7.1 Bestemmingsplan Bant Oost fase 3-1.pdf
Tekst van het document
Daar komt bij dat, gezien het feitelijk gebruik van de gronden (recreatief gebruik in de (winter)periode waarin temperaturen onder 0T zijn, dus hooguit enkele dagen/weken per jaar), de functie qua aard en omvang vergelijkbaar is met andere sporten in maximaal milieucategorie 3.1. Voor dit soort functies geldt een richtafstand van 50 meter in plaats van 300 meter. Sporten in een hogere milieucategorie zijn in dit geval ofwel niet toegestaan op basis van het bestemmingsplan (bijvoorbeeld schietbanen of kartbanen) danwel niet realistisch (buitenzwembaden). Het terrein is daarvoor te klein en er is al een dergelijk zwembad in de omgeving. Met inachtneming van het vorenstaande is in het kader van een goede ruimtelijke ordening een akoestisch onderzoek uitgevoerd om de geluidsbelasting van de natuurijsbaan in beeld te brengen. Hierna wordt op de belangrijkste onderzoeksresultaten van het onderzoek ingegaan. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar bijlage 5 bij deze toelichting. Onderzoeksresultaten
Ruimtelijke ordening - Bedrijven en milieuzonering Ten gevolge van de planologische rechten voldoen zowel de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus als de maximale geluidniveaus aan de richtwaarde uit stap 2 van de VNG-publicatie voor woningen gelegen in een 'rustige woonwijk'. Mede gezien de beperkte openstelling (hooguit een gering aantal keer per jaar) en gezien het feit dat op deze koude dagen bovendien niet snel in de tuin zal worden gezeten, is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als gevolg van geluid.
Activiteitenbesluit milieubeheer Overeenkomstig het Activiteitenbesluit milieubeheer is stemgeluid uitgesloten van toetsing. Aangezien er in de reguliere situatie geen andere relevante geluidbronnen (zoals luidsprekers) zijn, wordt voldaan aan de normstelling uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. De ijsbaan wordt daarom niet in haar akoestische bedrijfsvoering en/of milieurechten beperkt. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn desondanks de geluidniveaus ten gevolge van het stemgeluid berekend en beoordeeld conform de methodiek van de VNG-publicatie. Op basis van de representatieve bedrijfssituatie (zoals opgegeven door de 'vereniging') en de bronsterkten voor stemgeluid conform de Duitse richtlijn VDI 3770:2002-04 Emissionskennwerte technischer Schallquellen Sportund Freizeitanlagen voldoen zowel de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus als de maximale geluidniveaus aan de richtwaarde uit stap 2 van de VNG-publicatie voor woningen gelegen in een 'rustige woonwijk'. 5.5.4
Conclusie
In het plangebied is de gewenste situatie sprake van een aanvaardbaard woon- en leefklimaat. Omgekeerd worden bedrijven niet in de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd. Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
Bestemmingsplan "Bant, Oost - fase 3" Vastgesteld
5.6
Geur
5.6.1
Wet geurhinder en veehouderij
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor inrichtingen, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorie is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën, waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ^ ^
ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan kom 2 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odour units per kubieke meter lucht. 5.6.2
Situatie plangebied
Met voorliggend plan worden nieuwe geurgevoelige objecten gerealiseerd. In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen veehouderijen aanwezig. Geconcludeerd wordt dat er ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Verder worden veehouderijen niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. 5.6.3
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor voorliggend plan.
5.7
Ecologie
5.7.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.7.2
Gebiedsbescherming
5.7.2.1 Algemeen Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen Ecologische Hoofstructuur) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van de NNN
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
45
Bestemmingsplan "Bant, Oost - fase 3" Vastgesteld
geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 5.7.2.2
Natura 2000 gebieden
In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het plangebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Gronden die tot Natura 2000-gebied behoren, liggen op circa 9 kilometer afstand van het plangebied. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied, maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv.
geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen is er een zogenaamde AERIUS-berekening uitgevoerd. Hierna wordt de belangrijkste conclusie van het onderzoek weergegeven. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar bijlage 6 bij deze toelichting. Uit de berekeningen wordt geconcludeerd dat er zowel in de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 2.7, lid 1 van de Wet natuurbescherming. 5.7.2.3 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN is grenst voor een deel aan de oostzijde van het plangebied.
Vanwege de lokale invloedsfeer hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op de kernkwaliteiten en de omgevingscondities van het Natuurnetwerk Nederland. Mogelijk is tijdens de aanlegfase incidenteel geluid waarneembaar buiten het plangebied, maar dit effect is incidenteel en kortstondig en heeft geen negatief effect op het beschermd (natuur)gebied. 5.7.3
Soortenbescherming
5.7.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. In voorliggend geval is door Ecofect een quickscan Wet natuurbescherming. Voor de rapportage van het onderzoek wordt verwezen naar bijlage 7 van deze toelichting. Hierna wordt kort ingegaan op de belangrijkste bevindingen. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
46
Bestemmingsplan "Bant, Oost - fase 3" Vastgesteld Uitkomsten quickscan flora en fauna
Flora Het perceel is nauwkeurig onderzocht op inheemse en uitheemse beschermde vegetatie. Er zijn geen (groeiplaatsen van) beschermde soorten aangetroffen. Ook de geraadpleegde databanken geven geen aanwijzingen naar beschermde flora soorten. Geen overtreding Wet natuurbescherming. Vleermuizen Nabij en op de planlocatie zijn geen bomen aanwezig met vleermuispotentie. Hierbij kan gedacht worden aan holten en loshangende schors hetgeen niet aanwezig is op de planlocatie. Eventueel aanwezige soorten zullen geen hinder ondervinden van de geplande ontwikkeling en er zullen geen verblijfplaatsen verloren gaan. Schade op onmisbare vliegroutes en foerageergebieden, verblijfplaatsen van vleermuizen kan mogelijk ontstaan wanneer de lijnelementen verdwijnen uit het landschap. Op de planlocatie zijn deze lijnelementen aanwezig. Hiertussen staan geen bomen met holten welke in potentie een verblijfplaats kan zijn voor de vleermuis. Aangezien deze bomenrij Z houtwal binnen het plangebied ligt en deze (deels) wordt gesaneerd is er nader onderzoek naar de functie vliegroute noodzakelijk. Het foerageergebied, hetzij anders ingericht, blijft intact. Het biotoop en habitat laat zich het beste omschrijven door een randstedelijke omgeving. Nader onderzoek naar de functie lijnelement t.a.v. de vleermuis wordt noodzakelijk geacht. Vogels Geen overtreding Wet natuurbescherming.
