8.1 Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Klutenpad 6 te Creil’.pdf
Tekst van het document
Met dit bestemmingsplan is sprake van het toepassen van één bestemming, te weten Artikel 3: Bedrijf. Er is voor een maatwerkbestemming gekozen ten behoeve van het agrarisch aanverwante bedrijf aan Klutenpad 6 te Creil en het mogelijk maken van het planvoornemen om te komen tot realisatie van een nieuwe schuur.
Artikel 3: Bedrijf Onder deze bestemming zijn de regels opgenomen binnen verwerkingsbedrijf ter plaatse mag functioneren en bouwen.
welke
een
agrarisch
De systematiek van de SVBP laat niet toe dat een bestemming wordt opgenomen ten behoeve van een functie die wordt geschaard onder een andere hoofdgroep van bestemmingen. Aangezien een agrarisch verwerkingsbedrijf niet voorkomt op de functielijst bij de SVBP2012 is, overeenkomstig de systematiek van de SVBP, aansluiting gezocht bij de hoofdgroep die het meest van toepassing is.
Onder de hoofdgroep 'Agrarisch' dienen bedrijven te worden geschaard die zijn gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren. Agrarische verwerkingsbedrijven (zoals gedefinieerd in de planregels) houden zich niet bezig met het telen van gewassen en/of het houden van dieren. Gelet hierop is aansluiting gezocht bij de hoofdgroep 'Bedrijf'.
In de specifieke gebruiksregels is verder een regeling getroffen vanwege de uitkomsten van het akoestisch onderzoek. Middels de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf tweede ontsluitingsweg" wordt er op toegezien dat het gebruik van de tweede ontsluitingsweg ten behoeve van de aan- en afvoer met vrachtwagens of tractoren uitsluitend kan plaatsvinden in de dagperiode van 07:00 tot 19:00 uur.
4.2.3 Algemene regels Artikel 4: Anti-dubbeltelregel De anti-dubbeltelregel ziet er op toe dat grond die reeds eerder bij een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen is meegenomen, niet nog eens bij de verlening van een nieuwe omgevingsvergunning voor het bouwen mag worden meegenomen. De anti-dubbeltelregel heeft uitsluitend betrekking op situaties die plaatsvinden ten tijde van het geldende bestemmingsplan.
Artikel 5: Algemene bouwregels In de algemene bouwregels is vastgelegd welke algemene bouwregels in acht moeten worden genomen.
bestemmingsplan (vastgesteld)
31
bestemmingsplan Landelijk gebied, Klutenpad 6 te Creil
Artikel 6: Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksregels is vastgelegd welk gebruik in ieder geval strijdig is met de in de regels gegeven bestemmingsomschrijving. Daarnaast is conform de gemeentelijke standaard een regeling opgenomen ten aanzien van het treffen van ruimte voor het parkeren en laad- en losruimte. Een afwijkingsregeling is opgenomen om van de Nota Parkeernormen af te kunnen wijken in voorkomende gevallen.
Artikel 7: Algemene afwijkingsregels De algemene afwijkingsregels bieden enige flexibiliteit als het gaat om het afwijken van in het plan opgenomen maten en bieden ruimte om bepaalde voorzieningen te kunnen realiseren.
Artikel 8: Algemene procedureregels De algemene procedureregels verwijst naar het wettelijk kader voor de aan te houden procedure waarbinnen afwijkingen om omgevingsvergunning gevoerd worden.
4.2.4 Overgangs- en slotregels Artikel 9 en 10: Overgangsrecht en slotregel Overeenkomstig de in het Bro voorgeschreven formulering van het overgangsrecht en de SVBP2012 zijn de overgangs- en slotregels in de afsluitende artikelen van de regels opgenomen.
4.3
Bestemmingsplanprocedure
In de Wro en het Bro zijn wettelijke regels voor de bestemmingsplanprocedure vastgelegd. Hierin zijn de volgende fasen onderscheiden:
Voorbereidingsfase De gemeente voert ten behoeve van de voorbereiding van een bestemmingsplan onderzoek uit naar de bestaande situatie en de mogelijke (ruimtelijke) ontwikkelingen in de gemeente. De gemeente stelt voor het overleg op grond van artikel 3.1.1 Bro haar voornemen (vaak als een concept- dan wel voorontwerpbestemmingsplan) beschikbaar aan de besturen en diensten van hogere overheden. Ook kan de gemeente aan belangstellenden de mogelijkheid bieden om te reageren op het voorontwerpbestemmingsplan via inspraak. In dit geval is er voor gekozen voor het plan geen inspraakprocedure te volgen. De gemeente geeft een reactie op mogelijke overlegreacties die voor zover noodzakelijk worden verwerkt in de regels en verbeelding.
Terinzageleggingsfase Het ontwerpbestemmingsplan wordt na aankondiging in de Staatscourant, het Gemeenteblad en de website www.officielebekendmakingen.nl voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd. In deze periode kan door iedereen een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan worden ingediend.
Vaststellingsfase Na de periode van terinzagelegging stelt de gemeenteraad het ontwerpbestemmingsplan, mogelijk met wijzigingen, binnen een periode van ten hoogste 12 weken vast.
32
bestemmingsplan (vastgesteld)
bestemmingsplan Landelijk gebied, Klutenpad 6 te Creil
Beroepsfase Na de vaststelling van het bestemmingsplan maakt de gemeenteraad het vaststellingsbesluit bekend en legt het vastgestelde bestemmingsplan ter inzage. Dit gebeurt als volgt: »
«
Indien Gedeputeerde Staten (GS) of de Inspectie voor Leefomgeving en Transport (ILT) een zienswijze hebben ingediend die door de gemeenteraad niet volledig is overgenomen of indien de gemeenteraad het bestemmingsplan gewijzigd heeft vastgesteld, geschiedt bekendmaking en terinzagelegging 6 weken na vaststelling. Indien het bestemmingsplan ongewijzigd is vastgesteld en er gehoor is gegeven aan eventuele zienswijzen van GS en/of de ILT wordt het vaststellingsbesluit door de gemeenteraad uiterlijk 2 weken na vaststelling bekend gemaakt. Tevens wordt uiterlijk 2 weken na vaststelling het bestemmingsplan ter inzage gelegd.
Uiterlijk 6 weken na bekendmaking van het vaststellingsbesluit kan er door belanghebbenden beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). Belanghebbenden zijn diegenen die tegen het ontwerpbestemmingsplan een zienswijze hebben ingediend en diegenen die hebben aangetoond in redelijkheid niet in de mogelijkheid zijn geweest om een zienswijze tegen het ontwerpbestemmingsplan in te dienen.
Indien geen beroep tegen het vastgestelde bestemmingsplan bestemmingsplan na afloop van de beroepstermijn onherroepelijk.
bestemmingsplan (vastgesteld)
is
ingediend,
is
het
33
bestemmingsplan Landelijk gebied, Klutenpad 6 te Creil
Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1
Economische uitvoerbaarheid
Het voorliggende bestemmingsplan is opgesteld naar aanleiding van een verzoek van de initiatiefnemer. De uit het plan voortkomende kosten zullen door de initiatiefnemer worden gedragen.
Grondexploitatie Op grond van artikel 6.12 Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. Wat onder een bouwplan moet worden verstaan, is in artikel 6.2.1 Bro aangegeven. Op basis van het hierin in lid b gestelde ("de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen") wordt het plan voor realisatie van een nieuwe schuur die ook met dit bestemmingsplan om bestemmingswijziging voorligt als bouwplan aangemerkt.
Doel van een grondexploitatieregeling is het inzichtelijk maken van de financiële haalbaarheid en het bieden van meerdere mogelijkheden voor het kostenverhaal, waardoor er meer sturingsmogelijkheden zijn. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden.
Planschade Door het vaststellen van het bestemmingsplan is er de kans dat door eigenaren van gronden in de directe omgeving van het plangebied bij de gemeente op grond van artikel 6.1 Wro een verzoek tot tegemoetkoming in de planschade wordt ingediend. Diegenen die schade lijden omdat hun onroerend goed in waarde vermindert, kunnen de schade verhalen (voor zover deze redelijkerwijs niet voor de aanvrager behoort te blijven) wanneer dit boven de 207o van de waarde van het onroerend goed uitkomt.
