8.1 Bestemmingsplan Landelijk gebied, Blokzijlerdwarsweg 12 te Marknesse.pdf
Tekst van het document
^
In het grondwatermonster van peilbuis PB1 blijven de gemeten waarden van de onderzochte parameters allen beneden de streefwaarde of de detectielimiet behalve streefwaarde overschrijdingen aan molybdeen en benzeen en een tussenwaarde overschrijding van barium. Er is een gehalte van 0,03pg/! som PFOA, 0,03pg/! som PFOS en 0,13pg/! Overige PFAS aangetoond;
^
De gemeten waarden van de zuurgraad (pH), troebelheid (NTU) en het elektrisch geleidingsvermogen (EC) van het grondwater geven geen aanleiding tot het uitvoeren van aanvullend onderzoek.
De grond geschikt is voor de herbouw van het bedrijfspand. In de monsters zijn geen hoeveelheden van gevaarlijke stoffen aangetroffen die schadelijk zijn voor de volksgezondheid. Er zijn geen belemmeringen voor de voorgenomen activiteiten.
4.2.3
Conclusie
Op basis van het uitgevoerde onderzoek wordt een nader bodemonderzoek niet noodzakelijk geacht. Het plangebied wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Het aspect bodem vormt in voorliggend geval geen belemmering.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
24
Bestemmingsplan "Landelijk gebied, Blokzijlerdwarsweg 12 te Marknesse" Vastgesteld
4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: ^ ^
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtverontreiniging van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3'^ van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: ^ ^ ^
woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3'^ van de grenswaarden.
4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Ten aanzien van onderhavig initiatief is er sprake van een gevoelige bestemming. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.
4.3.2
Situatie plangebied
Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft VROM in samenwerking met InfoMil een specifieke rekentool ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt (NIBM) aan luchtverontreiniging. Het doel van deze tool is: Het vaststellen van grenzen voor het aantal extra voertuigbewegingen dat niet zal leiden tot een concentratietoename die groter is dan de grens voor niet in betekenende mate. De onderstaande afbeelding geeft de worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van het plan op de luchtkwaliteit weer. Hierbij is uitgegaan van een toename van 30 vervoersbewegingen als gevolg van de gewenste ontwikkeling (zie paragraaf 2.2.2). Het aandeel vrachtverkeer is gesteld op 25'^.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
25
Bestemmingsplan "Landelijk gebied, Blokzijlerdwarsweg 12 te Marknesse" Vastgesteld
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie
2024
Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
30
Aandeel vrachtverkeer
2S.0oZo
NOs in pg/rrr
0,06
PM10 in pg/m3
0,01
Extra verkeer als gevolg van het plan
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in pg/nr
1.2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig
Afbeelding 4.1
Berekening bijdrage luchtverontreiniging (Bron: NIMB tool)
Uit de berekening met de NIBM-tool volgt dat het plan 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit (verslechtering). Daarnaast wordt geconcludeerd dat het voornemen geen realisatie van gevoelige bestemmingen mogelijk maakt in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen.
4.3.3
Conclusie
Gezien het vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
4.4
Externe veiligheid
4.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: ^ ^ ^ ^ ^
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in:
BJZ.nu Bestemmingsplannen
26
Bestemmingsplan "Landelijk gebied, Blokzijlerdwarsweg 12 te Marknesse" Vastgesteld ^ ^ ^
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.
4.4.2
Situatie in en bij het plangebied
Aan hand van de risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In de volgende afbeelding is een uitsnede van de risicokaart met betrekking tot het plangebied (aangegeven met blauwe ster) en omgeving weergegeven.
Het plangebied ligt op circa 670 meter van de risicovolle inrichting aan de Vollenhoverweg 14. Het gaat het om de aanwezigheid van een bovengrondse tank voor propaan of ander vloeibaar gemaakt brandbaar gas. De PR10 contour bedraagt 20 meter. Het plangebied ligt ruim buiten deze contour.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
27
Bestemmingsplan "Landelijk gebied, Blokzijlerdwarsweg 12 te Marknesse" Vastgesteld Daarnaast bevindt zich op circa 630 meter van het plangebied een buisleiding. Ook in dit geval ligt het plangebied op ruim voldoende afstand. Uit de inventarisatie blijkt verder dat de locatie: ^ ^ ^ ^
4.4.3
zich niet bevindt binnen de risicocontour van overige Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het initiatief in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
4.5
Milieuzonering
4.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: ^ ^
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd.
4.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
28
Bestemmingsplan "Landelijk gebied, Blokzijlerdwarsweg 12 te Marknesse" Vastgesteld Gebieden waar in enige vorm sprake is van functiemenging, of in gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd (bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen), worden aangemerkt als 'gemend gebied'. Bij 'gemengde gebieden' moet gedacht worden aan: "Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend." De richtafstanden uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied.
Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het plangebied ligt in het buitengebied en vormt onderdeel van een (open) bebouwingslint met overwegend agrarische bedrijvigheid en woonpercelen. Daarom wordt in dit geval uitgegaan van het omgevingstype 'gemengd gebied'. Onderstaande tabel geeft de richtafstanden weer voor de verschillende omgevingstypes.
Milieucategorie
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied
1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
4.5.3
Situatie plangebied
4.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.
past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
4.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of de realisatie van het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. Het verwerkingsbedrijf binnen het plangebied kan op grond van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' vergeleken worden met een groente- en conservenfabriek voor het maken van jam, welke onder milieucategorie 3.2 valt. Vanwege de ligging in gemengd gebied kunnen alle richtafstanden met één maat verlaagd worden. Onderstaande tabel geeft de richtafstanden aan in meters:
BJZ.nu Bestemmingsplannen
29
Bestemmingsplan "Landelijk gebied, Blokzijlerdwarsweg 12 te Marknesse" Vastgesteld
Functie
Geur
Stof
Geluid
Gevaar
Groente- en conservenfabrieken voor het maken van jam
30
0
50
0
De grootste minimale richtafstand betreft het aspect 'geluid' met 50 meter. Onderstaande tabel toont de omliggende milieugevoelige functies, waarbij wordt gemeten vanaf de gevel van de milieugevoelige functie tot de grens van het plangebied. Opgemerkt wordt dat de bedrijfswoning binnen het plangebied vanuit het milieuspoor slechts beperkte bescherming kent voor de 'eigen inrichting'. Adres
Afstand tot plangebied
Blokzijlerdwarsweg 11
33 meter
Blokzijlerdwarsweg 13
85 meter
Blokzijlerdwarsweg 10
185 meter
Uit bovenstaande tabel blijkt dat voor de Blokzijlerdwarsweg 11 niet aan de richtafstand voor 'geluid' wordt voldaan. De afstand tussen de woning van Blokzijlerdwarsweg 11 en de bedrijfswoning binnen het plangebied bedraagt circa 50 meter. Op grond van het bestemmingsplan mag niet voor de voorgevel of het verlengde daarvan gebouwd worden. Hiermee kan de afstand van het fruitverwerkingsbedrijf tot de woning aan de Blokzijlerdwarsweg 11 niet kleiner worden dan 50 meter. Daarnaast is door FMA-Nillessen de 'Notitie geluid Indirecte hinder' opgesteld om ten aanzien van indirecte geluidhinder de invloed van de bedrijfsactiviteiten (wegverkeer) op de omgeving te beschrijven. De notitie is in bijlage 2 toegevoegd. Hieronder wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan: Notitie geluidhinder ^ ^ ^
^
Beoordeeld wordt of er al dan niet sprake is van onaanvaardbaar geluidhinder vanwege het (vracht)verkeer op de openbare weg; De voorkeursgrenswaarde bedraagt LAeq=50 dB(A) etmaalwaarde, met een maximale grenswaarde van 65 dB(A) etmaalwaarde; Het geluidsniveau ten gevolge van de voertuigbewegingen over de openbare weg bedraagt ter plaatse van de maatgevende woningen (Blokzijlerdwarsweg 11 en 13) maximaal (Letmaal) 49 dB(A) en voldoet daarmee aan de voorkeursgrenswaarde; Geconcludeerd kan worden dat er geen sprake is van onaanvaardbare geluidhinder vanwege de verkeersaantrekkende werking van de inrichting.
Hiermee kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een (onevenredige) aantasting van het woon- en leefklimaat van omliggende milieugevoelige functies.
4.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Het fruitverwerkingsbedrijf is niet aan te merken als milieugevoelige functies. De te verplaatsen bedrijfswoning is geheel beschermd voor hinder van inrichtingen van derden en moet daarom wel worden meegenomen in het kader van interne werking. De dichtstbijzijnd gelegen milieubelastende functie is een fruitteeltbedrijf aan de Blokzijlerdwarsweg 10. De grootste minimale richtafstand bedraagt 10 meter voor het aspect 'geluid'. De werkelijke afstand tussen het bedrijf en de locatie van de beoogde bedrijfswoning in het plangebied is circa 185 meter. Gezien het vorenstaande mag ervan worden uitgegaan dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast worden omliggende bedrijven als gevolg van voorliggende ontwikkeling niet in de bedrijfsvoering belemmerd.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
30
Bestemmingsplan "Landelijk gebied, Blokzijlerdwarsweg 12 te Marknesse" Vastgesteld 4.5.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
4.6
Geur
4.6.1
Wet geurhinder en veehouderij
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ^ ^
4.6.2
ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
Situatie plangebied
Binnen een straal van 600 meter vanaf het plangebied zijn er geen veehouderijen aanwezig. Echter zijn volgens de regels van de beheersverordening wel veehouderijen toegestaan op diverse percelen binnen voorgenoemde straal. Het dichtstbijzijnde perceel met een agrarische bestemming bevindt zich op circa 185 meter van de beoogde locatie van de bedrijfswoning. Het gaat om het perceel aan de Blokzijlerdwarsweg 10. Geconcludeerd wordt dat hiermee ruim wordt voldaan aan de minimale afstand. Ter plaatse van het plangebied is, ten aanzien van geur, sprake van een goed woon- en leefklimaat en als gevolg van voorgenomen verplaatsing van de bedrijfswoning worden (eventueel nieuw te vestigen) veehouderijen niet in hun bedrijfsvoering beperkt.
