CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

9.1 Ontwerpbestemmingsplan Landelijk gebied Drietorensweg 36-II te Ens.pdf

Commissie Woonomgeving 15 januari 2024, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 9: (Ontwerp)bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Drietorensweg 36-II te Ens’31.467 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Landelijk gebied, Drietorensweg 36-II te Ens

Gemeente

Noordoostpolder

Webadres gemeente Contactpersoon Opdrachtgever Contactpersoon Planlocatie Plan gemaakt door Contactpersoon Datum

DLVge Gelista Alicaris 21-11-2021

Landelijk gebied, Drietorensweg 36-II te Ens

DLVge

Inhoudsopgave

Toelichting

5

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding voor het bestemmingsplan 1.2 Ligging van het plangebied 1.3 Planologische regeling 1.4 Leeswijzer

6 6 6 6 7

Hoofdstuk 2 Beschrijving van het plan 2.1 Huidige situatie 2.2 Beoogde situatie 2.3 Landschappelijke inpassing

8 8 8 9

Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid

12 12 12 15

Hoofdstuk 4 Milieu en leefkwaliteit 4.1 M.e.r. - beoordeling 4.2 Externe veiligheid 4.3 Milieu 4.4 Water 4.5 Verkeer en parkeren 4.6 Ecologie 4.7 Archeologie en cultuurhistorie

17 17 18 19 22 25 25 29

Hoofdstuk 5 Juridische planopzet 5.1 Algemeen 5.2 Bestemmingen

31 31 32

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2 Economische uitvoerbaarheid

33 33 33

Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1 Landschappelijke inpassing Bijlage 2 Bodemonderzoek Bijlage 3 Bodemonderzoek aanvullend Bijlage 4 Quickscan ecologie Bijlage 5 Aeriusberekening

35 36 46 164 378 404

Regels

413

Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2

Inleidende regels Begrippen Wijze van meten

413 413 416

Hoofdstuk 2 Artikel 3

Bestemmingsregels Agrarisch - Glastuinbouw

417 417

Hoofdstuk 3 Artikel 4 Artikel 5

Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene gebruiksregels

418 418 419

(ontwerp)

3

Landelijk gebied, Drietorensweg 36-II te Ens

DLVge

Artikel 6 Artikel 7

Algemene afwijkingsregels Parkeerregeling

420 421

Hoofdstuk 4 Artikel 8 Artikel 9

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel

422 422 423

4

Inhoudsopgave (ontwerp)

Landelijk gebied, Drietorensweg 36-II te Ens

DLVge

Toelichting

Toelichting (ontwerp)

5

Landelijk gebied, Drietorensweg 36-II te Ens

Hoofdstuk 1 1.1

DLVge

Inleiding

Aanleiding voor het bestemmingsplan

In het glastuinbouwgebied is aan de Enserweg, uitstrekkend naar de Drietorensweg een glastuinbouwbedrijf van ca. 27 hectare gevestigd. Dit bedrijf is gespecialiseerd in de teelt van pot- en perkplanten. De beoogde uitbreiding betreft het realiseren van kassen danwel het bouwen van een bedrijfsruimte. Deze activiteit is strijdig met het vigerende bestemmingsplan.

1.2

Ligging van het plangebied

Het plangebied betreft het perceel Drietorensweg 36-II dat ten zuiden van Ens ligt en wordt omsloten door een glastuinbouwcomplex. In figuur 1 is een luchtfoto weergegeven. Op deze luchtfoto is door middel van een gele lijn de plangrens weergegeven. Deze grens is afgestemd op het gebied waar op basis van de geldende beheersverordening geen glastuinbouw is toegestaan.

Figuur 1 Plangebied

1.3

bron: google maps

Planologische regeling

Het plangebied is geregeld in de beheersverordening 'Landelijk gebied'. In de beheersverordening is voor het plangebied het bestemmingsplan 'Landelijk gebied 2004' van toepassing verklaard. Dat bestemmingsplan is op 11 januari 2008 onherroepelijk geworden. Binnen deze beheersverordening ligt op het perceel Drietorensweg 36-II de bestemming “Bedrijven” zoals bedoeld in artikel 13 lid 1, onder code B9 van de verordening. Code 'B9' ziet specifiek op 'ambachtelijk bedrijf'. In lid 3 van artikel 13 van de verordening is aangegeven dat bebouwing onder de bestemming “Bedrijven” is beperkt tot gebouwen ten behoeve van de bestemming bedrijven. Op de omringende percelen aan deze kant van de weg ligt de bestemming ‘Agrarisch, staand glas toegestaan’. In figuur 2 is een uitsnede van het bestemmingsplan 'landelijk gebied 2004' weergeven. Hierin is met een rode lijn de plangrens van dit bestemmingsplan weergeven.

6

Toelichting (ontwerp)

Landelijk gebied, Drietorensweg 36-II te Ens

Figuur 2 Uitsnede bestemmingsplan 'Landelijk gebied 2004'

DLVge

bron: ruimtelijkeplannen.nl

Binnen het plangebied geldt alleen de bestemming 'Bedrijf'. De gewenste situatie kan juridisch planologisch mogelijk worden gemaakt door het opstellen van een nieuw bestemmingsplan.

1.4

Leeswijzer

De toelichting is als volgt opgebouwd: 1. In Hoofdstuk 1 is aangegeven waar het plangebied zich bevindt en is kort ingegaan op de aanleiding van dit plan. 2. In Hoofdstuk 2 is het initiatief nader uitgewerkt, waarmee inzicht verkregen wordt in het waarom en de doelstelling van dit plan. In dit hoofdstuk worden ook de landschappelijke inpassing besproken. 3. Het beleid, voor zover relevant, komt in Hoofdstuk 3 aan de orde. 4. In Hoofdstuk 4 wordt het project getoetst op de uitvoerbaarheid aan de hand van verschillende sectorale eisen (zoals milieuregels, regels op het vlak van ecologie en verschillende andere onderwerpen). 5. Vervolgens wordt in Hoofdstuk 5 de juridische planbeschrijving toegelicht. In dit hoofdstuk wordt ook een belangrijk algemeen inzicht gegeven in de eisen van de Wet ruimtelijke ordening en de manier waarop bestemmingsplannen opgebouwd zijn. Voor niet-vakmensen is dit een belangrijk hoofdstuk om de plaats van het bestemmingsplan in de ruimtelijke ordening te kunnen bepalen. 6. In Hoofdstuk 6 worden de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan besproken.

Toelichting (ontwerp)

7

Landelijk gebied, Drietorensweg 36-II te Ens

Hoofdstuk 2 Hoofdstuk 2

DLVge

Beschrijving van het plan

Beschrijving van het plan

In dit hoofdstuk komt het initiatief aan bod. Daartoe wordt eerst inzicht gegeven in de huidige functie(s) en bebouwing in het plangebied. Daarbij wordt mede de relatie met de omgeving betrokken. Daarna wordt strikt ingezoomd op het beoogde initiatief.