Geadviseerd wordt om de aanwezige houtsingel te rooien buiten het broedseizoen danwel voorafgaande aan de werkzaamheden een broedvogelonderzoek uit te voeren. Zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen vaste verblijfplaatsen van overige zoogdieren die zijn opgenomen op Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn aangetroffen. In het plangebied zijn geen sporen van de otter of bever aangetroffen. Het voorkomen van beide soorten kan hiermee redelijkerwijs worden uitgesloten. Tijdens het veldbezoek werden geen nesten van de eekhoorn of knaagsporen aangetroffen. De bomen nabij het plangebied zijn onderzocht. Het plangebied vertoont dan ook geen essentiële functie voor de eekhoorn. Op het perceel zijn geen sporen van marterachtigen aangetroffen. Hiervoor is gebruik gemaakt van de UV lamp om urine sporen te doen oplichten en de endoscoop om ruimten te inspecteren. Een verblijfplaats van de bunzing (Mustela putorius), hermelijn (Mustela erminea) en wezel (Mustela nivalis) zijn niet te verwachten op de planlocatie. Er zijn geen potentiële verblijfplaatsen of migratieroutes met een (robuuste) verbindingszone die zorgt voor dekking (veiligheid) tegen predatoren. Kleine marterachtigen Het habitat is suboptimaal geschikt voor kleine marterachtigen.
Wanneer aanwezigheid van kleine marterachtigen niet kan worden uitgesloten, dan wel aanwezigheid waarschijnlijk is (bijvoorbeeld door data uit de NDFF of een omgevingscheck), kan in Flevoland tussen twee benaderingswijzen worden gekozen: 1. 2.
Mitigatie; Nader onderzoek.
Omdat het om lastig te inventariseren soorten gaat, kiest Flevoland voor een pragmatische aanpak. Initiatiefnemers hebben hierin de keuze tussen uitgebreid nader onderzoek om aanwezigheid vast te stellen, dan wel uit te sluiten, dan wel ervan uit te gaan dat de soorten er voor zullen komen. Of om een aanvraag voor een ontheffing in te dienen met een mitigatieplan. In dit geval wordt bij de provincie Flevoland ontheffing aangevraagd betreffende de kleine marterachtigen. Reptielen en amfibieën Het plangebied ligt buiten het bereik van beschermde reptielen en amfibieën. Weliswaar dat voor de algemene soorten vanuit zorgplicht een reptielenscherm aangebracht dient te worden langs de watergangen aan de noord-, oost-, en zuidzijde van het perceel. Ten aanzien van het dempen van de watergang aan de zuidzijde wordt een ecologisch werkprotocol geadviseerd. Voorafgaand wordt een nader onderzoek rugstreeppad gevraagd door de provincie.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
47
Bestemmingsplan "Bant, Oost - fase 3" Vastgesteld Nader onderzoek lijnelement vleermuizen
Naar aanleiding van bevindingen vanuit de eerder afgenomen quickscan is een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de functie lijnelement t.a.v. de vleermuis. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste uitkomsten van het onderzoek. Voor het volledige nader onderzoek wordt verwezen naar bijlage 8 van deze toelichting. De inventarisaties zijn in de avond en nacht uitgevoerd. Tijdens de veldbezoeken is gebruikgemaakt van heterodyne batdetectors en een warmtebeeldcamera. Met behulp van deze batdetectors kunnen de waargenomen vleermuissoorten op naam gebracht. Er zijn tijdens de veldbezoeken geen waarnemingen van vleermuizen gedaan. De weersomstandigheden waren optimaal om de onderzoeken op de juiste wijze uit te kunnen voeren. De tussenliggende periode tussen de diverse veldbezoeken zijn conform het vleermuisprotocol 2021. Hierna worden de uitkomsten weergegeven. ^ ^
^
Er zijn geen essentiële vliegroutes van vleermuizen aangetroffen in de te doorsnijden dan wel te vellen houtopstanden; het plangebied zelf heeft geen belangrijke waarde als jachtgebied of onderdeel van een vliegroute: Het plangebied wordt in de toekomstige situatie veranderd. Er gaan geen essentiële lijnelementen verloren. Elke inventarisatie is een steekproef gebaseerd op momentopnamen.
Hierdoor is niet uitgesloten dat soorten en functies die tijdens de inventarisatie niet waargenomen zijn, op een ander tijdstip wel aanwezig zijn. Dit is acceptabel omdat met het volgen van de inventarisatieprotocollen gedaan is 'wat redelijkerwijs verwacht kan worden'. Hiermee is voldoende invulling gegeven aan artikel 1.11 (Zorgplicht) van de Wet natuurbescherming. Nader onderzoek rugstreeppad
Naar aanleiding van bevindingen vanuit de eerder afgenomen quickscan is een nader onderzoek uitgevoerd naar de rugstreeppad. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste uitkomsten van het onderzoek. Voor het volledige nader onderzoek wordt verwezen naar bijlage 9 van deze toelichting. Resultaten Er zijn geen rugstreeppadden waargenomen in het onderzoeksgebied. Ook zijn geen rugstreeppadden gehoord in de directe omgeving van het onderzoeksgebied. Het is niet aannemelijk dat een rugstreeppad gedood, broed vernield wordt of een voortplantingsbiotoop van rugstreeppadden beschadigd of vernield wordt. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden. 5.7.4
Conclusie
Wat betreft de kleine marterachtigen wordt een ontheffingtraject (met migitatieplan) in gang gezet. Voor het overige leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soorten- en gebiedsbescherming.