4.6.3
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor voorliggend plan.
4.7
Ecologie
4.7.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
31
Bestemmingsplan "Landelijk gebied, Blokzijlerdwarsweg 12 te Marknesse" Vastgesteld 4.7.2
Gebiedsbescherming
4.7.2.1 Natura 2000 Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het plangebied ligt niet binnen een Natura-2000 gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'De Wieden' ligt op een afstand van 3,2 kilometer van het plangebied. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk.
Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare natuurgebieden. Door BJZ.nu is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Deze berekening is als bijlage 4 bijgevoegd. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten en conclusies ingegaan. AERIUS-berekening Uit de rekenresultaten van de zowel de aanlegfase alsook de gebruiksfase blijkt dat er geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Geconcludeerd wordt dat hiermee geen sprake is van een stikstofdepositie met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 2.7, lid 1 van de Wet natuurbescherming. 4.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied behoort niet tot het NNN.
Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN, is gelegen op circa 1,5 kilometer afstand ten zuiden van het plangebied. Gelet op de ligging buiten het NNN, in relatie met de aard en omvang van de voorgenomen activiteit, wordt uitgesloten dat sprake is van een aantasting van de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN.
4.7.3
Soortenbescherming
4.7.3.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
32
Bestemmingsplan "Landelijk gebied, Blokzijlerdwarsweg 12 te Marknesse" Vastgesteld 4.7.3.2 Situatie plangebied Dit bestemmingsplan voorziet in het uitbreiden van het bouwvlak met 1.100 m2 en het verplaatsen van de bedrijfswoning. Met deze bestemmingsplanherziening zijn geen ingrepen als sloop of het verwijderen van groenstructuren gemoeid, met uitzondering van de bedrijfswoning. Op de luchtfoto in paragraaf 2.1 is te zien dat de gronden in en rondom het plangebied grotendeels verhard zijn of in gebruik zijn als agrarische cultuurgrond. Hiermee kan de aanwezigheid van beschermde plant- en diersoorten met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden uitgesloten. Bovendien wordt voorzien in het aanbrengen van erfbeplanting, wat de natuur ten goede komt. Van enige vorm van aantasting van beschermde flora en/of fauna als gevolg van vaststelling van dit bestemmingsplan is dan ook geen sprake. Gelet op vorenstaande wordt het uitvoeren van onderzoek niet noodzakelijk geacht. Zoals eerder gezegd is het voornemen om in de toekomst de bedrijfswoning te verplaatsen. Bij de sloop van de bestaande woning kan de aanwezigheid van beschermde plant- en diersoorten niet op voorhand worden uitgesloten. Omdat nog niet bekend is wanneer de bouwplannen worden uitgevoerd is het nu uitvoeren van een onderzoek naar eventueel aanwezige beschermde plant- en diersoorten niet relevant.
Om toch te kunnen borgen dat de instandhouding van eventueel aanwezige beschermde plant- en diersoorten bij de sloop- en bouwwerkzaamheden niet in het geding komt is in de regels van voorliggend bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Deze verplichting stelt het laten uitvoeren van een onderzoek naar eventueel beschermde plant- en diersoorten verplicht alvorens een sloopvergunning kan worden verleend. Op deze wijze leidt het vaststellen van dit bestemmingsplan niet tot aantasting van beschermde flora en/of fauna.
4.7.4
Conclusie
Er worden geen negatieve effecten op de NNN en Natura 2000-gebieden verwacht. Daarnaast zijn er geen negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten.
4.8
Archeologie ä Cultuurhistorie
4.8.1
Archeologie
4.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
4.8.1.2 Situatie plangebied De gemeente Noordoostpolder heeft in 2018 de Archeologische Basis- en Beleidsadvieskaart voor haar grondgebied geactualiseerd. Op de Basiskaart staan de archeologische waarden en verwachtingen weergegeven, terwijl op de Beleidsadvieskaart maatregelen staan aangegeven die nodig zijn om het archeologisch erfgoed te beschermen Onderstaande afbeelding toont de ligging van het plangebied op de Archeologische beleidsadvieskaart (blauwe ster).