2.1

Huidige situatie

Het bedrijf bestaat uit meerdere locaties verdeeld over ca. 27 hectare productieoppervlak. Dit wordt verder uitgebreid tot ca. 30 ha. Op dit moment zijn de logistieke lijnen verdeeld over de 27 hectare productieoppervlak. Op Enserweg 5 vindt de aflevering plaats. Er zijn 6 aflever docks. Daar zijn nu ook ca. 20 á 25 parkeerplaatsen aanwezig. De kassen van instiatiefnemer op de Drietorensweg zijn met elkaar verbonden met een plastic corridor. De aanvoer vindt plaats aan de Drietorensweg 38. Daar zijn 4 docks aanwezig. De kantoren bevinden zich aan de Enserweg 4. Het bedrijf wordt duurzaam verwarmd met hernieuwbare energie. De planten worden bewaterd met regenwater en al het gietwater wordt hergebruikt.

Figuur 3: Huidige situatie

2.2

bron: google maps

Beoogde situatie

Het bedrijf wil verder uitbreiden. Op 25 mei 2021 is de omgevingsvergunning geregistreerd onder nummer HZ-WABO 2021-0498 voor de uitbreiding van de kassen afgegegeven. Een deel van de bouw is inmiddels uitgevoerd. Het plangebied betreft de kadastrale aanduidingen NOPOO-C-3775. Hierna aangeduid met DTW 36-ll. Dit perceel is ca. 3.300 m² groot en heeft de bestemming 'Bedrijven', terwijl op de omliggende percelen de bestemming ‘Agrarisch, staand glas toegestaan’ ligt. Uit een onderzoek is gebleken dat er flinke besparingen kunnen worden gerealiseerd door het beperken van de afstand die de planten naar de laaddocks af moeten leggen. Logistiek zou DTW 36-ll de beste plek zijn voor het centraliseren van de aflevering van de locaties aan de Drietorensweg. Gezien de enorme schommelingen van energieprijzen en de onzekere marktontwikkeling is nog niet

8

Toelichting (ontwerp)

Landelijk gebied, Drietorensweg 36-II te Ens

DLVge

volledig uitgekristalliseerd wanneer en hoe de uitbreiding op perceel NOPOO-C-3775 wordt vormgegeven. Het meest voor de hand liggend is de realisatie van een verwerkingsruimte, maar het bouwen van een kas is niet uitgesloten. De bestemming 'Bedrijven' is echter niet doelmatig voor de ontwikkeling van het glastuinbouwbedrijf en staat zonder twijfel de uitbreiding van het bedrijf in de weg.

Figuur 4: Plangebied geel omrand

bron: google maps

In figuur 5 is weergegeven hoe het plan er uit kan zien, wanneer gekozen wordt voor een verwerkingsruimte met extra laad-docks.

Figuur 5: Voorbeeld nieuwe bebouwing (rood omlijnd is plangebied)

2.3

bron: tekening DLVge

Landschappelijke inpassing

In voorliggend plan wordt het erf opgeheven. Het plan krijgt een bestemming met een regeling vergelijkbaar met de omliggende agrarische kavel waarop staand glas en bedrijfsbebouwing ten behoeve van staand glas is toegestaan. Het plan ligt in het glastuinbouwgebied van Ens. Het erf is reeds omgeven door kassen. In de bestaande situatie is ook nagenoeg geen sprake van een erfsingel. Aan de huidige bedrijfsbestemming – nader aangeduid als 'ambachtelijk bedrijf' kan geen doelmatige

Toelichting (ontwerp)

9

Landelijk gebied, Drietorensweg 36-II te Ens

DLVge

invulling meer worden gegeven. Binnen het glastuinbouwgebied vindt de gemeente het niet bezwaarlijk dat een vrijgevallen erf wordt opgeheven. Desondanks is een landschappelijke inpassing gemaakt, waarbij aansluiting wordt gezocht op de omgeving waarin (bedrijfs-) bebouwing parallel aan de doorgaande weg is gesitueerd en de ruimte als kleinschalig erf is ingericht. De ingetekende boomstructuur (eikenbomen) sluit aan bij de bestaande boomstructuur die reeds langs de Drietorensweg aanwezig is en neemt een groot deel van het zicht op de uitbreiding weg zonder hierbij een massale groenstrook te realiseren. Door de bomen in een gemengde inheemse haag te plaatsen wordt er qua inrichting een kleinschalig traditioneel agrarisch erf nagestreefd en wordt de parkeerplaats deels aan het oog onttrokken.

' Figuur 6: Huidige bebouwing

Bron: Google maps

Met de opgenomen inrichtingsmaatregelen en de beplantingskeuze ontstaat er langs de Drietorensweg een ecologisch aantrekkelijke voorerf met onderbegroeiing onder de bomenrijen. De maatregelen breken het zicht op de kassenstructuur en het levert een geleidelijke overgang van de Drietorensweg naar de bedrijfsbebouwing. De minimale afstand tot de wegzijde bedraagt minimaal 15 m.

10

Toelichting (ontwerp)

Landelijk gebied, Drietorensweg 36-II te Ens

Figuur 7: Landschappelijke inpassing

DLVge

Bron: GV Adv ies

De landschappelijke inpassing is als Bijlage 1 is ter illustratie toegevoegd. Er is geen voorwaardelijke verplichting in de regels opgenomen.

Toelichting (ontwerp)

11

Landelijk gebied, Drietorensweg 36-II te Ens

Hoofdstuk 3

DLVge

Beleidskader

In dit hoofdstuk wordt het plan getoetst aan het vigerende beleid.

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is op 11 september 2020 door de Minister vastgesteld. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energiestrategie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. beschreven Nationale belangen. De NOVI bevat ook een opmaat naar een Uitvoeringsagenda. Daarin wordt niet alleen inzichtelijk gemaakt welke inzet Rijk en regio nu al plegen, maar ook welke (gezamenlijke) acties de NOVI daaraan toevoegt. De Uitvoeringsagenda wordt richting de definitieve NOVI verder uitgewerkt. Daarbij worden de kansen en risico's uit de planMER betrokken. De bedoeling is dat de NOVI zich aan nieuwe ontwikkelingen kan aanpassen, in een permanent en cyclisch proces. Het Rijk gebruikt daarvoor een goede NOVI-monitor. Rijk, provincies en gemeenten gaan meer samenwerken als één overheid. De NOVI-aanpak is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de betrokken overheden. Medeoverheden, burgers en bedrijven, zijn niet juridisch aan de visie in de NOVI gebonden.