5.8
Archeologie & Cultuurhistorie
5.8.1
Archeologie
5.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
48
Bestemmingsplan "Bant, Oost - fase 3" Vastgesteld
5.8.1.2 Situatie plangebied De gemeente Noordoostpolder heeft haar archeologische beleid vastgelegd in het rapport "Erfgoed in de polder, Actualisatie van de archeologische waarden en verwachtingen kaart van de gemeente Noordoostpolder (2018)". Op de archeologische beleidsadvieskaart hebben de gronden binnen het plangebied geen verwachtingswaarde. Archeologisch onderzoek kan achterwege blijven. 5.8.2
Cultuurhistorie
5.8.2.1 Algemeen Cultuurhistorische waarden omvatten alle structuren, elementen en gebieden die cultuurhistorisch van belang zijn. Deze zeggen meer over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is sprake van een sterke relatie tussen aardkundige elementen en cultuurhistorische elementen. De bescherming van deze laatste is vastgelegd in de Monumentenwet 1988, welke vooral gericht is op het behouden van historische elementen voor latere generaties. De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de toekomstige Omgevingswet. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat een ruimtelijk plan een beschrijving dient te bevatten van de manier waarop met de aanwezige cultuurhistorische waarden om is gegaan. De cultuurhistorisch landschappelijke waarde van de Noordoostpolder is van groots belang, maar tevens is heel duidelijk de behoefte om deze waarde te blijven verbeteren.
De gemeente wenst tegelijkertijd ruimte te bieden aan nieuwe ontwikkelingen, die zorgvuldig een plek moeten krijgen in het landschap. Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Dit erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Dit maakt de bescherming van deze elementen van belang.
5.8.2.2 Cultuurhistorie en beleid De cultuurhistorie van Noordoostpolder is vastgelegd en toegelicht in diverse beleidsdocumenten, zoals: 'Kwaliteitskaart Noordoostpolder Urk - Deel 1' (H+N+S landschapsarchitecten en Beek@ Kooiman Cultuurhistorie, 2004), 'Landschapsvisie Noordoostpolder, landschap van rust en regelmaat' (Feddes/Olthof Landschapsarchitecten, 2012), 'Structuurvisie Noordoostpolder 2025', (Kuiper compagnons/Gemeente Noordoostpolder, 2013) en de 'Erfgoednota', (Gemeente Noordoostpolder, 2013). Deze beleidsdocumenten nemen het bijzonder ontworpen landschap van de Noordoostpolder als vertrekpunt wanneer sprake is van vernieuwing en ontwikkeling. Het credo van eertijds de Nota Belvédère behoud door ontwikkeling, is nog altijd van kracht en klinkt tevens door in de aanwijzing van de Noordoostpolder als Nationaal Wederopbouwgebied in de beleidsnota 'Visie Erfgoed en Ruimte, Kiezen voor Karakter' van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE, 2016).
5.8.2.3 Situatie plangebied Er bevinden zich binnen het plangebied op basis van de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Flevoland en het gemeentelijke beleidsstuk 'Erfgoed in de gemeente Noordoostpolder' geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten of andere cultuurhistorische waarden. In de directe omgeving van het plangebied komen eveneens geen monumenten of cultuurhistorische waarden voor. De kavels en de directe omgeving waar het voorliggende plan betrekking op heeft, kent een aantal karakteristieken die kenmerkend zijn voor de Noordoostpolder. Door die kenmerken, en de zichtbaarheid daarvan, draagt het bij aan de herkenbaarheid van de Noordoostpolder en daarmee haar bijzondere identiteit. Van de dorpen in de Noordoostpolder zijn Marknesse, Ens, Luttelgeest, Bant, Creil, Espel en Tollebeek ontworpen als een 'nederzetting rond een centrale ruimte': meestal een min of meer langgerekte brink waarlangs winkels, woningen, openbare gebouwen en altijd drie kerken staan. Die brink is een ruim opgezet grasgazon omzoomd door bomen en met lage, aaneengesloten bebouwing. Door het voornemen wordt het plangebied anders ingericht, waardoor er andere type woningen mogelijk zijn. Deze zullen passen bij de bestaande bebouwing.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
49
Bestemmingsplan "Bant, Oost - fase 3" Vastgesteld 5.8.3
Conclusie
Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is in het kader van het voorliggende plan niet noodzakelijk. Daarnaast is in voldoende mate rekening gehouden met de aanwezige cultuurhistorische waarden in de omgeving.
5.9
Besluit milieueffectrapportage
5.9.1
Algemeen
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: ^
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan);
Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. ^
Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3);
Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). ^
Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4);
Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven.
Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 5.9.2
Situatie plangebied
5.9.2.1 Artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is op ten minste 9 kilometer van het plangebied gelegen. Zoals in paragraaf 5.7.2.2 en bijlage 6 (AERIUS-berekening) van deze toelichting is beschreven is er voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 2.7, lid 1 van de Wet natuurbescherming. 5.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r.
De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door het herzien van de geldende beheersverordening/het geldende bestemmingsplan. Dit betekent dat voorliggende ontwikkeling m.e.r.(beoordelings)plichtig is, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
50
Bestemmingsplan "Bant, Oost - fase 3" Vastgesteld In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. De ontwikkeling in dit bestemmingsplan is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien de volgende drempelwaarden worden overschreden: 1. 2. 3.