BJZ.nu Bestemmingsplannen
33
Bestemmingsplan "Landelijk gebied, Blokzijlerdwarsweg 12 te Marknesse" Vastgesteld
Op basis van de Archeologische beleidsadvieskaart kent het plangebied een lage archeologische verwachtingswaarde. Er is geen beleidscategorie vastgesteld waardoor er ten aanzien van archeologie geen beperkingen zijn aan grondwerkzaamheden. De beoogde uitbreiding van het bouwvlak en verplaatsing van de woning kan niet worden aangemerkt als grootschalige bodemverstoring. Gesteld wordt dat archeologisch onderzoek niet nodig is.
4.8.2
Cultuurhistorie
4.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan 'een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden' dient te bevatten.
4.8.2.2 Cultuurhistorie en beleid Beleidsmatig is de cultuurhistorie van Noordoostpolder vastgelegd en toegelicht in diverse documenten zoals 'Kwaliteitskaart Noordoostpolder Urk - Deel 1' (H+N+S landschapsarchitecten en Beek ä Kooiman Cultuurhistorie, 2004), 'Landschapsvisie Noordoostpolder, landschap van rust en regelmaat' (Feddes/Olthof Landschapsarchitecten, 2012), 'Structuurvisie Noordoostpolder 2025', (Kuiper compagnons/Gemeente Noordoostpolder, 2013) en de 'Erfgoednota', (Gemeente Noordoostpolder, 2013). Al deze documenten nemen bij vernieuwing en ontwikkeling het bijzonder ontworpen landschap van de Noordoostpolder als vertrekpunt. Het credo van eertijds de Nota Belvédère behoud door ontwikkeling, geldt nog altijd en klinkt ook door in de aanwijzing van de Nooroostpolder als Nationaal Wederopbouwgebied in de beleidsnota 'Visie Erfgoed en Ruimte, Kiezen voor Karakter' van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE, 2016).
4.8.2.3 Situatie plangebied Het perceel aan de Blokzijlerdwarsweg en de directe omgeving kent een aantal karakteristieken die kenmerkend zijn voor de Noordoostpolder. Door die kenmerken, en de zichtbaarheid daarvan, draagt het perceel bij aan de herkenbaarheid van de Noordoostpolder en daarmee haar bijzondere identiteit.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
34
Bestemmingsplan "Landelijk gebied, Blokzijlerdwarsweg 12 te Marknesse" Vastgesteld De ligging van het erf geeft uitdrukking aan het modulaire systeem van verkaveling van de polder. Een regelmatig raster dat gebaseerd is op de in die tijd meest rationele agrarische verkaveling. Het erf zelf heeft ook een aantal kenmerken die bijdragen aan de bijzondere inrichting van de polder. Zo is de bedrijfswoning nog aanwezig op het perceel. Verder wordt voorzien in het aanbrengen van erfbeplanting conform de voorwaarden van de verleende omgevingsvergunning. Het is niet noodzakelijk om nadere eisen ten aanzien van de bescherming van cultuurhistorische waarden te stellen.
4.8.3
Conclusie
Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is in het kader van dit bestemmingsplan niet noodzakelijk. Als gevolg van voorliggende ontwikkeling worden de aanwezige cultuurhistorische waarden niet aangetast.
Kabels ä leidingen
4.9
In het plangebied kan sprake zijn van nutsinfrastructuur zijnde de gebruikelijke aansluitingen betreffende gas, water, elektriciteit, kabel en/of telecom. In of nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels of leidingen aanwezig.
4.10
Besluit milieueffectrapportage
4.10.1 Algemeen In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd dat voorafgaande aan het ruimtelijke plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport (MER) opgesteld dient te worden. De activiteiten waarvoor een MER-rapportage opgesteld moet worden zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r.. Een bestemmingsplan kan m.e.r.(beoordelings)plichtig zijn op de volgende manieren: ^ ^ ^
Een plan kan m.e.r.-plichtig zijn indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is; Een plan kan m.e.r.-plichtig zijn indien sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit de onderdelen C en D overschrijden en waarbij het plan wordt genoemd in kolom 3 (plannen). Een plan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn indien het plan wordt genoemd in kolom 4 (besluiten) en er sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit onderdeel C en D overschrijden. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel C is in dit geval sprake van een m.e.r.-plicht. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel D is het plan m.e.r.beoordelingsplichtig.
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
35
Bestemmingsplan "Landelijk gebied, Blokzijlerdwarsweg 12 te Marknesse" Vastgesteld Het komt er op neer dat voor bestemmingsplan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen in onderdeel D en beneden de drempelwaarden vallen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: ^ ^
4.10.2
belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden.