Om de opgaven als overheden samen aan te pakken wordt op basis van de vastgestelde NOVI toegewerkt naar samenwerkingsafspraken. Het is belangrijk dat de omgevingsvisies van Rijk, provincies en gemeenten waar nodig en mogelijk op elkaar aansluiten. Daarvoor moeten de bestaande Gebiedsagenda's worden uitgebouwd tot bredere Omgevingsagenda's. Die omvatten de volle breedte van het omgevingsbeleid en kunnen zich ontwikkelen tot de kern van een werkend stelsel van omgevingsbeleid. Deze Omgevingsagenda's worden met alle landsdelen gemaakt, in samenwerking tussen de overheden. De samenloop van verschillende nationale belangen en de omvang van de opgaven maken het in sommige gebieden tot een grote uitdaging om tot passende oplossingen te komen. Er is daarvoor in deze gebieden extra inzet van Rijk en regio nodig, omdat het binnen de bestaande kaders onvoldoende lukt om tot resultaat te komen. Daarom zullen er NOVI-gebieden worden benoemd. De NOVI is tot stand gekomen in samenspraak met verantwoordelijke ministeries, gemeenten, provincies en waterschappen. Tevens is input gebruikt van adviesraden, kennisinstellingen, het bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en burgers. De dialoog met en tussen alle betrokkenen stopt niet met het verschijnen van de (ontwerp)-NOVI. Het blijft een open proces, waarvan participatie een wezenlijk onderdeel uitmaakt.

Dit plan De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij bij de kenmerken van het gebied. Het plan wordt zorgvuldig landschappelijk ingepast. Dit is in overeenstemming met de prioriteit 'Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied' en is daarmee passend binnen de prioriteiten van de NOVI.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Flevoland Straks

De Omgevingsvisie FlevolandStraks (vastgesteld door Provinciale Staten op 8 november 2017) geeft de visie van de provincie Flevoland op de toekomst van dit gebied. De visie gaat over de periode tot 2030 en verder.

12

Toelichting (ontwerp)

Landelijk gebied, Drietorensweg 36-II te Ens

DLVge

Naar de toekomst toe wil Flevoland ruimte bieden voor nieuwe initiatieven met het 'ja, mits'-principe. De begintijd van de bepalende overheid en de maakbare samenleving heeft de provincie achter zich gelaten. Iedereen die wil bijdragen aan de toekomst van Flevoland is van harte uitgenodigd. Door deze opstelling zijn er meer mogelijkheden voor initiatieven van inwoners en bedrijven. Flevoland is gemaakt voor ontwikkeling. De ontwikkelingsgerichtheid is onderdeel van onze identiteit. Hier grijpt de provincie met lef de kansen van nieuwe ontwikkelingen. En de ontwikkelingen blijven doorgaan. Denk aan opgaven zoals woningbouw, bedrijvigheid, herontwikkelingen, nieuwe voorzieningen, klimaatverandering, bodemdaling, waterveiligheid, transformatie in landbouw, duurzame energie. Alle opgaven - klein of groot - omarmt de provincie op een wijze, waarbij ze de kenmerkende elementen van de polder koesteren. Binnen deze kenmerken geven ze ruimte aan ontwikkelingen. De overheden hebben de polders aangelegd en ingericht. Het is een plek waar inwoners, organisaties en ondernemers hun idealen kunnen realiseren. Hierdoor krijgt de provincie meer verrassing, spontaniteit en variatie. Mensen maken Flevoland. Flevoland wil dat inwoners en bedrijven optimaal profiteren van deze ontwikkelingen. In de strategische opgaven staan deze vraagstukken en ambities voor de toekomst beschreven.

Het gaat om de volgende opgaven: Duurzame Energie Regionale Kracht Circulaire Economie Landbouw: Meerdere Smaken Landbouw: Meerdere Smaken Flevoland is van oorsprong een landbouwprovincie. Ontwikkelingen in deze sector vragen een groot aanpassingsvermogen. In 2030 en verder staat Flevoland bekend om haar meerdere smaken in de agrosector, die door haar aanpassingsvermogen vernieuwingen en innovaties voortvarend en snel in praktijk brengt. De toekomst van de agrosector wordt voor een groot deel internationaal bepaald. Flevoland produceert voor de wereldmarkt. De consumentenvraag staat onder invloed van vele maatschappelijke, politieke en economische factoren. Europa beïnvloedt bijvoorbeeld met haar beleid de markt. De uitkomst van het samenspel van al die factoren is niet goed voorspelbaar. De uitdaging voor de Flevolandse agrosector is om zich maximaal voor te bereiden op alle mogelijke scenario’s voor de toekomst. Grote ontwikkelingen in de agrosector zijn: Groeiende vraag naar kwalitatief beter, gezond en integer voedsel. Ondernemers zetten in op meer duurzame productiemethoden voor mens, dier en omgeving. Productie op basis van hernieuwbare grondstoffen en energie. De snelheid waarmee nieuwe kennis en technologieën de weg naar de praktijk zoeken, neemt progressief toe. Inspiratie komt uit andere sectoren. De sector verbreedt zich.

Ze kijkt naar verbindingen met gezondheid, farmacie, energie en meer directe verbindingen met de consument. De strategische opgave Landbouw: Meerdere Smaken gaat samen met partners uitwerken. Hierbij zet Flevoland een mix aan instrumenten en middelen in. Flevoland zet daarbij onder meer de agro-innovatiemotor in. Het gaat hierbij onder meer om de opzet, aanpak en uitvoeringskracht. Flevoland zet in op het binden en verbinden van partijen, kennis ontsluiten en verspreiden, samenbrengen topondernemers en beloftevolle innovaties, faciliteren van vernieuwingen en praktijkervaring uitdragen. Dit plan Het plan past binnen deze Omgevingsvisie omdat het bedrijf voldoet aan de strategische opgave. Het bedrijf wordt verwarmd met behulp van hernieuwbare energie, de planten krijgen uitsluitend regenwater en al het gietwater wordt hergebruikt.

Toelichting (ontwerp)

13

Landelijk gebied, Drietorensweg 36-II te Ens

3.2.2

DLVge

Omgevingsprogramma Provincie Flevoland

Op 27 februari 2019 is het omgevingsprogramma Provincie Flevoland vastgesteld. In dit (eerste) Omgevingsprogramma Flevoland is ervoor gekozen al het bestaande beleid voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming of het behoud van de fysieke leefomgeving te bundelen in één programma dat digitaal beschikbaar is. Op deze wijze zijn de provinciale beleidskeuzes compact beschreven en is de samenhang tussen de verschillende beleidsterreinen het beste gewaarborgd. De provincie handhaaft de concentratie van glastuinbouw in de gebieden bij Almere, Luttelgeest en Ens. In deze glastuinbouwgebieden kunnen bijbehorende activiteiten als verwerking, verpakking en logistiek gevestigd worden. Uitbreidingsmogelijkheden zijn er alleen bij Luttelgeest/Marknesse en Ens. Hier is ook herstructurering en revitalisering nodig om de concurrentiepositie voor de toekomst veilig te stellen. De bestaande infrastructuur, wateropvang, energiebehoefte, energiebesparingsmethoden en afvalwaterverwerking moeten daarbij duurzaam en toekomstgericht worden ingericht. Ook de landschappelijke inpassing is een aandachtspunt, in het bijzonder voor wat betreft lichthinder. De provincie ondersteunt het revitaliseringsproces. Buiten de glastuinbouwgebieden is alleen teeltondersteunend glas toegestaan.