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Gezien de drempelwaarden kan worden geconcludeerd dat in geval van voorliggend project geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Daarom is in bijlage 10 de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.beoordeling toegevoegd. De vormvrije m.e.r.-beoordeling maakt duidelijk dat de milieueffecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling beperkt zijn en dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een plan-m.e.r. noodzakelijk maakt. 5.9.3
Conclusie
Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
51
Bestemmingsplan "Bant, Oost - fase 3" Vastgesteld
Hoofdstuk 6 6.1
Wateraspecten
Algemeen
Sinds 1 november 2003 is de toepassing van de watertoets wettelijk verplicht door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten (naast veiligheid en wateroverlast ook bijvoorbeeld waterkwaliteit en verdroging). De watertoets is een belangrijk procesinstrument om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in de ruimtelijke ordening. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan.
6.2
Proces van de watertoets
Het proces van de watertoets is via een digitale watertoets kenbaar gemaakt bij Waterschap Zuiderzeeland. In het kader van de watertoets is de normale procedure van toepassing. Voor de te volgen watertoetsprocedure is het waterschap in het kader van vooroverleg betrokken bij het plan. Na dit vooroverleg geeft het Waterschap een wateradvies. Het Waterschap beoordeelt de effecten van het bestemmingsplan op de waterhuishouding en in hoeverre deze de waterschapsbelangen raken.
6.3
Wet- en regelgeving en beleid water
6.3.1
krw
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is in 2000 ingevoerd. Het heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie- en kwelgebieden). Door de inrichting van watergangen af te stemmen op de ecologie kan de ecologische toestand verbeterd worden. De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakte- en grondwater terug te dringen. De gemiddelde jaarlijkse grondwateronttrekking mag de beschikbare grondwatervoorraad op lange termijn niet overschrijden. 6.3.2
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw bracht in augustus 2000 advies uit over het toekomstige waterbeleid in Nederland. Een andere aanpak in het licht van verwachte ontwikkelingen inzake zeespiegelstijging, toenemende neerslag en rivierwaterafvoer en verdergaande bodemdaling is noodzakelijk. De adviezen van de commissie staan in het rapport Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw zijn twee principes(drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: 1. 2.
vasthouden, bergen en afvoeren; schoonhouden, scheiden en zuiveren.
6.3.3
stedelijk waterplan Noordoostpolder
De watervisie van de gemeente Noordoostpolder is opgenomen in het Stedelijk Waterplan Noordoostpolder (april 2006). Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Deze Waterwet bestaat uit een achttal wetten die zijn samengevoegd tot één wet. De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de "watersysteembenadering" centraal. De verantwoordelijkheden in het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd. De voornaamste veranderingen zijn de invoering van de watervergunning en een verbeterde doorwerking van water in andere beleidsterreinen, met name het ruimtelijke domein.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
52
Bestemmingsplan "Bant, Oost - fase 3" Vastgesteld
Als aanvulling op het Stedelijk waterplan is in 2011 door het waterschap Zuiderzeeland en de gemeente Noordoostpolder een bestuurlijke "Maatwerkovereenkomst stedelijk water" ondertekend. Door ondertekening van deze bestuursovereenkomst zijn tussen de waterbeheerder en de gemeente afspraken gemaakt over de invulling van de gezamenlijke taakuitoefening voor het beheer en onderhoud van het stedelijk water. De beoogde doelen op strategisch, tactisch en operationeel niveau ten aanzien van het stedelijk water zijn daardoor beter verankerd. Verdere actualisatie met het oog op onder andere de klimaatadaptatie is verwerkt in het gezamenlijk door het Waterschap Zuiderzeeland en gemeente Noordoostpolder opgesteld Watertakenplan Noordoostpolder 2019 2024. Op grond van onder meer de Waterwet is voor gemeenten, naast het inzamelen en transporteren van vrijkomend stedelijk afvalwater een formele taak weggelegd voor het afvoeren van overtollig regenwater. In zoverre het inzamelen en transporteren van relatief schoon regenwater buiten de afvalwaterstroom doelmatig kan worden uitgevoerd, vindt deze gescheiden van de afvoer van het stedelijk afvalwater plaats. Het "gebiedseigen water" wordt op plaatsen waarvoor mogelijkheden aanwezig zijn, vastgehouden en geborgen in aanwezig stedelijk water en/of retentiestroken.
Het bergen en vasthouden van regenwater op locatie mag niet leiden tot (water)overlast voor de woonomgeving. Tot slot heeft de gemeente een watertaak waterhuishoudkundige maatregelen te treffen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming(en) zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. In de Keur van het Waterschap Zuiderzeeland, onderdeel uitmakend van de Waterwet, is aangegeven wat wel en niet mag bij waterkeringen en wateren (de zogenaamde waterstaatswerken). De waterschapsverordening vervangt de Keur bij inwerkingtreding van de Omgevingswet. 6.3.4
Waterwet
De Waterwet (2009) stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering' centraal. Eén van de voornaamste veranderingen, naast invoering van de watervergunning, is de verbeterde doorwerking van water in andere beleidsterreinen, met name het ruimtelijke domain. 6.3.5
Nationaal Waterprogramma 2022-2027
Het Nationaal Waterprogramma (NWP) 2022-2027 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2016-2021 en het Beheer en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren 2016-2021. Het NWP komt voort uit de Waterwet en met het oog op de Omgevingswet zijn deze twee plannen samengevoegd tot één programma. In het NWP staan de internationale verplichtingen voortkomend uit de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingsrisico's (ROR) en de Kaderrichtlijn Maritieme Strategie (KRM). Het Nationaal Waterprogramma geeft op hoofdlijnen het beleid aan van het Rijk in de periode 2022 - 2027. Door klimaatverandering, bodemdaling, milieuverontreiniging, het verlies aan biodiversiteit en ruimtedruk worden de wateropgaven steeds groter en complexer. De opgaven zijn complex door deze in samenhang met de opgaven voor energietransitie, de woningbouw, de transitie van het landelijk gebied en de verouderde infrastructuur aan te pakken. Bij de ruimtelijke inrichting van Nederland zijn daarvoor water en bodem leidend. Het vraagt daarvoor in te zetten op klimaat- en landbouwtransitie en herstel voor natuur. 6.3.6
Waterbeheerprogramma Waterschap Zuiderzeeland
Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WPB3) bevat lange termijn doelen (zichtjaar 2050), doelen voor de planperiode (2022-2027) en maatregelen die het waterschap (samen met gebiedspartners) uit gaat voeren. De doelen en maatregelen hebben betrekking op de kerntaken van het waterschap (waterveiligheid, schoon water, voldoende water) en het thema water en ruimte. Hierbij gaat het om reguliere werkzaamheden, zoals peilbeheer, onderhoud aan dijken en het zuiveren van afvalwater en om nieuwe ontwikkelingen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
53
Bestemmingsplan "Bant, Oost - fase 3" Vastgesteld
6.4
Beschrijving van het watersysteem
6.4.1
Veiligheid/Waterkeringen
Doordat het plan zich niet bevindt binnen de kern-, vrijwarings- of buitenbeschermings- zone van een waterkering, is het plan niet van invloed op de veiligheid van een waterkering. 6.4.2
Wateroverlast
Streefbeeld Het watersysteem, zowel in landelijk als stedelijk gebied is op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen.
