8.1 Ruimtelijke onderbouwing .PDF
Tekst van het document
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Omgevingsvergunning Emmeloord, Koningin Julianastraat – Onder de Toren Ruimtelijke onderbouwing
Afbeelding 3.2
Uitsnede structuurvisie-themakaart (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Emmeloord is de spin in het web. Het is de stedelijke hoofdkern van de gemeente, met een hoog voorzieningenniveau en een verzorgingsfunctie voor de overige kernen en het landelijk gebied. De combinatie van het hoge voorzieningenniveau, de verschillende bedrijventerreinen en de goede ontsluiting maken Emmeloord tot een aantrekkelijk plek om te wonen of een bedrijf te vestigen. De komende jaren wordt de centrumfunctie van Emmeloord versterkt. Het centrum van Emmeloord krijgt een 'facelift'. Bovendien worden de oude wijken rondom het centrum opgeknapt en waar nodig geherstructureerd zodat ze voldoen aan de eisen van deze tijd. In Emmeloord worden bovendien de meeste woningen gebouwd. 3.3.1.3 Toetsing van het initiatief aan de ‘Structuurvisie Noordoostpolder 2025’ In voorliggend geval worden ten opzichte van het geldende planologisch regime uitsluitend woningen toegevoegd aan het projectgebied (de kantoorfunctie is reeds toegestaan). Het gaat hierbij om een binnenstedelijk ontwikkeling op een locatie die op basis van de structuurvisiekaart onder andere is aangewezen als woongebied. Met deze ontwikkeling wordt dan ook bijgedragen aan de versterking van de centrumfunctie van Emmeloord door woningen te bouwen die voldoen aan de eisen van deze tijd en aansluiten bij de behoefte (zie ook paragraaf 3.3.2).
Geconcludeerd wordt dat dit project in overeenstemming is met de uitgangspunten zoals verwoord in de ‘Structuurvisie Noordoostpolder 2025’. 3.3.2
Woonvisie Noordoostpolder 2020: Kansen grijpen
3.3.2.1 Algemeen De woonvisie heeft als titel “kansen grijpen” en dat is precies wat de gemeente Noordoostpolder wil gaan doen. De gemeente wil de vraag van vandaag beantwoorden en tegelijkertijd inspelen op de toekomst. Ook dient het een gemeente te blijven waar het goed wonen is. Dat betekent dat er nu wordt ingespeeld op de markt en dat er ruimte wordt geboden voor experimenten en nieuwe woonvormen. Dit draagt bij aan de variatie in het woonaanbod, waardoor Noordoostpolder aantrekkelijker wordt voor meer mensen. De gemeente doet dit onder andere door onderzoekend ontwikkelen. Mensen die kiezen voor Noordoostpolder als woonplek krijgen de ruimte. Zowel in Emmeloord als de dorpen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Omgevingsvergunning Emmeloord, Koningin Julianastraat – Onder de Toren Ruimtelijke onderbouwing 3.3.2.2 Kwantitatieve behoefte Op basis van de bevolkingsprognose is in de komende 10 jaar een toevoeging van 1000 woningen noodzakelijk. Het is daarbij van belang de komende jaren de verhuisbewegingen goed te monitoren en op basis daarvan jaarlijks te kijken of een bijstelling van het programma wenselijk is. Het overschrijden van de gemiddelde jaarprogrammering van 100 woningen in de eerste jaren is geen probleem. 3.3.2.3 Kwalitatieve behoefte De kwalitatieve woningprogrammering kent drie invalshoeken: 1. 2. 3.
De vraag en tekorten van vandaag. De behoefte van morgen. Zelfstandige kwaliteitsdoelstellingen.
Bij het bouwen van nieuwe woningen wordt gekeken naar inbreidingsmogelijkheden, transformatie van bestaand vastgoed en uitbreiding. De inzet van de woonvisie is om de vraag en tekorten van vandaag op te lossen door een op doorstroming gericht seniorenprogramma dat invulling geeft aan de behoefte van morgen. Het doel is om zowel in Emmeloord als in de kernen een dergelijk programma te realiseren. Het gaat daarbij om huur- én koopwoningen, appartementen én grondgebonden woningen. Een dergelijk programma kan door doorstroming ruimte scheppen voor starters en andere groepen. Tegelijk is het doel om kwalitatief bijzondere programma’s toe toevoegen, zoals bijvoorbeeld Wellerwaard, om een aantrekkelijk palet aan woonmilieus aan te bieden. 3.3.2.4 Betaalbaarheid De basisstrategie is om door het stimuleren van doorstroming de betaalbare woningen in de voorraad beschikbaar te krijgen voor de groepen die daaraan behoefte hebben. Bijvoorbeeld door het toevoegen van seniorenwoningen kunnen betaalbare woningen in de bestaande voorraad beschikbaar komen. Als de doorstroming niet voldoende op gang komt, moeten er andere maatregelen genomen worden om woningen beschikbaar te krijgen voor bijvoorbeeld starters. Hierbij kan gedacht worden aan een middenhuurprogramma, levensloopgeschikte woningen die nu voor starters zijn, maar straks voor senioren.