Onderzoeks- en plankosten De kosten voor het verrichten van de noodzakelijke onderzoeken ten behoeve van de planvorming vanwege dit bestemmingsplan worden door de initiatiefnemer gedragen. Door de gemeente worden kosten voor de ambtelijke planbegeleiding gemaakt. Deze kosten worden gedekt door de door de initiatiefnemer te betalen leges.
Conclusie Het kostenverhaal, evenals de afwenteling van de planschade, zal worden geregeld in een tussen de gemeente en initiatiefnemer te ondertekenen afzonderlijke anterieure overeenkomst. Deze overeenkomst moet zijn getekend vóór vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan. Op basis van deze overweging moet het planvoornemen van dit bestemmingsplan economisch uitvoerbaar worden geacht. De exploitatiekosten zijn derhalve anderszins verzekerd. Een exploitatieplan op grond van de Grondexploitatiewet is dan ook niet noodzakelijk. Voorgaande betekent dat dit bestemmingsplan niet door onvoldoende economische uitvoerbaarheid wordt belemmerd.
34
bestemmingsplan (vastgesteld)
bestemmingsplan Landelijk gebied, Klutenpad 6 te Creil
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Overleg artikel 3.1.1 Bro Op grond van artikel 3.1.1 Bro heeft vooroverleg plaatsgevonden met de provincie Flevoland en het waterschap Zuiderzeeland. Naar aanleiding van de vooroverlegreacties is het conceptbestemmingsplan op enkele punten aangepast, wat heeft geresulteerd in een ontwerpbestemmingsplan.
Tervisielegging ontwerp Het ontwerpbestemmingsplan is na behandeling van de ingekomen overlegreacties ter visie gelegd. Met het ter visie leggen van het ontwerpbestemmingsplan heeft de gemeente een ieder in de gelegenheid gesteld om kennis te kunnen nemen van, alsmede te kunnen reageren op (middels het indienen van zienswijzen), de inhoud van dit bestemmingsplan. Er is één zienswijze op het bestemmingsplan ingekomen dat in afzonderlijke documentatie behorende bij dit bestemmingsplan is behandeld.
Naar aanleiding van de ingekomen zienswijze hebben enkele aanpassingen aan de regels en de verbeelding van het bestemmingsplan plaatsgevonden waardoor sprake is van een gewijzige vaststellng, te weten: »
»
Het bouwvlak is met 4 m in westelijke richting verkleind zodat tegemoet kan worden gekomen aan de mogelijkheid om vergunningsvrij 4 m bij de woning aan Klutenpad 6D aan te bouwen. In de (specifieke) gebruiksregels van de bedrijfsbestemming is middels de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - tweede ontsluitingsweg" op de verbeelding een waarborg opgenomen waarmee de tweede ontsluitingsweg enkel in de dagperiode ten behoeve van tractoren en vrachtwagens kan worden gebruikt. Zodoende wordt voorkomen dat het piekgeluidsniveau op de woning aan Klutenpad 6D in de avondperiode wordt overschreden.
bestemmingsplan (vastgesteld)
35
bestemmingsplan Landelijk gebied, Klutenpad 6 te Creil
Bijlagen bij toelichting
bestemmingsplan (vastgesteld)
bestemmingsplan Landelijk gebied, Klutenpad 6 te Creil
Inhoudsopgave
Bijlagen bij toelichting Bijlage 1
Watertoets
4
Bijlage 2
Onderzoek geluiduitstraling
14
Bijlage 3
Ecologische inventarisatie
92
Bijlage 4
Omgevingsrapportage Flevoland
99
bestemmingsplan (vastgesteld)
bestemmingsplan Landelijk gebied, Klutenpad 6 te Creil
Bijlage 1
4
Watertoets
bestemmingsplan (vastgesteld)
datum 12-3-2019 dossiercode 20190312-37-20082
Geachte heer/mevrouw U heeft de digitale watertoets doorlopen op de website www.dewatertoets.nl. De samenvatting in de email bevat de gegeven antwoorden op de vragen. Op basis van deze toets volgt u de normale procedure. Uitgangspuntennotitie
Hierbij ontvangt u alvast de uitgangspuntennotitie voor de normale procedure van de watertoets. Deze notitie is automatisch gegenereerd op basis van de door u gegeven antwoorden en het ingetekende plangebied. Deze uitgangspuntennotitie bevat de voor uw plan relevante waterhuishoudkundige streefbeelden, strategieën en randvoorwaarden van Waterschap Zuiderzeeland die u kunt gebruiken bij het ruimtelijk laten meewegen van het waterbelang en bij het opstellen van de waterparagraaf in de ruimtelijke onderbouwing van uw plan. Vooroverleg wateradvies
Met de digitale watertoets heeft u Waterschap Zuiderzeeland op de hoogte gebracht van het ruimtelijk plan, hiermee doet u nog geen aanvraag voor een wateradvies. Dit betekent dat u, aanvullend op de digitale watertoets, in het kader van het ambtelijk vooroverleg, als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit op de Ruimtelijke ordening een aanvraag voor een wateradvies moet indienen bij Waterschap Zuiderzeeland. Ook is het mogelijk om telefonisch contact op te nemen om informatie in te winnen of een afspraak te maken. Team Waterprocedures Waterschap Zuiderzeeland Lindelaan 20 Postbus 229 8200 AE Lelystad (0320) 274 911 watertoets@zuiderzeeland.nl
Uitgangspuntennotitie normale procedure 1. Inleiding Sinds 1 november 2003 is de toepassing van de watertoets wettelijk verplicht door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle van belang zijn de waterhuishoudkundige aspecten (naast veiligheid en wateroverlast ook bijvoorbeeld waterkwaliteit en verdroging). De watertoets is een belangrijk procesinstrument om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in de ruimtelijke ordening. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan. De watertoetsprocedure kan op drie manieren gevolgd worden: de procedure geen waterbelang, de korte procedure en de normale procedure. Welke procedure gevolgd moet worden hangt af van de implicaties van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding. De procedure geen waterbelang en de korte procedure zijn bedoeld voor ruimtelijke plannen met beperkte gevolgen voor de waterhuishouding. Bij deze twee procedures kan de watertoets volledig digitaal doorlopen worden. De normale procedure is gericht op ruimtelijke plannen met relatief vergaande consequenties voor de waterhuishouding. In dit geval is actieve betrokkenheid van Waterschap Zuiderzeeland nodig.
Deze uitgangspuntennotitie dient als goede basis voor het overleg. De relevante randvoorwaarden voor het plan zijn gerangschikt onder zeven streefbeelden ingedeeld op basis van de drie waterthema's 'Veiligheid, Voldoende Water en Schoon Water'. Van streefbeeld naar randvoorwaarde vindt u het uitgangspunt, dat het vertrekpunt vormt bij de verwezenlijking van het streefbeeld. U krijgt op deze manier een goed overzicht van de randvoorwaarden en kan eveneens herleiden waarop deze gebaseerd zijn.
2. Inhoudelijke opmerkingen ten behoeve van de waterparagraaf
2.1. Thema veiligheid 2.1.1. Veiligheid - primaire waterkeringen op orde Streefbeeld
Het buitenwater is een reële bedreiging voor de veiligheid in Flevoland. Waterkeringen beschermen Flevoland tegen deze bedreiging. Het waterschap wil de veiligheid ook in de toekomst blijven waarborgen. Door te werken aan veilige, robuuste en duurzame waterkeringen anticipeert het waterschap op sociale ruimtelijke, economische en klimatologische ontwikkelingen.
2.1.2 Veiligheid Regionale waterkeringen op orde Regionale keringen kunnen zowel binnen als buitendijks liggen. De binnendijkse Knardijk, een zogeheten compartimenteringsdijk, scheidt Zuidelijk en Oostelijk Flevoland, om de gevolgen van een overstroming te beperken. Buitendijkse regionale keringen beschermen buitendijkse gebieden tegen hoog water. Het plangebied ligt niet buitendijks. Het plangebied ligt niet in een keurzone van de waterkering. Op basis van de ingevoerde gegevens over het plangebied zijn er geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing. 2.2. Thema Voldoende Water 2.2.1 Wateroverlast Streefbeeld
Het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebeid, is in 2015 op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen.
Uitgangspunt wateroverlast
Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. De planontwikkeling is gelegen in een watersysteem dat op basis van de toetsing in 2012 voldoet aan de normering voor wateroverlast. Een dergelijk systeem kan het water verwerken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten.