Als uitgangspunt voor de nieuw te ontwikkelen woonwijk geldt het principe "waterneutraal bouwen". De planontwikkeling ligt in een watersysteem dat op basis van de toetsing in 2012 voldoet aan de normering voor wateroverlast. Zo'n systeem is robuust, dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Bij ingrijpend wijzigen van de bestaande situatie door het aanbrengen van verhard oppervlak (gebouwen en verharding) en het dempen van bestaande watergangen moeten compenserende maatregelen worden uitgevoerd. Tijdens neerslaggebeurtenissen moet de nieuw in te richten woonwijk voldoende zijn berekend op het voldoende kunnen bergen en het daarbij voorkomen van afwenteling naar het omliggend gebied. Het plangebied moet zelf "zijn eigen broek ophouden" om het aangrenzend gebied niet te confronteren met wateroverlast ten gevolge van de planontwikkeling. Bij de inrichting van het plangebied wordt rekening gehouden met een referentiebui. Aan de hand van de door het KNMI geschetste scenario's voor toekomstige ontwikkeling van het klimaat moet worden voldaan aan de daarvoor gevraagde wateropgave. Na voltooiing van de tweede fase voor Bant-Zuidoost vindt in oostelijke richting verdere uitbreiding plaats.
Bedoeling is het nieuw aan te leggen groen grasveld ten oosten van het te bouwen appartementencomplex te benutten voor retentie. Het bestaande dwarsprofiel van de bestaande kavelsloot tussen Bant-Zuidoost fase 2 en de nieuwe uitbreiding wordt opgeschoond en verruimd en functioneert als waterberging. Deze watergang vangt het overtollige water van de bestaande groene infiltratiestrook in fase 2 en het nieuw aan te leggen infiltratieveld op. Voor het onderhoud van de watergang wordt ruimte gereserveerd aan de zijde van de bestaande groenstrook. De bestaande kavelsloot tussen het nieuw te ontwikkelen woningbouwplan en het bedrijventerrein verdwijnt. De sloot wordt verplaatst naar het noorden ter plaatse van de nieuwe overgang tussen het nieuwe bedrijventerrein en het te ontwikkelen woningbouwplan. Deze sloot verliest haar agrarische afvoerfunctie en wordt in het stedelijk plan opgenomen als functie voor waterberging. De resterende landbouwkavel krijgt aan de zuidzijde een kavelsloot. Na uitvoering van een geohydrologisch onderzoek wijst het huidige verloop van de grondwaterstanden uit dat aanleg van aanvullende ontwateringsmiddelen (drainage) noodzakelijk zijn om wateroverlast te voorkomen. Het overtollige grondwater kan door drainage of het DT-riool afgevoerd worden naar de centrale infiltratiestrook en/of de aanwezige watergangen in het plangebied.
Op grond van de doeleindenomschrijving zijn binnen de bestemmingen "Bos", "Groenvoorzieningen" en "Sportvoorzieningen" waterhuishoudkundige voorzieningen mogelijk. Binnen deze bestemmingen is het mogelijk zorg te dragen voor de verdere afvoer van het overtollige regen- en/of grondwater. Door de watergangen binnen het plan op te nemen als waterhuishoudkundige voorzieningen is sprake van een goede borging van het watersysteem. 6.4.3
Goed functionerend watersysteem
Streefbeeld Het watersysteem zorgt in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en maakt het realiseren van het (maatschappelijk) gewenste grond- en oppervlaktewaterregime (GGOR) mogelijk. Daarvoor zijn goede leef, verblijf - en voortplantingsmogelijkheden voor de aquatische flora en fauna in het beheergebied van belang. Het vereist het watersysteem ecologisch gezond in te richten door bij de dimensionering van het watersysteem rekening te houden met de te verwachten waterkwaliteit. De feitelijke
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
54
Bestemmingsplan "Bant, Oost - fase 3" Vastgesteld situatie van het watersysteem moet overeenkomen met de legger van het Waterschap Zuiderzeeland, waardoor het waterschap weloverwogen kan anticiperen op en reageren in extreme situaties. Randvoorwaarden Het waterschap streeft naar een robuust en klimaatbestendig watersysteem met grote peilvakken. Versnippering van het watersysteem is een ongewenste situatie. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan op bestaande peilvakken en de inrichting wordt afgestemd op de functie van het water. In nieuwe watersystemen wordt gestreefd naar aaneengesloten waterelementen met een minimum aantal duikers en/of andere kunstwerken en zonder doodlopende einden. Het watersysteem wordt dusdanig ingericht dat het goed controleerbaar en beheersbaar is. Overname stedelijk water Met het oog op de uiteindelijke overname van het beheer en onderhoud van nieuw (stedelijk) water is het nodig dat het waterschap betrokken wordt bij de uitwerking van het plangebied naar een definitieve ontwerp van het watersysteem. Dit definitieve ontwerp behoeft de ambtelijke goedkeuring van het waterschap om overname uiteindelijk mogelijk te maken.
