9.1b Bestemmingsplan Landelijk gebied, Westermeerweg achter 35 te Espel.pdf
Tekst van het document
Het plangebied bestaat uit een lange strook van percelen langs de oostzijde van de Westermeerdijk (Gemeente Noordoostpolder Sectie E, perceelnummers: 1054, 1363,1371, 1373, 1384, 1409, 1522, 1524, 1736, 2091, 2158 t/m 2166, 2179 t/m 2181, 2331 t/m 2346, 2348, 2350, 2352, 2358 t/m 2360, 2362 t/m 2364, 2366, 2368, 2370, 2372 t/m 2374, 2409, 2422, 2451). Aan de oostelijk zijde wordt het plangebied begrensd door de Westermeerweg. Het onderzoeksgebied omvat het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te verkrijgen van de eventueel aanwezige archeologische waarden. Het onderzoeksgebied beslaat een gebied met een straal van circa 1 km rond het plangebied (zie afb. 1). Op basis hiervan kan een goed beeld worden geschetst van de landschappelijke en archeologische context waarin het plangebied zich bevindt.
1.4
Doel van het onderzoek
Het doel van het bureauonderzoek is het verkrijgen van inzicht in bekende en te verwachten archeologische waarden in en in de omgeving (onderzoeksgebied) van het plangebied. Op basis van de verkregen informatie wordt een archeologisch verwachtingsmodel voor het plangebied opgesteld. Hierin wordt beschreven of er archeologische resten aanwezig (kunnen) zijn in het plangebied, wat de potentiële aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden zijn en of deze een bedreiging vormen voor het bodemarchief. Indien dit het geval is, wordt geadviseerd op welke wijze hiermee in het vervolgtraject van de plannen rekening dient te worden gehouden.
1.5
Onderzoeksvragen
Voor het bureauonderzoek zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld: * * * *
Wat is de bodemopbouw en zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen? Zijn er aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische resten? Welke consequenties zal de uitvoering van het plan hebben op (eventueel) aanwezige archeologische resten? Wat zijn de aanbevelingen? Is nader onderzoek noodzakelijk? En zo ja, waaruit kan dit bestaan?
11
2
Bureauonderzoek
2.1
Gebruikte bronnen
Voor het bureauonderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd: * Actueel hoogtebestand Nederland (AHN, http://www.ahn.nl) * De bodemkaart van Nederland (https://zoeken.cultuureelerfgoed.nl) * De geomorfologische kaart van Nederland (https://zoeken.cultureelerfgoed.nl) * De archeologische monumentenkaart (AMK: https://zoeken.cultureelerfgoed.nl) * Provinciaal en/of landelijk beleid * Gemeentelijk beleid * Bonneblad 1900 (https://zoeken.cultureelerfgoed.nl) * Historisch kaartmateriaal (http://www.topotijdreis.nl) * Google Earth (https://www.google.nl/intl/nl/earth/) * Ondergrondgegevens (https://www.dinoloket.nl/ondergrondgegevens) * Verstoringen (http://www.bodemloket.nl) * Kadastrale Minuut (http://zoeken.cultureelerfgoed.nl) * Kadastrale gegevens (https://www.kadaster.nl)
2.2
Aardwetenschappelijke gegevens
Pleistocene landschapsontwikkeling De Noordoostpolder bevindt zich in het Zuiderzeebekken, een gebied dat aan daling onderhevig is ten gevolge van de afzetting van sedimenten, een zogeheten dalingsbekken. In het Pleistoceen zorgde de variatie in klimatologische omstandigheden voor de afzetting van dikke pakketten zand en klei. Tijdens de voorlaatstee IJstijd, het Saalien (ca. 180.000 - 130.000 jaar geleden), lag het noordelijke deel van Nederland bedekt onder landijs. Dit landijs was voortdurend in beweging en bracht daardoor allerlei landschappelijke veranderingen teweeg. Het ijs voerde grond mee vanuit het noorden dat onder de kap weer werd afgezet. Deze afzetting wordt keileem genoemd en bestaat uit een mengsel van klei, zand, grind en zwerfkeien. Voor het landijs uit werd de grond opgestuwd waardoor zogeheten stuwwallen zijn ontstaan. Vermoedelijk bevonden deze stuwwallen zich op de lijn Castricum-Hoorn-Noordoostpolder-Vollenhove. Door de uitbreiding van het landijs zijn deze later echter weer afgevlakt, waardoor de exacte ligging nu niet bekend is. De huidige rivier de Rijn stroomde tijdens het Saalien met een oost-west oriëntatie door een stroomdal ter hoogte van de Noordoostpolder. In de daaropvolgende warmere periode, het Eemien (ca. 130.000 - 120.000 jaar geleden), bevond de Noordoostpolder zich in het deltagebied van de Rijn.
De rivier stroomde vanuit het zuidoosten richting de kust, die in deze tijd ongeveer tot aan de Noordoostpolder reikte. Tijdens de laatste IJstijd, het Weichselien (ca. 120.000 - 11.800 jaar geleden), daalde de temperatuur weer sterk maar bleef Nederland deze keer onbedekt door landijs. Er heerste een grotendeels koud en droog toendraklimaat, met korte warmere intervallen. De zeespiegel lag in deze tijd tientallen meters lager dan tegenwoordig en de kustlijn lag ten zuiden van het Nauw van Calais. In Nederland was er sprake van permafrost, een bevroren ondergrond, waarin rivieren en beken zich op enkele plaatsen insneden. In de Noordoostpolder stroomden de voorlopers van de huidige Overijsselse Vecht en de IJssel. De afzettingen die door deze rivieren zijn ontstaan worden gerekend tot de Formatie van Kreftenheye en bestaan voornamelijk uit zandige sedimenten. In de koudste periodes tijdens het Weichselien was er bijna geen vegetatie aanwezig in het landschap. De wind kon daardoor makkelijk vat krijgen op zanden van de droogliggende zeebodem. Dit fijne zand werd door de wind als een deken over grote delen van Nederland afgezet. Ook in de Noordoostpolder is dit Oude Dekzand aanwezig. Het dekzandlandschap was relatief reliëfrijk, het bestond uit vlaktes, ruggen en koppen.
Ook de keileemopduikingen bij de Voorst, Schokland, Tollebeek en Urk kwamen onder het dekzand te liggen, en bleven ook in deze tijd de hoogste delen binnen het landschap. Aan het einde van het Weichselien was er sprake van klimaatschommelingen die zorgden voor periodes met hogere temperaturen (het Bolling- en het Allerod-interstadiaal). Dit had tot gevolg dat de vegetatiegroei weer op gang kwam en dat het landschap vernatte door de stijgende zee- en grondwaterspiegels. Rivieren veranderden van een vlechtende naar een meanderende stroomwijze. Hierop volgend, tijdens het Late Dryas stadiaal, zakte de temperatuur weer drastisch en veranderde het landschap in een poolwoestijn. De rivieren veranderden weer naar vlechtende rivieren en de wind zorgde voor het opstuiven van droogliggende rivierzanden. Dit resulteerde in een landschap met relatief hoog opgestoven rivierduinen en 12