Daarnaast is het doel om voor de groepen die tussen de sociale huurmarkt en de koopmarkt vallen, te komen tot een nieuw middenhuurprogramma. 3.3.2.5 Duurzaamheid Landelijk doel is om in 2050 een energieneutrale woningvoorraad te hebben. De gemeente heeft daarbij als subdoelstellingen de betaalbaarheid van het wonen én de kwaliteit van de bestaande voorraad. Vooral in de goedkopere delen van de koopvoorraad ligt hier een belangrijke opgave. De komende jaren moet op gebiedsniveau invulling worden gegeven aan deze doelstelling. Vooruitlopend daarop is het doel te leren van experimenten en met die experimenten ook draagvlak onder de bevolking te creëren. Bijzonder aandachtspunt is de verwachting dat op het moment dat de strategie voor de energietransitie in een afrondende fase komt daar de nieuwe opgave van de circulaire transitie overheen komt. De oplossingen voor de energietransitie kunnen strijdig zijn met die van circulair bouwen. Parallel zijn er ook de opgaven van de klimaatadaptatie en biodiversiteit. Het doel is om tijdig met de nieuwe opgaven rekening te houden in het formuleren van de strategieën.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Omgevingsvergunning Emmeloord, Koningin Julianastraat – Onder de Toren Ruimtelijke onderbouwing 3.3.2.6 Toetsing van het initiatief aan de Woonvisie Noordoostpolder Onderdeel van de voorgenomen ontwikkeling is het realiseren van 16 middendure koop- en/of huurappartementen. Zowel kwantitatief als kwalitatief speelt het voornemen exact in op een actuele woonbehoefte in de gemeente Noordoostpolder. Daarnaast wordt het gehele te realiseren gebouw gasloos gerealiseerd en wordt zodoende voldaan aan de ambitie met betrekking tot de energietransitie in Nederland. Geconcludeerd wordt dat voorliggende woningbouwontwikkeling past binnen de kaders van de gemeentelijke woonvisie. 3.3.3
Centrumplan Emmeloord 2017
3.3.3.1 Algemeen Het Centrumplan Emmeloord 2017 omvat het plan voor de vernieuwing van het centrum van Emmeloord. Het plan bestaat uit een stedenbouwkundig plan, een beeldkwaliteitsplan en een uitwerkingsagenda. 3.3.3.2 Situatie projectgebied en toetsing Stedenbouwkundig plan Een compact, gezellig, levendig en ‘eigen’ centrum, dat is de wens van de bevolking van Emmeloord. Voor een gezellig stadshart is het compactheid belangrijk. Compact heeft hierin twee betekenissen: • •
Aaneengesloten en niet te groot, zodat winkels en voorzieningen goed op elkaar aansluiten zonder onderbrekingen. Een relatief hoge dichtheid, zodat geborgenheid ontstaat.
De voorgenomen ontwikkeling betreft de invulling van een onbebouwd terrein dat reeds is voorzien van de stedelijke bestemming. Door deze ‘lege’ plek een passende opvulling te geven, wordt bijgedragen aan de invulling van het compacte centrum van Emmeloord. Het projectgebied maakt onderdeel uit van het gebied ‘Kop West’ en is in het stedenbouwkundig plan aangemerkt als woonwerklocatie. Een en ander is weergegeven in afbeelding 3.3, waar het te realiseren gebouw indicatief het oranje vlak linksboven betreft.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Omgevingsvergunning Emmeloord, Koningin Julianastraat – Onder de Toren Ruimtelijke onderbouwing
Afbeelding 3.3
Ligging projectgebied op de kaart behorend bij het Centrumplan Emmeloord (Bron: Gemeente Noordoostpolder)
Op basis van het stedenbouwkundig plan is bepaald dat bebouwing in (de omgeving van) het projectgebied uit drie bouwlagen mag bestaan. De voorgenomen ontwikkeling wijkt hier met vijf bouwlagen voor de appartementen van af. Zoals eerder aangegeven wijkt het gebouw qua bouwhoogte echter slechts gering af van wat reeds ter plaatse van het projectgebied is toegestaan. De hogere bouwhoogte is ter plaatse van het projectgebied passend omdat het gebouw door terugliggende gevels optisch een kleinere uitstraling krijgt. Tevens is het voornemen in het verleden akkoord bevonden door de welstandscommissie, hetgeen bevestigd dat het bouwplan past op de locatie. Qua functies (wonen-werken) sluit de voorgenomen ontwikkeling daarnaast naadloos aan het op de ambities die staan beschreven in het stedenbouwkundig plan behorende bij het centrumplan. Beeldkwaliteit In aanvulling op het stedenbouwkundig plan, formuleert het beeldkwaliteitsplan de richtlijnen op hoofdlijnen voor de beeldkwaliteit van bebouwing en openbare ruimte. In de groene ruimte aan De Deel worden gebouwen toegevoegd voor werken, wonen en horeca. Door naast de functie werken ook wonen te realiseren verbetert de sociale veiligheid. De vraag naar grotere appartementen zou hier goed ingewilligd kunnen worden. Gedacht moet worden aan ‘wonen in het groen’.
