7.2 Bijlage 2 Transitievisie Warmte bijlagen.pdf
Tekst van het document
Inhoudsopgave Bijlage A: Uitkomsten participatie
3
Bijlage B: Onderzoeksbeeld: modelanalyse en kengetallen
7
Bijlage C: Warmtevraagbeperking, warmteopties, duurzaamheid
18
Bijlage D Begrippenlijst
22
2
Bijlage A: Uitkomsten participatie 1.1 Resultaten online enquete: wat vind jij belangrijk bij de overstap naar aardasvrij? Via de verschillende gemeentelijke kanalen en via social media is een online enquête verspreid waarbij inwoners van de Noordoostpolder gevraagd zijn om een aantal meerkeuzevragen over de warmtetransitie te beantwoorden. De resultaten van de enquête geven een beeld van wat bewoners belangrijk vinden in de warmtetransitie en de keuzes die in de transitievisie warmte gemaakt moeten worden. De enquête is in totaal 801 keer ingevuld en geeft 1 daarmee inzicht in de voorkeuren van bewoners ten aanzien van de overstap naar aardgasvrij wonen.
1
3
De resultaten zijn ook te vinden op https://www.noordoostpolder.nl/uitkomst-enquete-aardgasvrij-wonen
4
5
6
Bijlage B: Onderzoeksbeeld: modelanalyse en kengetallen Het onderzoeksbeeld geeft weer welke warmteoptie in welke buurt de laagste maatschappelijke kosten heeft. Aan het onderzoeksbeeld liggen verschillende modelstudies ten grondslag. Deze modelanalyses zijn in dit hoofdstuk besproken. Eerst is de methodologie achter het onderzoeksbeeld beschreven. Vervolgens is de methodologie van het Warmtetransitiemodel van Over Morgen in detail uitgewerkt. Tot slot zijn alle gehanteerde kengetallen en uitgangspunten aan dit hoofdstuk toegevoegd.
Methodologie onderzoeksbeeld Het onderzoeksbeeld is tot stand gekomen op basis van een vergelijking van twee modelstudies: 1. Warmtetransitiemodel (WTM) van Over Morgen 2. Startanalyse 2020 van Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) Deze modelstudies zijn zowel vergeleken op methodologie als op resultaten per CBS-buurt. Eerst is geverifieerd of de modelstudies inderdaad vergelijkbaar zijn, en waar de verschillen zitten in rekenwijze of uitgangspunten, en daarna is per buurt gekeken in hoeverre de modelstudies dezelfde resultaten per CBS-buurt produceren en wat de reden is van eventuele verschillende uitkomsten per buurt. Onderstaande tabel geeft een samenvatting weer van de belangrijkste overeenkomsten en verschillen tussen de drie gehanteerde modelstudies. Kenmerk
WTM (2020)
Startanalyse 2020
Algemene omschrijving
Ruimtelijk rekenmodel dat kosten berekent per BAG-pand en deze kosten vervolgens aggregeert naar buurten.
Maakt gebruik van het Vesta MAIS-model, dat kosten berekent per BAG-pand en deze kosten vervolgens aggregeert naar buurten.
Kostendefinitie
‘Maatschappelijke kosten’, alle kosten die in ‘Maatschappelijke kosten’, alle kosten die in de de energieketen van bron tot eindgebruiker energieketen van bron tot eindgebruiker worden gemaakt, netto contant gemaakt over worden gemaakt, netto contant gemaakt over een bepaalde terugverdientijd. een bepaalde terugverdientijd (wordt ‘nationale kosten’ genoemd in de Startanalyse)
Doorgerekende Twee niveaus: bouwkundige niveaus Minimumniveau max. 80 kWh/m2 Basisniveau max. 65 kWh/m2
Twee niveaus:
Schillabel D Schillabel B
Groengas Waterstofgas All-electric Warmtenet met MT/HT-bron Warmtenet met LT-bron
Warmteopties
Warmtebronnen
Modelmatig onbeperkt verondersteld en separaat getoetst aan het bronperspectief i.s.m. HVC.
Verondersteld beperkt en als input aan het model meegegeven op basis van openbare data.
Duurzaam gas
Beschikbare hoeveelheid gas is geen inputvariabele. De warmteoptie gasnet wordt toegekend op basis van buurtkenmerken zoals ouderdom.
Verondersteld beperkt en als input aan het model meegegeven op basis van openbare data. Gasnet als warmteoptie wordt toegewezen op basis van maatschappelijke kosten.
Gasnet All-electric Warmtenet (70°C) Warmtenet (40°C) Lokale bronnetten
Tabel 1. Overeenkomsten en verschillen modellen
7
Uit de vergelijking van de modellen blijken de volgende, belangrijke overeenkomsten en verschillen: 1. Beide modestudies optimaliseren op maatschappelijke kosten. Daarmee zijn ze in beginsel vergelijkbaar omdat ze een uitspraak doen over hetzelfde, namelijk welke warmteoptie de laagste kosten heeft. 2. De modellen hanteren beide een verschillende typologie van warmteopties. Om de resultaten vergelijkbaar te maken zijn deze typologieën in het onderzoeksbeeld samengevoegd tot één typologie:
Gasnet
All-electric
Warmtenet
3. Het WTM verschilt van de Startanalyse 2020 als het gaat om de aannames over warmtebronnen en duurzaam gas. De laatste gaat uit van aannames en open data over warmte en gas om deze vervolgens te ‘verdelen’ over buurten op basis van de laagste kosten. Het WTM veronderstelt dat warmte onbeperkt is. Separaat (dus buiten het model) is getoetst of er ook daadwerkelijk voldoende warmte is. Voor duurzaam gas neemt het WTM aan dat deze beperkt is, maar kent daar geen waarde aan toe. In plaats daarvan wordt het gasnet toegekend aan buurten die op basis van praktijkervaring het meest kostbaar en complex zijn om gasvrij te maken, zoals relatief oude bebouwing.
Methodologische verdieping Warmtetransitiemodel Deze paragraaf geeft een methodologische verdieping van het WTM van Over Morgen. Voor een methodologische 2 verdieping van de Startanalyse 2020 wordt verwezen naar externe documentatie in de voetnoot.
Modelontwerp Warmtetransitiemodel Het WTM is een ruimtelijk model dat geschreven is in Python 3. Het model maakt voornamelijk gebruik van de ArcPy library en maakt daarnaast gebruik van enkele PostGIS-libraries. De basis voor het modelontwerp is een database van gebouwen. Deze database is gebaseerd op de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) van het Kadaster. Deze gebouwendatabase is verrijkt met gegevens uit verschillende bronnen. Ook is informatie toegevoegd op basis van kentallen. De gebouwendatabase bevat zodoende van ieder gebouw in Nederland informatie over onder andere:
Bouwjaar en gebouwtype
Buurtkenmerken, zoals bebouwingsdichtheid
Gemodelleerd energieverbruik en energieprestatie, gevalideerd met werkelijke verbruiksgegevens
Investeringsbandbreedtes voor verschillende bouwkundige en energetische maatregelen
Bandbreedtes voor kosten en besparingen
Brondata Warmtetransitiemodel Het WTM maakt vrijwel geheel gebruik van open data uit betrouwbare bronnen, zie tabel 2. Bronhouder
Bron
Dataset
CBS
Wijk- en Buurtkaart
Buurtgeometrie
Energielevering aan woningen en bedrijven naar postcode
Energieverbruiken per postcode-6
Kleinverbruiksdata
Energieverbruiken per postcode-6
Regionale
2
8
Startanalyse PBL: https://www.pbl.nl/publicaties/startanalyse-aardgasvrije-buurten-2020
netbeheerders Kadaster
Basisregistratie Adressen en Gebouwen
Basisregistratie Topografie (TOP10NL) Over Morgen
Pandgeometrie Oppervlaktes Gebouwfuncties Bouwjaar
Terreingeometrie (voor berekening bebouwingsdichtheid) Energetische kengetallen en kostenkentallen op basis van eigen kennis en ervaring.