Het verharden van grond met bebouwing of bestrating leidt tot een versnelling van de afvoer van neerslag naar het watersysteem. Waar het verharde oppervlak als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling toeneemt, dienen compenserende maatregelen te worden genomen om piekafvoeren te verwerken. Afwenteling op omliggende gebieden wordt voorkomen en de bergingsruimte in het watersysteem blijft behouden.
Randvoorwaarde(n) wateroverlast
Het plangebied is gelegen in het landelijk gebied. Het verhard oppervlak neemt als gevolg van de ontwikkeling netto met 300 m2 toe. Indien deze toename groter of gelijk is aan 2500 m2 dan is compensatie noodzakelijk. Ontwerprichtlijnen compensatie toename verharding
De oppervlakte te realiseren waterberging is gerelateerd aan de maximaal toelaatbare peilstijging in het peilvak en de netto oppervlakte nieuw te realiseren verharding. Uw plangebied is gelegen in een peilgebied waarbij 5,50Z) van de netto toename aan verharding* als open water moet worden gecompenseerd. Bij de hantering van de bergingsnorm (onderdeel van beleidsregel compensatie toename verharding en versnelde afvoer) gaat het om het benodigde oppervlak open water op de hoogte van het streefpeil. * Indien in de tekst sprake is van meerdere opgegeven percentages voor compensatie van de toename van verharding dan betekent dit dat uw plangebied zich over meerdere peilgebieden uitstrekt. Het percentage kan namelijk per peilgebied verschillen.
Indien (vanwege lange termijn ontwikkelingen) een inrichtingsplan nog niet is uitgewerkt, wordt voor een indicatieve berekening van aan te leggen berging de toename van het verhard oppervlak ingeschat. Voor een bedrijventerrein wordt uitgegaan van een verhard oppervlak van 900Z) van het uitgeefbaar terrein (600Z) daken en 300Z) wegen en terreinen). Voor een woonwijk is dit een verhard oppervlak van 450Z) van het uitgeefbaar terrein (3007o daken en 1507o wegen en terreinen).
Oplossingen voor eventuele waterhuishoudkundige problemen dienen bij voorkeur in het eigen projectgebied gevonden te worden. Indien dit niet mogelijk is, dient dichtbij het projectgebied compensatie gezocht te worden. Dit moet binnen hetzelfde peilgebied zijn of eventueel benedenstrooms. De compensatie wordt niet later gerealiseerd dan de uitvoering van de rest van het plan. De reeds aanwezige ruimte voor berging mag niet afnemen. Bij plannen waarbij meer dan 250.000 m2 verharding wordt toegevoegd, kan niet worden volstaan met de bergingsnorm. Dan is het nodig om de te realiseren compensatie door middel van een model te toetsen aan de normering wateroverlast Flevoland. U kunt contact opnemen met het waterschap om de aanpak te bespreken. Indien overwogen wordt om het plangebied te voorzien van één of meerdere stuwen dan moet door middel van een specifieke maatwerkberekening worden aangetoond dat er voldoende gecompenseerd wordt zodat de afvoer gelijk blijft en/of geen sprake is van afname van bergingscapaciteit in het oorspronkelijke peilgebied. U kunt contact opnemen met het waterschap om de aanpak te bespreken. Bij een nieuwe ontwikkeling die gelegen is in een natuurgebied en waarbij meer dan 2500 m2 verharding wordt toegevoegd is de bergingsnorm niet van toepassing.
Hierbij is een maatwerkberekening nodig om aan te tonen dat de toekomstige afvoer bij maatgevende gebeurtenissen gelijk blijft aan de huidige afvoer. U kunt contact opnemen met het waterschap om de aanpak te bespreken.
2.2.2 Goed functionerend watersysteem Streefbeeld
Het watersysteem zorgt in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en maakt het realiseren van het (maatschappelijk) gewenste grond- en oppervlaktewaterwaterregime (GGOR) mogelijk. Waterschap Zuiderzeeland streeft er naar dat de feitelijke situatie van het watersysteem overeenkomt met de legger. Op die manier kan het waterschap weloverwogen anticiperen op en reageren in extreme situaties. Randvoorwaarde(n) goedfunctionerend watersysteem
Het waterschap streeft naar grote peilvakken. Versnippering van het watersysteem is een ongewenste situatie. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan op bestaande peilvakken en de inrichting wordt afgestemd op de functie van het water. Op de internetsite www.zuiderzeeland.nl/voldoende water/peilbeheer is hierover informatie te vinden. In nieuwe watersystemen wordt gestreefd naar aaneengesloten waterelementen met een minimum aantal duikers en/of andere kunstwerken en zonder doodlopende einden. Het watersysteem wordt dusdanig ingericht dat het goed controleerbaar en beheersbaar is. Met het oog op de uiteindelijke overname van het beheer en onderhoud van nieuw stedelijk water is het nodig dat het waterschap betrokken wordt bij de uitwerking van een plangebied naar een definitieve ontwerp van het watersysteem. Dit definitieve ontwerp behoeft de ambtelijke goedkeuring van het waterschap om overname uiteindelijk mogelijk te maken.
[/ALS_kunstwerken=ja] Samen met het waterschap wordt de afweging gemaakt of kunstwerken nodig zijn en of deze vast, beweegbaar of afsluitbaar moeten zijn. Ter plaatse van kruisingen van infrastructuur met (hoofd)watergangen gaat de voorkeur uit naar het aanleggen van bruggen in plaats van duikers. In het geval van kruisingen met grootschalige infrastructuur en/of bebouwing kan een overkluizing worden overwogen; de overkluizingen in (hoofd)watergangen hebben (in verband met de opstuwing) een lengte van maximaal 50 meter. Als onderhoud van de duiker vanuit de beide zijkanten niet voldoende mogelijk is, dienen in de duiker 1 of meerdere inspectieputten te worden aangebracht. Bij maatgevende afvoer (13 mm/dag) richting gemaal en bergingslocaties hebben de duikers: ^ een maximale opstuwing van 2 cm bij een maatgevende afvoer van 1,5 l/s/ha; ^ bij streefpeil 1/3 deel lucht in het dwarsprofiel; ^ een bodem die bij voorkeur minimaal 10 cm boven de waterbodem ligt. Indien vispasseerbaarheid een rol speelt gelden er aanvullende richtlijnen. De maximaal toelaatbare gemiddelde stroomsnelheid bij maatgevende afvoer (13 mm/dag) voor duikers en onbeschoeide watergangen bedraagt: ^ 0,60 - 0,80 m/s voor kleigrond; ^ 0,30 - 0,60 m/s voor zavel en veen;
^ 0,20 - 0,50 m/s voor grof zand; ^ 0,15 - 0,30 m/s voor fijn zand. [ALS^euw water=ja||beschermingszone watergang^ja] Indien een watergang smaller is dan 24 meter, dan zal in principe rijdend onderhoud mogelijk moeten worden gemaakt. Een watergang dient te zijn voorzien van een goed bereikbare obstakelvrije werkstrook van minimaal 5 meter breed: - één zijde van een watergang met breedte tot en met 8 meter, gemeten van insteek tot insteek; - aan weerszijden van een watergang met een breedte vanaf 9 meter, gemeten van insteek tot insteek. Bij een talud van minimaal 1:6 of flauwer is geen aparte onderhoudsstrook nodig. Afwijken van dit onderhoudsvriendelijke profiel is mogelijk en soms noodzakelijk als gevolg van de bodemgrondslag en bodembedekking. Dit is maatwerk. Bij maatwerk wordt uitgegaan van onderhoudsmaterieel van gemiddelde grootte. Maatwerk wordt beoordeeld op: Het ontwerp van de watergang inclusief talud:
^ Begroeiing in de watergang; ^ Breedte watergang van insteek tot insteek; ^ Bodemgrondslag; ^ Hellingsgraad; ^ Obstakels voor onderhoudsmaterieel gemarkeerd met een houtpaal. Het ontwerp van het onderhoudspad c.q. obstakelvrije werkstrook:
^ Begroeiing rondom het onderhoudspad; ^ Breedte onderhoudspad; ^ Obstakels voor onderhoudsmaterieel, gemarkeerd met een houtpaal. Voor watergangen breder dan 24 meter, gemeten van insteek tot insteek, is varend onderhoud een mogelijkheid. De watergang dient in het geval gekozen wordt voor varend onderhoud te voldoen aan de volgende ontwerprichtlijnen: ^ Bodembreedte van minimaal 1 meter; ^ Diepte van minimaal 1,2 meter; ^ Waterbreedte van minimaal 7 meter; ^ Helling onderwatertalud is maximaal 1:3; ^ Doorvaarhoogte van minimaal 1,5 meter vanaf het streefpeil; ^ Te water plaats. Afwijken van dit onderhoudsvriendelijke profiel is mogelijk en soms noodzakelijk als gevolg van de bodemgrondslag en bodembedekking. Dit is maatwerk. Bij maatwerk wordt uitgegaan van onderhoudsmaterieel van gemiddelde grootte. Maatwerk wordt beoordeeld op: Het ontwerp van de watergang inclusief talud:
^ Bodembreedte; ^ Breedte watergang van insteek tot insteek; ^ Diepte; ^ Doorvaarhoogte; ^ Hellingsgraad onderwatertalud; ^ Obstakels voor onderhoudsmaterieel, gemarkeerd met een houtpaal. Het ontwerp te waterlaat plaats:
^ Bereikbaarheid en verkeersveiligheid; ^ Bodemgrondslag; ^ Constructie (standaardtekening op te vragen bij het waterschap); ^ Inzamelpunt en afvoer van maaisel; ^ Taludhelling. Houdt de beschoeiing zoveel mogelijk uniform. De verankering dient minimaal dezelfde levensduur te hebben als de beschoeiing zelf. 2.2.3 Anticiperen op watertekort Streefbeeld
Het waterschap wil een robuust watersysteem dat voorbereid is op de effecten van toekomstige klimaatveranderingen. Tot nu toe ligt de nadruk bij klimaatveranderingen met name op meer extreme neerslag en stijging van de zeespiegel. Ook extreem droge periodes zullen echter vaker voor komen. Het robuuste watersysteem dat het waterschap nastreeft moet hier ook op anticiperen. Ten behoeve van de planontwikkeling is geen bronnering van grondwater nodig. Er wordt in het plan geen gebruikt gemaakt van bodemenergie, ofwel warmte koude opslag. Bij deze planontwikkeling zal geen grondwater worden onttrokken ten behoeve van beregening, veedrenking of bedrijfsmatige toepassingen. 2.3. Thema Schoon Water 2.3.1 Goede structuurdiversiteit Streefbeeld
Het waterschap streeft naar goede leef, verblijf- en voortplantingsmogelijkheden voor de aquatische flora en fauna in het beheergebied.
Het verdient de voorkeur om bomen niet direct langs de oever te planten. Indien dit toch gebeurt, worden bomen ten behoeve van de waterkwaliteit aan de noord- en oostzijde van het water geplant. Dit maakt voldoende licht inval mogelijk. [ALSnieuw water^ja\\flauwej3evers^ja\\water dempen^ja]Grotere waterpartijen en plassen worden onderscheiden in diepe en ondiepe waterplassen. Ondiepe plassen variëren in diepte tot 4 meter. Diepe plassen zijn meer dan 4 meter diep. Bij beide typen is een goede verhouding tussen ondiepe en dieper delen noodzakelijk voor een goed chemisch en ecologisch functioneren. Grotere waterpartijen hebben een waterdiepte van minimaal 1,5 meter bij streefpeil (mede i.v.m. stabiliteit); plaatselijk zijn verdiepingen van de waterbodem tot een diepte van 2,5 meter gewenst. Afhankelijk van de grootte en de functie kan de voorkeur worden gegeven aan een geïsoleerde diepe (recreatie)plas of een (kleinere) met het watersysteem verbonden ondiepe plas (met meer ruimte voor vegetatie). Ondiepe plassen worden omzoomd door brede gordels van boven het water uitstekende planten, bevatten eilandjes en zijn 0 - 2,5 m diep. 15 tot 30 % van het areaal van grote waterpartijen en plassen is minimaal 1,5 m. diep. De rest (70 tot 85^0) van het areaal is dus ondieper dan 1,5 m. Afhankelijk van de functie kan een uitzondering worden gemaakt.
Bijvoorbeeld bij een vaarfunctie, waarbij een diepte van meer dan 3 meter gewenst is, om overmatige waterplantengroei te voorkomen. In diepe plassen wordt 300Zo van het oeverareaal ingericht als rietzone met aansluitend een waterfase van 0,8 - 2,0 meter diep (afhankelijk van het doorzicht). De rest van de diepe plas mag max. 10 m. diep zijnf/ALSnieuw water^a\\flauwejjevers^a\\water dempen^ja]
2.3.2 Goede oppervlaktewaterkwaliteit Streefbeeld
Het grond- en oppervlaktewater biedt leef-, verblijf-, en voortplantingsmogelijkheden voor de (aquatische) flora en fauna in het beheergebied. De chemische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor. In het ontwerp van het watersysteem wordt uitgegaan van het principe 'schoon houden, scheiden, zuiveren'. Randvoorwaarde(n)
Conform de Waterwet (Ww) is het verboden om zonder vergunning afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in welke vorm dan ook te brengen in oppervlaktewateren. Schoon regenwater mag zonder waterstaatswerk direct geloosd worden op oppervlaktewater. Indien hiervoor een voorziening zoals een drain of buis wordt aangebracht is hiervoor een een vergunning nodig. [ALS_kunstwerken=ja][/ALS_kunstwerken=ja] 2.3.3 Goed omgaan met afvalwater Streefbeeld
Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het water doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met de behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan.
Voor bestaande gebieden wordt gestreefd naar het afkoppelen van verhard oppervlak. Het ombouwen van bestaande stelsels naar "zuiverend' gescheiden stelsels heeft een sterke voorkeur. Afstromend regenwater van vervuilde oppervlakken wordt gezuiverd. Randvoorwaarde(n)
In bestaand gebied wordt ernaar gestreefd om schoon regenwater af te koppelen van het rioolstelsel. Onder schoon hemelwater wordt verstaan: - Hemelwater van verhardingen met een verkeersintensiteit lager dan 1000 voertuigen per dag; - Hemelwater vanaf parkeerplaatsen met minder dan 50 plaatsen; - Hemelwater van daken/woningen waarbij geen voor het watersysteem; schadelijke uitloogbare stoffen zijn gebruikt; - Hemelwater van onverhard terrein; - Hemelwater van centrumgebieden (m.u.v. marktterreinen). Het hemelwater afkomstig van schone oppervlakken wordt geïnfiltreerd of direct afgevoerd naar open water. Ook ter compensatie van het afgekoppelde verharde oppervlak dient extra open water of alternatieve berging te worden aangelegd. Het hemelwater stroomt onder vrij verval af, direct of indirect (eventueel via een lokale zuivering) richting open water. Het afstromend hemelwater wordt vanaf de erfgrens, en waar mogelijk, bovengronds aangeboden.Vuil hemelwater is afstromend hemelwater dat niet onder schoon is vermeld. Verharde oppervlakken die vervuild zijn of waar de kans op vervuiling groot is worden afgevoerd via een (in)filtratievoorziening, (in)filtratieberm en/of slibafscheider. Een bodempassage wordt gedimensioneerd volgens de Leidraad Riolering. De afvoer van minder schone verharde oppervlakken via het rioolstelsel vindt plaats op basis van expert-judgement.
In het geval huishoudelijk- of bedrijfsafvalwater niet wordt aangeboden via het bestaande rioolstelsel denken wij graag met u mee over de verwerking van dit afvalwater. U wordt verzocht contact op te nemen met Team Waterprocedures van het waterschap. Er wordt de volgende voorkeursvolgorde in het omgaan met afvalwater gehanteerd: 1. Lozingen Z emissies worden voorkomen. 2. Afvalwater wordt vergaand hergebruikt. 3. Aansluiting afvalwaterstroom op riolering. 4. Afvoer per as (transport). 5. Opslag en gelijkmatige verspreiding
Verklaring Dit document is een automatisch gegenereerd bestand op basis van de door u ingevulde gegevens. U bent akkoord gegaan met de door u ingevulde gegevens en heeft verklaard dat alles naar waarheid is ingevuld.
www.dewatertoets.nl
W1EÍ5CKAP
ZUIDERZEE land
datum 12-3-2019 dossiercode 20190312-37-20082
Samenvatting ingevulde gegevens watertoets De toets is uitgevoerd op een ruimtelijke ontwikkeling in het beheergebied van Waterschap Zuiderzeeland. Voor algemene informatie over de watertoets van Zuiderzeeland kunt u ook terecht op onze website www.zuiderzeeland.nl. Mocht u specifieke vragen hebben naar aanleiding van deze toets dan kunt u ons bereiken via telefoonnummer 0320-274911. U kunt ook een email sturen naar watertoets@zuiderzeeland.nl. Uit deze toets volgt de normale procedure. Hieronder vindt u een samenvatting van de door u ingevulde gegevens.