Belangrijke voorwaarde voor de bouwblokken is dat ze alzijdig zijn, achterkanten bestaan niet. Tevens is er sprake van één vormentaal, ook bij een combinatie van functies. Een ander aspect dat aandacht verdient is de wijze waarop het landschap geplooid wordt om direct zicht op de half verdiepte parkeergarage zoveel mogelijk te voorkomen. In de architectuur wordt gerefereerd naar de oorspronkelijke bebouwing; Het Nieuwe Bouwen. Een spel van glas en stuc zorgt ervoor dat er ook een relatie ontstaat met het bestaande woongebouw Residence. Bij het ontwerp van de voorgenomen ontwikkeling is met de beeldkwaliteitseisen rekening gehouden. Het bouwplan is door de welstandscommissie beoordeeld.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Omgevingsvergunning Emmeloord, Koningin Julianastraat – Onder de Toren Ruimtelijke onderbouwing De commissie concludeert dat het ingediende plan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Hiermee wordt een positief welstandsadvies afgegeven. Het welstandsadvies is opgenomen in bijlage 1 bij deze ruimtelijke onderbouwing. Daarnaast wordt het gebouw conform het centrumplan gebouw in een groene omgeving gebouwd. Uitwerkingsagenda In de uitwerkingsagenda staat dat voor een gevarieerd centrum het ook belangrijk is dat er wordt gewoond. Woningen dragen sterk bij aan de levendigheid en veiligheid van een centrum. Het centrum biedt een stedelijk woonmilieu, waardoor er kansen liggen voor doelgroepen die nu niet of onvoldoende bediend worden in Noordoostpolder. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in deze vraag. Zo zal er, als gevolg van de toenemende vergrijzing, behoefte zijn aan levensloopgeschikte woningen. Het gaat om woningen in het koop- (grondgebonden) en huursegment (appartementen). Verder is er behoefte aan verschillende woonkwaliteiten en prijsniveaus. Vitale senioren hebben een voorkeur voor het rustig, stedelijk wonen nabij het centrum in bijvoorbeeld een appartement, patiowoning of een bungalow. Centrum stedelijk wonen is ook interessant voor jongeren die flexibel willen zijn en jongeren die zich graag onderscheiden door een wat excentriekere leefstijl.
Gewone betaalbare eengezinswoningen zijn er genoeg. Dit flexibele, excentriekere wonen vraagt wel om een ander soort woning. Het centrum biedt hiervoor uitstekende mogelijkheden. De totale behoefte aan extra woningen in en nabij het centrum wordt tot het jaar 2025 geraamd op 10 tot 15 woningen per jaar. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in deze behoefte. 3.3.3.3 Conclusie Op basis van het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met het ‘Centrumplan Emmeloord 2017’. 3.3.4
Welstandsnota gemeente Noordoostpolder 2016
3.3.4.1 Algemeen Op 29 november 2016 heeft de raad de welstandsnota "Ruimte voor kwaliteit en welstandsvrijheid" vastgesteld. De welstandsnota geeft richting aan het welstandstoezicht in de Noordoostpolder en voor de inwoners van de gemeente biedt het plan helderheid over de welstandsbeoordeling van hun bouwplannen. Zoals de titel van de nota al aangeeft wordt onderscheid gemaakt tussen welstandsvrije en niet welstandsvrije gebieden. De selectie van niet-welstandsvrije gebieden heeft plaats gevonden aan de hand van twee criteria: • de cultuurhistorische betekenis van de bebouwing; • de zichtbaarheid van de bebouwing vanuit belangrijke openbare ruimtes. Op basis van deze criteria is besloten dat in de volgende gebieden welstandstoezicht blijft gelden: 1. 2. 3. 4.
de kernen en beeldbepalende gebieden van Emmeloord; de dorpskernen en beeldbepalende gebieden van Marknesse, Ens, Luttelgeest, Bant, Creil, Espel, Tollebeek, Kraggenburg en Rutten; Nagele en Schokland in zijn geheel; het landelijk gebied.
Op basis van de ligging op de welstandsgebiedenkaart blijkt dat het projectgebied ligt in het welstandsgebied Emmeloord.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Omgevingsvergunning Emmeloord, Koningin Julianastraat – Onder de Toren Ruimtelijke onderbouwing 3.3.4.2 Emmeloord, de dorpen en beeldbepalende gebieden behalve Nagele en Schokland Gebiedscriteria Welstand geldt alleen in het op de kaart aangegeven gebieden (het projectgebied ligt in dit gebied) en is daar alleen van toepassing op naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde kanten van hoofdgebouwen en van bijbehorende bouwwerken. Plaatsing 1. 2. 3.
4. 5.
