelfs voor het meest ‘losse’ niet-hechtgebonden asbest het aandeel aan respirabele vezels nooit meer zal zijn dan 5~10%. Dit betekent dat bij een asbestconcentratie in de grond van 100 mg/kg d.s. de concentratie aan respirabele vezels nooit meer zal zijn dan 5~10 mg/kg d.s. en derhalve geen sprake is van ‘onaanvaardbare risico’s’. Grond of puin waarin een (gewogen) concentratie asbest boven de interventiewaarde wordt aangetroffen wordt, ongeacht het volume, beschouwd als verontreinigd met asbest.
Indien na uitvoering van een nader onderzoek asbest in de grond of puin, een (gewogen) concentratie asbest lager dan de interventiewaarde wordt aangetoond, wordt de bodem als niet verontreinigd aangemerkt. Tabel 10:
analyseresultaten asbest in grond (fase verkennend derhalve indicatieve gehalten)
monstergegevens Monster
Sleuf/MP
traject (m-mv)
RE-01 RE-02 RE-03 RE-04 RE-05 P
1+2+6+20 3t/m5+21 9t/m11+13+14 7+8+12 15 t/m 19
0,0-0,2 0,0-0,5 0,0-0,5 0,1-0,3 0,0-0,5
analyseresultaten (mg of mg/kg d.s.) materiaalgewogen* bodem/puin bodem/puin monster(s) > 0,5< 20 mm < 0,5 mm asbestgehalte >20 mm (mg) in mg/kg ds. in mg/kg ds. bodem/puin < n.a. < < n.a. < < n.a. < < n.a. < 13200 16 n.a. 190,9
asbesttype soort asbest
H/NH
A-S
H
Toelichting bij tabel: P: puin < : kleiner bepalingsgrens n.g.: niet geanalyseerd -: niet van toepassing n.a.: niet aangetoond S: serpentijn-asbest H: hechtgebonden asbest SL: sleuf A: amfibool NH: niet hechtgebonden asbest MP: monsterpunt *: gewogen concentratie asbest in de bodem of puin in mg/kg ds. wordt gevormd door de aangetoonde concentratie in het materiaal (verzamel)-monster aan asbestplaatjes in de gegraven monsterpunten en/of sleuven, vermeerderd met de aangetoonde concentratie aan asbest in het bodem/puin (meng)monster.
Verkennend bodem- en asbestonderzoek, Drietorensweg 36-2 te Ens
10
_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________
4
INTERPRETATIE ONDERZOEKSRESULTATEN
In opdracht van Kwekerij Baas is in augustus en september 2022, door Hunneman MilieuAdvies Raalte BV, een verkennend bodemonderzoek, in combinatie met een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd op de locatie aan de Drietorensweg 36-2 te Ens. Het onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de voorgenomen transactie, bestemmingsplanwijziging en nieuwbouw op de locatie, en heeft tot doel een actueel en betrouwbaar inzicht te geven in de milieuhygiënische bodemkwaliteit. 4.1