Verantwoording
4.10.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het plangebied bevindt zich op circa 3,2 kilometer van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden 'De Wieden'. Door BJZ.nu is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Verwezen wordt naar paragraaf 4.7.2 en bijlage 4. Uit de rekenresultaten van de zowel de aanlegfase alsook de gebruiksfase blijkt dat er geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Geconcludeerd wordt dat hiermee geen sprake is van een stikstofdepositie met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 2.7, lid 1 van de Wet natuurbescherming.
4.10.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. In voorliggend geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als de 'aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. 2. 3.
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.'
Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r.beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage staan drie hoofdcriteria centraal: 1. 2. 3.
de kenmerken van het project; de plaats van het project; de kenmerken van de potentiële effecten.
Op basis van de uitkomsten in dit hoofdstuk is inzichtelijk gemaakt dat er geen belangrijk nadelige gevolgen zijn voor de omgeving en het milieu. Verder hebben de locatie en de omgeving geen bijzondere kenmerken die geschaad worden door het initiatief. Gezien de aard van de ingrepen zijn verder geen negatieve effecten te verwachten, zodat op basis hiervan verder kan worden afgezien van het verrichten van een verdergaande (vormvrije) m.e.r.-beoordeling.
4.10.3
Conclusie
Voorliggend bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
36
Bestemmingsplan "Landelijk gebied, Blokzijlerdwarsweg 12 te Marknesse" Vastgesteld
Hoofdstuk 5 5.1
Wateraspecten
Algemeen
In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt er gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
5.2
Beleidskaders
5.2.1
Stroomgebiedsvisie Flevoland
De Noordoostpolder is gelegen binnen het plangebied van de stroomgebiedsvisie Flevoland. In de watervisie voor 2015 wordt het plangebied aangeduid als een gebied met een vitaal watersysteem. Voor de gemeente Noordoostpolder zijn de wateropgaven onderverdeeld in een aantal generieke maatregelen en in de resterende wateropgave. De generieke maatregelen houden onder andere in: ^ ^ ^
afvoerblokkering in natuurgebieden; vasthouden van water in natuurgebieden en landbouwgebied; realisatie van duurzame oevers.
Oplossingsrichtingen voor de resterende wateropgave zijn onder andere bergen in open water en efficiënt uitmalen. 5.2.2
Beleid gemeente Noordoostpolder
De watervisie van de gemeente Noordoostpolder is opgenomen in het Stedelijk Waterplan Noordoostpolder (d.d. april 2006). Ten aanzien van het Stedelijk Waterplan is als aanvulling op dit plan, in 2011 door het waterschap Zuiderzeeland en de gemeente Noordoostpolder een bestuurlijke 'Maatwerkovereenkomst stedelijk water' ondertekend. Door ondertekening van deze bestuursovereenkomst zijn tussen de waterbeheerder en de gemeente afspraken gemaakt over de invulling van de gezamenlijke taakuitoefening voor het beheer en onderhoud van het stedelijk water. De beoogde doelen op strategisch, tactisch en operationeel niveau ten aanzien van het stedelijk water zijn daarbij beter verankerd. Waterschap Zuiderzeeland en de gemeente Noordoostpolder hebben begin 2019 samen het Watertakenplan Noordoostpolder 2019-2024 vastgesteld. Op grond van de Waterwet is er voor gemeenten, naast het inzamelen en transporteren van vrijkomend stedelijk afvalwater een formele taak weggelegd voor het afvoeren van overtollig regenwater. In zoverre het inzamelen en transporteren van relatief schoon regenwater buiten de afvalwaterstroom doelmatig kan worden uitgevoerd, vindt deze gescheiden van de afvoer van het stedelijk afvalwater plaats. Het 'gebiedseigenwater' wordt op plaatsen waarvoor mogelijkheden aanwezig zijn, vastgehouden en geborgen in aanwezig stedelijk water en/of retentiestroken.
Het bergen en vasthouden van regenwater op locatie mag niet leiden tot (water)overlast. Tot slot heeft de gemeente een watertaak waterhuishoudkundige maatregelen te treffen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming(en) zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Voor zover gemeentelijke maatregelen doelmatig zijn en het niet de verantwoordelijkheid van het Waterschap of de provincie is om maatregelen te nemen.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
37
Bestemmingsplan "Landelijk gebied, Blokzijlerdwarsweg 12 te Marknesse" Vastgesteld 5.2.3
Beleid waterschap Zuiderzeeland
De Watervisie verbindt waterthema's en maatschappelijke opgaven. Voor een gezonde en duurzame ontwikkeling van het gebied is het nodig om het natuurlijke systeem (bodem en water) en de ruimtelijke en economische ontwikkelingen met elkaar te verbinden in een gezamenlijke aanpak. Niet met maakbaarheid als vertrekpunt, maar toekomstbestendigheid. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 bevat de strategische en tactische doelen voor de komende planperiode en beschrijft op hoofdlijnen welke maatregelen het waterschap neemt om deze doelen te behalen. Het beheergebied wordt waterrobuust en klimaatbestendig ingericht. Investeringen in het watersysteem zorgt dat er ook in de toekomst voldoende water is bij langdurige droogte én voldoende bescherming bij hoogwater. In de Keur van het waterschap Zuiderzeeland, onderdeel uitmakend van de Waterwet, is aangegeven wat wel en niet mag bij waterkeringen en wateren (de zogenaamde waterstaatswerken).