Bebouwing richt zich naar de openbare ruimte en de plaatsing wordt afgestemd op de karakteristieken van de directe omgeving. In een winkelgebied zijn de gevelwanden zo mogelijk aaneengesloten. In gebieden waarbij wat betreft de plaatsing sprake is van een grote mate van eenheid en herhaling, mag nieuwbouw dit beeld niet verstoren tenzij deze een nieuwe, binnen het oorspronkelijke dorpsontwerp passende, stedenbouwkundige eenheid vormt. Bijbehorende bouwwerken zijn zodanig gesitueerd dat zij ondergeschikt zijn aan het hoofdgebouw. Bijzondere en openbare gebouwen kunnen afwijkend zijn gesitueerd.
Vormgeving 6.
Voor zover stijlkenmerken van oorspronkelijke karakteristieke bebouwing aanwezig zijn (Delftseschool) wordt bij verbouw hier rekening mee gehouden. In andere gevallen zal een keuze moeten worden gemaakt in stijlkenmerken die harmoniëren met de oorspronkelijke en karakteristieke stijlkenmerken. 7. Bij nieuwbouw is vernieuwende vormgeving mogelijk maar met respect voor maat, schaal en kapvorm van de bestaande bebouwing in de directe omgeving. 8. De vormgeving van bijzondere en openbare gebouwen kan afwijken van de vormgeving in de directe omgeving. 9. Een bijbehorend bouwwerk is niet dominant ten opzichte van het hoofdgebouw. Hij moet bovendien qua vorm goed aansluiten op de bestaande bouw, of als deze afwijkt van een gelijkwaardige architectonische kwaliteit zijn. 10. Bij uitbreidingen en verbouwingen aan bijzondere en openbare gebouwen worden de bebouwingskarakteristieken behouden en hersteld. Speciale aandacht is daarbij vereist voor materiaalgebruiken detaillering. Detaillering, materialen en kleuren 11. Diverse kleuren en materialen zijn toegestaan mits deze harmoniëren met de directe omgeving. 12. Binnen een architectonische eenheid harmonieert de detaillering, kleur en materiaalgebruik met de overheersende detaillering van deze eenheid. 13.
Bij beeldbepalende, uitbreidingen of verbouwingen aan een gebouw binnen een stedenbouwkundige of architectonische eenheid, zal de eerste, positief beoordeelde, aanvraag maatgevend zijn voor latere aanvragen. 14. Bij uitbreidingen en verbouwingen aan bestaande (oorspronkelijke) bebouwing sluit de detaillering aan c.q. harmonieert deze bij de oorspronkelijke vormgeving van het gebouw. 15. Bijzondere en openbare gebouwen kunnen in kleur- en materiaalgebruik afwijken van hun directe omgeving. 16. Materialen en kleuren van een uitbreiding van een gebouw zijn gelijk aan, of harmoniëren met die van het bestaande gebouw.
3.3.4.3 Toetsing van het initiatief aan de Welstandsnota gemeente Noordoostpolder Het concrete bouwplan is reeds getoetst door de welstandscommissie. Zoals eerder aangegeven heeft de welstandscommissie op 13 juli 2018 een positief welstandsadvies afgegeven (zie bijlage 1). Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de welstandsnota van de gemeente Noordoostpolder.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Omgevingsvergunning Emmeloord, Koningin Julianastraat – Onder de Toren Ruimtelijke onderbouwing 3.3.5
Duurzaamheidsvisie Noordoostpolder
3.3.5.1 Algemeen In haar duurzaamheidsvisie streeft de gemeente Noordoostpolder naar energieneutraliteit in 2030. De gemeente focust daarnaast op inzet van schone energie. Energiegebruik en –besparing in woningen maken daar een belangrijk onderdeel van uit. Het energiegebruik door woningen bedraagt ongeveer 16% van het totale energiegebruik in Noordoostpolder. Landelijke eisen Het Nationaal Plan voor het bevorderen van bijna-energieneutrale gebouwen in Nederland beschrijft het Nederlandse beleid om te komen tot bijna-energieneutrale woningen vanaf 2021. Het beleid is erop gericht dat de EPC-eis in het Bouwbesluit per 31 december 2020 dichtbij nul komt te liggen, oftewel bijnaenergieneutraal. De eis wordt vanaf 2020 op andere wijze bepaald, maar komt ongeveer overeen met een EPC van 0,2. De huidige eis is een EPC van 0,4. Op 3 april 2018 is een aanpassing van de Gaswet in werking getreden waardoor de gasaansluitplicht is komen te vervallen. Dit betekent dat geen omgevingsvergunningen meer mogen worden afgegeven voor nieuwbouw die aangesloten wordt op een gasnet. Deze regeling geldt voor omgevingsvergunningen aangevraagd vanaf 1 juli 2018. Een gemeente kan een ontheffing verlenen waardoor toch op het gasnet aangesloten mag worden. Dit kan echter alleen in uitzonderlijke situaties waarbij grote maatschappelijke effecten ontstaan door het niet aansluiten op gas.