Het gebied watert af op de Lemstervaart met een streefpeil van NAP -5,70 meter, een peil waarvan de nieuwe uitbreiding van Bant Zuidoost onderdeel uitmaakt. De bestaande gemiddelde maaiveldhoogte bedraagt circa NAP -3,85 meter. De toekomstige maaiveldhoogte verhoudt zich tot de voltooide fase voor Bant Zuidoost. Rekening houdend met een gesloten grondbalans is uitgangspunt deze maaiveldhoogte vast te stellen op NAP -3,50 meter. Het plangebied voldoet daarmee ruimschoots aan een gemiddelde drooglegging van tenminste 1,00 meter. Om te voldoen aan de noodzakelijke ontwateringsnorm is voor woningen met kruipruimten een ontwateringsdiepte van 0,70 meter vereist. Aan deze vereiste ontwateringsdiepte in het te ontwikkelen plan wordt aan deze voorwaarde ruimschoots voldaan. In het plan is voldoende ruimte voor water opgenomen om een T^00 bui te bergen. Daarvoor staat de bestaande afvoerende duiker met een diameter 500 mm in verbinding staat met de Lemstervaart in de Lage Afdeling. Bij het planontwerp is geanticipeerd op een voldoende robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen (tenminste klimaatscenario 2050) kan opvangen. Waar het verharde oppervlak als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling toeneemt, worden daarvoor voldoende compenserende maatregelen genomen om piekafvoeren door het watersysteem voldoende te laten opvangen.
Het plangebied ligt momenteel in landelijk gebied, maar verandert door de ontwikkeling in stedelijk gebied. De netto toename in verhard oppervlak neemt als gevolg van de ontwikkeling toe met meer dan 750 m2. Hiervoor is compensatie noodzakelijk. Aan de hand van het ruimtegebruik van de plankaart is het verhard oppervlak vastgesteld. De parkeerkoffers worden uitgevoerd in halfverharding. Voor de berekening van de toename van het verhard oppervlak in het plangebied zijn deze halfverhardingen volledig als verhard oppervlak meegerekend. Door aanleg van bestrating in de openbare ruimte neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met ca 9.370 m2. In het plangebied worden 68 woningen gebouwd met een gemiddeld oppervlak van de uitgeefbare kavels van: 7 vrijstaande woningen 22 twee onder één kappers 4 patiowoningen 23 rijtjes woningen 12 appartementen
669 m2 369 m2 297 m2 173 m2 118 m2
4.863 m2 8.118 m2 1.188 m2 3.979 m2 1.416 m2 4 Totaal
19.384 m2
Het bedrijventerrein krijgt een oppervlak van circa 10.377 m2. Voor het vaststellen van de benodigde watercompensatie voor het ontwikkelen van woningbouw en bedrijventerrein, is het plangebied gelegen in een peilgebied, waarbij 5,5'^ van de netto toename aan verharding als open water moet worden gecompenseerd. Voor de woningbouw wordt gerekend met een verhard oppervlak van 19.384 m2 x 45'^ (30'^ daken en 15'^ verhard oppervlak eigen terrein) = 8.723 m2 + 9.370 m2 = 18.093 m2 x 5,5'^ = 995 m2. Voor het bedrijventerrein wordt gerekend met een verhard oppervlak van 10.377 x 90'^ = 9.339 m2 x 5,5'^ = 514 m2.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
55
Bestemmingsplan "Bant, Oost - fase 3" Vastgesteld
In het totale plan is voor woningbouw en het bedrijventerrein een wateropgave van 995 m2 + 514 m2 = 1.509 m2 nodig voor het in het plan te reserveren ruimte voor watercompensatie. Voor de binnen het plangebied aanwezige watergangen geldt een landbouwkundige afvoernorm van 1,5 ltr/sec/ha naar het aangrenzende watersysteem. In overleg met het waterschap moet nader bepaald worden, in hoeverre een debietgestuurde constructie geïnstalleerd moet worden. Naast de aanleg van het stedelijk water wordt een infiltrerend groen grasveld ten oosten van het te bouwen appartementencomplex ingericht als retentie. De toplaag van de retentie vereist een goede infiltratie en staat in direct contact met het eerste watervoerende pakket. De retentie moet zich binnen 24 uur kunnen ledigen. Het vraagt de aanplant van bomen in de directe nabijheid van de groenstrook te beperken. Bladval in de retentie kan leiden tot dichtslibbing van de toplaag en geeft een verslechtering van de infiltratie. Bij het ontwerp van een nieuw watersysteem moet rekening worden gehouden met de hoeveelheid kwel en de kwelwaterkwaliteit. Het plangebied ligt in een gebied met kwel van matige tot slechte kwaliteit. Het waterschap wordt daarbij vroegtijdig betrokken voor advies over het ontwerp van het nieuwe watersysteem. 6.4.4
Goed omgaan met afvalwater
Streefbeeld Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met regulering of behandeling van afvalwater (huishoudelijk afvalwater, vervuild hemelwater en bedrijfsafvalwater) dat deze verontreinigingen op het ontvangend oppervlaktewater zoveel mogelijk worden voorkomen.
