CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

6.6 Bijlage bij toelichting 3. Quickscan Wet natuurbescherming Westerringweg 11 Creil.pdf

Gemeenteraad 6 maart 2023, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 6: Bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Westerringweg 11 te Creil' (huisvesting 150 arbeidsmigranten)7.014 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Blom Ecologie b.v. Buro SRO B.V.

ADVIES k ONDERZOEK

T.a.v. dhr. R. van der Made 't Goylaan 11

Zandweg 46

3525 AA Utrecht

4181 PM Waardenburg

10418 82Û288

Datum

17 september 2020

Kenmerk

BE/2020/594/r

Uw kenmerk

Email d.d. 31-07-2020

Auteur(s)

M.A. Brinkbaumer

Collegiale toets

ir. T.W.D. Schrader

e infc@blomecotagíe.n] i www.blomecologie.nl

KvK 67221904 BTW 856882999B01 IBAN NL21RABÜ0314240683

Quickscan Wet natuurbescherming Westerringweg 11 te Creil Aan de Westerringweg 11 te Creil is een boerenerf met bedrijfswoning, drie schuren, een kleine carport en een met zeil bedekte kas gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de schuren, carport en kas op de planlocatie te saneren ten behoeve van huisvesting van arbeidsmigranten. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Buro SRO B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan.

Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: ^ Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?

CCO-IO-giľ (de; v) 1 wetenschap die de betrekkingen tussen de organismen en hun omgeving bestudeert 2 die betrekkingen zelf; iXO-IO-gtSi'h (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) 1 m.b.t. de ecologie, 2 milieuvriendelijk; flo-ľfí (de, v(m); meervoud: flora's) 1 alle planten van een bep. gebied, 2 boek dat de opsomming en beschrijving ervan bevat; filll-ìUÌ (de; v(m); meervoud: fauna's) 1 de dierenwereld van een gebied.

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Westerringweg 11 te Creil (figuur 1) en betreft een boerenerf met bedrijfswoning, drie schuren, carport en kas. De woning is opgetrokken uit gemetselde muren met dakpannen zadeldak en de schuren zijn opgetrokken uit damwand muren met golfplaten zadeldaken. Verdere omschrijving van de bebouwing wordt gegeven op pagina 3. Het perceel is verhard tussen de bebouwing maar is ook grotendeels overwoekerd door braam en brandnetel. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto's opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door uitgestrekte akkerlanden. De dichtstbijzijnde bosrijke omgeving is gelegen op minimaal 8 km ten noordoosten of zuiden. Op een afstand van ca. 3,5 km ten westen van de planlocatie is het IJsselmeer gelegen. Het dichtstbijzijnde oppervlaktewater is de Creilerdwarstocht op ca. 190 m ten oosten van de planlocatie. De dichtstbijzijnde autosnelweg is de A6 gelegen op ca. 7,5 km ten oosten van de planlocatie.

2

Figuur 1

De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Westerringweg 11 te Creil (bron kaartmateriaal: arcgis.com).

Figuur 2

Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.

Figuur 3

Fotografische onderbouwing van de bebouwing op de planlocatie.

Opbouw van bebouwing Gebouw A:

Bedrijfswoning opgetrokken uit gemetselde muren met spouw met dakpannen zadeldak (blijft behouden). Gebouw B: Carport opgetrokken uit houtenpanelen op gemetselde fundering met golfplaten zadeldak. Gebouw C: Schuur opgetrokken uit damwandmuren met golfplaten zadeldak en gevelbeplating. Zowel muren als dak bevatten van binnen sandwichpanelen. Gebouw D: Schuur opgetrokken uit damwand muren met golfplaten zadeldak. Gebouw E: Gekoppelde schuur opgetrokken uit damwandmuren met golfplatenzadeldaken en gevelbeplating Gebouw F: Kas bestande uit stalen frame bedekt met zeil.

Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft het saneren van vier schuren, een carport en een kas ter behoeve van huisvesting van arbeidsmigranten. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: ^ ^ • • •

saneren van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2020 en is uitgevoerd door M.A. Brinkbaumer. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 1/8 bewolkt, 350 Celsius en windkracht 0-1 (Bft).

3

Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.

In de verordening Ruimte van de provincie Flevoland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Flevoland. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis Bastaardkikker Gewone pad Ree Bosmuis

Haas

Rosse woelmuis

Bruine kikker Bunzing Dwergmuis

Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander

Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos

Dwergspitsmuis

Konijn Meerkikker

Wezel Woelrat

Egel

(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het 'nee, tenzij'-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht.