Het te realiseren gebouw wordt niet op het gasnet aangesloten, een ontheffing van de gemeente is niet benodigd. 3.3.5.2 Duurzaamheid in het stedenbouwkundige plan Het te realiseren gebouw wordt gasloos en met een EPC van maximaal 0,4 gebouwd. De beoogde ontwikkeling is in overeenstemming met het gestelde in de Duurzaamheidsvisie Noordoostpolder. 3.3.6
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat voorliggend initiatief past binnen de gemeentelijke beleidskaders.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Omgevingsvergunning Emmeloord, Koningin Julianastraat – Onder de Toren Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 4
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
Artikel 5.20 van het Bor verklaart voor de inhoud van een besluit als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 30 Wabo, artikel 3.1.6 van overeenkomstige toepassing. Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een omgevingsvergunning een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, Besluit milieueffectrapportage en water.
4.1
Geluid
4.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. 4.1.2
Situatie projectgebied
Voorliggend project gaat uit van de realisatie van een woon-werk gebouw. De te realiseren woningen (appartementen) worden in het kader van de Wgh aangemerkt als geluidsgevoelige objecten en dienen hierdoor getoetst te worden aan de mogelijke gevolgen van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. Industrielawaai Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van en ligt niet in de directe nabijheid van een (gezoneerd) industrieterrein. Aan industrielawaai hoeft niet nader te worden getoetst. Railverkeerslawaai Binnen de directe omgeving van het projectgebied bevindt zich geen spoorweg. Het projectgebied ligt hiermee ook niet binnen de wettelijke geluidszone van een spoorweg. Aan railverkeerslawaai hoeft niet nader te worden getoetst. Wegverkeerslawaai In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in onderstaande tabel. Wettelijke geluidszones van wegen: Aantal rijstroken 1 of 2 rijstroken 3 of 4 rijstroken 5 of meer rijstroken
Stedelijk gebied 200 m 350 m 450 m
Buitenstedelijk gebied 250 m 400 m 600 m
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Omgevingsvergunning Emmeloord, Koningin Julianastraat – Onder de Toren Ruimtelijke onderbouwing De hiervoor genoemde zones gelden niet voor: • •
wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2).
Vanwege een aantal voorgenomen ontwikkelingen op De Deel, is door Goudappel Coffeng een akoestisch onderzoek uitgevoerd. In dit onderzoek is enerzijds ingegaan op de geluidsbelasting op de nieuwe woningen, anderzijds op de bestaande woningen in de omgeving. De in deze ruimtelijke onderbouwing beschreven ontwikkeling maakt onderdeel uit van het onderzoeksgebied. In bijlage 3 bij deze ruimtelijke onderbouwing is het volledige onderzoeksrapport opgenomen, hierna wordt op de bevindingen ingegaan. Het projectgebied bevindt zich binnen de wettelijke geluidszone van de Korte Dreef. In de onmiddellijke nabijheid van het projectgebied liggen 30km/uur-wegen die wettelijk van zonering zijn vrijgesteld maar wel een zekere geluidsrelevantie hebben. De 30km/uur-wegen zijn daarom bij de geluidsbeoordeling betrokken op grond van ‘een goede ruimtelijke ordening’. Voor de betreffende wegen zijn afzonderlijke berekeningen gemaakt om de (cumulatieve) geluidsbelasting op de gevels van de geprojecteerde woningen in het projectgebied te bepalen. De berekeningen zijn er met name op gericht om de wettelijke maximale binnenwaarde van 33dB binnen de geprojecteerde woningen te garanderen. Voor de Korte Dreef is met de berekeningen beoordeeld of er sprake is van een overschrijding van de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48dB.
Uit de berekeningen blijkt vanwege de Korte Dreef geen overschrijding van de 48dB-norm. Uit de cumulatieve berekening van alle betreffende wegen blijkt wél een hogere gevelbelasting dan de voorkeursgrenswaarde van 48dB. Daarom moeten er aanvullende maatregelen worden genomen om de maximale binnenwaarde van 33dB binnen de geprojecteerde woningen te garanderen. De geluidsberekeningen zijn gebaseerd op de verkeersintensiteiten op grond van het verkeersmodel (versie 2.3) van de gemeente Noordoostpolder. In het verkeersmodel is in algemene zin rekening gehouden met de verkeersintensiteiten die lokale woningen en bedrijven bijdragen aan het totaal van de verkeersintensiteiten. In dit geval gaan de beperkte verkeersbewegingen die gerelateerd zijn aan het projectgebied, op in het totale verkeersbeeld en is als zodanig akoestisch niet afzonderlijk herkenbaar. 4.1.3
Conclusie
De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.