Het opgevangen hemelwater wordt binnen het plangebied in de daarvoor te realiseren ruimte als gebiedseigen water geborgen en niet afgevoerd naar de afvalwaterzuiveringsinstallatie te Tollebeek. De afvoer van het hemelwater in het plangebied vindt bij voorkeur bovengronds plaats in het plangebied naar het aan te leggen infiltratieveld. Door het toepassen van bovengrondse afvoer kan het regenwater vertraagd afvoeren naar het infiltratieveld of de binnen het stedelijk gebied aanwezige watergangen. Bijkomend voordeel daarbij is, dat de kans op eventuele foutieve aansluitingen op de riolering tot een minimum worden beperkt. De situatie binnen het plangebied leent zich niet door voor alle kavels en wegen het regenwater bovengronds af te voeren. Voor die situaties wordt gebruik gemaakt van een ondergronds drainagetransportleiding (DT-riool). In het ontwerp van het watersysteem wordt uitgegaan van het principe "schoon houden, scheiden, zuiveren". Verontreinigingen worden voorkomen of aangepakt bij de bron door het gebruik van uitlogende bouwmaterialen, bijvoorbeeld zinken dakgoten, te vermijden. Het aantal aanwezige parkeerplaatsen op één locatie is minder dat 50 parkeerplaatsen, waardoor het afvoerend regenwater zonder voorzuivering mag worden afgevoerd naar het ontvangend oppervlaktewater.
Het afvalwater wordt afgevoerd via een aan te leggen rioleringsstelsel en aangesloten op het bestaande DWAstelsel van Bant. Het bestaande stelsel is vervolgens aangesloten op het ten zuiden van de splitsing van de Dwarsstraat en de Oostakker aanwezig rioolgemaal van het waterschap om vanaf deze voorziening afgevoerd te worden naar de afvalwaterzuiveringsinstallatie te Tollebeek. Door deze behandeling in de afvalwaterketen vindt in het plangebied zelf geen onoverkomelijke vuillast op het aanwezige oppervlaktewater plaats.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
56
Bestemmingsplan "Bant, Oost - fase 3" Vastgesteld
Hoofdstuk 7 7.1
Juridische aspecten en planverantwoording
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
7.2
Opzet van de regels
7.2.1.
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 7.2.2
Inleidende regels (begripsbepalingen en wijze van meten); Bestemmingsregels; Algemene regels (o.a. afwijkingsregels); Overgangs- en slotregels. Algemene regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: ^ Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. ^ Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. De op de verbeelding of in de regels aangegeven bouwhoogte wordt gemeten vanaf peil tot het hoogste punt (exclusief elementen zoals een schoorsteen, liftopbouw en dergelijke). 7.2.3
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: ^ ^ ^
Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd is hierin vastgelegd. Specifieke gebruiksregels: omschrijving van gebruiksactiviteiten die niet zijn toegestaan. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
57
Bestemmingsplan "Bant, Oost - fase 3" Vastgesteld 7.2.4
Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: ^ Anti-dubbeltelregel (Artikel 9) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. ^ Algemene gebruiksregels (Artikel 10) Deze regel is opgenomen om aan te geven welk gebruik in elk geval strijdig is met de aan de grond gegeven bestemming; ^ Algemene afwijkingsregels (Artikel 11) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. ^ Overige regels (Artikel 12) In dit artikel is aangegeven dat de wettelijke regeling waarnaar in de regels van het plan wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan. Daarnaast zijn er regels opgenomen omtrent parkeren. 7.2.5
Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
7.3
Verantwoording van de regels
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. In dit geval is qua systematiek rekening gehouden met het bestemmingsplan "Bant" om zo voor het hele dorp een soortgelijk juridisch-planologisch regime te hebben. Bedrijventerrein - 2 (Artikel 3)
De gronden voor de uitbreiding van het bedrijventerrein zijn voorzien van de bestemming 'Bedrijventerrein 2'. Deze bestemming is op soortgelijke manier vormgegeven als in het bestemmingsplan "Bant". Binnen de bestemming Bedrijventerrein - 2 zijn bedrijven toelaatbaar t/m categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, met dien verstande dat in dit geval de functie 'Groothandel in kunstmeststoffen' niet is opgenomen in de Staat van bedrijfsactiviteiten. Deze functie wordt op deze locatie niet wenselijk geacht. In beginsel zijn detailhandelsbedrijven niet toegestaan, met uitzondering van detailhandelsactiviteiten op het gebied van de verkoop van auto's, boten, caravans, landbouwvoertuigen en gebruikte goederen (kringloop) en grove bouwmaterialen alsmede detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, bewerkt of gemonteerd. Voor een nadere beoordeling over de toelaatbaarheid van de bedrijven is een Staat van Bedrijfsactiviteiten van belang. Naast een omschrijving van de soort/aard van toelaatbaar te achten bedrijven bevat deze Staat BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
58
Bestemmingsplan "Bant, Oost - fase 3" Vastgesteld
indicaties voor de in acht te nemen afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk. Deze afstanden hebben betrekking op dan wel vloeien voort uit bepaalde activiteiten van het gemiddeld te achten bedrijf in die sector. Een gebouw dient binnen een bouwvlak te worden gebouwd. De bouwvlakken liggen op 5 meter van de grenzen van de bestemmingsvlakken. Dit is in lijn met de overige bedrijfskavels op het bestaande bedrijventerrein. Om op eenvoudige wijze te kunnen inspelen op nieuwe ontwikkelingen, is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen. Via afwijking kunnen bedrijven worden toegelaten die naar de aard van de bedrijvigheid alsmede qua bedrijfsomvang vergelijkbaar zijn met de toegestane bedrijven. Voorwaarde is wel dat deze bedrijven qua hinder en of gevaar geen onevenredige afbreuk doen aan het woon- en leefmilieu. Bedrijfswoningen zijn niet toegestaan. Tenslotte kan nog worden opgemerkt dat de vestiging van Wgh-inrichtingen is uitgesloten. Deze bedrijven komen in het plangebied niet voor, noch zijn zij daar gewenst. Dit geldt ook voor Bevi-inrichtingen. Bos (Artikel 4)