4

(c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare

per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime 'Andere soorten') geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten Binnen een straal van 2,5 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde vaatplanten niet bekend (NDFF 2010-2020). Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen hiervan aangetroffen. De planlocatie is een deels verharde voedselrijke kleigrond waardoor er geen geschikte groeiplaatsen aanwezig zijn van beschermde vaatplanten. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante kruiden zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: aardappel, akkerdistel, braam, grote brandnetel, paardenbloem, rode klaver, smalle weegbree en veldzuring. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen.

De planlocatie is omringd door een bomenlaan bestaande uit eik, berk, es en populier. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten.

5

Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2,5 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bosmuis, bruine rat, egel, haas, mol, otter, veldmuis, en vos (NDFF 2010-2020). Voor de otter geldt dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. De otter komt enkel voor in schone aaneengesloten watergangen met voldoende vis. Op de planlocatie is geen sprake van oppervlaktewater met de dichtstbijzijnde watergang op een afstand van 190 meter van de planlocatie. Derhalve is het voorkomen van de otter op de planlocatie per definitie uitgesloten. Gelet op het gebruik van de locatie en de afwezigheid van gunstige migratieroutes in de directe omgeving van de locatie is het aannemelijk dat soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten niet op de locatie voorkomen. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.

Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Binnen een straal van 2,5 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: bosvleermuis, gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis (NDFF 2010-2020). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BĮ112 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Op de planlocatie zijn de bomen bekeken op de geschiktheid van boomholten welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats. Op de planlocatie gaan geen bomen weg welke voor vleermuizen geschikte boomholten bevatten welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats. De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen.

Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden. Zo'n verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. De bedrijfswoning (A) heeft beschikt over een spouw en dakruimte. Įn de muren zijn geen open stootvoegen of gaten waargenomen welke toegang kunnen bieden tot de spouwruimte. De kantpannen aan de noordelijke gevel kieren echter aanzienlijk. Hier zouden vleermuizen mogelijk verblijfplaatsen kunnen vinden. De bedrijfswoning blijft echter behouden waardoor er geen vaste rust- en/of verblijfplaatsen van vleermuizen weggenomen worden ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Schuur D heeft als enige schuur gevelbeplating aan de binnenzijde van de muren en dakbeschot. Deze beplating/beschot is aanwezig in de vorm van sandwich panelen en ontbreekt op een deel van de muur (figuur 4).

6

Tussen deze sandwichpanelen en de golfplaten is een ruimte van ca. 20 cm beschikbaar, deze staat echter direct open aan tochtstromen aangezien de schuur ten alle tijden open staat. Op de plaats waar deze panelen ontbreken is een oud duivennest waargenomen en meerdere krijtsporen. De aanwezigheid van (broed-)vogels op deze plaats, de hoge temperaturen tussen de sandwichpanelen en de golfplaten, de instroom van tocht en het ontbreken van geschikte invliegopeningen maakt dat het niet geschikt is als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Derhalve zijn vleermuisverblijfplaatsen in dit gebouw uitgesloten. De overige bebouwing op de planlocatie is opgetrokken uit enkelwandige damwandplaten of houten panelen waar geen geschikte rust- en/of verblijfplaatsen van vleermuizen in aanwezig kan zijn. De gevel beplating van gebouw C en E zijn afgedicht aan de onderzijde waardoor het niet mogelijk is voor vleermuizen om hier verblijfplaatsen te vinden (figuur 5).

Figuur 5

7

Weergave van de afdichting van de gevelbeplating in schuur C en E op de planlocatie.

Wegens het ontbreken van geïsoleerde muren met spouw is het voor vleermuizen ónmogelijk om in de te saneren bebouwing een geschikte rust- of verblijfplaats te vinden. Het is uit te sluiten dat de bebouwing op de planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. De populieren langs de Westerringweg zijn mogelijk een vliegroute, de planlocatie verbindt echter niet met geschikt foerageergebied. Derhalve heeft de planlocatie geen functie als essentiële vliegroute. Mogelijk dat incidenteel foerageeractiviteit plaatsvind op de planlocatie, echter is vanwege voldoende vergelijkbaar (en beter geschikt) foerageergebied in de directe omgeving er geen sprake van essentieel foerageergebied. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden.