4.2
Bodem
4.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. 4.2.2
Situatie projectgebied
In voorliggend geval is ter plaatse van het projectgebied in 2018 door EcoReest een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hierna wordt kort op de belangrijkste resultaten en conclusies ingegaan. Het volledige onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage 4. Onderzoeksresultaten Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat in de bovengrond en in het grondwater overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarden uit de Wet bodembescherming zijn aangetoond.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Omgevingsvergunning Emmeloord, Koningin Julianastraat – Onder de Toren Ruimtelijke onderbouwing De onderzoekshypothese, zijnde een onverdachte locatie, is hiermee derhalve formeel verworpen. Gezien de aard en de concentraties van de aangetoonde parameters in relatie tot de bestemming van het terrein, wordt geconcludeerd dat verhoogde risico's voor de volksgezondheid en/of het milieu op basis van de aangetoonde milieuhygiënische bodemkwaliteit, niet te verwachten zijn. De resultaten van het onderzoek vormen dan ook geen aanleiding tot nader onderzoek en zijn geen milieuhygiënische belemmering in relatie tot de huidige bestemming van het terrein. Ook wanneer de resultaten worden getoetst aan gebruik als wonen of bedrijfsbestemming zijn er geen belemmeringen wat betreft de aangetoond kwaliteit van de bodem. Toepassing van eventueel vrijkomende grond op het terrein zelf wordt milieuhygiënisch verantwoord geacht. Toepassing van eventueel vrijkomende grond elders kan eventueel plaatsvinden binnen een gemeentelijke bodemkwaliteitskaart of met een aanvullend grondonderzoek conform het Besluit Bodemkwaliteit. De gemeente waar de grond eventueel wordt toegepast is hierbij het bevoegd gezag. 4.2.3
Conclusie
Op basis van de resultaten van het bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat de bodemkwaliteit past bij het toekomstig gebruik. Geconcludeerd wordt dat het aspect bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoering van voorliggende ontwikkeling.
4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Omgevingsvergunning Emmeloord, Koningin Julianastraat – Onder de Toren Ruimtelijke onderbouwing 4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 4.3.2
Situatie projectgebied
Voor “kleinere” ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft VROM in samenwerking met InfoMil een specifieke rekentool ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt (NIBM) aan luchtverontreiniging. Het doel van deze tool is: het vaststellen van grenzen voor het aantal extra voertuigbewegingen dat niet zal leiden tot een concentratietoename die groter is dan de grens voor niet in betekenende mate. De onderstaande tabel geeft de worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van het project op de luchtkwaliteit weer. Hierbij is uitgegaan van een toename van 44 vervoersbewegingen (zie ook paragraaf 2.3) als gevolg van de gewenste ontwikkeling. Dit betreft worst-case input, aangezien planologisch reeds een kantoorfunctie is toegestaan, waardoor per saldo de toename van verkeersbewegingen aanzienlijk minder zal zijn.
Tot slot wordt geconcludeerd dat deze ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen 4.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor voorliggend initiatief.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Omgevingsvergunning Emmeloord, Koningin Julianastraat – Onder de Toren Ruimtelijke onderbouwing
4.4
Externe veiligheid
4.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Per 1 januari 2010 moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Het transporteren van stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 4.4.2
Situatie in en bij het projectgebied
Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 4.1 is een uitsnede van de Risicokaart met daarop middels de rode ster de locatie van het projectgebied weergegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Omgevingsvergunning Emmeloord, Koningin Julianastraat – Onder de Toren Ruimtelijke onderbouwing
Afbeelding 4.1
Uitsnede Risicokaart (Bron: Nederland.risicokaart.nl)
Uit de inventarisatie blijkt dat het projectgebied: • • • •
4.4.3
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het initiatief in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
4.5
Milieuzonering
4.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door middel van milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Omgevingsvergunning Emmeloord, Koningin Julianastraat – Onder de Toren Ruimtelijke onderbouwing milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. Hoewel de richtafstanden in 'Bedrijven en milieuzonering' indicatief zijn, worden deze afstanden wel als harde eis gezien door de Raad van State bij de beoordeling of milieubelastende functies op een passende afstand van milieugevoelige functies (zoals woningen) worden gesitueerd. 4.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het projectgebied ligt binnen het centrum van Emmeloord, en er sprake is van een zekere menging van functies. Daarom wordt in voorliggend geval uitgegaan van een ligging in een ‘gemengd gebied’. In de onderstaande tabel is te zien welke richtafstanden per milieucategorie gelden tot onder andere het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Omgevingsvergunning Emmeloord, Koningin Julianastraat – Onder de Toren Ruimtelijke onderbouwing 4.5.3
Situatie projectgebied
4.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.
past de functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de functie toe? (interne werking).
4.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. De functies ‘wonen’ betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden als gevolg van deze functie is dan ook geenszins sprake. De functie ‘kantoor’ betreft een milieucategorie 1 functie, waarvoor in het ‘gemengd gebied een richtafstand van 0 meter geldt. Wat dat betreft zorgt ook deze functie niet in een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Ten aanzien van de kantoorfunctie wordt daarnaast opgemerkt dat deze functie ter plaatse van het projectgebied reeds bij recht is toegestaan. 4.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functie(s) binnen het projectgebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. De functie ‘wonen’ is aan te merken als milieugevoelige functie.