Tabel 2: overzicht van gebruikte brondata in het Warmtetransitiemodel
De gebouwendatabase is verrijkt met kengetallen over investeringskosten en operationele kosten en opbrengsten en een realistische besparingspotentie. Met deze kengetallen worden de warmteopties per buurt berekend. Het WTM maakt de warmteoptie met de laagst maatschappelijke kosten per buurt inzichtelijk. Kentallen worden bij Bouwjaarklassen Gebouwtype <1920 Rijwoning 1920-1950 Twee-onder-een-kapwoning 1950-1975 Vrijstaande woning 1975-1990 Meergezinswoning 1990-2005 Utiliteitsbouw ≥2005 woningbouw toegekend op basis van een woningtype - en bouwjaarcombinatie. Dit wordt een sleuteltype genoemd. Tabel 3: Combinaties van bouwjaarklassen en woningtypen vormen sleuteltypen in het Warmtetransitiemodel
Bij utiliteitbouw worden de sleuteltypes bepaald op basis van energielabel en functie. Als er geen energielabel aanwezig is, dan wordt het sleuteltype bepaald op basis van het bijhorende bouwjaar. Daarnaast maakt het model nog onderscheidt tussen voor- en naoorlogs vastgoed. Bouwjaarklassen < 1945 1946-1973 1974-1981 1982-1992 1993-1999 2000-2003 2004-2005 > 2005
Energielabel G G F E D C B A
Functie Kantoren Winkels Gezondheidszorg Onderwijs Logies Sport Bijeenkomst
Tabel 4: Sleuteltypen voor utiliteitsbouw worden bepaald door combinaties van afgemelde energielabels en gebruiksfuncties. Indien labels niet bekend zijn, worden bouwjaarklassen gebruikt om een label te berekenen.
Bouwkundige niveaus in het Warmtetransitiemodel Het WTM rekent met vier bouwkundige niveaus. Voor een technische verdieping bij deze niveaus verwijzen we naar bijlage C
9
Bestaande situatie (meer dan 80 kWh/m2 ruimteverwarming)
Minimumniveau (max. 80 kWh/m2 ruimteverwarming)
Basisniveau (max. 65 kWh/m2 ruimteverwarming)
Hoog niveau (max. 50 kWh/m2 ruimteverwarming)
Het model neemt op basis van het sleuteltype aan op welk niveau ieder gebouw momenteel zit. Indien een gebouw nog niet op het minimum- of basisniveau zit, rekent het model door wat de kosten zijn om het minimum- en het basisniveau te bereiken en tot welke energiebesparingen dat leidt. Het model doet dit voor ieder gebouw en aggregeert deze getallen vervolgens naar buurten.
Warmteopties in het Warmtetransitiemodel Het model kent een typologie van vijf warmteopties:
All-electric: verwarmen en koken met gebruik van elektriciteit. In de woning wordt gebruikgemaakt van een warmtepomp.
Gasnet in combinatie met hybride oplossingen: een gasinfrastructuur gevoed met duurzaam gas in combinatie met een gasketel en een elektrische warmtepomp.
Warmtenet (70°C): collectieve warmtevoorziening in de vorm van een middentemperatuur warmtenet, waarbij warm water met een temperatuur van maximaal 70°C aangevoerd wordt tot bij het gebouw of de woning.
Warmtenet (40°C): collectieve warmtevoorziening in de vorm van een lage temperatuur warmtenet, waarbij warm water met een temperatuur van circa 40°C aangevoerd wordt tot het gebouw of de woning.
Lokale bronnetten: lokale kleinschalige (collectieve) warmtevoorziening in de vorm van een zeer lage temperatuur bronnet. In het gebouw is een warmtepomp nodig voor verwarming. Het aangevoerde water kan ook gebruikt worden voor koeling.
Deze warmteopties zijn in meer detail beschreven in bijlage C. De warmteopties worden toegekend aan buurten op basis van een aantal rekenregels. Het model doorloopt hiervoor vijf stappen: 1. Eerst worden op basis van bouwjaarklasse en dichtheid de bestaande wijken of buurten geselecteerd waar het gasnet zal blijven liggen. Het model rekent niet met het aanbod van duurzaam gas, maar kijkt alleen naar de vraagkant: in welke wijken zou het gasnet blijven liggen als er een beperkt aanbod is van duurzaam gas. In de praktijk zijn het historische stads- en dorpskernen en lintbebouwing die uitkomen op het gasnet. 2. Vervolgens wordt op basis van gebouwfunctie de bestaande wijken of buurten geselecteerd waar een bronnet de meest logische keuze is. Dit zijn dus wijken en buurten met relatief veel utiliteitsbouw. 3. In alle overige buurten kijkt het model vervolgens naar de dichtheid. Alleen als de dichtheid groter is dan 30 WEQ per hectare dan is een warmtenet een realistische oplossing. Wijken of buurten met een lagere dichtheid krijgen automatisch de warmteoptie all-electric. 4. De buurten die dan nog overblijven krijgen op basis van een vergelijking van de maatschappelijke kosten de optie warmtenet of all-electric.
Berekening van de maatschappelijke kosten Alleen in de buurten die overblijven in stap 4 wordt een maatschappelijke kostenberekening gemaakt om te komen tot de optimale warmteoptie. Deze berekening gaat als volgt. Op basis van de kengetallen per sleuteltype berekent het model per woning wat de investeringen, onderhoudskosten en de energierekening is van de warmteopties warmtenet en all-electric, over een periode van 30 jaar. Op basis hiervan wordt met een netto contante waardeberekening de onrendabele top berekend van de warmteopties. Die onrendabele top wordt geaggregeerd naar buurt en gemiddeld naar een gemiddelde onrendabele top per woning per buurt. De omvang van de onrendabele top verschilt doorgaans sterk per buurt. De onrendabele top is het deel van de investering dat niet kan worden terugverdiend gedurende de exploitatie. De exploitatiekosten zijn over het algemeen lager, als gevolg van een lagere energierekening. Vrijwel altijd zullen duurzame warmteopties nog leiden tot een onrendabele top op buurtniveau. Als de financieringsperiode wordt verkort naar bijvoorbeeld 15 jaar dan zal de onrendabele top dus verder stijgen. Alle investeringskosten en de onrendabele top worden uitgedrukt in een gemiddelde bandbreedte met een onder- en bovengrens en zijn inclusief BTW. Uitgangspunt is dat de investeringen worden gecombineerd met natuurlijke
10
momenten. De gepresenteerde kosten zijn een gemiddelde van een bandbreedte met een onder- en bovengrens. De bandbreedtes zijn zodanig breed dat zij rekening houden met de volgende aspecten:
De te nemen maatregelen zullen op woningniveau sterk variëren;
Technische variaties binnen warmteopties, afhankelijk van warmtebron, opslag, opwekker en infrastructuur;
Bestaande prijsverschillen op de markt door schaal en aanbestedingsvormen;
Marktontwikkelingen zoals schaarste en inzetbaarheid van personeel, materiaal, etc.;
Afwijking van de kengetallen als gevolg van sterk afwijkende woningen.
De omvang van de bandbreedte verschilt per maatregeltype, warmteoptie en sleuteltype, afhankelijk van de karakteristieken van die specifieke combinatie.