Het Omgevingsprogramma Provincie Flevoland gaat ook in op de Cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten van de provincie. Het zijn de dijken, vaarten, interne ontsluiting, flankerende beplanting, wegbeplanting en de bosranden. Deze wil de provincie behouden en de kwaliteiten ervan inzetten bij nieuwe ontwikkelingen, zodat zij een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. De provincie verwacht van de gemeenten dat zij bij de besluitvorming over nieuwe ontwikkelingen expliciet rekening houden met zowel de cultuurhistorische en landschappelijke kern- als basiskwaliteiten. Dit plan Het plan past binnen het omgevingsprogramma. Het plangebied is gelegen in het glastuinbouwgebied ten zuiden van Ens. In dit gebied zijn uitbreidingsmogelijkheden, zoals beschreven in het omgevingsprogramma. Met de planontwikkeling is zoals beschreven in paragraaf 2.3, rekening gehouden met de bestaande landschappelijke elementen. Cultuurhistorie wordt verder beschreven in paragraaf 4.7. 3.2.3

Programma landschap van de toekomst

Het Programma Landschap van de Toekomst, vastgesteld op 13 oktober 2021, benoemt de kernkwaliteiten van het Flevolandse landschap. Voor de Noordoostpolder zijn o.a. de volgende kernkwaliteiten van belang: Kernkwaliteit 3: hoofdwaterwegen De hoofdwaterwegen vormen onderdeel van het samenhangende waterbouwkundig bouwwerk van Flevoland. Ze zijn de onmisbare schakel in het systeem van dijken, gemalen en water. Het netwerk van hoofdwaterwegen is als strakke lijnen in het landschap zichtbaar. . In de Noordoostpolder vormen de hoge bruggen karakteristieke uitzicht- en oriëntatiepunten in de polder. Deze bieden zowel interessante zichten op de akkers als op de vaarten. Kernkwaliteit 7. dorpenring en assenkruis Noordoostpolder De dorpenring in de Noordoostpolder verbindt de kernen Creil, Bant, Luttelgeest, Marknesse, Kraggenburg, Ens, Nagele, Tollenbeek en Espel.De ring is een cruciale dragende structuur die de concentrische opbouw van de polder volgt. En deze in verschillende relatief open gebieden verdeelt. Het poldergebied aan de binnenzijde van de dorpenring is het meest open en grootschalig van karakter. De dorpenring heeft een vrij smal profel omdat de meeste grond voor landbouw werd ingezet. In de huidige situatie zijn delen van de begeleidende beplanting langs de dorpenring verdwenen, bijvoorbeeld door wegverbredingen.

Hierdoor staat de ruimtelijke samenhang van de polder als geheel onder druk. Kernkwaliteit 10. Openheid en Mondriaanlandschap Het landschap van Flevoland is relatief open met kenmerkende vergezichten. De ervaren mate van openheid hangt samen met de beleving van de zichtbare oppervlakte van het landschap. Enkele voorbeelden van gebieden waar de openheid goed te ervaren is, zijn het landbouwhart in Zuidelijk Flevoland. Het poldergebied tussen de Dronterweg en Biddingringweg in Oostelijk Flevoland. En de

14

Toelichting (ontwerp)

Landelijk gebied, Drietorensweg 36-II te Ens

DLVge

gebieden binnen de dorpenring in de Noordoostpolder. Dit plan De kernkwaliteiten van het Flevolandse landschap blijven behouden. Met de Landschappelijke inpassing wordt aangesloten bij de bestaande bomenstructuur van de Drietorensweg.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Structuurvisie Noordoostpolder (2025)

De Structuurvisie Noordoostpolder 2025 is in december 2013 vastgesteld door de gemeenteraad. De Structuurvisie is een integrale ruimtelijke visie, die de huidige en gewenste waarden en kwaliteiten beschrijft. De visie heeft als doel de verschillende belangen, zoals voor het landschap, de kernen en de gemeenschap, zorgvuldig af te wegen. En hieruit een integrale ontwikkelingsrichting te bepalen voor de periode tot 2025. De Structuurvisie Noordoostpolder 2025 is vooral gericht op behoud en verbetering van de bestaande ruimtelijke, economische en sociale kwaliteiten en daarmee op het versterken van het landschap en leefbaarheid in de gemeente Noordoostpolder. De Structuurvisie is een document voor de langere termijn. Daarom kent de Structuurvisie Noordoostpolder 2025 een zekere mate van globaliteit en abstractie. De visie vormt de basis voor het toekomstig beleid, ter uitwerking van de structuurvisie zijn gebiedsvisies, masterplannen, uitwerkingsplannen, bestemmingsplannen en beleidsplannen nodig om concrete (plan)ontwikkelingen in gang te zetten. Schaalvergroting in de landbouw is een trend die zal doorzetten. Ruimtelijk zal het vergroten van bouwmogelijkheden in de hele gemeente worden gefaciliteerd. Grondgebonden landbouw, akkerbouw en tuinbouw, blijven de kern van de agrarische sector. Een ontwikkeling in de landbouw die plaatsvindt, is de vraag naar glastuinbouwgebied.

De gemeente kiest voor een groei van de glastuinbouw door het faciliteren van uitbreidingsruimte. De uitbreidingsruimte wordt gezocht bij de bestaande glastuinbouwgebieden in Ens en Luttelgeest. In de afgelopen 60 jaar is er aan de oostkant van de polder een 'tussenzone' ontstaan tussen het middengebied en de oostelijke rand van de polder onder invloed van tuinbouw en (bij Ens en bij Luttelgeest) van glastuinbouw. In de tussenzone bieden we volop ruimte voor de ontwikkeling van de tuinbouw. Bij Ens en bij Luttelgeest is bovendien plaats voor uitbreiding van (en aansluitend op) de bestaande glastuinbouwgebieden. In de situering van functies moet in de tussenzone worden gestreefd naar het vastleggen van open zones langs de voorzijde van de bebouwingslinten en langs de waterlopen aan de achterzijde. In de structuurvisie worden verschillende thema's besproken. Per thema worden de verschillende ambities verder uitgewerkt. Voor dit plan zijn de volgende thema's van belang: Landschap In het tussengebied wordt ruimte geboden aan de verdere ontwikkeling van de (glas)tuinbouw. Dit resulteert in een verdere verdichting van dit gebied. Door een eenduidige wijze van ontwikkeling en inpassing in het landschap behoudt dit gebied een eigen karakter. Een groene voor- en achterzone (langs de tochten) kunnen daar in belangrijke mate aan bijdragen.

Water Goed en schoon water is belangrijk voor mensen en ook voor dieren en planten die er in leven. De stijgende zeespiegel en het veranderende klimaat stellen Nederland voor opgaven op het gebied van veiligheid en zoetwatervoorziening. De Nederlandse overheid wil dat het IJsselmeergebied ook voor toekomstige generaties veilig en aantrekkelijk blijft. Landbouw Een belangrijke ontwikkeling die al een tijd aan de gang is en die in de toekomst nog sterker doorzet is de schaalvergroting, noodzakelijk voor een rendabele agrarische bedrijfsvoering. In de tussenzone wordt van oudsher veel (glas)tuinbouw bedreven. De gemeente kiest ervoor in ruime mate ontwikkelingsruimte aan glastuinbouw te bieden, zij het alleen in de tussenzone (buiten de dorpenringweg); het middengebied wil de gemeente open houden.