5.3
Watertoetsproces
Het waterschap Zuiderzeeland is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. In het kader van de watertoets is 'korte procedure' van toepassing. De watertoets is in bijlage 5 van deze plantoelichting opgenomen. Met het waterschap is contact opgenomen en de concept waterparagraaf toegestuurd. Het waterschap heeft deze beoordeeld. De opmerkingen van deze beoordeling zijn verwerkt in onderstaande waterparagraaf. Hierna wordt op de relevante waterhuishoudkundige aspecten ingegaan. Waterveiligheid Het plangebied ligt niet buitendijks of in een beschermingszone van een primaire, regionale of overige waterkering. Er zijn geen uitgangspunten voor het thema waterveiligheid van toepassing. Voldoende water Wateroverlast Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. De planontwikkeling is gelegen in een watersysteem dat op basis van de toetsing in 2012 voldoet aan de normering voor wateroverlast. Een dergelijk systeem kan het water verwerken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. De beleidsregel 'Compensatie toename verhard oppervlak en versnelde afvoer' is begin 2013 door het waterschap vastgesteld. Vanaf het moment van vaststelling van de beleidsregel is de situatie van het beheergebied op dat moment het referentiekader geworden, oftewel de nulsituatie.
De compensatieplicht geldt zodanig voor de netto toename van het verhard oppervlak voor een bouwvlak sinds begin 2013. Concreet neemt het oppervlak van verharding op korte termijn niet toe. Echter is dit in de toekomst wel mogelijk, vanwege de uitbreiding van het bouwvlak met 1.100 m2. In de watertoets is daarom worst-case uitgegaan van een toename van 1.100 m2. Aangezien de ontwikkeling is gelegen in landelijk gebied en de netto toename in verharding kleiner is dan 2.500 m2 geldt er geen compensatieopgave. Goed functionerend watersysteem Het watersysteem zorgt in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en maakt het realiseren van het (maatschappelijk) gewenste grond- en oppervlaktewaterwaterregime (GGOR) mogelijk. Waterschap Zuiderzeeland streeft er naar dat de feitelijke situatie van het watersysteem overeenkomt met de legger. Op die manier kan het waterschap weloverwogen anticiperen op en reageren in extreme situaties. Randvoorwaarden goed functionerend watersysteem Het waterschap streeft naar een robuust en klimaatbestendig watersysteem met grote peilvakken. Versnippering van het watersysteem is een ongewenste situatie. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan op bestaande peilvakken en de inrichting wordt afgestemd op de functie van het water. In nieuwe watersystemen BJZ.nu Bestemmingsplannen
38
Bestemmingsplan "Landelijk gebied, Blokzijlerdwarsweg 12 te Marknesse" Vastgesteld wordt gestreefd naar aaneengesloten waterelementen met een minimum aantal duikers en/of andere kunstwerken en zonder doodlopende einden. Het watersysteem wordt dusdanig ingericht dat het goed controleerbaar en beheersbaar is. In het plangebied wordt geen water gegraven of gedempt en worden geen nieuwe peilvakken aangelegd. Anticiperen op watertekort Er vindt geen uitbreiding van wateraanvoer plaats. Schoon water Goede oppervlaktewaterkwaliteit Binnen het plangebied is geen sprake van oppervlaktewater. Tevens worden bij de bouw geen uitlogende materialen gebruikt (koper, zink, chroom e.d.). Goed omgaan met afvalwater De voorgenomen ontwikkeling gaat op korte termijn niet gepaard met een toename van de hoeveelheid afvalwater. Het afvalwater van het bedrijf wordt eerst gezuiverd en vervolgens geloosd op het oppervlaktewater. De huidige waterzuivering is reeds uitgelegd op groei in de toekomst. Gemiddeld is het huidige gebruik gemiddeld 2,9mVu. De installatie is uitgelegd op 5,9m3 per uur. Dat betekent dat er meer dan genoeg ruimte is om uit te breiden. Tevens zal de uitbreiding niet maal factor 2 gaan. Daarnaast is er geen sprake van het gebruik van (nieuwe) reinigingsmiddelen die terecht komen in het afvalwater. Ook worden er geen nieuwe sanitaire voorzieningen geplaatst in de uitbreiding.