Algemene gegevens Gegevens aanvragS—— Aanvragerļ Organisatie^BdgelHa^maAdviseurs Email: Adres: Baltnasar^ekkerwei76 8914BE, Leeuwarden Telefoon: 058-2152515 Gegevens project Naam van het project: Bestemmingsplan Klutenpad 6 Creil Planomschrijvingļ Het gaat om een bestemmingsplan om het gebruik als de bestemming bedrijf (- agrarisch aanverwant) mogelijk te maken (functiewijziging van agrarisch naar bedrijf ) en om 1 nieuwe loods te realiseren op het perceel op de plek waar al een schuur en deels verharding aanwezig was. Netto toename van verharding is daarmee ongeveer 300 m2. Adres: Klutenpad 6 8312PJ Creil Kadastrale gegevens: NOP00 - E - 2406 Gegevens gemeente: Gemeente Noordoostpolder Contactpersoon: Telefoon: 06 4813 4683 Email contactpersoon:
@noordoostpolder.nl
Overzicht toetsing plangebied en beantwoording vragen Kaartlagen Heeft u een beperkingsgebied geraakt? ja Compensatie-opgave toename verharding? 5,507o Indien in het gegeven antwoord sprake is van meerdere opgegeven percentages voor compensatie van de toename van verharding dan
betekent dit dat uw plangebied zich over meerdere peilgebieden uitstrekt. Het percentage kan namelijk per peilgebied verschillen. Welke gemeente omvat het grootste deel van het door u getekende plangebied? Noordoostpolder
Vragen Gaat het om een ruimtelijk plan dat uitsluitend een functiewijziging van bestaande bebouwing inhoudt? nee Is er sprake van uitbreiding van de lozing in landelijk gebied ^9 ve.) of in het stedelijk gebied ^30 ve.)? nee Betreft het een nieuw verhard oppervlak in het landelijk gebied groter dan 2500 m2 of in het stedelijk gebied groter dan 750 m2? nee Worden in het plan maatregelen getroffen waardoor het waterpeil verandert met 10 cm of meer? nee Is er sprake van [grond]wateroverlast? nee Is er sprake van afstromend regenwater van een oppervlak van 50 of meer parkeerplaatsen en/of weg met meer dan 1000 voertuigbewegingen per dag? {afstromend regenwater van vervuild oppervlak}
Aanvullende vragen ten behoeve van de normale procedure Ligt het plangebied binnen tien meter van een bestaande watergang?nee Wordt er water gedempt? nee Neemt het verhard oppervlak in stedelijk gebied toe? nee, met m2 Neemt het verhard oppervlak in landelijk gebied toe? ja, met 300 m2 Wordt er water [bijvoorbeeld regenwater] geloosd op het oppervlaktewater? nee Worden er meer dan 50 parkeerplaatsen aangelegd? nee Is voor de planontwikkeling een bodemsanering noodzakelijk? nee Is voor de uitvoering grondwerk nodig? ja Is voor de bouwwerkzaamheden een bronbemaling noodzakelijk? nee Gaat u binnen het plangebied permanent grondwater onttrekken? nee Er is sprake van een opbarstrisico. Wordt nieuw water aangelegd (bijvoorbeeld ter compensatie van verharding)? nee Bent u van plan flauwe oevers aan te leggen? nee Overweegt u infiltratiebermen of wadi's aan te leggen? nee Worden kunstwerken aangebracht zoals bijvoorbeeld duikers of bruggen? nee
Wordt er in het plangebied mogelijk gebruik gemaakt van bodemenergie, ook wel warmte koude opslag (WKO) genoemd? nee Welk soort ruimtelijk plan doorloopt in dit geval de watertoets? Bestemmingsplan
Verklaring Dit document is een automatisch gegeneerd bestand op basis van de door u ingevulde gegevens. U bent akkoord gegaan met de door u ingevulde gegevens en u heeft verklaard alles naar waarheid te hebben ingevuld. Ingetekend plangebied
K
i'SM ì Kapster
www.dewatertoets.nl
bestemmingsplan Landelijk gebied, Klutenpad 6 te Creil
Bijlage 2
14
Onderzoek geluiduitstraling
bestemmingsplan (vastgesteld)
ONDERZOEK GELUIDUITSTRALING M. VAN BRUGGEN HOLDING B.V. IN CREIL Toetsing industrielawaai na uitbreiding
noordelijk akoestisch adviesburo
ONDERZOEK GELUIDUITSTRALING M. VAN BRUGGEN HOLDING B.V. IN CREIL Toetsing industrielawaai na uitbreiding
Opdrachtgever
M. van Bruggen Holding B.V. Klutenpad 6 8312 PJ Creil
Contactpersoon
Uitgevoerd door
Noordelijk Akoestisch Adviesburo BV
Behandeld door
H Noorderstaete 26 9402 XB Assen
Datum
2 mei 2019
Kenmerk
6078/NAA/ad/ft/!
M Postbus 339 9400 AH Assen
(0592) 340 630
naa.nl
f* naa@naa.nl www.naa.nl
iban
NL41 RABO 0382 8383 35
btw NL006719028B01 kvk 04029676
INHOUDSOPGAVE
1
Inleiding............................................................................................................................................... 3
2
Gehanteerde normstelling......................................................................................................................4
3
4
5
6
2.1
Algemeen
4
2.2
Goede ruimtelijke ordening
4
2.3
Activiteitenbesluit
4
2.4
Indirecte hinder
5
Bedrijfsgegevens................................................................................................................................... 6 3.1
Situatie
6
3.2
Bedrijfsactiviteiten
7
3.3
Representatieve bedrijfssituatie
7
Uitgevoerde metingen en berekeningen................................................................................................... 8 4.1
Inleiding
4.2
Resultaten van de metingenen berekeningen geluidsvermogens
8 8
4.3
Rekenmodel overdracht
10
Resultaten en beoordeling .................................................................................................................. 11 5.1 Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau 11 5.2
Maximale geluidsniveaus
12
5.3
Indirecte hinder
12
Samenvatting en conclusies ................................................................................................................. 13
Begrippenlijst ............................................................................................................................................ 14
BIJLAGEN
1
Beoordelingskaders
2
Berekeningen geluidsvermogenniveaus geluidsbronnen
3
Invoergegevens overdrachtsberekeningen
4
Grafische weergaven overdrachtsmodel
5
Berekende equivalente geluidsniveaus
6
Berekende maximale geluidsniveaus
7
Rekengegevens indirecte hinder
2 mei 2019 | 6078/NAA/ad/ft/i
naa.nl
Blad 2 van 16
1
INLEIDING
In opdracht van M. van Bruggen Holding B.V. is een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor het bedrijf aan het Klutenpad 6 in Creil. De aanleiding voor het onderzoek zijn de plannen voor de uitbreiding met een extra loods aan de oostzijde. Vanwege de wijzigingen zal de inrichting onder een zwaardere milieucategorie vallen. Het eerder vergunde gebruik voor agrarische bedrijvigheid (akkerbouw) op het perceel zal conform de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieu zonering’ worden opgeschaald van milieucategorie 2 naar milieucategorie 3.1. Gezien de aanwezige woningen in de omgeving is een akoestisch onderzoek nodig. Bij het akoestisch onderzoek moet gekeken worden naar de toetsing voor goede ruimtelijke ordening en naar de grenswaarden conform het Activiteitenbesluit. Het doel van het onderzoek is het aangeven van de geluidbelasting van de inrichting op de omgeving voor de toekomstige situatie. De geluidbelasting en de maximale geluidsniveaus die het bedrijf veroorzaakt, zijn vastgesteld door de afzonder lijke geluidsbronnen te inventariseren en daarvan de geluidsoverdracht naar de omgeving te berekenen. Berekend zijn de geluidsniveaus ter plaatse van de omliggende woningen. De geluidsniveaus als gevolg van het in werking zijn van de inrichting zijn vastgesteld conform de procedures van de “Handleiding meten en rekenen industrielawaai” d.d.