Toelichting (ontwerp)

15

Landelijk gebied, Drietorensweg 36-II te Ens

DLVge

Duurzame energie In 2030 wil de gemeente voldoende duurzame energie opwekken om daarmee energieneutraal te zijn. Hier is het landschap meer verdicht dan in het open middengebied, maar het heeft door de aanwezige (glas)tuinbouw een duidelijk ander karakter dan de rand langs het oude land. In de polder zijn veel glastuinbouwbedrijven. Landbouw is de primaire functie in het landelijke gebied. De gemeente Noordoostpolder biedt ontwikkelingsruimte voor bestaande en nieuwe bedrijven voor schaalvergroting. Voor glastuinbouwbedrijven betreffen dit specifieke gebieden o.a. ten zuiden van Ens. Dit plan De uitbreiding is ten behoeve van een bestaand glastuinbouwbedrijf dat is gevestigd in het glastuinbouwgebied. Het beoogde plan wordt goed landschappelijk ingepast. Het bedrijf wordt verwarmd met behulp van hernieuwbare energie, de planten krijgen uitsluitend regenwater en al het gietwater wordt hergebruikt. De ontwikkeling past binnen de ambities uit de structuurvisie. 3.3.2

Welstandsnota Noordoostpolder (2016)

Voor bebouwing met een cultuurhistorische betekenis en/of een beeldbepalend karakter gelden eisen van welstand. Deze eisen zijn echter veelal beperkt tot de voorgevel van gebouwen. Het gaat hier bijvoorbeeld om de hoofd entrees en gedeelten van de oudste kernen van Emmeloord en de dorpen, en om oorspronkelijke en nieuwe woningen in het buitengebied. Andere gebieden en bouwwerken zijn geheel welstandsvrij of welstandsluw. Hier gaat het om de gebieden buiten de oorspronkelijke kernen en om industrieterreinen en bedrijfsgebouwen in het buitengebied. Zo wordt de gewenste ruimte aan burgers en bedrijven bij het realiseren van hun bouwplannen gegeven. De welstandsnormen in de gemeente Noordoostpolder wijzigen per 1 januari 2024. Er worden dan minder regels gesteld aan bouwwerken. Vooral in het buitengebied worden de welstandseisen voor een groot gedeelte losgelaten. De Beleidsregel Uiterlijk Bouwwerken zal vóór 1 januari 2024 worden vastgesteld. Dit plan Het beoogde plan bevindt zich in het buitengebied, de bouwwerken zijn welstandsvrij.

16

Toelichting (ontwerp)

Landelijk gebied, Drietorensweg 36-II te Ens

Hoofdstuk 4

DLVge

M ilieu en leefkwaliteit

De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 lid 1 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, ect.) maar ook de economische uitvoerbaarheid van het plan. Daarvan wordt in dit hoofdstuk verslag gedaan. De toets aan het beleid is in het vorige hoofdstuk al aan de orde gekomen.

4.1

M.e.r. - beoordeling

Op 7 juli 2017 is het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) gewijzigd, waardoor de beoordelingsprocedure aan formele regels is gebonden en dient de beslissing op de m.e.r. vóór het behandelen van de aanvraag plaats te vinden. In de Wet Milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Voor activiteiten die genoemd zijn bij bijlage D is de verplichting tot een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de werkzaamheden in dit project is een activiteit benoemd in bijlage D, die mogelijk kan leiden tot een m.e.r.-beoordelingsplicht. In tabel 1 is een activiteit weergegeven, het betreft hier Categorie D9: Een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan. Navolgend is toegelicht of deze categorie leidt tot een m.e.r. - beoordelingsplicht. Cat.

Activiteiten

Gevallen

Plannen

Besluiten

D9

Een landinrichtings-project dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan.

In gevallen waarin de De structuurvisie, De vaststelling van het activiteit betrekking bedoeld in de artikelen inrichtingsplan, heeft op 2.1, 2.2 en 2.3 van de bedoeld in artikel 17 1°. een functiewijziging Wet ruimtelijke van de Wet inrichting met een oppervlakte ordening, en de landelijk gebied dan van 125 hectare of plannen, bedoeld in de wel een plan bedoeld meer van water, artikelen 3.1, eerste in artikel 18 van de natuur, recreatie of lid, 3.6, eerste lid, Reconstructiewet landbouw of onderdelen a en b, van concentratiegebieden 2°. vestiging van een die wet, de vaststelling dan wel bij het glastuinbouwgebied of van het inrichtingsplan, ontbreken daarvan het bloembollenteeltgebied bedoeld in artikel 17 plan bedoeld in artikel van 50 hectare of van de Wet inrichting 3.6, eerste lid, meer. landelijk gebied, het onderdelen a en b, van plan, bedoeld in artikel de Wet ruimtelijke 11 van de ordening dan wel bij Reconstructiewet het ontbreken daarvan concentratiegebieden van het plan, bedoeld en het plan bedoeld in in artikel 3.1, eerste artikel 18 van de lid, van die wet. Reconstructiewet concentratiegebieden.

Tabel 1: categorie D9 v an de bijlage v an het Besluit m.e.r.

Omdat dit bestemmingsplan uitbreiding van een glastuinbouwgebied mogelijk maakt, moet in categorie D.9 van de bijlage van het Besluit m.e.r. beoordeeld worden of er sprake is van een plan m.e.r.-plicht. In dit bestemmingsplan is een oppervlakte van ca. 2 ha opgenomen voor de glastuinbouw. Met de realisatie van de voorgenomen activiteit worden de gestelde drempelwaarde van 50 ha niet overschreden. Er is derhalve geen sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Dat neemt echter niet weg dat als de activiteiten onder de drempelwaarden blijven, er toch bezien moet worden of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de

Toelichting (ontwerp)

17

Landelijk gebied, Drietorensweg 36-II te Ens

DLVge

omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling (een zogenaamde 'vormvrije mer-beoordeling'). Deze omstandigheden betreffen: •

de kenmerken van de projecten;

•

de plaats van de projecten;

•

de kenmerken van de potentiële effecten.

In dit hoofdstuk wordt weergegeven hoe het plan zich verhoudt tot de diverse relevante omgevingsaspecten (zoals bodem, luchtkwaliteit, geluid, water, archeologie en ecologie). De conclusie luidt dat de in dit bestemmingsplan voorziene ontwikkelingen haalbaar en uitvoerbaar zijn. Geconstateerd kan worden dat niet is gebleken van feiten en omstandigheden (waarbij onder meer rekening is gehouden met de criteria in bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (richtlijn 85/337/EEG) die maken dat de uitvoering van dit plan kan leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen die het verrichten van vervolgmilieuonderzoek (eventueel in de vorm van een milieueffectrapportage) noodzakelijk maken. Gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Voor het bestemmingsplan is dan ook geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r. Voorafgaand aan het in procedure brengen van het ontwerp- bestemmingsplan dient een mer-beoordelingsbesluit te worden genomen door de gemeente Noordoostpolder.