In de directe nabijheid van het projectgebied bevinden zich meerdere (centrum)functies die als milieubelastend worden aangemerkt. De functie in de omgeving van het projectgebied betreffen allen milieucategorie 1 of 2 functies. Binnen een straal van 30 meter rondom het projectgebied komen deze functies echter niet voor. Gelet op het vorenstaande wordt op voorhand geconcludeerd dat omliggende functies geen belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Andersom zorgt de voorgenomen ontwikkeling niet voor een onevenredige beperking voor bestaande omliggende functies. 4.5.4
Conclusie
Het aspect ‘milieuzonering’ vormt geen belemmering voor de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling.
4.6
Ecologie
4.6.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Omgevingsvergunning Emmeloord, Koningin Julianastraat – Onder de Toren Ruimtelijke onderbouwing Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 4.6.2
Gebiedsbescherming
4.6.2.1 Algemeen Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 4.6.2.2 Natura 2000-gebieden In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het projectgebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde (stikstofgevoelige) Natura 2000-gebied ‘Weerribben’ ligt op een afstand van ruim 14 kilometer.
Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitatypen binnen Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen heeft BJZ.nu een zogenaamde AERIUSberekening uitgevoerd voor zowel de bouwfase (tijdelijk karakter) en de gebruiksfase die samenhangt met de voorgenomen ontwikkeling. Hierna wordt de belangrijkste conclusie van het onderzoek weergegeven.
Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar bijlage 5 bij deze ruimtelijke onderbouwing. Op basis van de AERIUS-berekeningen blijkt dat in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van een stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. In het kader van de beïnvloeding van stikstof voor Natura 2000-gebieden, hoeft geen Wet natuurbescherming-vergunning aangevraagd te worden. 4.6.2.3 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN ligt op ruim 500 meter afstand ten zuiden van het projectgebied.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Omgevingsvergunning Emmeloord, Koningin Julianastraat – Onder de Toren Ruimtelijke onderbouwing Vanwege de lokale invloedsfeer hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op de kernkwaliteiten en de omgevingscondities van het Natuurnetwerk Nederland (bijv. areaalafname). Mogelijk is tijdens de aanlegfase incidenteel geluid waarneembaar buiten het projectgebied, maar dit effect is incidenteel en kortstondig en heeft geen negatief effect op het beschermd (natuur)gebied. 4.6.3
Soortenbescherming
4.6.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. 4.6.3.2 Situatie projectgebied In voorliggend geval is ter plaatse van het projectgebied door Natuurbank Overijssel een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage 6. Hierna wordt op de bevindingen ingegaan. Het projectgebied behoort vermoedelijk tot het functionele leefgebied van verschillende vogel-, grondgebonden zoogdier- en amfibiesoorten. Er groeien geen beschermde planten in het projectgebied. Beschermde dieren benutten het projectgebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar vermoedelijk nestelen er jaarlijks vogels in de beplanting, bezetten grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- en/of voortplantingsplaats en bezetten amfibieën er een vaste (winter)rustplaats.
Vleermuizen bezetten geen vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het projectgebied en amfibieën bezetten er geen voortplantingsplaats. Van de in het projectgebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie gedood en wordt een vaste (winter)rusten/of voortplantingsplaats beschadigd en vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën, die een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats in het projectgebied bezetten, en die mogelijk gedood worden, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’.
Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten, neemt de functie van een deel van het projectgebied als foerageergebied, voor de in het projectgebied foeragerende grondgebonden zoogdieren, amfibieën en vogels af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties. 4.6.4
Conclusie
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
Omgevingsvergunning Emmeloord, Koningin Julianastraat – Onder de Toren Ruimtelijke onderbouwing
4.7
Archeologie & cultuurhistorie
4.7.1
Archeologie
4.7.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 4.7.1.2 Situatie projectgebied De gemeente Noordoostpolder beschikt over een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart. Op basis van de archeologische verwachtingskaart beschikt het projectgebied over een lage tot middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Doorvertaald naar de archeologische beleidsadvieskaart houdt dit in dat met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen ter plaatse de beleidscategorie ‘W-8’ van toepassing is. Een en ander is weergegeven in de afbeelding 4.2, waarin het projectgebied met de rode omlijning indicatief is aangegeven.
Afbeelding 4.2
Uitsnede archeologische verwachtings- (links) en beleidsadvieskaart (rechts) (Bron: Gemeente Noordoostpolder)
Binnen de beleidscategorie ‘W-8’ bestaat er voor de noodzaak tot archeologisch onderzoek een vrijstellingsgrens tot 10.000 m². In voorliggend geval is sprake van een ontwikkeling van een beduidend kleinere omvang (circa 900 m²). Een archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
45
Omgevingsvergunning Emmeloord, Koningin Julianastraat – Onder de Toren Ruimtelijke onderbouwing 4.7.2
Cultuurhistorie
4.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 4.7.2.2 Situatie projectgebied Er bevinden zich in het projectgebied geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten of andere cultuurhistorische waarden die negatieve effecten zouden kunnen ondervinden in verband met voorliggende ontwikkeling. Aan de Koningin Julianastraat (aan de noordzijde van het projectgebied) staan rijksmonumentale woningen. De voorgenomen ontwikkeling kent geen externe werking die negatief van invloed kan zijn voor deze rijksmonumenten. De voorgenomen ontwikkeling zorgt daarmee niet voor negatieve effecten voor deze monumentale woningen. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor het initiatief. 4.7.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
4.8
Besluit milieueffectrapportage
4.8.1
Algemeen
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.