1999, in het vervolg van dit rapport de Handleiding genoemd. De daarin genoemde methoden en procedures mogen als ‘standaard’ worden gezien. Op bladzijde 14 tot en met 16 worden enkele akoestische begrippen nader toegelicht.
2 mei 2019 | 6078^AA^dAtA
naa.nl
Blad 3 van 16
2
GEHANTEERDE NORMSTELLING
2.1
Algemeen
Een inrichting valt in de regel onder de werkingssfeer van het “Besluit algemene regels voor inrichtingen milieu beheer”, het Activiteitenbesluit. Al deze inrichtingen moeten bij het in werking zijn aan de regels van dit besluit voldoen. Voor agrarische inrichtingen gelden daarbij specifieke geluidsgrenswaarden en bedrijfstijden. Voor de ruimtelijke onderbouwing van de afwijking van een bestemmingsplan wordt in de regel de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” voor goede ruimtelijke ordening gebruikt. De standaard beoordeling vertoont over eenkomsten met de regels van het Activiteitenbesluit, met uitzondering van een 5 dB strengere geluidsgrenswaarde. Ook worden dezelfde meet- en rekenmethoden gehanteerd. Onderstaand wordt nader ingegaan op deze beoordelingsinstrumenten.
2.2
Goede ruimtelijke ordening
Vanwege de uitbreiding van M. van Bruggen Holding zal de inrichting onder een zwaardere milieucategorie vallen. Het eerder vergunde gebruik voor agrarische bedrijvigheid (akkerbouw) op het perceel zal conform de VNGpublicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ worden opgeschaald van milieucategorie 2 (met een minimale richtafstand van 30 meter) naar milieucategorie 3.1 (met een minimale richtafstand van 50 meter). In deze situatie liggen woningen binnen deze richtafstand. Het stappenplan uit de publicatie is weergegeven in bijlage 1 blad 1 en 2. Conform stap 2 zijn de grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau samengevat: "
45 dB(A) in de dagperiode van 07:00 tot 19:00 uur;
"
40 dB(A) in de avondperiode van 19:00 tot 23:00 uur;
"
35 dB(A) in de nachtperiode van 23:00 tot 07:00 uur.
Dit wordt ook wel genoemd een geluidbelasting of een etmaalwaarde van 45 dB(A). De grenswaarde voor het maximale geluidsniveau ligt 20 dB boven de gemiddelde waarden.
2.3
Activiteitenbesluit
De inrichting valt onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit. De tekst uit het Activiteitenbesluit is weerge geven in bijlage 1 blad 3 tot en met 10. Conform stap 2 zijn de Hoofdstuk 2 van het besluit geeft de ‘inrichting gerelateerde aspecten’. Afdeling 2.8 (art. 2.16b t/m 2.22) geeft de voorschriften voor het aspect geluidhinder. De tekst van deze artikelen is opgenomen in bijlage 2 blad 3 tot en met 10. Voor deze inrichting zijn hiervan met name van belang: "
art. 2.17, voor de inrichting van M. van Bruggen Holding geldt lid 5,
"
art. 2.18 en
-
art. 2.20.
In artikel 2.17 lid 5 worden voor elke periode van het etmaal standaard grenswaarden gesteld voor: "
het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT), dat is het gemiddelde geluidsniveau en
"
het maximale geluidsniveau (LAmax), dat is het hoogste geluidsniveau dat op enig moment kan optreden (de hoogste geluidspiek).
De grenswaarden voor het gemiddelde geluid zijn samengevat: "
45 dB(A) in de dagperiode van 06:00 tot 19:00 uur;
"
40 dB(A) in de avondperiode van 19:00 tot 23:00 uur;
"
35 dB(A) in de nachtperiode van 23:00 tot 07:00 uur.
2 mei 2019 | 6078/NAA/ad/ft/i
naa.nl
Blad 4 van 16
De geluidsgrenswaarde voor het maximale geluidsniveau ligt hier 25 dB boven. Let wel dat voor agrarische inrich tingen afwijkende grenswaarden en afwijkende bedrijfstijden gelden. De geluidsgrenswaarden komen overigens overeen met de grenswaarden voor goede ruimtelijke ordening. Voor de beoordeling is uitgegaan van de grens waarden en bedrijfstijden conform Activiteitenbesluit. In artikel 2.17 en 2.18 worden een aantal aspecten genoemd, die niet hoeven te worden beoordeeld. Voor deze inrichting betreft dat voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau alleen de vast opgestelde installaties en toestellen en voor het LAmax veroorzaakt door laad- en losactiviteiten en het in en uit de inrichting rijden van landbouwtractoren of motorrijtuigen met beperkte snelheid in de dagperiode. Over het laden en lossen als genoemd in artikel 2.17 lid 1 onder b staat in de toelichting op dit artikel: “Onder de laad- en losactiviteiten worden tevens aanverwante activiteiten verstaan zoals het slaan van autoportieren en het starten, aanrijden, manoeuvreren en wegrijden van de voertuigen.” In artikel 1.11 lid 11 van het Activiteitenbesluit is tevens opgenomen dat, indien aannemelijk is dat de geluids niveaus vanwege werkzaamheden en activiteiten bij een inrichting een significante bijdrage leveren aan de totale geluidbelasting van de inrichting, dit inzichtelijk dient te worden gemaakt.
Op basis hiervan bestaat de mogelijk heid om een maatwerkvoorschrift op te stellen. Het bevoegd gezag kan op grond van artikel 2.20 bij maatwerkvoorschrift onder voorwaarden andere grenswaar den vaststellen.
2.4
Indirecte hinder
Onder indirecte hinder wordt verstaan: de nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt door activiteiten die, hoewel ze plaatsvinden buiten het terrein van de inrichting, aan de inrichting zijn toe te rekenen. Indirecte hinder zou kunnen ontstaan door transportbewegingen van (vracht)auto’s van en naar de inrichting via de openbare weg. De Circulaire indirecte hinder adviseert de transportbewegingen separaat van de directe hinder van de inrichting en separaat van het overige wegverkeer te beoordelen. Aan de geluidbelasting wordt een maximum gesteld, het maximale geluidsniveau wordt niet beoordeeld. Voor de geluidbelasting geldt een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) en een maximaal toelaatbare waarde van 65 dB(A). De indirecte hinder wordt tot een bepaalde afstand aan de inrichting toegerekend. Voor de reikwijdte geeft de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening een aantal mogelijke criteria. In de meeste gevallen voldoet het criterium dat de indirecte hinder moet worden beoordeeld tot de afstand waarop het verkeer van en naar de inrichting zich qua rijsnelheid en stopgedrag niet meer onderscheidt van het mogelijke overige verkeer op die weg.
2 mei 2019 | 6078/NAA/ad/ft/i
naa.nl
Blad 5 van 16
3
BEDRIJFSGEGEVENS
3.1
Situatie
M. van Bruggen Holding B.V. is gevestigd aan het Klutenpad 6 in Creil. Een overzicht van de situatie is weergegeven in figuur 1 en in bijlage 1. Figuur 1: Ligging bedrijf en omliggende bebouwing
In figuur 1 is de nieuwe loods aan de oostzijde weergegeven. De nieuwe loods is bedoeld voor de opslag van verpakt product. De bestaande noordelijke loods is de loods voor het sorteren van producten, de bestaande loods midden is de loods voor het verpakken en opzakken van de producten. De bestaande inrit aan de westzijde zal worden gehandhaafd voor de aanvoer, de nieuwe inrit aan de oostzijde is bedoeld voor de afvoer van de producten. De dichtstbijzijnde woningen liggen aan de oostzijde (Klutenpad 6D), aan de zuidzijde (Klutenpad 5) en aan de westzijde (Klutenpad 8).