4.2

Externe veiligheid

Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden. Om het aantal informatieproducten binnen de overheid verder te harmoniseren worden sinds 1 januari 2023 de kaarten van de risicokaart getoond via atlasleefomgeving.nl. Hier wordt zoveel mogelijk informatie over de leefomgeving bij elkaar gebracht.

Figuur 7: Veilige omgev ing

Bron: atlasleef omgev ing.nl

Vanuit externe veiligheid zijn er geen belemmeringen.

18

Toelichting (ontwerp)

Landelijk gebied, Drietorensweg 36-II te Ens

4.3

Milieu

4.3.1

Bodem

DLVge

Als sprake is van ernstige bodemverontreiniging dan is de Wet bodembescherming (Wbb) van kracht. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem van de locatie waarop de bestemmingswijziging betrekking heeft, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. In augustus en september 2022 is door Hunneman Milieu Advies Raalte BV een verkennend bodemonderzoek (bijlage 1), in combinatie met een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd op de locatie aan de Drietorensweg 36-2 te Ens. Op basis van de geïnventariseerde gegevens is de locatie grotendeels onverdacht voor bodemverontreiniging, met uitzondering van de mogelijke aanwezigheid van asbest in de actuele contactzone/drupzones en de puinverharding en OCB’s in de bovengrond. In aanvulling op het verkennend bodemonderzoek is een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd, conform de onderzoeksstrategie op een verdachte locatie strategie 6.4.5 uit de NEN-5707 en onderzoeksstrategie 6.5.2 (halfverhardingslagen) uit de NEN-5897.

Het onderzoek is gecombineerd met het onderzoek ter plaatse van de “drupzones” van de asbestdaken. In de puinverharding is op basis van de 'worst case berekening' een verhoogd gehalte aan asbest aangetoond. Op het overige terrein zijn geen verhoogde gehalten aan asbest aangetoond. In de vaste bodem zijn verhoogde gehalten aan zink aangetoond. De verontreiniging beperkt zich naar verwachting tot de bovengrond, maar is in horizontale en verticale richting niet ingekaderd. Op basis van de onderzoeksresultaten (Bijlage 2) wordt geadviseerd ter plaatse van 1 boring nader bodemonderzoek uit te voeren, vanwege de zinkverontreiniging. En een nader asbestonderzoek uit te voeren ter plaatse van de puinverharding. Op 25 september 2023 is door Eco Reest Bodem BV een nader milieukundig bodemonderzoek naar zink en een nader onderzoek naar asbest uitgevoerd (Bijlage 3. Op basis van het huidige totaal aan gegevens concludeert Eco Reest Bodem BV, mede gelet op de doelstelling van onderhavige nader bodemonderzoek, het navolgende: Onderzoek asbest Ter plaatse van de onderzoekslocatie is geen sprake van een asbesthoudende verhardingslaag en/of bodemlaag. Plaatselijk is zwerfasbest aangetroffen. Dit is vermoedelijk afkomstig van het asbestdak van de schuur.

Geadviseerd wordt om het dak te repareren en/of het asbest van het dak te verwijderen, teneinde verdere verspreiding van zwerfasbest tegen te gaan. Bodemonderzoek zink Ter plaatse van het zuidwestelijke deel van het terrein is de bodem over een oppervlakte van circa 100 m² sterk verontreinigd met zink. Op basis van de verticale afperking ligt de onderzijde van de sterke grondverontreiniging op maximaal 0,5 m-mv. Het betreft derhalve naar schatting maximaal circa 50 m³ sterk met zink verontreinigde grond. De grondverontreiniging met zink ter plaatse van het zuidwestelijke deel van de onderzoekslocatie is vermoedelijk vóór 1987 ontstaan als gevolg van het opbrengen van verontreinigde grond en/of het opbrengen van resten verontreinigd puin. De ter plaatse aangetoonde sterke grondverontreiniging met zink betreft een geval van ernstige bodemverontreiniging. Op basis van de uitgevoerde standaard risicobeoordelingen, zijn als gevolg van de sterke

Toelichting (ontwerp)

19

Landelijk gebied, Drietorensweg 36-II te Ens

DLVge

grondverontreiniging met zink geen onaanvaardbare humane, ecologische en/of verspreidingsrisico’s aangetoond. De ter plaatse aangetoonde verontreinigingen zijn op basis hiervan niet spoedeisend. Geadviseerd wordt om de omvang van de verontreiniging met zink nader in beeld te brengen. Aan de hand daarvan kan de omvang van een uit te voeren bodemsanering (noodzakelijk met het oog op bouwplannen ter plaatse) te bepalen. In verband met een ernstig geval van bodemverontreiniging met zink in de bovengrond, moet vóór het gewijzigde gebruik van de bodem, nader onderzoek naar de zinkverontreiniging worden gedaan en een saneringsplan zal worden ingediend. 4.3.2

Luchtkwaliteit

Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. Een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. De jaargemiddelde grenswaarde voor zeer fijnstof (PM2,5) bedraagt 25 µg/m3. In het NSL zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 gesteld op 11 juni 2011 voor PM10 en 1 januari 2015 voor NO2. De grenswaarde voor PM2,5 is vanaf 1 januari 2015 van toepassing.

Naast de introductie van het NSL is het begrip 'niet in betekende mate bijdragen' (NIBM) een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project; de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; projectsaldering kan worden toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. Berekening NIBM De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).

Voor de kleinere plannen heeft het voormalige ministerie van VROM in samenwerking met InfoMil een rekentool ontwikkeld: de NIBM-tool. Hiermee kan het bevoegd gezag op een eenvoudige en snelle manier bepalen of er sprake is van een NIBM bijdrage. Het grote voordeel van de NIBM-tool is dat met een beperkt aantal invoergegevens vastgesteld kan worden of een plan NIBM bijdraagt of dat nader onderzoek nodig is. De NIBM-tool gaat daarbij uit van "worst-case-scenario" bijdragen. In de NIBM-tool moet aangegeven worden wat de weekdaggemiddelde toename van het wegverkeer is en welk aandeel vrachtvervoer daarvan deel uitmaakt. Al het vrachtvervoer wordt gezien als zwaar vervoer (worst-case).

20

Toelichting (ontwerp)

Landelijk gebied, Drietorensweg 36-II te Ens

DLVge

Het bedrijf wordt door het beoogde plan vergroot met ca. 4.000 m². Naar naar verwachting zal dit leiden tot een toename van 4 verkeersbewegingen per dag.