De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën Binnen een straal van 2,5 km is de aanwezigheid bekend van de bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en rugstreeppad (NDFF 2010-2020). Voor de rugstreeppad geldt dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. De rugstreeppad is een pioniersoort die voorkomt op vergraafbare gronden met ondiepe poelen als voortplantingswater.

De rugstreeppad koloniseert gemakkelijk nieuwe gebieden en wordt derhalve geregeld aangetroffen op bouwterreinen. De planlocatie is grotendeels verhard en zijn geen plaatsen aanwezig waar tijdelijke poelen ontstaan. Derhalve is op de planlocatie momenteel geen sprake van geschikt leefgebied echter wordt geadviseerd preventieve maatregelen te nemen om kolonisatie te voorkomen op het bouwterrein (zie te treffen maatregelen). Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen op de planlocatie. De planlocatie is verhard en wordt intensief gebruikt, waardoor veel verstoringen optreden. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van 2,5 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2010-2020). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers.

Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Binnen een straal van 2,5 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 2010-2020). Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkeling

8

bevindt zich geen oppervlaktewater. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2,5 km is de aanwezigheid van beschermde insecten of ongewervelden niet bekend (NDFF 2010-2020). Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: blauwe reiger, boerenzwaluw, buizerd, huismus, huiszwaluw, kauw en zwarte kraai. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten.

Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). In de tuin van de bedrijfswoning zijn ca. 5 huismussen waargenomen. Aangezien de bedrijfswoning als enige dakbeschot bevat met dakpannen is het aannemelijk dat hier huismusnesten aanwezig zijn. Deze woning blijft echter volledig behouden waardoor deze huismusnesten niet verwijderd worden. De overige bebouwing op de planlocatie beschikt niet over dakbeschot waardoor het niet mogelijk is voor huismussen om te nestelen in de bebouwing. De tuin van de woning blijft behouden, derhalve leidt de beoogde ontwikkeling niet tot aantasting van essentieel leefgebied. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De bedrijfswoning is de enige stenige bebouwing op de planlocatie en heeft enkel kierende kantpannen boven overstek. Dit overstek bevindt zich op ca. 2,5 m hoogte en is derhalve van onvoldoende hoogte voor gierzwaluwen om uit te vliegen. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluwnesten op de planlocatie uitgesloten worden.

De bebouwing op de planlocatie is beperkt geschikt voor gebouwbewonende uilensoorten als steenuil en kerkuil aangezien het grotendeels afgesloten is. Enkel de carport (B), schuur C en schuur D bevatten open delen. Echter zijn er enkel in schuur D sporen aangetroffen in de vorm van braakballen en krijtsporen van kerkuil (figuur 6). De braakballen leken echter in redelijk vergane staat te verkeren. Over het algemeen hebben uilen meerdere rustplekken waardoor er niet verwacht wordt dat er sprake is van een vaste rust- en/of verblijfplaats. Indicaties voor een eventueel nest van beide soorten zijn niet aangetroffen.

9

Figuur 6

Braakballen en uitwerpselen welke kerkuil aanwezigheid indiceren.

Tijdens het veldbezoek is geconstateerd dat schuur D geveegd is geweest. Hierdoor zijn oudere sporen niet zichtbaar geweest. Ondanks dat er geveegd is zijn er toch ongeveer 10 braakballen waargenomen, derhalve is het aannemelijk dat er sprake is van een frequent bezochte rustplaats. Om vast te stellen wat de exacte functie is voor kerkuilen dient er in het kader van de Wet natuurbescherming aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden (zie vervolgstappen). Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Op de planlocatie is geen sprake van functioneel leefgebied van roofvogelsoorten. Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of in kunstwerken als bruggen of stuwen. Voor deze soort zijn op de planlocatie geen geschikte nestlocaties of functioneel leefgebied aanwezig. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten.

De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 3,6 km ligt het Natura 2000gebied 'Jsselmeer' (figuur 7). Op een afstand van circa 2,8 km ligt het Natuurnetwerk Nederland (figuur 8).

10

Figuur 7

De planlocatie ligt op een afstand van circa 3,6 km tot het Natura 2000-gebied 'Ijsselmeer' (bron: arcgis.com).

Figuur 8

De planlocatie ligt op een afstand van circa 2,8 km tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: nnn.flevoland.nl).

Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep.