2 mei 2019 | 6078/NAA/ad/ft/i
naa.nl
Blad 6 van 16
3.2
Bedrijfsactiviteiten
M. van Bruggen Holding B.V. is voornamelijk een dienstverlenend bedrijf voor het sorteren en verpakken van producten zoals aardappelen en uien. Op hoofdlijnen worden de producten aangevoerd aan de westzijde met tractoren (400) en vrachtwagens (600), voornamelijk in de periode oktober tot en met juni. De aanvoer is hoofdzakelijk in kisten. Voor het sorteren en verpakken worden diverse machines gebruikt, die overigens beperkt geluid produceren, die de producten sorteren op grootte en kwaliteit. De producten worden opgezakt in verpakkin gen van 2,5 tot 50 kg, maar ook wel weer in de kisten of in bigbags. Voor het laden en het lossen en het intern transport worden drie elektrische heftrucks gebruikt. Het verpakt product wordt opgeslagen in de nieuwe loods, en daarna weer afgevoerd. De nieuwe loods zal worden uitgerust met een laad- en losperron. De afvoer in voornamelijk vrachtwagens is aan de oostzijde.
3.3
Representatieve bedrijfssituatie
De geluidsniveaus ten gevolge van de inrichting op de omgeving worden voor agrarische inrichtingen beoordeeld in drie beoordelingsperioden (etmaalperioden): "
de dagperiode van 06:00 tot 19:00 uur;
"
de avondperiode van 19:00 tot 22:00 uur;
"
de nachtperiode van 22:00 tot 06:00 uur.
De geluidsniveaus in de avond- en nachtperiode worden respectievelijk 5 en 10 dB strenger beoordeeld dan in de dagperiode. Voor de vaststelling van de geluidssituatie dient primair te worden uitgegaan van de representatieve bedrijfs situatie: de situatie waarbij de voor de geluidproductie relevante omstandigheden kenmerkend zijn voor een bedrijfsvoering bij volledige capaciteit voor elke te beschouwen beoordelingsperiode. Als er op deze wijze meerde re bedrijfssituaties kunnen worden vastgesteld, is - per beoordelingsperiode - die met de hoogste geluidsniveaus op de omgeving maatgevend. De bedrijfssituatie is opgesteld in overleg met het bedrijf. In de regel wordt 8 uur gewerkt tussen 07:30 en 17:30 uur. In het seizoen kan het voorkomen dat in de avond gewerkt wordt tot 21:00 uur. De verwerkingscapaciteit wordt zodanig dat voor de aan- en afvoer gerekend kan worden met 5 keer aanvoer en 5 keer afvoer op een representa tieve werkdag. In het seizoen kan het voorkomen dat in de avond gewerkt wordt tot 21:00 uur, met 1x een aanen/of afvoerbeweging. Het laden en lossen vraagt 0,5 uur per keer, waarbij voor de afvoer aan de oostzijde de heftruck de helft van de tijd binnen rijdt. Een overzicht van de aangehouden geluidsbronnen met hun bijbehorende bedrijfstijden is weergegeven in Ş 4.2 van deze rapportage.
2 mei 2019 | 6078/NAA/ad/ft/i
naa.nl
Blad 7 van 16
4
UITGEVOERDE METINGEN EN BEREKENINGEN
4.1
Inleiding
De metingen en berekeningen hebben plaatsgevonden conform de Handleiding. Daarbij zijn de geluidsniveaus in de omgeving die ontstaan door de activiteiten in de inrichting vastgesteld in twee stappen: 1. het inventariseren en bepalen van plaats, hoogte, bedrijfsduur en geluidsvermogen van de afzonderlijke geluidsbronnen; 2. het berekenen van de geluidsoverdracht van deze bronnen naar de omgeving. De geluidsniveaus in de omgeving veroorzaakt door het verkeer van en naar de inrichting zijn bepaald door berekeningen conform het “Reken- en meetvoorschrift geluid 2012”. De bestaande situatie is gemodelleerd op basis van de gegevens van de Publieke Dienstverlening op de Kaart (PDOK) website en Google Street View. In hoofdstuk 5 worden de resultaten van de berekeningen naar de woningen besproken.
4.2
Resultaten van de metingen en berekeningen geluidsvermogens
Aan de relevante geluidsbronnen zijn geluidsmetingen uitgevoerd op dinsdag 9 april 2019. Voor een aantal bronnen is een aanname gedaan van het geluidsvermogen op basis van ervaring cijfers of literatuurwaarden. De metingen zijn uitgevoerd met behulp van een geluidsniveau analysator Brüel E Kj^r 2250, voorzien van een microfoon Brüel E Kj^r 4189. Voor en na de metingen zijn de meters gecontroleerd met behulp van een akoestische kalibrator Brüel E Kj^r type 4230. Hierbij zijn geen afwijkingen geconstateerd. Tijdens de metingen was de micro foon voorzien van een windbol. De meetapparatuur wordt conform voorschrift tweejaarlijks gecontroleerd en gecertificeerd. Tenzij anders is aangegeven, is de bronsterkte (het geluidsvermogen) van de geluidsbronnen vastgesteld conform de volgende methoden in de Handleiding: "
methode 11.3: aangepast meetvlak;
"
methode II.7: uitstraling gebouwen.
De berekeningen van de bronsterkten uit de gemeten geluidsniveaus, meetafstanden, oppervlakken, et cetera zijn gegeven in bijlage 2. Aan het einde van deze paragraaf is in tabel 1 een overzicht gegeven van de geluidsbronnen met hun bedrijfsduur en de vastgestelde bronsterkte. Het geluid afkomstig van de inrichting is te onderscheiden in de geluidafstraling van diverse onderdelen van de gebouwen en het verkeer over het bedrijfsterrein met laden en lossen. Uitstraling bedrijfsgebouw In de loods verpakken is het geluidsniveau relatief laag. Bepalend voor de geluiduitstraling naar de omgeving is rekening gehouden met een geopende deur in de westgevel (bron 1) en de roosters in de oostgevel (bron 2 en 3). Voor de loods sorteren is eveneens rekening gehouden met de open deur in de westgevel (bron 4), maar ook nog met de openingen (droogwand, bron 5) in de noordgevel. Vanwege het geluidsniveau in de loods met 72 dB(A) is ook nog rekening gehouden met het afstralende dakvlak (bron 6) en de uitstraling door de oost- en westgevel (bron 7 en 8).
2 mei 2019 | 6078/NAA/ad/ft/i
naa.nl
Blad 8 van 16
Verkeer over het bedrijfsterrein Voor het rustig rijden van een zware vrachtauto op lage en continue snelheid is uitgegaan van een geluidsvermogenniveau Lw van 100 dB(A) bij een rijsnelheid van 10 km/uur. Deze waarde is afgeleid uit de resultaten van geluidsmetingen aan vele vrachtauto’s bij rijden op lage snelheid uitgevoerd door Peutz en waarvan deze verslag heeft gedaan in zijn lezing “Soundpower level of trucks at low speeds”, Internoise 23-26 augustus 2009 en op basis van geluidsmetingen bij soortgelijke inrichtingen. Op basis van de nieuwste metingen is het geluidsvermogen van de vrachtwagens inmiddels naar beneden bijgesteld naar 100 dB(A). Voor een tractor kan 103 dB(A) worden aangehouden. Voor de route aanvoer aan de westzijde is in de berekening uitgegaan van een geluidsvermogenniveau LW van 102 dB(A) als gemiddelde van de tractoren en vrachtwagens. De afvoer aan de oostzijde vindt plaats met vracht wagens. In de berekeningen is voor het rustig optrekken van zwaar verkeer uitgegaan van een maximaal geluids niveau LAmax van 106 dB(A). Voor het gebruik van de elektrische heftruck op het buitenterrein is uitgegaan van literatuurwaarden en een geluidsvermogen van 85 dB(A). Het maximale geluidsniveau ligt 10 dB hoger.
De rijroutes van het verkeer zijn verwerkt tot een voor een transportlijn (rijroute) representatieve geluiduitstraling met zogenaamde mobiele bronnen (een rij puntbronnen). De geluidsbronnen en de aangehouden bedrijfsduren zijn weergegeven in tabel 1. Tabel 1: Geluidsbronnen M. van Bruggen Holding Bronnr.