Resultaat onderzoeksbeeld Het resultaat van het onderzoeksbeeld is weergegeven in figuur 1. Uit deze kaart blijkt de mate van overeenstemming tussen de modelstudies in het onderzoeksbeeld. Buurten waar geen overeenstemming is tussen de modelstudies zijn ook aangegeven als zodanig. Wat uit het onderzoeksbeeld naar voren komt is dat voor een aantal dorpen all-electric een belangrijke warmteoptie is, en voor een aantal dorpen is er geen consensus. Dit is gelet op de lage bouwdichtheid en de relatief nieuwe bebouwing geen verrassende uitkomst. We zien daarnaast voor een deel van Emmeloord dat de modellen geen duidelijke consensus kunnen aangeven tussen all-electric of een warmtenet.
Validatie van het onderzoeksbeeld Uit de vergelijking van de twee modellen blijkt dat ze soms dezelfde richting op wijzen en soms verschillende uitkomsten geven. De onderzoeksresultaten zijn derhalve besproken en getoetst met de werkgroep, om zo de uitkomsten te valideren met nadere lokale kennis over de Noordoostpolder. Deze overwegingen zijn meegenomen in het opstellen van de uiteindelijke transitiekaart voor de gemeente. Er valt voor te pleiten om voor de dorpen als geheel één transitiepad te kiezen, ook al is er voor sommige dorpen consensus uit het onderzoeksbeeld voor all-electric. De verschillen tussen de dorpen zijn namelijk subtiel, het verschil tussen all-electric of ‘’geen consensus’’ kan net zitten in het feit dat het ene dorp een grotere nieuwbouwwijk heeft, waardoor de balans in de analyse omslaat naar all-electric. Voor all-electric als eindoplossing geldt dat deze relatief kostbaar en ingewikkeld zijn, zeker voor oudere woningen. Maar het is wel de oplossing die we nu zien als de meest optimale oplossing voor 2050 als er geen andere opties beschikbaar komen (warmtenet dan wel duurzaam gas). Het handelingsperspectief is dus voor zowel de all-electric dorpen als de ‘’geen consensus’’-dorpen: besparen en hybride.
11
Figuur 1: Onderzoeksbeeld van de Noordoostpolder
12
Kengetallenoverzicht 1.1.1 Deze paragraaf geeft een overzicht van alle energetische en financiële kengetallen en parameters. Minimumniveau3 Min Max € 1.000 € 1.000 € 1.000 € 1.000
€ 2.000 € 2.000 € 2.000 € 2.000
Basisniveau Min € 1.000 € 1.000 € 1.000 € 1.000
Meergezinswoning ≥ 1990 - 2005 Rijwoning ≥ 1990 - 2005 Twee-onder-een-kap ≥ 1990 - 2005 Vrijstaande woning ≥ 1990 - 2005
€ 2.500 € 3.000 € 4.000 € 4.500
€ 3.500 € 4.000 € 5.000 € 5.500
€ 1.000 € 1.000 € 1.000 € 1.000
€ 7.000 € 7.000 € 9.500 € 11.500
Meergezinswoning ≥ 1975 - 1990 Rijwoning ≥ 1975 - 1990 Twee-onder-een-kap ≥ 1975 - 1990 Vrijstaande woning ≥ 1975 - 1990
€ 3.500 € 4.000 € 5.000 € 6.000
€ 13.500 € 20.500 € 25.000 € 32.500
€ 7.500 € 12.500 € 18.000 € 22.500
€ 14.500 € 28.000 € 35.000 € 47.500
Meergezinswoning ≥ 1950 - 1975 Rijwoning ≥ 1950 - 1975 Twee-onder-een-kap ≥ 1950 - 1975 Vrijstaande woning ≥ 1950 - 1975
€ 7.500 € 9.000 € 13.000 € 19.000
€ 14.500 € 22.500 € 27.500 € 39.500
€ 10.500 € 16.500 € 22.500 € 30.500
€ 17.500 € 28.500 € 33.500 € 48.000
Meergezinswoning ≥ 1920 - 1950 Rijwoning ≥ 1920 - 1950 Twee-onder-een-kap ≥ 1920 - 1950 Vrijstaande woning ≥ 1920 - 1950
€ 8.000 € 10.000 € 15.000 € 17.000
€ 26.000 € 37.500 € 43.000 € 57.500
€ 11.500 € 19.500 € 22.500 € 27.500
€ 31.500 € 46.000 € 55.000 € 74.500
Meergezinswoning < 1920 Rijwoning < 1920 Twee-onder-een-kap < 1920 Vrijstaande woning < 1920
€ 11.000 € 14.500 € 16.500 € 18.000
€ 26.000 € 37.500 € 43.000 € 56.000
€ 20.500 € 27.500 € 32.500 € 38.500
€ 31.500 € 46.000 € 55.000 € 72.500
Meergezinswoning ≥ 2005 Rijwoning ≥ 2005 Twee-onder-een-kap ≥ 2005 Vrijstaande woning ≥ 2005
Max € 2.000 € 2.000 € 2.000 € 2.000
Tabel 5: Investeringskosten per woning voor isoleren, ventileren en elektrisch koken
Meergezinswoning ≥ 2005 Rijwoning ≥ 2005 Twee-onder-een-kap ≥ 2005 Vrijstaande woning ≥ 2005 Meergezinswoning ≥ 1990 - 2005
Warmtenet Min € 5.500 € 13.000 € 18.000 € 18.000 €
5.500
€ € € €
10.500 18.000 23.000 23.000
All-electric4 Min € 17.000 € 18.000 € 24.000 € 25.000
€
10.500
€
Max
3
17.000
Max € € € €
24.000 25.000 31.000 32.000
€
24.000
Inclusief de kosten voor het deels vervangen van radiatoren, indien nodig, om met maximaal 70°C comfortabel te kunnen verwarmen. 4
Inclusief het vervangen van de radiatoren door laagtemperatuur radiatoren.
13
Rijwoning ≥ 1990 - 2005 Twee-onder-een-kap ≥ 1990 - 2005 Vrijstaande woning ≥ 1990 - 2005
€ € €
13.000 18.000 18.000
€ € €
18.000 23.000 23.000
€ € €
18.000 24.000 25.000
€ € €
25.000 31.000 32.000
Meergezinswoning ≥ 1975 - 1990 Rijwoning ≥ 1975 - 1990 Twee-onder-een-kap ≥ 1975 - 1990 Vrijstaande woning ≥ 1975 - 1990
€ € € €
5.500 13.000 18.000 18.000
€ € € €
10.500 18.000 23.000 23.000
€ € € €
17.000 18.000 24.000 25.000
€ € € €
24.000 25.000 31.000 32.000
Meergezinswoning ≥ 1950 - 1975 Rijwoning ≥ 1950 - 1975 Twee-onder-een-kap ≥ 1950 - 1975 Vrijstaande woning ≥ 1950 - 1975
€ € € €
5.500 13.000 18.000 18.000
€ € € €
10.500 18.000 23.000 23.000
€ € € €
17.000 18.000 24.000 25.000
€ € € €
24.000 25.000 31.000 32.000
Meergezinswoning ≥ 1920 - 1950 Rijwoning ≥ 1920 - 1950 Twee-onder-een-kap ≥ 1920 - 1950 Vrijstaande woning ≥ 1920 - 1950
€ € € €
7.500 15.000 20.000 20.000
€ € € €
12.500 20.000 25.000 25.000
€ € € €
17.000 18.000 24.000 25.000
€ € € €
24.000 25.000 31.000 32.000
Meergezinswoningen < 1920 Rijwoning < 1920 Twee-onder-een-kap < 1920 Vrijstaande woning < 1920
€ € € €
7.500 15.000 20.000 20.000
€ € € €
12.500 20.000 25.000 25.000
€ € € €
17.000 18.000 24.000 25.000
€ € € €
24.000 25.000 31.000 32.000
Tabel 6: Investeringskosten aardgasvrij per woning inclusief afsluitkosten gas en verhogen capaciteit van elektriciteitsnet.