De bestaande bestemming 'Bos' aan de oostzijde van het plangebied is meegenomen in dit bestemmingsplan, omdat deze rand binnen de verkavelingsschets valt. Op deze manier wordt het volledige plangebied voorzien van een actueel juridisch-planologisch kader. Bos en (hoog)opgaande afschermende beplanting vallen binnen de bestemming bos. Ook zijn speelvoorzieningen, paden en andere voorzieningen toegestaan. Er zijn bouwregels opgenomen voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Gebouwen zijn niet toegestaan. Groen (Artikel 5)
De gronden gelegen tussen de woonkavels en aan de noord-, oost- en zuidrand van het plangebied hebben de bestemming 'Groen' gekregen. De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, het behoud, herstel en ontwikkeling van ecologische waarden, kunstwerken, nutsvoorzieningen, evenementen en speelvoorzieningen met daarbij behorende bouwwerken geen gebouwen zijnde, andere-werken, parkeerplaatsen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen en wadi's, voet- en fietspaden en in- en uitritten ten behoeve van aangrenzende percelen. Binnen deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd. Voor de speeltoestellen en speelvoorzieningen, kunstwerken, licht- en vlaggenmasten gelden aparte bouwhoogten. Tuin (Artikel 6)
De gronden die zijn gelegen voor de woningen hebben de bestemming 'Tuin' gekregen. Uitgangspunt is dat daar geen gebouwen worden opgericht, doch met afwijking kan worden toegestaan dat bouwwerken als erkers en entreepartijen worden gebouwd. Tevens is het middels afwijking van de gebruiksregels mogelijk dat de gronden ten dienste van wonen worden gebruikt. Verkeer (Artikel 7)
De wegen in het plangebied hebben de bestemming 'Verkeer' gekregen. De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen en straten, voet- en rijwielpaden, kunstwerken, nutsvoorzieningen evenementen. Verder zijn de hierbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bruggen, viaducten en landhoofden daar onder begrepen, andere-werken, watergangen en waterhuishoudkundige voorzieningen, groenvoorzieningen en parkeervoorzieningen toegestaan. Binnen de bestemming 'Verkeer' mogen geen gebouwen worden opgericht. Bouwwerken, geen gebouw zijnde zijn wel toegestaan. Voor licht- en vlaggenmasten en bruggen en viaducten gelden aparte bouwhoogten.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
59
Bestemmingsplan "Bant, Oost - fase 3" Vastgesteld Wonen (Artikel 8)
De woningen in het plangebied zijn bestemd als wonen. De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen in woningen met daarbijbehorende gebouwen en bijbehorende bouwwerken, bouwwerken geen gebouwen zijnde, andere-werken, tuinen, erven en paden, waterhuishoudkundige voorzieningen en parkeervoorzieningen. Binnen deze bestemming mogen alleen bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd. Als hoofdgebouwen mogen uitsluitend woonhuizen worden gebouwd. Een hoofdgebouw dient binnen een bouwvlak te worden gebouwd. Door middel van aanduidingen is op de verbeelding per bouwvlak aangegeven welk type woningen er zijn toegestaan. De type woningen zijn grotendeels flexibel vastgelegd, waardoor er kan worden geschakeld naar de woonwensen die er zijn. Daarnaast is door middel van aanduidingen de maximale goot- en bouwhoogte aangegeven. Ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken om het bouwvlak met maximaal 1,5 meter te overschrijden ten opzichte van hetgeen dat op de verbeelding is aangegeven. Op die manier ontstaat er enige flexibiliteit voor het bouwplan van het appartementengebouw. Bijbehorende bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan bij woonhuizen en dienen minimaal 1 meter achter de voorgevel van de woning te worden gebouwd.
De maximale oppervlakte bedraagt 50% van het bij de woning behorende achtererfgebied met een maximum van 100 m2. De oppervlakte van binnen het bouwvlak gebouwde bijbehorende bouwwerken telt niet mee in de bepaling van de gezamenlijke oppervlakte. Bij een woning mag onder voorwaarden een aan huis verbonden beroep- of bedrijfsactiviteit worden uitgevoerd. ter plaatse van de aanduiding 'uitgesloten - voor bewoning bedoelde bouwwerken' zijn geluidgevoelige objecten niet toegestaan en dienen de gronden in het kader van artikel 2 lid 3 en artikel 2 lid 22 van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht niet te worden beschouwd als erf in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht. In het bestemmingsplan is de mogelijkheid voor twee huishoudens in een vrijstaande woning opgenomen. Dit is geregeld met afwijkend gebruik, zodat nog een toets moment kan plaatsvinden. Tussen deze twee huishoudens moet sprake zijn van een familierelatie (of daaraan gelijk te stellen samenlevingsverband) in de eerste of tweede graad. Verder moet het gaan om een locatie waar een vrijstaande woning staat of mag worden gebouwd. Voor de meergeneratiewoning mag ook aangebouwd worden. De bouwregels voor één vrijstaande woning zijn hierop van toepassing. Bijvoorbeeld de bouwhoogte van de aanbouw moet 20% lager zijn dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw.
De massa van de meergeneratiewoning moet ogen als één woning. Het parkeren voor het meergeneratie wonen moet op eigen terrein plaatsvinden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
60
Bestemmingsplan "Bant, Oost - fase 3" Vastgesteld
Hoofdstuk 8 8.1
uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. Het eigendom van gronden in het plangebied is in gemeentelijke handen en om die reden kan worden afgezien van vaststelling van een exploitatieplan. Voor dit planvoornemen is daarom een grondcomplex ingesteld met bijbehorende grondexploitatie. Hierin is de verantwoording van de kosten en opbrengsten opgenomen. De exploitatie is sluitend. Het plan is dan ook economisch uitvoerbaar. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is op grond van artikel 6.12 Wro geen exploitatieplan nodig. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.