•
Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).
•
Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
46
Omgevingsvergunning Emmeloord, Koningin Julianastraat – Onder de Toren Ruimtelijke onderbouwing 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r., is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 4.8.2
Situatie projectgebied
4.8.2.1 Artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming Het projectgebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde (stikstofgevoelige) Natura 2000-gebied ‘Weerribben’ ligt op een afstand van ruim 14 kilometer. Uit de stikstofdepositieberekening is gebleken dat er zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 4.8.2.2 Drempelwaarde Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele projectgebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.r-beoordelingsplichtig plan. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn.
Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.' Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. 2. 3.
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of, een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.
Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit project geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag of er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694, 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:348 en 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1253) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De in het voorliggende ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling gaat uit van een geringe verplaatsing en verruiming van de bouw- en gebruiksmogelijkheden ten opzicht van het planologisch regime, binnen het centrum van Emmeloord. Het gaat om een (zeer) kleinschalige ontwikkeling waarbij het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toeneemt.
Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen en
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
47
Omgevingsvergunning Emmeloord, Koningin Julianastraat – Onder de Toren Ruimtelijke onderbouwing andere milieugevoelige functies. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Desalniettemin is zekerheidshalve wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. In bijlage 7 is de bij dit project behorende aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. beoordeling opgenomen. De vormvrije m.e.r.-beoordeling maakt duidelijk dat de milieueffecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling beperkt zijn en dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een plan-m.e.r. noodzakelijk maakt. 4.8.3
Conclusie
Dit project is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen significant negatieve effecten te verwachten als gevolg van dit project.
4.9
Wateraspecten
4.9.1
Algemeen
In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt er gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 4.9.2
Beleidskaders
4.9.2.1 Waterbeheerplan 2016-2021 Het Waterbeheerplan 2016-2021 (WPB3) is de opvolger van WPB2+ en bevat langetermijndoelen (zichtjaar 2050), doelen voor de planperiode (2016-2021) en maatregelen die het waterschap (samen met gebiedspartners) uit gaat voeren. De doelen en maatregelen hebben betrekking op de kerntaken van het waterschap (waterveiligheid, schoon water, voldoende water) en het thema ‘water en ruimte’. Hierbij gaat het om reguliere werkzaamheden, zoals peilbeheer, onderhoud aan dijken en het zuiveren van afvalwater en om nieuwe ontwikkelingen. 4.9.2.2 Stroomgebiedsvisie Flevoland (2003) De Noordoostpolder is gelegen binnen het plangebied van de stroomgebiedsvisie Flevoland. In de watervisie voor 2015 wordt het projectgebied aangeduid als een gebied met een vitaal watersysteem. Voor de gemeente Noordoostpolder zijn de wateropgaven onderverdeeld in een aantal generieke maatregelen en in de resterende wateropgave. De generieke maatregelen houden onder andere in: • afvoerblokkering in natuurgebieden; • vasthouden van water in natuurgebieden en landbouwgebied; • realisatie van duurzame oevers. Oplossingsrichtingen voor de resterende wateropgave zijn onder andere bergen in open water en efficiënt uitmalen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
48
Omgevingsvergunning Emmeloord, Koningin Julianastraat – Onder de Toren Ruimtelijke onderbouwing 4.9.2.3 Beleid gemeente Noordoostpolder en Waterschap Zuiderzeeland De watervisie van de gemeente Noordoostpolder is zowel opgenomen in het Stedelijk Waterplan Noordoostpolder (d.d. april 2006) als het vigerend Gemeentelijk Rioleringsplan Noordoostpolder. Ten aanzien van het Stedelijk Waterplan is als aanvulling op dit plan, in 2011 door Waterschap Zuiderzeeland en de gemeente Noordoostpolder een bestuurlijke ‘Maatwerkovereenkomst stedelijk water’ ondertekend. Door ondertekening van deze bestuursovereenkomst zijn tussen de waterbeheerder en de gemeente afspraken gemaakt over de invulling van de gezamenlijke taakuitoefening voor het beheer en onderhoud van het stedelijk water. De beoogde doelen op strategisch, tactisch en operationeel niveau ten aanzien van het stedelijk water zijn daarbij beter verankerd. Op grond van de Waterwet is er voor gemeenten, naast het inzamelen en transporteren van vrijkomend stedelijk afvalwater een formele taak weggelegd voor het afvoeren van overtollig regenwater. In zoverre het inzamelen en transporteren van relatief schoon regenwater buiten de afvalwaterstroom doelmatig kan worden uitgevoerd, vindt deze gescheiden van de afvoer van het stedelijk afvalwater plaats.