Meergezinswoning ≥ 2005 Rijwoning ≥ 2005 Twee-onder-een-kap ≥ 2005 Vrijstaande woning ≥ 2005
Warmtenet Min € 6.500 € 14.000 € 19.000 € 19.000
Max € 12.500 € 20.000 € 25.000 € 25.000
All-electric Min € 18.000 € 19.000 € 25.000 € 26.000
Max € € € €
26.000 27.000 33.000 34.000
Meergezinswoning ≥ 1990 - 2005 Rijwoning ≥ 1990 - 2005 Twee-onder-een-kap ≥ 1990 - 2005 Vrijstaande woning ≥ 1990 - 2005
€ 8.000 € 16.000 € 22.000 € 22.500
€ 14.000 € 22.000 € 28.000 € 28.500
€ € € €
18.000 19.000 25.000 26.000
€ € € €
31.000 32.000 40.500 43.500
Meergezinswoning ≥ 1975 - 1990 Rijwoning ≥ 1975 - 1990 Twee-onder-een-kap ≥ 1975 - 1990 Vrijstaande woning ≥ 1975 - 1990
€ 9.000 € 17.000 € 23.000 € 24.000
€ 24.000 € 38.500 € 48.000 € 55.500
€ € € €
24.500 30.500 42.000 47.500
€ € € €
38.500 53.000 66.000 79.500
Meergezinswoning ≥ 1950 - 1975 Rijwoning ≥ 1950 - 1975 Twee-onder-een-kap ≥ 1950 - 1975 Vrijstaande woning ≥ 1950 - 1975
€ 13.000 € 22.000 € 31.000 € 37.000
€ 25.000 € 40.500 € 50.500 € 62.500
€ € € €
27.500 34.500 46.500 55.500
€ € € €
41.500 53.500 64.500 80.000
Meergezinswoning ≥ 1920 - 1950 Rijwoning ≥ 1920 - 1950
€ 15.500 € 25.000
€ 38.500 € 57.500
€ €
28.500 37.500
€ €
55.500 71.000
14
Twee-onder-een-kap ≥ 1920 - 1950 Vrijstaande woning ≥ 1920 - 1950
€ 35.000 € 37.000
€ 68.000 € 82.500
€ €
46.500 52.500
€ €
86.000 106.500
Meergezinswoning < 1920 Rijwoning < 1920 Twee-onder-een-kap < 1920 Vrijstaande woning < 1920
€ 18.500 € 29.500 € 36.500 € 38.000
€ 38.500 € 57.500 € 68.000 € 81.000
€ € € €
37.500 45.500 56.500 63.500
€ € € €
55.500 71.000 86.000 104.500
Tabel 7: Totale investeringskosten per warmteoptie
Onrendabele top Warmtenet Min € 8.000 € 15.000 € 20.000 € 19.500
Meergezinswoning ≥ 2005 Rijwoning ≥ 2005 Twee-onder-een-kap ≥ 2005 Vrijstaande woning ≥ 2005
Max € € € €
14.000 21.000 26.000 25.500
All-electric Min € 14.500 € 13.500 € 16.000 € 12.000
Max € € € €
22.500 21.500 24.000 20.000
Meergezinswoning ≥ 1990 - 2005 Rijwoning ≥ 1990 - 2005 Twee-onder-een-kap ≥ 1990 - 2005 Vrijstaande woning ≥ 1990 - 2005
€ € € €
9.000 17.000 22.500 23.000
€ € € €
15.000 23.000 28.500 29.000
€ € € €
13.500 11.500 13.500 10.500
€ € € €
26.000 24.500 27.000 25.500
Meergezinswoning ≥ 1975 - 1990 Rijwoning ≥ 1975 - 1990 Twee-onder-een-kap ≥ 1975 - 1990 Vrijstaande woning ≥ 1975 - 1990
€ € € €
10.000 18.000 23.500 24.000
€ € € €
22.500 35.000 41.500 55.500
€ € € €
18.500 18.500 22.000 25.500
€ € € €
32.000 40.500 45.000 54.500
Meergezinswoning ≥ 1950 - 1975 Rijwoning ≥ 1950 - 1975 Twee-onder-een-kap ≥ 1950 - 1975 Vrijstaande woning ≥ 1950 - 1975
€ € € €
10.500 16.000 25.000 28.500
€ € € €
18.500 31.500 38.000 47.500
€ € € €
16.000 17.000 23.500 26.000
€ € € €
30.000 36.000 41.500 50.500
Meergezinswoning ≥ 1920 - 1950 Rijwoning ≥ 1920 - 1950 Twee-onder-een-kap ≥ 1920 - 1950 Vrijstaande woning ≥ 1920 - 1950
€ € € €
12.500 17.000 23.500 30.500
€ € € €
33.500 47.000 53.500 71.500
€ € € €
16.500 17.000 20.000 23.500
€ € € €
42.500 49.500 57.500 76.000
Meergezinswoning < 1920 Rijwoning < 1920 Twee-onder-een-kap < 1920 Vrijstaande woning < 1920
€ € € €
15.000 23.500 27.000 30.000
€ € € €
33.000 48.000 55.000 70.000
€ € € €
25.500 25.500 31.000 36.000
€ € € €
42.500 49.000 58.000 74.000
Tabel 8: Onrendabele top warmtetransitie per woningtype (isoleren, ventileren, elektrisch koken en aardgasvrij)
Technische en financiële parameters Grootheid Tarieven Variabel tarief warmte
Euro / GJ Incl.
Vastrecht warmte
Euro / jr.
15
Eenheid
BTW
Incl.
Waarde Bron / Toelichting 25,23 Gemiddelde 5 grootste leveranciers, geïndexeerd volgens CPI 363,13 Gemiddelde 5 grootste leveranciers, geïndexeerd volgens CPI
Meetkosten warmte
Euro / jr.
Incl.
Huur afleverset warmte
Euro / jr.
Incl.
Kale aardgasprijs
Euro / 3 Nm Euro / 3 Nm Euro / 3 Nm Euro / 3 Nm Euro / jr. Euro / jr.
Excl.
Energiebelasting aardgas ODE aardgas Totale gasprijs Vastrecht gasaansluiting Vastrecht energieleverancier aardgas Tarief kale elektriciteit
Energiebelasting elektriciteit ODE elektriciteit Totale elektriciteitsprijs
Excl.
26,63 Gemiddelde 5 grootste leveranciers, geïndexeerd volgens CPI 121,20 Gemiddelde 5 grootste leveranciers, geïndexeerd volgens CPI 0,2485 ACM 2020, geïndexeerd conform KEV 2019 (circa 2,1% per jaar) 0,3331 Belastingdienst, geïndexeerd conform Klimaatakkoord, daarna volgens CPI 0,0775 Belastingdienst, geïndexeerd volgens CPI
Incl.
0,7975
Incl. Incl.
185,95 Gemiddelde van 3 grootste regionale netbeheerders 62,82 ACM 2020
Euro / kWh
Excl.
Euro / kWh Euro / kWh Euro / 3 Nm Euro / jr.
Excl. Excl.
0,0633 Gemiddelde van 3 grootste leveranciers d.d. 1/1/2020, geïndexeerd conform KEV 2019 (circa 2,1% per jaar) 0,0977 Belastingdienst, geïndexeerd conform Klimaatakkoord, daarna volgens CPI 0,0273 Belastingdienst, geïndexeerd volgens CPI
Incl.
0,2278
Excl.