11

De beoogde ontwikkeling betreft de sanering van een carport, drie schuren en een kas ten behoeve van huisvesting van arbeidsmigranten. Ten opzichte de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het 'projecteffect'). In de handreiking 'woningbouw en AERIUS' (Rijksoverheid januari 2020) wordt uitgegaan van de volgende kengetallen: ^ ^ ^

Emissie woning tijdens gebruiksfase: geen; Emissie uit verkeer tijdens gebruiksfase: 0,27 kg NOx per woning; Emissie uit de aanlegfase (mobiele werktuigen en transport): 3 kg NOx per woning.

Gezien er sprake is van een grote afstand (3,8 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en in de gebruiksfase sprake is van een afname in stikstofemissie wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven.

Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Mochten er toch kapwerkzaamheden op de planlocatie plaatshebben, vallen deze onder type b (houtopstanden op erven of in tuinen). Het kappen/verwijderen van houtopstanden op de planlocatie is derhalve niet meldingsplichtig in het kader van de Wet natuurbescherming. Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.

12

Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden om vast te stellen welke functie de planlocatie heeft voor kerkuilen. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS berekening, Voortoets en/of 'nee, tenzij'-toets is niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

broedvogels (j)

Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort

broedvogels (a)

vissen

reptielen

amfibieën

insecten en ongewervelden

Soortenbescherming - = ongeschikt + = geschikt n (nee)/ j (ja)/ m (maatregelen)

vaatplanten

Legenda

vleermuizen

Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna en ook de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap. (a) algemene broedvogel en cat. 5 soorten, (j) jaarrond beschermde nesten, cat. 1 t/m 4 soorten. grondgebonden zoogdieren

Tabel 2

+

+

n

j

Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort

-

-

Geschikt habitat Andere soort

-

-

Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk

n

n

Gebiedsbescherming

afstand

effecten

nader onderzoek

Natura 2000

3,6 km

geen

n.v.t.

Natuurnetwerk Nederland

2,8 km

geen

n.v.t.

Houtopstanden

aanwezig

kap

melding

Struiken

ja

ja

n.v.t.

Bomen

ja

ja

n.v.t.

-

n

-

-

-

-

-

-

-

-

n

n

n

n

Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor de kerkuil (soortenbescherming). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden.

13

Conclusie De ontwikkeling aan de Westerringweg 11 te Creil is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). Vervolgstappen ^ Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar kerkuilen. Aanvullend onderzoek naar uilen toetst de aan- of afwezigheid van rust en/of verblijfplaatsen of overige functionele onderdelen van het leefgebied op de planlocatie. Het aanvullende onderzoek betreft 3 gerichte veldbezoeken. Het onderzoek kan uitgevoerd worden gedurende het gehele jaar met optimale periode begin februari tot eind augustus. Het aanvullende onderzoek betreft gerichte veldbezoeken in de avondschemer, vanaf een halfuur na zonsondergang tot middernacht. De inventarisatie vindt plaats door inspectie van de verblijfplaats(en), zichtwaarnemingen en navraag bij betrokken en/of relevante instanties. Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. ^ Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten.

^ Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Ten aanzien van kerkuilen dienen twee nestkasten gerealiseerd te worden binnen een straal van 200 meter van de planlocatie buiten de verstoringsgrens. • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden. Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht.

BIJ12, 2017. Kennisdocument Kerkuil Tyto alba, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. - Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht.

14

Limpens, H., K. Mostert k W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.ndff.nl www.nnn.flevoland.nl www.ravon.nl www.vleermuisprotocol.nl www.zoogdiervereniging.nl

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V., M.A. Brinkbaumer Auteur

Blom Ecologie B.V., ir. T.W.D. Schrader Collegiale toets

Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Ecologie rugstreeppad

© Blom Ecologie B.V. Zandweg 46a - 4181 PM Waardenburg Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.

15

Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.

16

Bijlage 1 Fotografische impressie

17

Figuur 1

De planlocatie is gelegen aan de Westerringweg 11 te Creil en bestaat uit een boerenerf met bedrijfswoning, carport, drie schuren en kas.

Figuur 2

De planlocatie is tussen de bebouwing volledig verhard.

18

Figuur 3

De planlocatie is deels overwoekerd door braamstruiken.

Figuur 4

De planlocatie grenst aan agrarisch gebied met enkel bomenlanen langs wegen en percelen.

Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit 'Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen' van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.