Bedrijfsduur
Immissierelevante
in uren:minuten of aantal
bronsterkte per stuk Lwr
Omschrijving
in dB(A) dag
avond
nacht
eq
max
Open deur loods verpakken
08:00
01:30
-
76
-
Rooster loods verpakken links / rechts
08:00
01:30
-
62
-
4
Open deur loods sorteren
08:00
01:30
-
87
-
5
Gevelrooster droogwand loods sorteren
08:00
01:30
-
90
-
6
Dakvlak loods sorteren
08:00
01:30
-
86
-
7/8
Oost / west gevel loods sorteren
08:00
01:30
-
78
-
11
Rijroute aanvoer westzijde (volledig)
5x
1x
-
102
+4
12
Rijroute afvoer oostzijde (volledig)
5x
1x
-
100
+6
13 / 14
Heftruck laden en lossen westzijde
02:30
00:30
-
85
+10
15
Heftruck laden en lossen oostzijde
01:15
00:15
-
85
+10
1 2Z3
2 mei 2019 | 6078/NAA/ad/ft/i
naa.nl
Blad 9 van 16
4.3
Rekenmodel overdracht
Met de op bovenbeschreven wijze vastgestelde bronsterkten en de terreingegevens is een rekenmodel opgesteld, waarmee de geluidsoverdracht van de inrichting naar de omgeving is berekend. Bij de berekeningen worden de ruimtelijke effecten betrokken. Rekening houdend met deze effecten wordt het geluidsniveau op een immissiepunt berekend. De berekeningen zijn uitgevoerd met behulp van het computerprogramma GeoMilieu versie 4.41. Dit programma is gebaseerd op methode II.8 uit de Handleiding. In het model is de nieuwe ontsluiting ingevoerd als akoestisch hard. De niet-gedefinieerde gebieden zijn aangehouden als 50% hard. In het rekenmodel zijn de equivalente geluidsvermogenniveaus ingevoerd. Voor de bepaling van de maximale niveaus op de immissiepunten wordt gebruik gemaakt van de LAmax routine, die de maximale niveaus berekend, waarbij nog rekening gehouden moet worden met de hogere bronvermogens in de laatste kolom van tabel 1. De geluidsniveaus zijn berekend op immissiepunten gesitueerd ter plaatse van de gevels van de meest nabijgelegen woningen van derden. De niveaus in de dagperiode zijn berekend op een hoogte van 1.8 meter, de niveaus in de avond- en nachtperiode op een hoogte van 5.0 meter. Bijlage 3 geeft de in het model ingevoerde gegevens van de objecten, de geluidsbronnen, de immissiepunten en de berekende situaties.
Bijlage 4 geeft enkele grafische weergaven van het rekenmodel.
2 mei 2019 | 6078/NAA/ad/ft/i
naa.nl
Blad 10 van 16
5
RESULTATEN EN BEOORDELING
5.1
Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau
Zoals aangegeven in Ş 3.3 is de opgestelde en doorgesproken representatieve bedrijfssituatie doorgerekend. Bijlage 5 geeft de berekende equivalente geluidsniveaus op de beoordelingspunten. De ligging van de beoorde lingspunten is weergegeven in bijlage 4. Er is geen sprake van een tonaal, impulsachtig of muziekkarakter van het geluid. Op de berekende equivalente geluidsniveaus hoeft daarom geen toeslag te worden toegepast. Tabel 2 geeft de berekende waarden van het LAr,LT voor de representatieve bedrijfssituatie. Daarbij wordt de begane grond in de dagperiode beoordeeld en de verdieping in de avondperiode. De richtlijnen goede ruimtelijke ordening en de grenswaarden uit het Activiteiten besluit zijn eveneens opgenomen. Tabel 2: Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT in dB(A) Beoordelings-
Omschrijving
Berekend LAr,LT in dB(A) in
Etmaalwaarde
dagperiode
avondperiode
nachtperiode
Woning Klutenpad 6D begane grond
40
-
-
02
Woning Klutenpad 6D verdieping
-
40
-
03
Woning Klutenpad 8
39
40
-
45
04
Woning Klutenpad 5
32
33
-
38
45
40
35
45
Punt
01/02
45
Grenswaarde goede ruimtelijke ordening en Activiteitenbesluit
Bij de omliggende woningen bedraagt het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ten hoogste 45 dB(A). Bepalend hiervoor is de woning Klutenpad 6D, de avondperiode vanwege het incidenteel overwerk is bepalend voor de geluiduitstraling van de inrichting naar de omgeving. Aan de grenswaarden van het Activiteitenbesluit ten aanzien van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau kan bij alle onderzochte woningen worden voldaan.
2 mei 2019 | 6078/NM/ad/ft/!
naa.nl
Blad 11 van 16
5.2
Maximale geluidsniveaus
Bijlage 6 geeft de berekende ĽAmax waarden, die opgehoogd moeten worden met de correctie voor zwaar verkeer. Voor de woningen aan de oostzijde is deze correctie +6 dB en voor de woningen aan de westzijde +4 dB. Tabel 3 vat de maximale geluidsniveaus samen; ook de richtlijnen goede ruimtelijke ordening en de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit zijn in de tabel opgenomen. Tabel 3: Maximale geluidsniveaus ĽAmax in dB(A) Beoordelings-
Omschrijving
punt
Berekend LAmax in dB(A) n dagperiode
avondperiode
nachtperiode
01
Woning Klutenpad 6D begane grond
70
-
-
02
Woning Klutenpad 6D verdieping
-
69
-
03
Woning Klutenpad 8
61
63
-
04
Woning Klutenpad 5
52
54
-
Grenswaarden goede ruimtelijke ordening stap 2
65
60
55
Grenswaarden goede ruimtelijke ordening stap 3
70
65
60
Grenswaarden Activiteitenbesluit *)
70
65
60
Voor wat betreft goede ruimtelijke ordening wordt in de dagperiode niet voldaan aan de richtwaarde van 65 dB(A). Wel wordt voldaan aan de geldende grenswaarde van 70 dB(A) conform stap 3. In de avondperiode wordt vanwege het incidenteel overwerk de geluidsgrenswaarde voor het piekgeluidsniveau op de woning Klutenpad 6D overschreden. Overwogen kan worden in de avondperiode aan deze zijde geen zwaar verkeer te laten rijden. Bij toetsing aan het Activiteitenbesluit kan in de dagperiode bij alle onderzochte woningen worden voldaan aan de geldende grenswaarden. Volledigheidshalve, voor de berekende waarden mag in de dagperiode het laden en lossen en de bijbehorende voertuigbewegingen worden uitgezonderd. In de avondperiode wordt niet voldaan bij de woning Klutenpad 6D, zie de opmerking hierboven.
5.3
Indirecte hinder
De berekening van het equivalente geluidsniveau van de indirecte hinder conform de rekenmethode 2012 is gegeven in bijlage 7. Daarbij is rekening gehouden met de opgegeven vervoersbewegingen (worst case, dus alle bewegingen in één rijrichting) en een redelijke rijsnelheid ter hoogte van de dichtstbijgelegen woningen van 30 km/uur. De woningen aan het Klutenpad liggen op 26 meter of meer uit de as van de weg. De geluidbelasting vanwege de indirecte hinder bedraagt op 26 meter 44 dB. De voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) wordt niet overschreden.
2 mei 2019 | 6078/NAA/ad/ft/i
naa.nl
Blad 12 van 16
6
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
In opdracht van M. van Bruggen Holding B.V. is een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor het bedrijf aan het Klutenpad 6 in Creil. De aanleiding voor het onderzoek zijn de plannen voor de uitbreiding met een extra loods aan de oostzijde. In die richting wordt ook een extra inrit gerealiseerd. De situatie is beoordeeld op basis van de toekomstige activiteiten. Daarbij verschuift de afvoer van het westelijk deel van de inrichting naar de oostzijde. Bij de omliggende woningen bedraagt het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ten hoogste 45 dB(A). Bepalend hiervoor is de woning Klutenpad 6D. De avondperiode tijdens overwerk is bepalend voor de geluiduitstraling. Aan de grenswaarden voor goede ruimtelijke ordening en van het Activiteitenbesluit ten aanzien van het langtijd gemiddeld beoordelingsniveau kan bij alle woningen worden voldaan. Voor wat betreft het maximale geluidsniveau worden de hoogste niveaus veroorzaakt door de aan- en afvoer met vrachtwagens of tractoren. In de avondperiode kan op de woning Klutenpad 6D niet worden voldaan vanwege de afvoer van producten. Overwogen kan worden de oostelijke uitrit niet te gebruiken in de avondperiode. Met deze beperking is de uitbreiding van het bedrijf in oostelijke richting geluidstechnisch mogelijk.