Vastrecht Incl. elektriciteitsaansluiting Vastrecht energieleverancier Euro / jr. Incl. elektriciteit Technische uitgangpunten warmteopties COP warmtepomp kWh / n.v.t. ruimteverwarming kWh COP warmtepomp WTW kWh / n.v.t. bereiding kWh Jaarlijkse onderhoudskosten Euro Incl. warmtepomp Herinvesteringskosten Euro Incl. warmtepomp Levensduur warmtepomp Jaren n.v.t.
212,79 Gemiddelde van 3 grootste regionale netbeheerders
Jaarlijkse onderhoudskosten Euro Incl. gasketel Herinvesteringskosten Euro Incl. gasketel Levensduur gasketel Jaren n.v.t. Rendement Hr-ketel* % n.v.t. 3 Calorische bovenwaarde MJ/Nm n.v.t. aardgas Financiële uitganspunten netto contante waarde Consumentenprijsindex % n.v.t. Disconteringsfactor % n.v.t. vastgoedeigenaar Verdisconteringsperiode Jaren n.v.t.
100 Gemiddelde kosten van consument en woningcorporatie, geïndexeerd volgens CPI 1.600 Gemiddelde kosten van consument en woningcorporatie, geïndexeerd volgens CPI 18 87,01 ACM 2020 35,17 Op basis van calorische bovenwaarde aardgas
16
42,00 Gemiddelde van 3 grootste energieleveranciers
4,0 Gemiddelde van lucht/ water en water/water warmtepomp 2,0 Gemiddelde van lucht/ water en water/water warmtepomp 200 Geïndexeerd volgens CPI 5.000 Geïndexeerd volgens CPI 15
2,0 3,0 30
WACC warmtebedrijf Volloopsnelheid warmtenet Aansluitdichtheid warmtenet
% Jaren %
Tabel 9: Technische en financiële parameters
17
n.v.t. n.v.t n.v.t
8,5 5 Eigenaren sluiten binnen 5 jaar aan. 80 Meer dan 80% van de vastgoedeigenaren/ panden sluit aan.
Bijlage C: Warmtevraagbeperking, warmteopties, duurzaamheid Deze bijlage behandelt de technische achtergrond bij warmtevraagbeperking, warmteopties en duurzaamheid van warmteopties.
Beperken van de warmtevraag Bij een groot deel van de woningvoorraad, die gebouwd is voor de jaren ‘90, is het nodig om de warmtevraag van gebouwen en woningen te beperken. Enerzijds om woningen geschikt te maken voor duurzamere warmteopwekinstallaties, die doorgaans een lagere temperatuur leveren dan gasketels, en anderzijds om schaarse bronnen efficiënter te benutten (en dus meer woningen per bron mogelijk te maken). De warmtevraag voor ruimteverwarming van een woning, hierna uitgedrukt in kilowattuur per vierkante meter gebruiksoppervlak (kWh/m2), wordt bepaald door de mate van isolatie, kierdichting en het ventilatiesysteem. De temperatuur die een woning nodig heeft om op de koudste dag van het jaar comfortabel warm te krijgen hangt hier voor een groot deel mee samen. Hoe beter de isolatie, kierdichting en hoe efficiënter het ventilatiesysteem, hoe geschikter de woning is om met een lagere temperatuur te kunnen verwarmen. In bestaande woningen moeten daarnaast vaak radiatoren worden vervangen of toegevoegd om verwarming op een lagere temperatuur mogelijk te maken. Of dat nodig is kan niet op voorhand per woning(type) worden vastgesteld. De warmtevraag voor ruimteverwarming is sterk afhankelijk van het bouwjaar. In tabel 11 staat de gemiddelde warmtevraag voor eengezinswoningen en meergezinswoningen.
Deze tabel is gebaseerd op data over het werkelijke gasgebruik op postcodeniveau (Open Data Netbeheerders). Voor warmtapwater is de warmtevraag circa 20 kWh/m2. Met name bij de woningvoorraad gebouwd voor 1990 is er nog een grote besparingspotentie voor de warmtevraag. Onder eengezinswoningen wordt verstaan rijwoningen, twee-onder-een-kapwoningen en vrijstaande woningen. Meergezinswoningen zijn bijvoorbeeld galerijflats, portiekflats en portiekwoningen. Gemiddeld 2 oppervlak m
Gemiddeld 3 gasverbruik m
Gemiddelde warmtevraag 2 ruimteverwarming kWh/m
Eengezinswoningen < 1920 ≥ 1920 - 1950 ≥ 1950 - 1975 ≥ 1975 - 1990 ≥ 1990 - 2005 ≥ 2005 Nieuwbouw
170 135 125 130 145 155 120
2200 2100 1800 1500 1400 1200 -
95 110 100 85 65 50 35
Meergezinswoningen < 1920 ≥ 1920 - 1950 ≥ 1950 - 1975 ≥ 1975 - 1990 ≥ 1990 - 2005 ≥ 2005 Nieuwbouw
85 80 75 70 90 90 70
1250 1200 1100 850 800 700 -
95 95 95 70 50 40 25
Nederlands gemiddelde
119
1310
84
Tabel 10: Gemiddelde warmtevraag ruimteverwarming van woningen in Nederland gerelateerd aan bouwjaar.
De bestaande woningenvoorraad kunnen we grofweg opdelen in vier niveaus van isolatie: 2
1. Woningen met slechte of onvoldoende isolatie (80 kWh/m of hoger). Er is een hoge temperatuur van ongeveer 90°C nodig om op de koudste dagen deze woningen comfortabel warm te stoken.
18
2
2. Woningen, die een minimumisolatieniveau hebben bereikt (lager dan 80 kWh/m ). Deze woningen hebben reeds een aantal aanpassingen in de schil gekregen of hadden dit niveau al bij de bouw. Sommige woningen kunnen bij dit niveau al afdoende comfortabel worden verwarmd met 70°C op de koudste dagen, mits er voldoende radiatorvolume aanwezig is. Daarnaast is het afhankelijk van specifieke omstandigheden of de woning daadwerkelijk geschikt is voor verwarming met 70°C, zoals welke bouwdelen al zijn aangepakt en of de bewoners de ruimtes gebruiken die met dit niveau nog niet comfortabel warm worden op de koudste dagen. 2
3. Woningen, die een basisisolatieniveau hebben bereikt (lager dan 65 kWh/m ). Bij dit niveau is er maximaal nageïsoleerd in de bestaande schil. Bij een basisniveau kan de woning zowel comfortabel worden verwarmd met 70°C als met maximaal 55°C (laagtemperatuur). Voor laagtemperatuur moeten wel aanvullend radiatoren vervangen worden en mogelijk ook de cv-leidingen. De woning is daarmee toekomstbestendig en geschikt voor meerdere alternatieve verwarmingstechnieken. Woningen die op dit niveau zitten zijn woningen die grofweg gebouwd zijn in de periode 1990-2005. Idealiter zitten aan het einde van de transitie zoveel mogelijk woningen op minstens dit niveau. 4. Woningen met een hoog isolatieniveau en voorzien van een energiezuinig ventilatiesysteem (lager dan 50 2 kWh/m ). Deze woningen zijn daarmee zeer geschikt om comfortabel te verwarmen met een maximumtemperatuur van 40°C. Dit zijn recent gebouwde woningen na 2005 en woningen die nog gebouwd gaan worden de komende jaren (BENG). Bij de bestaande bouw moeten voor laagtemperatuur de radiatoren vervangen worden en mogelijk ook de cv-leidingen. Voor warm tapwater geldt dat voor het veilig kunnen gebruiken van warm tapwater er met de huidige stand van de techniek en regelgeving een temperatuur van minimaal 55°C bij het tappunt nodig is.