19

Stap 4b. Is er sprake van een wettelijk belang? Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4b). 4

Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a.

er bestaat geen andere bevredigende oplossing;

b.

zij is nodig: l0.

in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;

20.

in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;

30.

ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen,

40.

ter bescherming van flora of fauna;

50.

voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van

visserij of wateren;

soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of 60.

om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan;

c.

de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort.

Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5b). 5

Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a.

er bestaat geen andere bevredigende oplossing;

b.

zij is nodig: l0.

in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of In

20.

ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen,

het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;

veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;

30.

in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;

40.

voor onderzoek en onderwijs, repopulatîe of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of

50.

om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;

c.

er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

20

Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2). 2

Artikel 3.8. met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a.

in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;

b.

ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen;

c.

ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;

d.

ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;

e.

in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of

f.

in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen,

bosbouw;

watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g.

in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of

h.

21

in het algemeen belang.

Bijlage 3 Ecologie rugstreeppad Herkenning De rugstreeppad (Epidalea calamita) is een middelgrote pad met een lengte van ongeveer 4,5 - 7 cm. De pad heeft vrij korte poten en heeft op de rug een karakteristieke lichtgele lengtestreep. Verder is de rug grijsbruin met groenige vlekken en heeft de buik een lichtgrijze kleur met grijszwarte vlekken. De ogen zijn geelgroen en hebben een horizontale pupil. Mannetjes zijn in de paartijd te onderscheiden van vrouwtjes door een paars/blauwe verkleuring van de keel. Gedurende het voortplantingsseizoen is tijdens de kooractiviteiten een typische en harde roep te horen die over een afstand van 1 - 3 km is waar te nemen (Creemers & Van Delft, 2009). De larven van rugstreeppad zijn maximaal 2,5 cm lang en zwart van kleur. Oudere larven hebben een lichte keelvlek en soms een streep over de rug (Diepenbeek & Creemers, 2006).

Gedrag De rugstreeppad is een typische pionierssoort die opportunistisch profiteert van tijdelijke gunstige omstandigheden. Veranderingen in weersomstandigheden als vocht en temperatuur vormen in sterke mate een trigger voor migratie, voortplanting en dergelijke. Onderstaande periodes zijn dan ook indicatief. Bij het koloniseren van nieuwe gebieden kunnen jonge rugstreeppadden afstanden tot wel 5 km afleggen (BĮ112 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). De overwintering vindt plaats van oktober/november tot en met maart. De eerste dieren kunnen vanaf begin maart de overwinteringslocatie verlaten om vervolgens al dan niet direct door te trekken naar de voortplantingslocaties. De voortplanting vindt plaats in de periode april - september met een hoogtepunt rond half april - mei. Het vaststellen van afwezigheid van rugstreeppadden kan middels drie gerichte (avond)veldbezoeken in de periode 15 april - juli (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Habitat en verblijfplaatsen De geprefereerde habitat van de rugstreeppad bestaat uit een dynamische omgeving met vergraafbaar zand of fijne grond. De verblijfplaatsen van de soort kunnen worden onderverdeeld in voortplantings-, zomer- en overwinteringshabitat. De voortplantingshabitat is aquatisch en na de voortplanting zijn rugstreeppadden hoofdzakelijk op het land te vinden.

Het functionele leefgebied bestaat ook uit het gebied tussen deze habitats (migratieroutes). De eitjes worden afgezet in veelal tijdelijke, ondiepe en wateren zonder vegetatie, waar weinig tot geen sprake is van concurrentie of predatie. Voorbeelden hiervan zijn greppels, rijsporen, regenplassen en geschoonde sloten. De zomer en- en winterlocaties bevinden zich op het land in hoogwatervrije terreinen. Voor de overwintering gebruikt de rugstreeppad bestaande (muizen)holletjes, graaft deze zich in de bodem of kruipt de rugstreeppad onder materialen als: stenen, boomstammen, banden en houtstapels. Voorwaarde voor de winterhabitat is dat deze locatie vorstvrij dient te zijn. Populatieomvang Rugstreeppadden verspreiden zich in diverse richtingen waardoor de minimale populatieomvang en bijbehorend oppervlakte voor de gunstige staat van instandhouding locaties specifiek is. Als vuistregel wordt gehanteerd dat een gezonde populatie uit minimaal 100 - 200 dieren bestaat en dat deze in verbinding staat met andere populaties (BĮJ12 Kennisdocument Rugstreeppad, 2017).

22

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/2006/documents/33519