Bij het verplaatsen van de bedrijfswoning zal een melding BLAH worden ingediend voor de nieuwe locatie en lozingspunt afvalwater. Het advies is een septic tank van 6 m3 of vergelijkbaar te installeren. Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen zullen optreden ten aanzien van de afvalwaterhuishouding. Slechte kwaliteit kwelwater Bij het ontwerp van een nieuw watersysteem moet rekening gehouden worden met de hoeveelheid kwel en de kwelwaterkwaliteit. Het plangebied is (gedeeltelijk) gelegen in een gebied met kwel van matige tot slechte kwaliteit. Het waterschap wordt vroegtijdig betrokken voor advies over het ontwerp van het nieuwe watersysteem. In voorliggend geval is geen sprake van aanleg van een nieuw watersysteem.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
39
Bestemmingsplan "Landelijk gebied, Blokzijlerdwarsweg 12 te Marknesse" Vastgesteld
Hoofdstuk 6 6.1
Juridische aspecten en planverantwoording
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
6.2
Opzet van de regels
6.2.1 Algemeen In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. inleidende regels; 2. bestemmingsregels; 3. algemene regels; 4. overgangs- en slotregels.
6.2.2
inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: ^
begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.
^
Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
40
Bestemmingsplan "Landelijk gebied, Blokzijlerdwarsweg 12 te Marknesse" Vastgesteld 6.2.3
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemming. De regels zijn onderverdeeld in: ^
Bestemmingsomschrijving Hierin is de omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan binnen deze bestemming opgenomen. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies.
^
Bouwregels In deze regels zijn eisen opgenomen waaraan de binnen de bestemming voorkomende bebouwing moet voldoen. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd is hierin vastgelegd.
^
Specifieke gebruiksregels In deze regels is opgenomen wat onder strijdig gebruik wordt verstaan. Ook is hier de voorwaardelijke verplichting erfsingel opgenomen.
^
Wijzigingsbevoegdheid Hierin is een bevoegdheid opgenomen ten aanzien van het wijzigen van de bestemming bij beëindigen van de maatschappelijke functie.
6.2.4
Algemene regels
Hoofstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: ^
Anti-dubbeltelregel (Artikel 4) Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
^
Algemene gebruiksregels (Artikel 5) In dit artikel staat beschreven welk gebruik van gronden en bouwwerken in elk geval strijdig zijn met het bestemmingsplan.
^
Algemene afwijkingsregels (Artikel 6) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.
^
Algemene procedureregels (Artikel 7) In de algemene procedureregels wordt de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing verklaart.
^
Overige regels (Artikel 8) In de overige regels zijn voorschriften opgenomen om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid en laad- en losruimte.
6.2.5
Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
41
Bestemmingsplan "Landelijk gebied, Blokzijlerdwarsweg 12 te Marknesse" Vastgesteld
6.3
Verantwoording van de regels
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. 'Bedrijf - Agrarisch verwerkingsbedrijf' (Artikel 3) Onder deze bestemming zijn de regels opgenomen binnen welke een agrarisch verwerkingsbedrijf ter plaatse mag functioneren en bouwen. De systematiek van de SVBP laat niet toe dat een bestemming wordt opgenomen ten behoeve van een functie die wordt geschaard onder een andere hoofdgroep van bestemmingen.
Aangezien een agrarisch verwerkingsbedrijf niet voorkomt op de functielijst bij de SVBP2012 is, overeenkomstig de systematiek van de SVBP, aansluiting gezocht bij de hoofdgroep die het meest van toepassing is. Onder de hoofdgroep 'Agrarisch' moeten bedrijven worden geschaard die zijn gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren. Agrarische verwerkingsbedrijven (zoals gedefinieerd in de planregels) houden zich niet bezig met het telen van gewassen en/of het houden van dieren. Gelet hierop is aansluiting gezocht bij de hoofdgroep 'Bedrijf'. Ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' is één bedrijfswoning toegestaan. Omdat de sloop en herbouw van de bedrijfswoning niet op korte termijn beoogd is, is ervoor gekozen om de aanduiding op te nemen zowel ter plaatse van de huidige woning als op de beoogde locatie. In de praktijk komt dit erop neer dat op de verbeelding deze aanduiding één vlak beslaat. Om het aanbrengen van de erfbeplanting uit het beplantingsplan (bijlage 1) te waarborgen is in de regels van het plan hiertoe een voorwaardelijke verplichting opgenomen. In de standaardregels is het uitvoeren van chemische verwerkingsactiviteiten niet toegestaan. Het verwerkingsbedrijf in het plangebied bevat wel enkele chemische verwerkingsprocessen als koken of bakken.