Om deze temperatuur te kunnen garanderen moet het opweksysteem in de praktijk een temperatuur van 60-70°C kunnen leveren. Als de aanvoertemperatuur onvoldoende is, moet er dus een aanvullende voorziening komen in de woning voor het opwekken of het boosten van de warmte voor warm tapwater. Mogelijk gaat de regelgeving wijzigen waarbij de minimale temperatuur aan het tappunt daalt van 55°C naar 40°C. Om deze temperatuur te kunnen garanderen moet het opweksysteem in praktijk een temperatuur van 45-50°C kunnen leveren.
Woningen stapsgewijs isoleren naar het basisniveau Het totale isolatieniveau is de optelsom van de verschillende bouwdelen: vloer, gevel, raam, dak. Het minimumniveau en basisniveau zijn gebruikt om modelmatig het onderscheid te maken in welke ingrepen per woningtype en bouwjaar op bouwdeelniveau nog minimaal nodig zijn om klaar te zijn voor een bepaalde warmteoptie. Als er een ingreep gedaan moet worden op een bouwdeel (vloer, gevel, raam, dak) is het van belang dat dit onderdeel klaar is voor de energietransitie, onafhankelijk van de warmteoptie die in de buurt komt. Per bouwdeel is het advies om op het moment van ingreep dus zo goed mogelijk te isoleren, afhankelijk van wat de praktijksituatie toelaat (no-regret). Daarmee wordt voorkomen dat dak, vloer of gevel in twee stappen worden aangepakt. Dat is kosteninefficiënt en het aantal natuurlijke momenten is beperkt. Het basisniveau kan door de meeste eigenaren worden bereikt door alle bouwdelen op een natuurlijk moment van onderhoud stapsgewijs zo goed mogelijk te isoleren. Zo kan spouwmuurisolatie aangebracht worden, isolatieglas geplaats worden in combinatie met een schilderbeurt en kan een plat dak zeer goed geïsoleerd worden als de dakbedekking wordt vervangen. Indien nodig zullen ook de radiatoren vervangen moeten worden.
Bij zowel het minimum- als het basisniveau wordt er dus maximaal nageïsoleerd in de bestaande schil op natuurlijke momenten, en het handelingsperspectief is dus voor alle gebouweigenaren gelijk. Het verschil tussen minimum en basis is enkel dat het minimumniveau eerder wordt bereikt, en dat er dus bij sommige woningen eerder kan worden begonnen met 70°C-oplossingen. Het is wenselijk dat zoveel mogelijk woningen in Nederland aan het einde van de warmtetransitie op het basisniveau zit. Hierdoor zijn ze namelijk geschikt voor bijna alle alternatieve duurzame verwarmingstechnieken. Ook wordt de warmtevraag hierdoor nog verder verlaagd en wordt de retourtemperatuur lager, waardoor installaties efficiënter kunnen functioneren.
19
Naast isolatie en het vervangen van radiatoren zijn er aanvullende gebouwgebonden maatregelen nodig om de woning te verduurzamen en geschikt te maken voor duurzame verwarming:
Elektrisch koken, zoals inductiekoken;
Kierdichting;
Voldoende (mechanische) ventilatie.
In 2050 zal ook een deel van de voorraad een hoog isolatieniveau hebben. Het grootste deel daarvan moet nog gebouwd worden de komende 30 jaar. Alle huidige en toekomstige nieuwbouw voldoet namelijk aan dit niveau. Het is de landelijke ambitie om jaarlijks 75.000 nieuwe woningen in Nederland bij te bouwen. Van de bestaande bouw zal maar een beperkt deel op dit niveau worden gebracht is de verwachting. Om dit niveau te kunnen halen moeten er namelijk grote en kostbare ingrepen gedaan worden aan de schil. Dit is voor veel huizenbezitters niet betaalbaar, technisch niet altijd mogelijk en ook niet altijd efficiënt vanuit het oogpunt van circulariteit. In gevallen dat er veel achterstallig onderhoud is en de kozijnen en het dak volledig vervangen moeten worden, kan het wel raadzaam zijn om deze optie te onderzoeken.
Warmteopties In deze paragraaf worden de warmteopties in detail besproken.
Warmtenet Een warmtenet is een infrastructuur van ondergrondse leidingen die warm water vervoeren naar meerdere gebouwen tegelijkertijd. Er is daarom sprake van een collectieve warmtevoorziening. De temperatuur van het warme water moet voldoende zijn om de woningen te kunnen verwarmen. Warmtenetten en bestaande bouw Om in een bestaande wijk een warmtenet te realiseren is er voldoende schaalgrootte en dichtheid van gebouwen nodig. Hoe hoger de temperatuur die met de beschikbare warmtebron kan worden geleverd, hoe eenvoudiger de schaalgrootte kan worden bereikt. Omdat er dan meer woningen geschikt zijn om aan te kunnen sluiten. Woningcorporaties, die vaak meerdere woningen bezitten in buurten kunnen makkelijker de benodigde schaal bereiken dan particuliere woningeigenaren. Bij een warmtenet komt er per gebouw of cluster van eengezinswoningen of kleinere gebouwen een afleverstation. Hier kan de temperatuur worden geregeld. De temperatuur van het net kan dus lokaal worden verlaagd als een gebouw daarvoor geschikt is. Bij de realisatie van een warmtenet is de schaalgrootte op wijkniveau veel minder gelimiteerd dan bij all-electric. Bij warmtenetten is juist een minimale schaal nodig. De schaal die nodig is, hangt sterk samen met de beoogde warmtebron. In de praktijk blijkt het organiseren van deze schaal zeer complex, omdat je te maken hebt met veel verschillende stakeholders.
Ook voor woningcorporaties is het zeer moeilijk om deze schaal te realiseren. Niet alleen vanwege de investeringen die dan gedaan moeten worden, maar ook omdat momenteel 70% van de huurders akkoord moet geven voor het ombouwen van een individuele gasketel naar een collectieve warmtevoorziening. Warmtenetten en corporatiebezit Om een nieuw warmtenet in de bestaande buurten te kunnen realiseren is het van essentieel belang dat vastgoed in het bezit van woningcorporaties wordt aangesloten. Woningcorporaties (en VvE’s) moeten er dus in de planning rekening mee houden dat de grotere complexen met meergezinswoningen collectief verwarmd gaan worden, indien nodig tijdelijk met een collectieve gasketel. Om desinvesteringen te voorkomen is het dus vaak niet verstandig om complexmatig individuele ketels te vervangen (‘verketelen’). Ook moeten bestaande verouderde collectieve verwarmingsinstallaties (blokverwarming) worden gemoderniseerd. Een collectieve warmtevoorziening met een aanvoertemperatuur van maximaal 70°C is zeer flexibel. Ook als het warmtenet er niet komt zijn er voldoende alternatieven beschikbaar om de woningen duurzaam en betaalbaar te verwarmen. De investering in een collectieve warmtevoorziening bij grotere complexen is dus no-regret.
20
All-electric All-electric betekent dat er in principe alleen een elektriciteitsnet in de wijk ligt. Als dat het geval is, dan is er een warmte-opwekinstallatie in de woning of het gebouw nodig die alleen elektriciteit gebruikt. Dit kan bijvoorbeeld met infraroodpanelen of een warmtepomp. Het grote voordeel van deze oplossing is dat alle woningen en gebouwen al aangesloten zijn op het elektriciteitsnetwerk. Iedere individuele vastgoedeigenaar, met voldoende financiële middelen, kan dus de keuze maken om zijn huis niet alleen te isoleren, maar ook de gasketel te vervangen door bijvoorbeeld een warmtepomp. De individuele vastgoedeigenaar is dus veel minder afhankelijk van keuzes en beperkingen van andere vastgoedeigenaren in de straat, of in de buurt. Ook is hij/zij veel minder afhankelijk van het tijdstip van deze keuzes. Er is echter ook een keerzijde. De (over)capaciteit in het bestaande elektriciteitsnet is beperkt en deze is bijvoorbeeld ook nodig voor de realisatie van laadpalen voor elektrische mobiliteit. Het elektriciteitsnet zal dus bij allelectric extra verzwaard moeten worden, niet alleen op wijkniveau, maar ook op gemeentelijk, regionaal, nationaal en mogelijk internationaal niveau. All-electric leent zich vaak minder voor een wijkgerichte aanpak omdat er een tweetal beperkingen is.