Voor de toename van de verkeersbewegingen als gevolg van het beoogde plan is NIBM-2022 gebruikt. De bijdrage door extra verkeersbewegingen is niet in betekende mate. 4.3.3

Geluid

De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen, worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen: 1. woningen; 2. onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal); 3. ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken medische kleuterdagverblijven etc. Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Op het naastgelegen perceel ligt de bestemming 'Agrarisch'. De woning is eigendom van initiatiefnemer. De dichtsbijzijnde woning van derden ligt op een afstand van ca. 50 m. Geluid vormt geen belemmering voor dit plan. 4.3.4

Milieuzonering

Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. De laatste uitgave is 'Bedrijven en Milieuzonering', editie 2009. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en –gevoelige functies dient twee doelen: 1. het reeds in het ruimtelijk spoor voorkómen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen);

Toelichting (ontwerp)

21

Landelijk gebied, Drietorensweg 36-II te Ens

DLVge

2. het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. Bij inititiatiefnemer zijn de milieu-aspecten voor geur, stof en gevaar verwaarloosbaar, omdat de activiteiten geen geur of stof verspreiden. In de directe omgeving van het plangebied staat woning nr. 38-I. Dit is een bedrijfswoning die onderdeel is van de inrichting. De bedrijfswoning is nu niet van derden maar omdat niet uitgesloten is dat de woning op termijn verkocht kan worden, is ook gekeken of in de woning aan het goede woon- en leefklimaat voldaan kan worden. Een glastuinbouwbedrijf heeft milieucategorie 2, voor geluid geldt een richtafstand van 30 m. Het gebied kan aangemerkt worden als 'gemengd gebied'. Bij een 'gemengd gebied' kunnen de richtafstanden met 1 afstandsstap verkleind worden. De richtafstand kan aangepast worden naar 10 m. De bouwafstand tot aan het hart van de kavelsloot mag niet minder bedragen dan 6 m, dat geldt ook voor de bouwafstand van nummer 38-1. De afstand van de bedrijfswoning op nummer 38-I tot nieuwbouw op 36-II is derhalve minimaal 12 m. Dat betekent dat er voldoende afstand kan worden gehouden. Er kan worden voldaan aan de richtafstand uit de genoemde publicatie, er ontstaat derhalve geen hinder.

In de kassen bevinden zich geen geluidsbronnen die voor hinder kunnen zorgen. Binnen de inrichting is er wel sprake van vrachtwagentransport, maar de afstand tot de woning op nr. 38-1 is voldoende groot (> 10 meter). Er is geen nader onderzoek nodig.

4.4

Water

Rijksbeleid Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit nieuwe instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening en is en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen in 2015 op orde te krijgen, vooral op het gebied van wateroverlast en watertekort.

Kaderrichtlijn water Op 22 december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht geworden. De KRW geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Waterbeheer 21e eeuw In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw (WB21) advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatshebben; berging moet binnen het stroomgebied plaatshebben. Dit betekent onder andere het aanwijzen en instandhouden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Waterwet Om te kunnen voldoen aan de eisen die het waterbeheer van de toekomst aan ons land stelt, is op 22 december 2009 de Waterwet in werking getreden. Deze wet heeft 8 oude waterwetten samengevoegd.

22

Toelichting (ontwerp)

Landelijk gebied, Drietorensweg 36-II te Ens

DLVge

De Waterwet regelt in hoofdzaak het beheer van watersystemen, waaronder waterkeringen, oppervlaktewater- en grondwaterlichamen. De wet is gericht op het voorkomen dan wel beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, de bescherming en verbetering van kwaliteit van watersystemen en de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.

Waterschap beleid Het waterschap zorgt voor schoon en voldoende water. Om het water en de dijken te beschermen heeft het waterschap regels opgesteld, waar iedereen zich aan moet houden. Deze regels zijn wettelijk vastgelegd in verschillende documenten. Ze staan in de Keur, de Legger en in algemene regels. De keur is het wetboek van het waterschap. De Keur is een wettelijke regeling die van toepassing is op onder andere de schouw, grondwaterbeheer, veranderingen in het watersysteem, het aanleggen van duikers, dammen of werkzaamheden bij de dijk. De Legger hoort bij de keur en is een set met kaarten waarop staat waar de regels van het waterschap gelden. Op deze kaarten staat onder andere waar dijken, sloten en beken liggen. In Nederland wordt in 2024 de Omgevingswet ingevoerd. Als die ingaat, vervalt de Keur. In plaats daarvan geldt dan de Waterschapsverordening. De waterschapsverordening bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die het waterschap stelt binnen haar beheergebied. Per waterschap is er 1 waterschapsverordening. Waterschappen krijgen een overgangstermijn voor het vaststellen van de waterschapsverordening. Waterschappen moeten op 1 januari 2026 een waterschapsverordening hebben vastgesteld.

Watervisie en Waterbeheerprogramma 2022-2017 Als waterbeheerder zorgt Waterschap Zuiderzeeland ervoor dat het watersysteem, het zuiveringssysteem en de dijken voldoen aan de eisen die daaraan gesteld worden. In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 beschrijft het waterschap haar missie en doelen en welk waterwerk er in de komende jaren te doen is. Het Waterbeheerprogramma bestaat uit vier hoofdthema’s: Omgeving, Waterveiligheid, Voldoende en gezond water en Schoon, gezuiverd water. Uitwerking Sinds 1 november 2003 is de toepassing van de watertoets wettelijk verplicht door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten (naast veiligheid en wateroverlast ook bijvoorbeeld waterkwaliteit en verdroging). De watertoets is een belangrijk procesinstrument om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in de ruimtelijke ordening. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan. De watertoetsprocedure kan op drie manieren gevolgd worden: de procedure geen waterschapsbelang, de korte procedure en de normale procedure.

Welke procedure gevolgd moet worden hangt af van de implicaties van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding. De procedure geen waterschapsbelang en de korte procedure zijn bedoeld voor ruimtelijke plannen met beperkte gevolgen voor de waterhuishouding. Bij deze twee procedures kan de watertoets volledig digitaal doorlopen worden. De normale procedure is gericht op ruimtelijke plannen met relatief vergaande consequenties voor de waterhuishouding. In dit geval is vroegtijdige actieve betrokkenheid van Waterschap Zuiderzeeland nodig. De relevante randvoorwaarden voor het plan zijn gerangschikt onder zeven streefbeelden ingedeeld op basis van de drie waterthema's Veiligheid, Voldoende Water en Schoon Water. Na het streefbeeld vindt u het uitgangspunt: het vertrekpunt bij de verwezenlijking van het streefbeeld. U krijgt vervolgens een overzicht van de gerelateerde randvoorwaarden. Thema Waterveiligheid Het plan ligt niet buitendijks of in een beschermingszone van een waterkering. Op basis van de ingevoerde gegevens over het plangebied zijn er geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing.

Toelichting (ontwerp)

23

Landelijk gebied, Drietorensweg 36-II te Ens

DLVge

Thema Voldoende water Wateroverlast Streefbeeld: Het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, is op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen. Uitgangspunt wateroverlast: Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. De planontwikkeling is gelegen in een watersysteem dat op basis van de toetsing in 2012 voldoet aan de normering voor wateroverlast. Een dergelijk systeem kan het water verwerken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Binnen het plangebied is geen sprake van een toename in verhard oppervlak, of deze is gering (minder dan 750 m² in stedelijk gebied of minder dan 2.500 m² in landelijk gebied). Daarom is geen compensatie noodzakelijk voor dit plan. Het plangebied ligt in landelijk gebied. De huidige bebouwing bestaat uit een woonhuis (98 m²), schuur (663 m²) en erfverharding (550 m²). In totaal is dit dit een oppervlakte van 1.311 m². In de nieuwe bestemming zijn de bouwgrenzen vastgelegd ten opzicht van de bestemmingsranden en percelsgrenzen. Op het plangebied blijft een maximaal bebouwbaar opperlvak over van 2.338 m².