Zoals in deze toelichting op meerdere plaatsen is gemotiveerd is het wenselijk dat deze activiteiten binnen het plangebied worden uitgevoerd. Het is echter niet wenselijk dat deze activiteiten verhoudingsgewijs toenemen ten opzichte van de overige bedrijfsactiviteiten. Om dit planologisch vast te leggen is ervoor gekozen om in de regels op te nemen dat de chemische verwerkingsprocessen uitsluitend als nevenactiviteit zijn toegestaan. Hierbij mag maximaal 20'^ van het totale bedrijfsvloeroppervlak gebruikt worden voor deze chemische verwerkingsprocessen. Hierbij wordt aangesloten bij de situatie zoals deze was vóór de brand en herbouw in 2019 en tevens conform het advies van de Provincie Flevoland.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
42
Bestemmingsplan "Landelijk gebied, Blokzijlerdwarsweg 12 te Marknesse" Vastgesteld
Hoofdstuk 7
Economische uitvoerbaarheid
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten zijn beperkt tot de ambtelijke kosten, welke worden verhaald middels de gemeentelijke legesverordening. Wel wordt met de initiatiefnemer een planschadeovereenkomst gesloten zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
43
Bestemmingsplan "Landelijk gebied, Blokzijlerdwarsweg 12 te Marknesse" Vastgesteld
Hoofdstuk 8
Vooroverleg, inspraak en zienswijzen
Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
8.1
Vooroverleg
8.1.1
Het Rijk
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.
8.1.2
Provincie Flevoland
Onderhavig initiatief is voorgelegd aan de Provincie Flevoland. De reactie van de provincie is in het ontwerp bestemmingsplan verwerkt. Zo is de verhouding van de chemische verwerkingsprocessen vastgelegd op maximaal 20% van het totale bedrijfsvloeroppervlak.
8.1.3
Waterschap Zuiderzeeland
Het waterschap Zuiderzeeland is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. In het kader van de watertoets is de 'korte procedure' van toepassing. Het waterschap Zuiderzeeland heeft gereageerd op de ingediende aanvraag. Vervolgens is de waterparagraaf op enkele punten aangevuld.
8.2
Inspraak
Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In voorliggend geval wordt er, gezien de aard van dit bestemmingsplan, geen inspraak verleend. Verder zijn omwonenden op de hoogte gesteld door initiatiefnemer over voorgenomen ontwikkeling. Het staat eenieder vrij om tijdens de termijn dat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage ligt zienswijzen in te dienen over het plan.
8.3
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplanh heeft zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn is één zienswijze ingediend. Voor deze zienswijze en de behandeling van deze zienswijze wordt verwezen naar bijlage 6. Naar aanleiding van de zienswijze is één aanpassing gedaan in de toelichting. In het ontwerpbestemmingsplan stond onder paragraaf 4.1.2.1 de volgende zin opgenomen: Het plangebied ligt binnen de wettelijke geluidszone van de Blokzijlerdwarsweg. Deze weg heeft een snelheidsregime van 60 km/uur . Het hierboven geel gemarkeerde gedeelte van de zin is aangepast: Het plangebied ligt binnen de wettelijke geluidszone van de Blokzijlerdwarsweg. Deze weg heeft een snelheidsregime van 80 km/uur. Ambtelijke wijziging
BJZ.nu Bestemmingsplannen
44
Bestemmingsplan “Landelijk gebied, Blokzijlerdwarsweg 12 te Marknesse" Vastgesteld Ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan is een ambtelijke wijziging doorgevoerd. Het betreft de ligging van het bouwvlak in de verbeelding. In onderstaande afbeelding is een uitsnede van de verbeelding weergegeven van het ontwerpbestemmingsplan (links) en de aangepaste verbeelding (rechts).
Zoals op bovenstaande afbeelding zichtbaar is, is het bouwvlak teruggebracht tot aan de voorgevelrooilijn van het bedrijfsgebouw.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
45
bestemmingsplan Landelijk gebied, Blokzijlerdwarsweg 12 te Marknesse
Bijlagen bij de toelichting
Bijlagen bij de toelichting (vastgesteld)
57
bestemmingsplan Landelijk gebied, Blokzijlerdwarsweg 12 te Marknesse
Bijlage 1
58
Beplantingsplan
Bijlagen bij de toelichting (vastgesteld)
Beplantingsplan V.S. Apple Industries B.V.
Beplantingslijst Gewone es
80st.
Zomereik
20st.
Gewone esdoorn
80st.
Veldesdoorn
80st.
Zwarte els
80st.
Haagbeuk
80st.
Zoete kers
60st.
Winterlinde
80st.
Gewone beuk
90st.
Gelderse roos
80st.
Gele kornoelje
80st.
Hondsroos
60st.
Hazelaar
80st.
Kardinaalsmuts
80st.
Lijsterbes
60st.
Rode kornoelje
80st.
Sleedoorn
60st.
Vogelkers
80st.
Wegedoorn
40st.
Wilde liguster
100st.
Breedte singel Plantafstand Afstand zomereiken Aantal heesters Aantal zomereiken
5 meter 1 meter diagonaal 15 meter in lijn 1450 stuks 20 stuks
Plantwijze driehoeksverband