De eerste is het tempo waarmee gebouweigenaren hun pand gereed kunnen maken voor all-electric en de tweede zijn de beperkingen op het bestaande elektriciteitsnet en de tijd die nodig is om deze te vergroten. Rekening houdend met het feit dat we in de toekomst warmte kunnen gaan opslaan in woningen, is het ook sterk de vraag of het verstandig is om op korte termijn al hele buurten gelijktijdig elektrisch te gaan verwarmen. Dit zou er namelijk toe kunnen leiden dat er onnodig hoge kosten gemaakt gaan worden voor netverzwaring op wijkniveau, die in de toekomst niet nodig blijken. All-electric is daarom een alternatief dat zich meer leent om organisch te ontwikkelen verspreid over meerdere buurten en buurten. Met name voor eengezinswoningen en gebouwen in buurten waar een collectieve warmteoplossing geen logische oplossing is en waarvan de woningen al goed geïsoleerd zijn, of bij kleinschalige nieuwbouwprojecten, is all-electric een goed alternatief. Het moment van verzwaren van het elektriciteitsnet, en het moment waarop het gasnet wordt verwijderd, worden door de netbeheerder en gemeente in overleg bepaald op een moment dat de maatschappelijke kosten zo laag mogelijk zijn.
Als de warmte in de woningen op grotere schaal in een wijk worden opgewekt met infraroodpanelen of een warmtepomp zullen er aanpassingen gedaan moeten worden om de capaciteit van het elektriciteitsnet te vergroten. Uitgaande van de huidige stand van de techniek kan je alleen met warmtepompen of infrarood verwarmen de woningen minimaal op het basisniveau zitten (55°C of lager). Daarnaast moeten voor het kunnen toepassen van warmtepompen ook alle radiatoren vervangen worden door laagtemperatuur radiatoren. Er zijn warmtepompen die lucht gebruiken als warmtebron (lucht-water-warmtepompen) en die water gebruiken als warmtebron (water-water-warmtepompen). Een lucht-water-warmtepomp gebruikt als bron bijvoorbeeld buitenlucht. Een water-water-warmtepomp gebruikt als bron bijvoorbeeld bodemenergie of warmte uit zon (zonthermie). Voor het benutten van energie uit buitenlucht is een buitenunit nodig. Voor het benutten van warmte uit de bodem moet er een bodemlus geboord worden onder de woning of in de tuin. Voor het benutten van zonthermie moeten er thermische zonnepanelen geplaats worden op het dak van de woning. Bij meergezinswoningen is er een collectief bronnet in het gebouw nodig om de individuele warmtepompen in de woningen te verbinden met de bodemlussen of de thermische zonnepanelen.
Grotere gebouwen kunnen ook gebruik maken van een eigen warmte- en koude opslaginstallatie (WKO) om gebruik te maken van bodemenergie als warmtebron. Deze kan worden gecombineerd met aquathermie. Naast de warmtepomp of de infraroodpanelen komt er een boilervat van minimaal 150 liter voor warm tapwater in de woning. Deze ruimte moet wel beschikbaar zijn. Bij infraroodpanelen en lucht-water-warmtepomp zal het elektriciteitsnet meer verzwaard moeten worden dan bij water-water-warmtepompen. Meergezinswoningen kunnen ook collectief verwarmd worden met warmtepompen. Het is dan wel voor de efficiëntie van belang dat de maximale aanvoertemperatuur naar de gebouwen en woningen niet hoger is dan 70°C. De bronnen voor een collectieve warmtepomp zijn vergelijkbaar met die van een individuele warmtepomp. Groot voordeel van een collectieve installatie is dat het ruimtegebruik en de techniek in de woning beperkt blijft. De collectieve warmtevoorziening kan relatief eenvoudig vervangen worden door nieuwe technieken passend bij alle infrastructuren, zonder dat je daarvoor nog aanpassingen hoeft te doen aan het gebouw of de woning (zie ook collectieve gasketels).
21
Een variant op all-electric is het lokale bronnet. Een bronnet is een lokale, vaak kleinschalige (collectieve) warmtevoorziening in de vorm van een zeer laagtemperatuurnet. In het gebouw is een warmtepomp nodig voor verwarming. Het aangevoerde water kan ook gebruikt worden voor koeling. Ook bij deze infrastructuur moet de capaciteit van het elektriciteitsnet in de wijk worden verhoogd. Een voorbeeld van een bronnet is een WKO-bron (mogelijk gecombineerd met aquathermie), die door enkele kantoorgebouwen wordt gedeeld en die door en bronnet zijn verbonden. Aangezien een warmtepomp ook op woning- of gebouwniveau in veel gevallen een efficiënte bron kan hebben, zal een bronnet voor een gehele wijk in veel gevallen geen logische optie zijn. In wijken waar in hoge dichtheid gebouwd is, kan er mogelijk beperkt ruimte zijn voor lokale warmtebronnen, waardoor een bronnet een optie is. In de bestaande bouw is in dat geval echter vaak een warmtenet een goedkopere optie omdat er dan minder gebouwgebonden maatregelen hoeven te worden genomen. De verwachting is daarom dat een bronnet voor de bestaande bouw hoofdzakelijk beperkt zal blijven tot utiliteitsbouw. Voor gebieden met relatief veel utiliteitsbouw wordt een bronnet interessant vanwege de hoge koudevraag en vanwege de relatief lage energiebelasting op elektriciteit die grotere gebouwen betalen vanwege het hogere verbruik.
Hierdoor zullen zij vaak kiezen voor een lokale warmte- en koude-oplossing in de vorm van all-electric eventueel in combinatie met een collectief bronnet.
Gasnet Veruit de meeste woningen zijn nu aangesloten op het gasnet. In de meeste buurten wordt voor 2050 overgegaan op een andere infrastructuur, maar voor oude of anderszins complexe buurten zijn op dit moment alternatieven voor een gasnet economisch of praktisch onhaalbaar en zal voorlopig het gasnet blijven liggen. Een gasnet is aardgasvrij als er in plaats van aardgas een vorm van duurzaam gas wordt gebruikt. Binnen de warmteoptie gasnet zien we twee logische varianten: 1. Individuele gasketel en hybride warmtepomp. Als het gasnet voorlopig nog blijft liggen, dan kan er naast de individuele Hr-ketel ook een hybride warmtepomp geplaatst worden in de woning om het gasgebruik verder te beperken. Voorwaarde is wel dat de woning het minimumisolatieniveau bereikt heeft. 2. Collectieve gasketel en hybride warmtepomp. Meergezinswoningen kunnen ook collectief verwarmd zijn. Met name de grotere complexen gebouwd na 1950 zijn zeer geschikt om collectief verwarmd te worden. In het complex komt een geïsoleerde aanvoer- en retourleiding. Per woning komt er op de plek van de oude gasketel een afleverset. Als er ook elektrisch wordt gekookt zijn de woningen aardgasvrij en heeft alleen het gebouw nog een gasaansluiting. De individuele gasaansluitingen kunnen dan dus afgesloten worden.