De toename in verhard oppervlak is beperkt tot maximaal 1.027 m² indien de huidige opstanden gesloopt worden en geheel vervangen voor bedrijfsbebouwing (kassen/verwerkingsruimte). De ontwikkling met betrekking tot de bestemmingswijziging is met name bedoeld voor het aansluiten van de bestemmingen Agrarisch-Glastuinbouw tot één vlak zonder verstoring. Het doel is niet het volledig volbouwen van het maximale oppervlakte. Het hemelwater van de bedrijfsbebouwing zal worden afgevoerd naar de reeds bestaande hemelwateropvangvoorzieningen van het totale kassencomplex. Goed functionerend watersysteem Streefbeeld: Het watersysteem zorgt in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en maakt het realiseren van het (maatschappelijk) gewenste grond- en oppervlaktewaterwaterregime (GGOR) mogelijk. Waterschap Zuiderzeeland streeft er naar dat de feitelijke situatie van het watersysteem overeenkomt met de legger. Op die manier kan het waterschap weloverwogen anticiperen op en reageren in extreme situaties. Randvoorwaarde(n) goed functionerend watersysteem: Het waterschap streeft naar een robuust en klimaatbestendig watersysteem met grote peilvakken. Versnippering van het watersysteem is een ongewenste situatie. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan op bestaande peilvakken en de inrichting wordt afgestemd op de functie van het water.

De planontwikkeling leidt niet tot nieuwe peilvakken. De planontwikkeling heeft geen gevolgen voor het streefpeil van het oppervlaktewater in of in de omgeving van het plangebied. Het functioneren van het huidige watersysteem (doorstroming, afwatering, realiseren van het gewenste peil) zal door de planuitvoering niet verslechteren. Het plangebied bevindt zich binnen tien meter afstand van een bestaande watergang. De watergang wordt ten minste aan één zijde voorzien van een obstakelvrije werkstrook van minimaal 5 meter breed en 4 meter hoog. Bij een waterbreedte vanaf 12 meter geldt dit aan weerszijden. Bij een talud van 1:4 of flauwer is geen onderhoudsstrook nodig. Anticiperen op watertekort Streefbeeld: Het waterschap wil een robuust watersysteem dat voorbereid is op de effecten van toekomstige klimaatveranderingen. Tot nu toe ligt de nadruk bij klimaatveranderingen met name op meer extreme neerslag en stijging van de zeespiegel. Ook extreem droge periodes zullen echter vaker voor komen. Het robuuste watersysteem dat het waterschap nastreeft moet hier ook op anticiperen. Randvoorwaarden: Nieuwe watersystemen worden dusdanig ingericht dat ze zelfvoorzienend zijn. Uitbreiding van wateraanvoer bij de huidige functies is niet wenselijk. De afweging van wateraanvoer vindt plaats op basis van robuustheid, effectiviteit en efficiency.

Hierbij geldt als uitgangspunt dat herverdeling van water binnen de polder de voorkeur heeft boven wateraanvoer van buiten de polder. Thema Schoon Water Uitgangspunt: Bij de inrichting van het watersysteem wordt gestreefd naar het realiseren van een ecologisch gezond watersysteem. Oevers worden bij voorkeur duurzaam en indien passend bij de

24

Toelichting (ontwerp)

Landelijk gebied, Drietorensweg 36-II te Ens

DLVge

functie natuurvriendelijk ingericht. Bij de dimensionering van het watersysteem wordt rekening gehouden met de te verwachten waterkwaliteit. Goede oppervlaktewaterkwaliteit Streefbeeld: Het grond- en oppervlaktewater biedt leef-, verblijf-, en voortplantingsmogelijkheden voor de (aquatische) flora en fauna in het beheergebied. De chemische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor. Randvoorwaarde(n): Conform de Waterwet (Ww) is het verboden om zonder vergunning afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in welke vorm dan ook te brengen in oppervlaktewateren. Schoon regenwater mag zonder waterstaatswerk direct geloosd worden op oppervlaktewater. Indien hiervoor een voorziening zoals een drain of buis wordt aangebracht is hiervoor een vergunning nodig. Goed omgaan met afvalwater Streefbeeld: Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met de regulering of behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan. De lozingssituatie blijft ongewijzigd. De straatverharding blijft afgevoerd naar het oppervlaktewater. Door de ontwikkeling wijzigt de hoeveelheid afvalwater niet.

Bij vervanging met bedrijfsopstanden zal de lozing van hemelwater naar het waterbassin plaatsvinden in plaats van zoals nu direct op het oppervlaktewater. Bij sloop van het woonhuis zal de hoeveelheid afvalwater verminderen, maar het is mogelijk dat er een kleine kantine op deze plaats in de ontwikkeling bij komt. De samenstelling van de bestaande lozingen wijzigt dan niet. Bedrijfsafvalwater wordt binnen het ontwikkelgebied niet afgevoerd. 4.4.1

Dit plan

Op basis van inhoudelijke beoordeling van de ontwikkeling is de normale procedure van toepassing voor de watertoets. Vooruitlopend op dit beoogde plan heeft in 2022 reeds overleg plaatsgevonden met Waterschap Zuiderzeeland. Bij dit overleg is aangegeven dat initiatiefnemer in fases uitbreidingen van het gehele kassencomplex en wateropslagvoorzieningen wil realiseren. De voorliggende bestemmingswijziging is onderdeel van de laatste fase, waarbij de hemelwateropvang wordt gereorganiseerd. De watervergunnnigen voor de reorganisatie en toename ven verhard oppervlak (ca. 6 ha) heeft Waterschap Zuiderzeeland reeds verleend. De voorliggende bestemmingswijziging is een zeer klein aanvullend onderdeel met een zeer geringe impact.

4.5

Verkeer en parkeren

Het beoogde plan zal leiden tot een uitbreiding van ca. 4 vervoersbewegingen per dag. Wanneer gekozen wordt voor een verwerkingsruimte met 10 extra laad-docks zullen in de toekomstige situatie alle verkeersbewegingen van de Drietorensweg worden gecentraliseerd. Tussen de laad-docks en de verwerkingsruimte, wordt voldoende parkeerruimte gecreëerd. De planning is om 60 parkeerplaatsen te realiseren.

4.6

Ecologie

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Soorten Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien moet voor de start van die werkzaamheden ontheffing worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan moet duidelijk zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt het verbod op (opzettelijk) te doden of te vangen van individuen van deze soorten. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste)

Toelichting (ontwerp)

25

Landelijk gebied, Drietorensweg 36-II te Ens

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/2109/documents/36980