Een voordeel van een collectieve installatie is dat het ruimtegebruik en de techniek in de woning beperkt blijft. De collectieve warmtevoorziening kan relatief eenvoudig vervangen worden door nieuwe technieken passend bij alle infrastructuren, zonder dat je daarvoor nog aanpassingen hoeft te doen aan het gebouw of de woning. Dit is dus een zeer robuust, flexibel en onderhoudsarm systeem. Met name voor complexen in bezit van woningcorporaties is dit een zeer geschikte en toekomstbestendige oplossing. Het is daarbij wel van belang dat de woningen met een aanvoertemperatuur van maximaal 70°C verwarmd kunnen worden.
Bijlage D Begrippenlijst Aardgasvrij Afleverset
All-electric
Aquathermie
22
Niet aangesloten op de fossiele brandstof aardgas. De term aardgasvrij betekent niet altijd gasloos, er kan hernieuwbaar gas worden toegepast. Bij een warmtenet wordt er gebruik gemaakt van een afleverset in de woning. De afleverset bevindt zich in de meterkast, berging of andere technische ruimte en zorgt ervoor dat de warmte van het warmtenet de verwarmingsinstallatie van de woning bereikt. Warmteoptie waarbij een gebouw alleen aangesloten is op het elektriciteitsnet en verwarmen en koken gebeurt met gebruik van elektriciteit (vaak een warmtepomp). Thermische energie uit oppervlaktewater, afvalwater of drinkwater dat kan worden gebruikt als bron voor een warmtenet of lokaal bronnet.
(CBS) Buurt
Onderdeel van een gemeente, dat op basis van historische dan wel stedenbouwkundige kenmerken homogeen is afgebakend. Energiearmoede 10% van de huishoudens in Nederland heeft een te hoge energierekening ten opzichte van hun inkomen. Zij hebben moeite met het betalen van de energierekening. Geothermie Warmte afkomstig uit de aarde (aardwarmte) die ingezet kan worden als bron voor warmtenetten. De Transitievisie Warmte zal minimaal iedere vijf jaar worden herijkt: we Herijken zullen dan nalopen welke nieuwste inzichten op het gebied van innovatie en wet- en regelgeving we mee moeten nemen in de verdere transitie. De gemeente kan er voor kiezen de Transitievisie Warmte ook eerder te herijken Hernieuwbaar gas Gas dat afkomstig is uit een hernieuwbare bron en/of is geproduceerd met duurzame energie, zoals biogas en groene waterstof. Hoge temperatuur verwarming Verwarmingssysteem waarbij een gebouw met 70°C of hoger wordt verwarmd en voorzien van warm tapwater. Hybride warmteoplossing Warmtelevering met elektrische oplossing, vaak een warmtepomp, in combinatie met een HR-ketel op gas Lage temperatuur verwarming Verwarmingssysteem waarbij een gebouw met een temperatuur van 55°C of lager verwarmd wordt. Tapwater wordt separaat verwarmd.
Laagste maatschappelijke De laagste totale kosten voor de gehele keten en al haar gebruikers, dus kosten kosten voor aanpassingen aan gebouwen, kosten voor de infrastructuur en kosten voor de bron en levering van warmte. Daarbij worden niet alleen de investeringen, maar ook onderhoud en operationele kosten meegenomen, dus inclusief de energierekening van de eindgebruiker, gedurende een periode van 30 jaar. De kosten per vermeden ton CO2 zijn naast deze maatschappelijke kosten tevens afhankelijk van de kosten voor verduurzaming van bronnen. Lokale bronnetten Lokale kleinschalige (collectieve) warmtevoorziening in de vorm van een zeer lage temperatuur bronnet in combinatie met een warmtepomp in het gebouw. Een bekende vorm is de Warmte-Koudeopslag (WKO). Middentemperatuur verwarming Verwarmingssysteem waarbij een gebouw met een temperatuur van 55 °C tot 70 °C wordt verwarmd en voorzien van warm tapwater. Onderzoeksbeeld Het onderzoeksbeeld geeft weer welke warmteoptie in welke buurt de laagste maatschappelijke kosten heeft. Aan het onderzoeksbeeld liggen verschillende modelstudies ten grondslag. Omgevingswet De Omgevingswet gaat op 1 januari 2022 in werking en staat voor een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving.
Ook biedt de Omgevingswet gemeenten de mogelijkheid om met overzichtelijkere regels de leefomgeving meer in samenhang in te richten. Het biedt daarnaast meer ruimte voor lokaal maatwerk en leidt tot een betere en snellere besluitvorming. Opt-out Het verschijnsel waarbij eigenaren niet kiezen voor de overwogen warmteoptie in de buurt. Term is afkomstig uit de Wet collectieve Warmtelevering Spijtvrije maatregelen, of in het Engels no-regret maatregelen, zijn Spijtvrij maatregelen om je huis te isoleren waar je geen spijt van krijgt: wat het uiteindelijke alternatief voor aardgas ook wordt voor je woning of gebouw, het isolatieniveau waar je naartoe werkt met deze maatregelen is er voor geschikt. Het energieloket kan bewoners helpen bij het kiezen voor spijtvrije maatregelen. Transitiekaart De transitiekaart is een visuele weergave van de uitkomsten in de Transitievisie Warmte. In deze kaart is voor elke wijk/dorp zowel een oplossingsrichting richting aardgasvrij opgenomen. Regionale Energiestrategie In de RES onderzoeken 30 Nederlandse energieregio’s hun vraag naar (RES) warmte en elektriciteit en geven ze aan hoeveel duurzame warmte en elektriciteit op eigen grondgebied kan worden gerealiseerd. Restwarmte Warmte die vrijkomt bij industriële processen en gebruikt wordt als bron voor warmtenetten.
Transitievisie Warmte (TVW) Document op gemeenteniveau waarin het tijdpad wordt bepaald waarin
23
Transitiepad
Warmtenet
Warmteoptie Warmtepomp
Werkgroep
Wet Collectieve Warmtevoorziening (WCW)
Woningequivalent (WEQ)
24
buurten aardgasvrij worden en met welke warmteoptie. In een transitiepad schetsen we per wijk de route om tot een warmteoptie te komen. Die route bevat zowel een fasering als tussenstappen. Het transitiepad beschrijft ook wat voor soort aanpak erbij hoort, zoals een wijkgerichte aanpak of een doelgroepgerichte aanpak. Infrastructuur die warm water via een leidingnetwerk onder de grond levert aan gebouwen voor ruimteverwarming en eventueel warm tapwater. Dit wordt ook wel stadsverwarming of stadswarmte genoemd. Warmtenetten kunnen verschillende aanvoertemperaturen hebben (zie lage, midden en hoge temperatuur verwarming). De beoogde infrastructuur voor warmtelevering zonder aardgas per buurt Een warmtepomp onttrekt warmte aan een bron, vaak buitenlucht of grondwater, verhoogt de temperatuur met behulp van een elektrische pomp en staat die hogere temperatuur weer af aan een ruimte. De gemeente Noordoostpolder heeft met een werkgroep bestaande uit verschillende in de gemeente actieve stakeholders samengewerkt om te komen tot deze Transitievisie Warmte. In de werkgroep namen verschillende leden van het Netwerk Energieneutraal deel Gemeenten krijgen meer sturingsmogelijkheden om in het kader van de wijkgerichte aanpak de aanleg en exploitatie van de collectieve warmtesystemen te bevorderen en worden tevens voorzien in instrumenten om publieke belangen beter te waarborgen.
Collectieve warmtelevering kan uitsluitend plaatsvinden nadat een gemeente hiervoor voorzien heeft middels een aanwijzing of ontheffing. Een woningequivalent is een inschatting van de hoeveelheid warmte-energie die nodig is om een gemiddelde Nederlandse woning van ruimteverwarming en warm water te voorzien.